← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 24 april 1986, op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen

Geldende tekst a fecha 2026-04-15

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing beter af te stemmen op verplichtingen van internationaal en interregionaal recht op het gebied van het verlenen van bijstand door Nederland aan andere staten bij de heffing van belastingen teneinde te bevorderen dat belastingschulden op het juiste bedrag kunnen worden vastgesteld en dat het ontgaan en ontwijken van belastingen wordt bestreden;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1
1.

De bepalingen van deze wet strekken tot uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie en andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.

2.

Onder de in het eerste lid bedoelde belastingen valt elke vorm van belastingen die door of namens een staat of de territoriale of bestuurlijke onderdelen van een staat, met inbegrip van de lokale overheden, worden geheven.

3.

Deze wet is niet van toepassing bij het verlenen van wederzijdse bijstand op het gebied van:

Bij toepassing van die verordeningen zijn de artikelen 8, derde lid, en 11 van overeenkomstige toepassing.

4.

Deze wet is niet van toepassing bij het verlenen van wederzijdse bijstand op het gebied van rechten bij invoer en rechten bij uitvoer met inbegrip van de belasting bij invoer, genoemd in artikel 22 van de Wet op de omzetbelasting 1968, en van accijns bij invoer, genoemd in artikel 62 van de Wet op de accijns.

Artikel 2
1.

Deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

2.

Wijzigingen van Richtlijn 2011/16/EU of Richtlijn (EU) 2015/849 gaan voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 3

Onze Minister wordt voor Nederland aangewezen als bevoegde autoriteit en centraal verbindingsbureau. Onze Minister is tevens verantwoordelijk voor de contacten met de Europese Commissie.

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 5

Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat deelt Onze Minister alle inlichtingen die hij in zijn bezit heeft of naar aanleiding van een administratief onderzoek verkrijgt en die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en handhaving van de nationale wetgeving van de verzoekende staat met betrekking tot de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, aan die bevoegde autoriteit mee.

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 6

Onze Minister kan in overleg met een bevoegde autoriteit gevallen of groepen van gevallen aanwijzen in welke hij zonder voorafgaand verzoek inlichtingen zal verstrekken, alsmede de voorwaarden bepalen waaronder de verstrekking zal geschieden.

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 7
1.

Onze Minister verstrekt de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat spontaan inlichtingen in de gevallen waarin:

2.

Onze Minister kan een bevoegde autoriteit van een andere staat uit eigen beweging inlichtingen verstrekken die voor haar van belang kunnen zijn bij de bepaling van een belastingschuld in de gevallen waarin:

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 8
1.

Onze Minister laat door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo nodig een onderzoek instellen ten behoeve van het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in deartikelen 5, 6, 6f, 6g, 6h of 7.

2.

Een onderzoek als bedoeld in het eerste lid kan ook plaatsvinden op verzoek van een bevoegde autoriteit van een verzoekende staat. Indien Onze Minister van oordeel is dat er geen administratief onderzoek nodig is, deelt hij de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat onmiddellijk de redenen daarvoor mee.

3.

Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek zijn de bepalingen van Hoofdstuk VIII, afdeling 2, met uitzondering van artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden administratieplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister dienen te worden verstrekt.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden belastingplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen die op henzelf betrekking hebben te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister dienen te worden verstrekt.

6.

Geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, alsmede tegen het onderzoek zelve.

Artikel 9
1.

Onze Minister kan door de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat worden verzocht, ter uitwisseling van inlichtingen in het kader van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, dat door de bevoegde autoriteit van die verzoekende staat gemachtigde ambtenaren overeenkomstig de door Nederland vastgestelde procedurele regelingen:

Indien de verlangde inlichtingen vermeld staan in bescheiden waartoe de ambtenaren, bedoeld in onderdeel a, toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat een afschrift van die bescheiden.

2.

Onze Minister reageert op een verzoek als bedoeld in het eerste lid binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van dat verzoek. Hij deelt de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat de inwilliging van het verzoek of de gemotiveerde weigering ervan mee.

3.

Indien door de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gemachtigde ambtenaren deelnemen aan een onderzoek, al dan niet met gebruik van elektronische communicatiemiddelen, kunnen zij met inachtneming van de door Nederland vastgestelde procedurele regelingen personen ondervragen en bescheiden onderzoeken.

4.

Ambtenaren uit de verzoekende staat die in Nederland aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijkt.

Artikel 10

Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 8 wordt ingesteld, is verplicht de ambtenaar van de rijksbelastingdienst alsmede de ambtenaar die ingevolge artikel 9 bij dit onderzoek aanwezig is, ten behoeve van dit onderzoek toegang te verlenen.

Artikel 11
1.

Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige, de administratieplichtige, de rapporterende financiële instelling of degene die de toegang, bedoeld in artikel 10g, moet verlenen, is te wijten dat de verplichtingen, bedoeld in artikel 8 en afdeling 4a en de op dat artikel en die afdeling berustende bepalingen en artikel 10g, niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist zijn of worden nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan Onze Minister hem, onderscheidenlijk haar, een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen.

2.

Indien het aan opzet of grove schuld van de intermediair of de relevante belastingplichtige is te wijten dat de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 4ab, en de daarop berustende bepalingen, niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist zijn of worden nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan Onze Minister hem een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen.

3.

Indien het aan opzet of grove schuld van de rapporterende platformexploitant, bedoeld in de artikelen 10j, eerste lid, 10k, eerste lid, en 10l, eerste en tweede lid, is te wijten dat de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 4ac, en de daarop berustende bepalingen, niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist zijn of worden nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan Onze Minister hem een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen.

4.

Indien het aan opzet of grove schuld van de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten, bedoeld in de artikelen 10ob, eerste en tweede lid, en 10od, vierde lid, is te wijten dat de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 4aca, en de daarop berustende bepalingen, niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig zijn of worden nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan Onze Minister hem een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen.

5.

Hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een bestuurlijke boete die op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid wordt opgelegd.

6.

In afwijking in zoverre van artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de verplichting is ontstaan.

7.

Hoofdstuk IX van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van het in artikel 69 van die wet genoemde vereiste dat het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 8, 10 en 10g en hoofdstuk II, afdelingen 4a, 4ab, 4ac en 4aca, en de op die artikelen en die afdelingen berustende bepalingen, met dien verstande dat voor de derde categorie en de vierde categorie de zesde categorie moet worden gelezen.

Artikel 12
1.

Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een staat gaat Onze Minister over tot betekening van stukken.

2.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder de betekening van stukken verstaan: de uitreiking aan de geadresseerde in Nederland van een door een administratieve autoriteit van een lidstaat uitgevaardigd document, houdende een akte of beslissing inzake de heffing van een belasting die valt onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.

3.

Onze Minister stelt de bevoegde autoriteit van een lidstaat onverwijld in kennis van het aan het verzoek gegeven gevolg en in het bijzonder van de datum waarop de akte of het besluit de geadresseerde ter kennis is gebracht.

Hoofdstuk III. Begrenzing van door Nederland te verlenen bijstand; wederkerigheid

Artikel 13

De colleges van gedeputeerde staten, de colleges van burgemeester en wethouders en de dagelijkse besturen van waterschappen verlenen desgevraagd hun medewerking aan de uitvoering van een verzoek om bijstand bij de heffing van belastingen.

Hoofdstuk IV. Geheimhouding; gebruik van inlichtingen

Artikel 14
1.

Onze Minister verstrekt geen inlichtingen indien de verstrekking daarvan niet strekt tot uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.

2.

Onze Minister behoeft geen inlichtingen te verstrekken indien:

3.

In geen geval kan het tweede lid zo worden uitgelegd dat de verstrekking van inlichtingen geweigerd kan worden uitsluitend omdat:

4.

Onze Minister deelt de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat mee op welke gronden hij het verzoek om inlichtingen afwijst.

5.

Dit artikel vindt geen toepassing ten aanzien van de inlichtingen, bedoeld in de artikelen 6b, 6c, 6d, 6e, 6f, 6g en 6h.

Artikel 15

Indien Onze Minister overeenkomstig de artikelen 5 of 7 inlichtingen verstrekt, kan hij de bevoegde autoriteit van de ontvangende staat om terugmelding betreffende de ontvangen inlichtingen verzoeken.

Hoofdstuk V. Slotbepaling

Artikel 16

Onze Minister verstrekt geen inlichtingen aan een bevoegde autoriteit indien de wetgeving van de staat van die autoriteit geen verplichting tot geheimhouding oplegt aan ambtenaren van de belastingadministratie van die staat met betrekking tot hetgeen hun wordt medegedeeld of blijkt bij de uitvoering van de belastingwetten van die staat.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Inkomsten uit spaargelden

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 4a. Definities

Vervallen

Artikel 4b. Uitbreiding definitie rentebetaling

Vervallen

Artikel 4c. Tijdelijk uitgezonderde schuldvorderingen

Vervallen

Artikel 4d. Uitbreiding definitie uitbetalende instantie

Vervallen

Artikel 4e. Icbe na keuze

Vervallen

Artikel 4f. Inperking definitie uiteindelijk gerechtigde

Vervallen

Artikel 4g. Identificatie door Nederlandse uitbetalende instantie

Vervallen

Artikel 4h. Vaststelling woonplaats door Nederlandse uitbetalende instantie

Vervallen

Paragraaf 2. Renseignering

Artikel 4i. Werkingssfeer

Vervallen

Artikel 4j. Renseignering door uitbetalende instantie

Vervallen

Artikel 4k. Renseignering door marktdeelnemer

Vervallen

Paragraaf 2. Renseignering

Artikel 4l. Woonplaatsverklaring ter voorkoming van inhouding van bronbelasting

Vervallen

Artikel 4m. Verplichtingen ten dienste van de renseignering

Vervallen

Artikel 4n. Bezwaar en beroep

Vervallen

Artikel 4o. Bestuurlijke boete

Vervallen

Artikel 4p. Strafrechtelijke bepaling

Vervallen

Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand

Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen

Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen

Artikel 6a

Vervallen

Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen

Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen

Hoofdstuk III. Begrenzing van door Nederland te verlenen bijstand; wederkerigheid

Hoofdstuk IV. Geheimhouding; gebruik van inlichtingen

Hoofdstuk IV. Geheimhouding; gebruik van inlichtingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7a

Onze Minister verstrekt de in artikel 7, eerste lid, bedoelde inlichtingen zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand nadat hij de inlichtingen beschikbaar krijgt, aan de autoriteit van de andere betrokken lidstaat.

Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen

Artikel 8a
1.

Onze Minister kan met de bevoegde autoriteit van één of meer andere staten overeenkomen om gelijktijdig, elk op het eigen grondgebied, bij één of meer personen ten aanzien van wie zij een gezamenlijk of complementair belang hebben, controles te verrichten en de aldus verkregen inlichtingen uit te wisselen.

2.

Onze Minister bepaalt welke personen hij voor een gelijktijdige controle wil voorstellen. Hij deelt de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staten met opgave van redenen mee welke dossiers hij voor een gelijktijdige controle voorstelt. Hij bepaalt binnen welke termijn de controles moeten plaatsvinden.

3.

Onze Minister beslist of hij aan een door een andere bevoegde autoriteit voorgestelde gelijktijdige controle wenst deel te nemen. Hij stuurt die bevoegde autoriteit binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het voorstel een bevestiging van deelname of een gemotiveerde weigering.

4.

Onze Minister wijst een vertegenwoordiger aan die voor Nederland wordt belast met de leiding en de coördinatie van de controle.

Hoofdstuk III. Begrenzing van door Nederland te verlenen bijstand; wederkerigheid

Hoofdstuk V. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5a
1.

Bij een verzoek om inlichtingen van de bevoegde autoriteit van een lidstaat verstrekt Onze Minister de inlichtingen, bedoeld in artikel 5, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst van het verzoek. Indien Onze Minister niet binnen die termijn van drie maanden aan het verzoek kan voldoen, deelt hij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek, mee aan de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat met vermelding van de datum waarop hij denkt aan het verzoek te kunnen voldoen, waarbij geldt dat aan het verzoek uiterlijk zes maanden na de datum van ontvangst van het verzoek dient te worden voldaan. In afwijking van de eerste en tweede zin verstrekt Onze Minister inlichtingen die reeds in zijn bezit zijn binnen twee maanden na de datum van ontvangst van het verzoek.

2.

In bijzondere gevallen kunnen Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat, andere dan de in het eerste lid vastgestelde termijnen overeenkomen.

3.

Onze Minister bevestigt aan de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat, indien mogelijk langs elektronische weg, onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk zeven werkdagen na ontvangst, de ontvangst van een verzoek.

4.

Onze Minister laat in voorkomend geval, uiterlijk een maand na ontvangst van een verzoek, aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat weten welke tekortkomingen het verzoek vertoont en welke aanvullende achtergrondinformatie hij verlangt. De in het eerste lid gestelde termijnen gaan in dit geval in op de datum waarop Onze Minister de nodige aanvullende informatie ontvangt.

5.

Indien Onze Minister niet over de gevraagde inlichtingen beschikt en niet aan het verzoek kan voldoen of het verzoek om de in artikel 14 genoemde redenen afwijst, deelt hij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek, aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat mee.

Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen

Artikel 6b
1.

Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van elke lidstaat automatisch alle inlichtingen waarover hij ten aanzien van ingezetenen van die andere lidstaat beschikt inzake de volgende specifieke inkomsten- en vermogenscategorieën:

2.

Onder beschikbare inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden inlichtingen verstaan die zich in de belastingdossiers van Nederland bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in Nederland.

3.

Inlichtingen inzake inkomsten- en vermogenscategorieën als bedoeld in het eerste lid worden niet automatisch verstrekt voor zover een lidstaat heeft aangegeven geen inlichtingen te willen ontvangen inzake een of meer van die categorieën.

4.

Onze Minister verstrekt de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na het verstrijken van het belastingjaar in de loop waarvan de inlichtingen beschikbaar zijn gekomen.

Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand

Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard

Afdeling 6. Algemene bepalingen

Artikel 17
1.

Inlichtingen die Onze Minister aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verstrekt ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU kunnen door die andere lidstaat tevens worden gebruikt:

2.

Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat toestemming verlenen de verstrekte inlichtingen voor andere dan de in het eerste lid bedoelde doeleinden te gebruiken. Deze toestemming wordt in ieder geval verleend, indien de inlichtingen in Nederland voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt.

3.

Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat een lijst mededelen van andere dan de in het eerste lid bedoelde doeleinden waarvoor de verstrekte inlichtingen kunnen worden gebruikt. De bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen ontvangt, kan deze zonder de toestemming, bedoeld in het tweede lid, overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat gebruiken voor alle doeleinden die in de lijst zijn medegedeeld.

4.

Onze Minister kan zich binnen vijftien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van een bevoegde autoriteit van een lidstaat, verzetten tegen het voornemen van die bevoegde autoriteit om de ontvangen inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat te verstrekken.

5.

Toestemming voor het overeenkomstig het tweede lid gebruiken van overeenkomstig het vierde lid doorgegeven inlichtingen kan alleen worden verleend door Onze Minister.

6.

Onze Minister kan aan de bevoegde autoriteit van een staat toestemming verlenen de inlichtingen voor een ander doel te gebruiken dan voor de heffing van belastingen die onder de reikwijdte vallen van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1.

7.

Onze Minister kan op een daartoe strekkend verzoek een bevoegde autoriteit van een staat toestemming verlenen de van hem ontvangen inlichtingen aan een bevoegde autoriteit van een andere staat te verstrekken.

Artikel 18

Indien Onze Minister een wederzijdse samenwerking aangaat met de bevoegde autoriteit van een staat die verder reikt dan de samenwerking die mogelijk is op grond van Richtlijn 2011/16/EU, gaat hij deze verder reikende samenwerking ook aan met een lidstaat die om deze samenwerking verzoekt.

Artikel 19
1.

Het meedelen van de gevraagde inlichtingen, bedoeld in artikel 5, de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 5a, derde lid, het verzoek om aanvullende achtergrondinformatie, bedoeld in artikel 5a, vierde lid, de mededeling dat niet of niet tijdig aan het verzoek kan of zal worden voldaan, bedoeld in artikel 5a, eerste en vijfde lid, en de beantwoording van een verzoek om een administratief onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden voor zover mogelijk langs elektronische weg en door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, gedaan.

2.

De verstrekking van inlichtingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, de beantwoording van het verzoek tot betekening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, het verzoek om terugmelding, bedoeld in artikel 15, eerste lid, het verlenen van de toestemming, bedoeld in artikel 17, tweede lid, het mededelen van de lijst, bedoeld in artikel 17, derde lid, het vragen van de toestemming, bedoeld in artikel 30, tweede lid, het doorgeven van de inlichtingen, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, de kennisgeving van het voornemen, bedoeld in artikel 30, zesde lid, en het doorgeven van de inlichtingen, bedoeld in artikel 31, tweede lid, worden door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, en voor zover mogelijk langs elektronische weg gedaan.

3.

De automatische inlichtingenuitwisseling, bedoeld in de artikelen 6b, 6c, 6d, 6e, 6f, 6g, 6h en 6i, wordt door middel van een standaardformulier, dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden, en voor zover mogelijk langs elektronische weg gedaan.

4.

Het standaardformulier, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, kan vergezeld gaan van verslagen, verklaringen en andere bescheiden, of van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan.

Artikel 20
1.

Onze Minister ziet af van iedere eis tot terugbetaling van kosten die uit de uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU voortvloeien, behalve in voorkomend geval van de kosten van aan deskundigen betaalde vergoedingen.

2.

Onze Minister en de verzoekende autoriteit van een staat kunnen afspraken maken over de vergoeding van kosten die samenhangen met het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1.

Artikel 21
1.

Een verzoek om wederzijdse bijstand, waaronder een verzoek tot betekening als bedoeld in artikel 12, eerste lid, en de bijgevoegde bescheiden kunnen in elke door Onze Minister en de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat overeengekomen taal zijn gesteld.

2.

Onze Minister kan in bijzondere gevallen een met redenen omkleed verzoek doen aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat om diens verzoek om bijstand vergezeld te laten gaan van een vertaling in het Nederlands.

Artikel 22

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 4bis. Gezamenlijke audits

Artikel 23
1.

Onze Minister kan een verzoek om inlichtingen doen aan de bevoegde autoriteit van een andere staat wanneer de gevraagde inlichtingen naar verwachting van belang zijn voor de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1.

2.

Voor een verzoek zijn de verzochte inlichtingen naar verwachting van belang indien Onze Minister op het moment van het verzoek van oordeel is dat er overeenkomstig de Nederlandse wetgeving een redelijke mogelijkheid bestaat dat de verzochte inlichtingen van belang zullen zijn voor de belastingaangelegenheden van een of meerdere belastingplichtigen, bij naam geïdentificeerd of anderszins, en het verzoek gerechtvaardigd is voor de doeleinden van het onderzoek.

3.

Om het verwachte belang van de verzochte inlichtingen aan te tonen, verstrekt Onze Minister ten minste de volgende inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat:

4.

Indien een verzoek betrekking heeft op een groep belastingplichtigen die niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, verstrekt Onze Minister aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat ten minste de volgende inlichtingen:

5.

Het in het eerste lid bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief onderzoek omvatten.

6.

Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat verzoeken om originele stukken toegezonden te krijgen.

7.

Onze Minister kan met de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat termijnen overeenkomen waarbinnen de gevraagde inlichtingen verstrekt worden.

Artikel 24
1.

In de gevallen waarin dat naar verwachting van belang is voor de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, kan Onze Minister zich, behalve uit eigen beweging, ook op verzoek van een college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders of een dagelijks bestuur van een waterschap tot de bevoegde autoriteit van een andere staat wenden met een verzoek om bijstand bij de heffing van belastingen of met een verzoek tot een administratief onderzoek.

2.

Een college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders en een dagelijks bestuur van een waterschap verstrekken alle inlichtingen die voor het doen van een verzoek om bijstand nuttig kunnen zijn.

3.

Wanneer een verzoek om bijstand bij de heffing van belastingen is gedaan op verzoek van een college van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en wethouders of een dagelijks bestuur van een waterschap, wordt dit college of dit bestuur onverwijld op de hoogte gesteld van de vragen en mededelingen van de aangezochte autoriteit van de staat waaraan het verzoek was gericht met betrekking tot de uitvoering van het verzoek om bijstand.

Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard

Artikel 25

Ingeval een richtlijn of een andere regeling van internationaal of interregionaal recht voorziet in het automatisch verstrekken van inlichtingen kan Onze Minister aan de bevoegde autoriteit van een staat meedelen dat hij geen automatische inlichtingen inzake bepaalde inkomsten- en vermogenscategorieën of inzake inkomsten en vermogens onder een minimumbedrag wenst te ontvangen.

Artikel 26

De ontvangst van spontaan verkregen inlichtingen wordt door Onze Minister onmiddellijk, doch in elk geval binnen zeven werkdagen na ontvangst aan de bevoegde autoriteit van de verstrekkende lidstaat bevestigd.

Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand

Artikel 27
1.

Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van een aangezochte staat verzoeken ter uitwisseling van inlichtingen in het kader van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, dat ambtenaren van de rijksbelastingdienst, dan wel andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat vastgestelde procedurele regelingen:

2.

Voor zover het in de aangezochte staat wettelijk is toegestaan, kunnen in het kader van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, de bij een administratief onderzoek aanwezige ambtenaren van de rijksbelastingdienst, dan wel andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen, personen ondervragen en bescheiden onderzoeken.

3.

Ambtenaren van de rijksbelastingdienst, dan wel andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen, die overeenkomstig het eerste lid in de aangezochte staat deelnemen aan een onderzoek, al dan niet met gebruik van elektronische communicatiemiddelen, kunnen overeenkomstig de door de aangezochte staat gestelde procedurele regelingen personen ondervragen en bescheiden onderzoeken.

Afdeling 5. Medewerking in het kader van te verlenen bijstand

Artikel 28

Op inlichtingen die door Onze Minister in het kader van wederzijdse bijstand van een bevoegde autoriteit van een andere staat zijn verkregen, alsmede op inlichtingen die op grond van de artikelen 8, 10b, 10c, 10g, 10h, 10j, 10l, 10ob en 10od zijn verkregen, is de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29
1.

Indien de bevoegde autoriteit van de staat die de inlichtingen heeft verstrekt hierom verzoekt, doet Onze Minister met inachtneming van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zo snel mogelijk, doch uiterlijk drie maanden nadat het resultaat van het gebruik van gevraagde of spontaan verkregen inlichtingen bekend is, een terugmelding naar de bevoegde autoriteit van de staat die de inlichtingen heeft verstrekt.

2.

Onze Minister doet eenmaal per jaar, overeenkomstig bilateraal overeengekomen praktische afspraken, een terugmelding over de automatische uitwisseling van inlichtingen naar de betrokken lidstaten.

Artikel 30
1.

Tenzij een bevoegde autoriteit van een andere staat anders bepaalt, kunnen de door haar aan Onze Minister verstrekte inlichtingen uitsluitend worden gebruikt voor de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, alsmede voor de vaststelling, tenuitvoerlegging en handhaving van de Nederlandse wetgeving met betrekking tot de omzetbelasting, andere indirecte belastingen, douanerechten en de bestrijding van witwassen van geld en financiering van terrorisme.

2.

Onze Minister kan aan een bevoegde autoriteit van een staat toestemming vragen de inlichtingen voor een ander doel te gebruiken dan voor de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1.

3.

Inlichtingen die aan Onze Minister zijn verstrekt ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU mogen behalve voor de in artikel 1 bedoelde doeleinden ook worden gebruikt:

4.

De bevoegde autoriteit van een andere lidstaat kan Onze Minister een lijst mededelen van andere dan de in het eerste en derde lid bedoelde doeleinden waarvoor de verstrekte inlichtingen kunnen worden gebruikt overeenkomstig de Nederlandse wetgeving. Onze Minister kan die inlichtingen zonder de toestemming, bedoeld in het tweede lid, gebruiken voor alle doeleinden die in de lijst zijn medegedeeld.

5.

Indien Onze Minister van oordeel is dat de van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU verkregen inlichtingen voor de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat van nut kunnen zijn voor de in het eerste of derde lid bedoelde doeleinden, mag hij de inlichtingen, met inachtneming van het zesde lid, aan deze derde lidstaat doorgeven, op voorwaarde dat dit in overeenstemming is met de vastgelegde voorschriften en procedures zoals opgenomen in Richtlijn 2011/16/EU.

6.

Onze Minister stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen heeft verstrekt in kennis van zijn voornemen om die inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat te verstrekken. Onze Minister verstrekt de inlichtingen niet aan de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat, indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen heeft verstrekt zich hiertegen verzet binnen vijftien kalenderdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van Onze Minister.

7.

Inlichtingen, verslagen, verklaringen en andere bescheiden, alsook voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die zijn verkregen ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU kunnen in Nederland op dezelfde voet als bewijs worden aangevoerd als soortgelijke inlichtingen, verslagen, verklaringen en andere bescheiden, alsook voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die zijn verkregen in Nederland zelf.

Artikel 31
1.

Indien Onze Minister van een staat inlichtingen ontvangt die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de Nederlandse wetgeving betreffende de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, kan hij deze inlichtingen verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor wie die inlichtingen van nut kunnen zijn, en aan elke verzoekende autoriteit van een lidstaat, mits dat krachtens een overeenkomst met de staat waar de inlichtingen vandaan komen, is toegestaan.

2.

Onze Minister kan, met inachtneming van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, ter uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU ontvangen inlichtingen doorgeven aan een staat, op voorwaarde dat:

Artikel 32
1.

Een verzoek om inlichtingen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, en een verzoek om een administratief onderzoek als bedoeld in artikel 23, tweede lid, worden voor zover mogelijk gedaan met gebruikmaking van een standaardformulier dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden en langs elektronische weg.

2.

De ontvangstbevestiging van spontaan verkregen inlichtingen, bedoeld in artikel 26, en de terugmelding, bedoeld in artikel 28, wordt met gebruikmaking van een standaardformulier dat voldoet aan de in of krachtens Richtlijn 2011/16/EU gestelde voorwaarden gedaan. Het formulier wordt voor zover mogelijk langs elektronische weg verzonden.

Artikel 33
1.

Een verzoek om inlichtingen als bedoeld in artikel 23 en de bijgevoegde bescheiden kunnen in elke door Onze Minister en de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat overeengekomen taal zijn gesteld.

2.

Onze Minister laat in bijzondere gevallen, op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat, het in het eerste lid bedoelde verzoek vergezeld gaan van een vertaling in de officiële taal of één van de officiële talen van de aangezochte staat.

Artikel 34

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Artikel 35

Verwijzingen naar Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (PbEG 1977, L 336) gelden als verwijzing naar Richtlijn 2011/16/EU.

Artikel 36
1.

Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

2.

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2a
1.

Voor de toepassing van dit artikel, artikel 2d, artikel 8, eerste lid, hoofdstuk II, afdelingen 4a en 4ab, en de daarop berustende bepalingen en artikel 10g wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en e, wordt de vestigingsplaats van een financiële instelling bepaald met inachtneming van bijlage II, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU.

3.

Een entiteit zonder fiscale woonplaats wordt, met inachtneming van bijlage II, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU, voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel q, behandeld als ingezetene van het rechtsgebied waar de plaats van de werkelijke leiding ervan is gelegen.

4.

Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt, waar direct of indirect wordt verwezen naar de bepalingen in de bijlagen I en II van Richtlijn 2011/16/EU, in de desbetreffende bepalingen, voor zover deze niet ook al op andere rechtsgebieden betrekking hebben, onder lidstaat mede verstaan andere rechtsgebieden dan de lidstaten.

5.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen p en q, wordt als deelnemend rechtsgebied mede aangemerkt een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan het land Nederland de informatie, bedoeld in de artikelen 10b en 10c, aan dat rechtsgebied zal verstrekken. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen p en q, wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel f, niet als deelnemend rechtsgebied aangemerkt een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied informatie als bedoeld in de artikelen 10b en 10c aan het land Nederland zal verstrekken, terwijl het land Nederland niet zodanige informatie hoeft te verstrekken aan dat rechtsgebied.

6.

Voor de toepassing van de artikelen 6c, 10a, 10b, 10d, 10e, 10h, 10i, 10j, 10l, 10oa, 10ob en 10od en de daarop berustende bepalingen wordt onder een fiscaal identificatienummer mede begrepen het functionele equivalent daarvan.

7.

Voor de toepassing van artikel 2d, artikel 8, eerste lid, en hoofdstuk II, afdeling 4ab, en de daarop berustende bepalingen wordt, waar direct of indirect wordt verwezen naar de bepalingen in bijlage IV van Richtlijn 2011/16/EU onder uiteindelijk begunstigden verstaan: uiteindelijk belanghebbenden.

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Paragraaf 2. Renseignering

Paragraaf 2. Renseignering

Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand

Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen

Afdeling 1. Op verzoek verstrekken van inlichtingen

Artikel 6c
1.

Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU en met inachtneming van de identificatie- en rapportagevoorschriften, bedoeld in artikel 10a, de bevoegde autoriteit van elke lidstaat automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 10b tot en met 10f, die betrekking hebben op ingezetenen van die andere lidstaat.

2.

Onze Minister verstrekt de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen jaarlijks binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben.

Afdeling 3. Spontaan verstrekken van inlichtingen

Artikel 10a

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften voor rapporterende financiële instellingen gegeven met het oog op het door die instellingen verstrekken van gegevens en inlichtingen als bedoeld in de artikelen 10b tot en met 10f en de identificatie van de te rapporteren rekeningen en te rapporteren personen en met het oog op de door Onze Minister te verstrekken informatie, bedoeld in de artikelen 10b en 10c, aan rechtsgebieden ten aanzien waarvan het land Nederland een verplichting heeft om die informatie te verstrekken.

Artikel 10b
1.

Een rapporterende financiële instelling verstrekt jaarlijks ter zake van elke bij haar aangehouden te rapporteren rekening aan Onze Minister de volgende gegevens en inlichtingen:

2.

Een rapporterende financiële instelling vermeldt bij de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, ten aanzien van elk bedrag de valuta waarin het bedrag is uitgedrukt.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister worden verstrekt.

Artikel 10c
1.

Een rapporterende financiële instelling verstrekt jaarlijks ter zake van elke bij haar aangehouden te rapporteren rekening aan Onze Minister, naast de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, de volgende gegevens en inlichtingen:

2.

Artikel 10b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, hoeft een rapporterende financiële instelling de bruto-opbrengsten niet te rapporteren voor zover zij die opbrengsten met toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 4aca, rapporteert, tenzij zij voor een bepaalde groep te rapporteren rekeningen anders besluit.

Artikel 10d
1.

In afwijking van artikel 10b, eerste lid, onderdelen a, b en c, is een rapporterende financiële instelling ter zake van een bestaande rekening niet verplicht het fiscale identificatienummer of de geboortedatum van de te rapporteren persoon of de rekeninghouder te verstrekken indien dat fiscale identificatienummer, onderscheidenlijk die geboortedatum, niet in het dossier van de rapporterende financiële instelling voorhanden is en de rapporterende financiële instelling niet uit hoofde van andere wetgeving of enig rechtsinstrument van de Europese Unie verplicht is dat gegeven te verzamelen.

2.

Een rapporterende financiële instelling verricht redelijke inspanningen om aan het einde van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin een bestaande rekening als te rapporteren rekening is aangemerkt en telkens wanneer de informatie betreffende die rekening op grond van het bij of krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme gestelde moet worden bijgewerkt het fiscale identificatienummer, bedoeld in het eerste lid, en de geboortedatum, bedoeld in het eerste lid, te verkrijgen.

Artikel 10e

In afwijking van artikel 10b, eerste lid, onderdelen a en c, is een rapporterende financiële instelling niet verplicht het fiscale identificatienummer van een te rapporteren persoon of een rekeninghouder te verstrekken indien de fiscale woonstaat van die te rapporteren persoon, onderscheidenlijk van die rekeninghouder, hem geen fiscaal identificatienummer heeft verstrekt.

Artikel 10f

In afwijking van artikel 10b, eerste lid, onderdeel b, is een rapporterende financiële instelling niet verplicht de geboorteplaats van een te rapporteren persoon te verstrekken, tenzij:

Afdeling 4b. Strafbepaling en betekening

Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard

Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 6. Algemene bepalingen

Afdeling 4ab. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies

Afdeling 1. Verzoeken om bijstand

Afdeling 4. Algemene bepalingen

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 34a
1.

De artikelen 2, eerste lid, onderdelen e en g, 4a tot en met 4k, 4m tot en met 4p, 6a en 14, vijfde lid, en de daarop gebaseerde bepalingen, zoals deze op 31 december 2015 luidden, zijn van overeenkomstige toepassing ter zake van rentebetalingen die vóór 1 januari 2016 hebben plaatsgevonden.

2.

De artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, 4l en 4n, zoals deze op 31 december 2015 luidden, zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek als bedoeld in artikel 4l in verband met rentebetalingen die zijn gedaan na 31 december 2015.

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2b
1.

Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 6d wordt verstaan onder een voorafgaande grensoverschrijdende ruling: een uitlating door of namens de inspecteur, dan wel Onze Minister, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt, die:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder een grensoverschrijdende transactie:

Artikel 2c
1.

Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 6d wordt verstaan onder een voorafgaande verrekenprijsafspraak: een uitlating door of namens de inspecteur, dan wel Onze Minister, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt, die:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder een grensoverschrijdende transactie:

3.

Lichamen zijn voor de toepassing van dit artikel gelieerde lichamen indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam of indien eenzelfde persoon onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het ene en het andere lichaam.

4.

Verrekenprijzen als bedoeld in het eerste lid zijn de prijzen die een lichaam aan gelieerde lichamen in rekening brengt voor de overdracht van materiële en immateriële goederen of voor het verlenen van diensten.

Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Paragraaf 2. Renseignering

Paragraaf 2. Renseignering

Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand

Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen

Artikel 6d
1.

Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van elke lidstaat en de Europese Commissie automatisch de volgende inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken:

2.

In afwijking van het eerste lid worden de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, h en k, niet aan de Europese Commissie verstrekt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een voorafgaande grensoverschrijdende ruling ingeval deze uitsluitend betrekking heeft op belastingzaken van een of meer natuurlijke personen, tenzij:

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken met derde landen indien het verdrag uit hoofde waarvan over de voorafgaande verrekenprijsafspraken is onderhandeld, niet toestaat dat deze verrekenprijsafspraken aan derden worden vrijgegeven. Ingeval de eerste volzin toepassing vindt, worden de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, verstrekt op basis van het verzoek dat tot de bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraak heeft geleid.

5.

Onze Minister verstrekt de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onverwijld zodra de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak is afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd en:

6.

Het derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op voorafgaande grensoverschrijdende rulings inzake bronbelasting op door niet-ingezetenen genoten inkomsten als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, onderdelen a, b en d.

Afdeling 3. Spontaan verstrekken van inlichtingen

Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard

Afdeling 4ab. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 4ad. Gegevensbescherming

Afdeling 1. Verzoeken om bijstand

Hoofdstuk IIIA. Overgangsrecht

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 6e
1.

Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU automatisch het door een rapporterende entiteit die fiscaal inwoner is van Nederland aan de inspecteur verstrekte landenrapport, bedoeld in artikel 29e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, aan de bevoegde autoriteit van elke lidstaat waarvan, blijkens de informatie in het landenrapport, een of meer groepsentiteiten van de multinationale groep van de rapporterende entiteit fiscaal inwoner zijn of waarin deze aan belasting zijn onderworpen met betrekking tot de activiteiten die via een vaste inrichting worden uitgeoefend.

2.

Onze Minister verstrekt het landenrapport, bedoeld in het eerste lid, binnen vijftien maanden na de laatste dag van het verslagjaar van de multinationale groep waarop het landenrapport betrekking heeft.

3.

Onze Minister stelt elke lidstaat in kennis van een bericht als bedoeld in artikel 29d, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

4.

Voor de toepassing van dit artikel worden de begrippen groepsentiteit, multinationale groep, rapporterende entiteit en verslagjaar opgevat in de zin van artikel 29b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Afdeling 3. Spontaan verstrekken van inlichtingen

Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand

Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand

Afdeling 4aa. Toegang tot antiwitwasinlichtingen

Afdeling 4aa. Toegang tot antiwitwasinlichtingen

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 1. Verzoeken om bijstand

Afdeling 4ad. Gegevensbescherming

Afdeling 4b. Strafbepaling en betekening

Afdeling 4b. Strafbepaling en betekening

Hoofdstuk IIIA. Overgangsrecht

Hoofdstuk IIIA. Overgangsrecht

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 10g
1.

Onze Minister verkrijgt met het oog op de tenuitvoerlegging en handhaving van de tot uitvoering van Richtlijn 2011/16/EU strekkende bepalingen van deze wet en de daarop berustende bepalingen en teneinde te waarborgen dat de administratieve samenwerking waarin Richtlijn 2011/16/EU voorziet, functioneert, desgevraagd binnen een door hem te stellen termijn en op een door hem te bepalen wijze toegang tot de mechanismen, procedures, documenten en overige inlichtingen, bedoeld in de artikelen 13, 30, 31, 32 bis en 40 van Richtlijn (EU) 2015/849, voor zover deze artikelen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op verkrijging van toegang met het oog op de tenuitvoerlegging en handhaving van artikel 2a en afdeling 4a en de daarop berustende bepalingen, alsmede met het oog op het nakomen van overeenkomsten met rechtsgebieden op grond waarvan het land Nederland de informatie, bedoeld in de artikelen 10b en 10c, aan die rechtsgebieden zal verstrekken.

Afdeling 4aa. Toegang tot antiwitwasinlichtingen

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2d
1.

Voor de toepassing van dit artikel, artikel 8, eerste lid, hoofdstuk II, afdeling 4ab, en de daarop berustende bepalingen en artikel 11 wordt verstaan onder:

2.

Voor zover voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, de main benefit test, bedoeld in bijlage IV, deel I, van Richtlijn 2011/16/EU, toepassing vindt, wordt aan die test voldaan indien kan worden aangetoond dat het belangrijkste voordeel dat of een van de belangrijkste voordelen die, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, redelijkerwijs te verwachten valt van een constructie het verkrijgen van een belastingvoordeel is.

Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Inkomsten uit spaargelden

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Paragraaf 3. Formele bepalingen

Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand

Artikel 6f
1.

Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van elke lidstaat automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 10h, tweede lid.

2.

Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, binnen een maand te rekenen vanaf het einde van het kwartaal waarin die gegevens en inlichtingen zijn verstrekt.

Afdeling 3. Spontaan verstrekken van inlichtingen

Afdeling 4a. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen volgens de Common Reporting Standard

Artikel 10h
1.

Een intermediair verstrekt aan Onze Minister over een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, waarvan hij kennis of bezit of waarover hij controle heeft, indien hij:

2.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn, voor zover van toepassing:

3.

De intermediair, bedoeld in het eerste lid, stelt in het geval van marktklare constructies elke drie maanden een periodiek verslag op met een overzicht van nieuwe meldingsplichtige gegevens en inlichtingen als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdelen a, b, e, h en i, waarvan hij sinds het laatst ingediende verslag kennis, bezit of controle heeft gekregen en verstrekt dit aan Onze Minister.

4.

Indien de intermediair, bedoeld in het eerste lid, op grond van een met artikel 8 bis ter, eerste of tweede lid, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling verplicht is de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, ook aan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat te verstrekken, worden die gegevens en inlichtingen alleen verstrekt aan de lidstaat die als eerste voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 8 bis ter, derde lid, van Richtlijn 2011/16/EU. De intermediair is ontheven van de verplichting, bedoeld in het eerste of derde lid, indien hij aannemelijk kan maken dat de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, aan de laatstbedoelde lidstaat zijn verstrekt.

5.

Artikel 53a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing. Als de intermediair, bedoeld in het eerste lid, zich op deze overeenkomstige toepassing beroept, stelt hij zijn cliënt, indien deze een intermediair is, of, bij gebreke daarvan, indien die cliënt de relevante belastingplichtige is, onverwijld in kennis van diens verplichtingen op grond van een met artikel 8 bis ter, eerste, tweede of zesde lid, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling.

6.

Bij afwezigheid van een intermediair geldt de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor de relevante belastingplichtige die:

7.

Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing ingeval naast de intermediair of intermediairs die zich ingevolge het vijfde lid op de overeenkomstige toepassing van artikel 53a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of op een bepaling als bedoeld in artikel 8 bis ter, vijfde lid, van Richtlijn 2011/16/EU beroept, onderscheidenlijk beroepen, geen andere intermediair bij dezelfde meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is betrokken.

8.

Indien de relevante belastingplichtige, bedoeld in het zesde lid, op grond van een met artikel 8 bis ter, zesde lid, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling verplicht is de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, ook aan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat te verstrekken, worden die gegevens en inlichtingen alleen verstrekt aan de lidstaat die als eerste voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 8 bis ter, zevende lid, van Richtlijn 2011/16/EU. De relevante belastingplichtige is ontheven van de verplichting, bedoeld in het zesde lid, indien hij aannemelijk kan maken dat de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, in de laatstbedoelde lidstaat zijn verstrekt.

9.

De intermediair, bedoeld in het eerste lid, is ontheven van de verplichting tot het verstrekken van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, indien hij aannemelijk kan maken dat die gegevens en inlichtingen op grond van een met artikel 8 bis ter, eerste of tweede lid, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling door een andere intermediair zijn verstrekt.

10.

Indien sprake is van meer dan één relevante belastingplichtige met betrekking tot een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie rust de verplichting tot het verstrekken van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, op de relevante belastingplichtige die als eerste voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 8 bis ter, tiende lid, van Richtlijn 2011/16/EU. De relevante belastingplichtige, bedoeld in het zesde lid, is ontheven van de verplichting tot het verstrekken van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, indien hij aannemelijk kan maken dat die gegevens en inlichtingen op grond van een met artikel 8 bis ter, zesde lid, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling door een andere relevante belastingplichtige zijn verstrekt.

11.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister worden verstrekt.

Afdeling 4b. Strafbepaling en betekening

Afdeling 4aa. Toegang tot antiwitwasinlichtingen

Afdeling 4ab. Verplichtingen ten behoeve van de automatische verstrekking van inlichtingen met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 4aca. Verplichtingen ten behoeve van de verzameling en verificatie van inlichtingen over gebruikers door rapporterende aanbieders van cryptoactivadiensten en de rapportage daarvan

Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand

Afdeling 4. Algemene bepalingen

Hoofdstuk IIIA. Overgangsrecht

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 10fa

Als sprake is van een overeenkomst of praktijk waarvan het primaire doel naar redelijkerwijs moet worden aangenomen is het omzeilen van een verplichting als bedoeld in deze afdeling of de daarop berustende bepalingen, geldt die verplichting alsof die overeenkomst, onderscheidenlijk die praktijk, er niet is.

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 6. Algemene bepalingen

Afdeling 4. Algemene bepalingen

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2e

Voor de toepassing van dit artikel, artikel 6g, artikel 8, eerste lid, hoofdstuk II, afdeling 4ac, en de daarop berustende bepalingen en artikel 11 wordt verstaan onder:

Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Paragraaf 3. Formele bepalingen

Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand

Artikel 5bis
1.

Voor een verzoek als bedoeld in artikel 5 zijn de verzochte inlichtingen naar verwachting van belang indien de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat op het moment van het verzoek van oordeel is dat er overeenkomstig haar nationale wetgeving een redelijke mogelijkheid bestaat dat de verzochte inlichtingen van belang zullen zijn voor de belastingaangelegenheden van een of meerdere belastingplichtigen, bij naam geïdentificeerd of anderszins, en het verzoek gerechtvaardigd is voor de doeleinden van het onderzoek.

2.

Om het verwachte belang van de verzochte inlichtingen aan te tonen, verstrekt de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat ten minste de volgende inlichtingen aan Onze Minister:

3.

Indien een verzoek als bedoeld in artikel 5 betrekking heeft op een groep belastingplichtigen die niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, verstrekt de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat aan Onze Minister ten minste de volgende inlichtingen:

Artikel 6g
1.

Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU en, indien de te rapporteren verkoper onroerende zaken verhuurt, in ieder geval aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de onroerende zaak is gelegen, automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 10j, tweede, derde, vijfde en negende lid, en 10l, derde en vijfde lid.

2.

Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen uiterlijk twee maanden na het einde van de rapportageperiode waarop de op de rapporterende platformexploitant toepasselijke rapportageverplichtingen betrekking hebben.

Afdeling 4bis. Gezamenlijke audits

Artikel 10i

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden verzamel- en verificatievereisten gesteld aan rapporterende platformexploitanten als bedoeld in de artikelen 10j, eerste lid, en 10l, tweede lid, met het oog op het door die platformexploitanten rapporteren van gegevens en inlichtingen als bedoeld in de artikelen 10j tot en met 10l, alsmede regels met betrekking tot de wijze waarop die gegevens en inlichtingen aan Onze Minister worden verstrekt.

Artikel 10j
1.

Een rapporterende platformexploitant die niet kiest voor rapportage in een andere lidstaat als bedoeld in artikel 10k rapporteert aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, met betrekking tot de rapportageperiode uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin een verkoper als te rapporteren verkoper is aangemerkt, ingeval die rapporterende platformexploitant fiscaal ingezetene is van Nederland of, indien dat niet het geval is en die rapporterende platformexploitant ook geen fiscaal ingezetene is van een lidstaat, voldoet aan de voorwaarde dat:

2.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot de rapporterende platformexploitant zelf:

3.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU van een lidstaat en een andere relevante activiteit heeft verricht dan de verhuur van onroerende zaken:

4.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die een andere relevante activiteit heeft verricht dan de verhuur van onroerende zaken en die ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels van een niet-Unierechtsgebied dat een van kracht zijnde adequate overeenkomst heeft met Nederland die voorziet in de wederkerige uitwisseling van gelijkwaardige inlichtingen tussen Nederland en die staat:

5.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU van een lidstaat en als relevante activiteit de verhuur van onroerende zaken heeft verricht:

6.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn met betrekking tot elke te rapporteren verkoper die als relevante activiteit de verhuur van onroerende zaken heeft verricht en die ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels van een niet-Unierechtsgebied dat een van kracht zijnde adequate overeenkomst heeft met Nederland die voorziet in de wederkerige uitwisseling van gelijkwaardige inlichtingen tussen Nederland en die staat:

7.

De inlichtingen met betrekking tot de tegenprestatie die is betaald of gecrediteerd in een fiduciaire valuta worden gerapporteerd in de munt waarin zij is betaald of gecrediteerd. Ingeval de tegenprestatie is betaald of gecrediteerd in een andere vorm dan een fiduciaire valuta, worden de inlichtingen gerapporteerd in de lokale munt, waarbij zij worden omgezet of gewaardeerd in die munt op een door de rapporterende platformexploitant consistent vastgestelde wijze.

8.

De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het eerste lid, is ontheven van de verplichting tot het rapporteren van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede, derde,vierde, vijfde en zesde lid, aan Onze Minister indien hij aannemelijk maakt dat die gegevens en inlichtingen bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid op grond van een met artikel 8 bis quater, eerste lid, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling door een andere rapporterende platformexploitant zijn gerapporteerd.

9.

In afwijking van het derde lid, onderdeel a, en het vijfde lid, onderdeel a, rapporteert de rapporterende platformexploitant de naam van de te rapporteren verkoper, de identificatiecode of identificatiecodes van de identificatiedienst voor rapporterende platformexploitanten en de lidstaat of lidstaten van afgifte indien de rapporterende platformexploitant gebruik heeft gemaakt van een identificatiedienst voor rapporterende platformexploitanten om de identiteit en alle fiscale woonplaatsen van de te rapporteren verkoper vast te stellen.

Artikel 10k
1.

Een rapporterende platformexploitant die zowel in Nederland als in een of meer andere lidstaten voldoet aan een met bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 4, subonderdeel a, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling kiest in welke van die lidstaten hij de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 10j, tweede, derde en vijfde lid, rapporteert.

2.

De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het eerste lid, stelt alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten ten aanzien waarvan hij voldoet aan een met bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 4, subonderdeel a, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling in kennis van zijn keuze als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10l
1.

Een rapporterende platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, punt 4, subonderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU registreert zich bij de aanvang van zijn activiteit als rapporterende platformexploitant of op het moment waarop hij als rapporterende platformexploitant kwalificeert bij de bevoegde autoriteit van een lidstaat.

2.

Indien de rapporterende platformexploitant, bedoeld in het eerste lid, ervoor kiest zich in Nederland te registreren, kent Onze Minister hem een individueel registratienummer toe. Onze Minister deelt dit individueel registratienummer via elektronische weg mee aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten.

3.

De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, verstrekt aan Onze Minister de volgende inlichtingen:

4.

De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, stelt Onze Minister in kennis van iedere wijziging die zich voordoet ten aanzien van de inlichtingen, bedoeld in het derde lid.

5.

De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, rapporteert aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het derde lid en in artikel 10j, derde, vijfde of negende lid, met betrekking tot de rapportageperiode uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper als te rapporteren verkoper is aangemerkt.

6.

De rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, rapporteert aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het derde lid en in artikel 10j, vierde en zesde lid, met betrekking tot de rapportageperiode uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper als te rapporteren verkoper is aangemerkt.

7.

In afwijking van het vijfde lid is de rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid, niet verplicht de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 10j, derde, vijfde of negende lid, aan Onze Minister te rapporteren die betrekking hebben op gekwalificeerde relevante activiteiten die vallen onder een van kracht zijnde adequate overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten, die reeds voorziet in de automatische uitwisseling van gelijkwaardige inlichtingen met een lidstaat over te rapporteren verkopers die ingezetene zijn van die lidstaat.

8.

Artikel 10j, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rapporterende platformexploitant, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 10m
1.

Onze Minister verwijdert een rapporterende platformexploitant uit het centraal register indien:

2.

Indien de rapporterende platformexploitant, bedoeld in artikel 10l, tweede lid, na twee aanmaningen van Onze Minister niet voldoet aan de rapportageverplichting, bedoeld in artikel 10l, derde tot en met vijfde lid, trekt Onze Minister de registratie, bedoeld in artikel 10l, tweede lid, in.

3.

De intrekking, bedoeld in het tweede lid vindt niet eerder plaats dan na het verstrijken van dertig dagen na de tweede aanmaning en niet later dan na het verstrijken van negentig dagen na die aanmaning.

4.

Een rapporterende platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 4, subonderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU ten aanzien van wie de registratie is ingetrokken op grond van een met artikel 8 bis quater, vierde lid, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling, kan zich enkel in Nederland registreren indien hij aan Onze Minister passende waarborgen verstrekt inzake zijn vaste voornemen om te voldoen aan de rapportageverplichtingen, bedoeld in artikel 10l, derde tot en met vijfde lid.

Artikel 10n

Indien Onze Minister vaststelt dat een platformexploitant een uitgesloten platformexploitant is, stelt hij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan, alsmede van eventuele latere wijzigingen, in kennis.

Artikel 10o

Onverminderd artikel 10p, verstrekt een rapporterende platformexploitant als bedoeld in de artikelen 10j, eerste lid, en 10l, tweede lid, de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 10j, derde, vierde, vijfde en zesde lid, uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de verkoper is aangemerkt als een te rapporteren verkoper tevens aan de te rapporteren verkoper waarop die gegevens en inlichtingen betrekking hebben.

Artikel 10p

Elke rapporterende financiële instelling als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, intermediair als bedoeld in artikel 10h, eerste lid, rapporterende platformexploitant als bedoeld in de artikelen 10j, eerste lid, of 10l, tweede lid, of rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten als bedoeld in de artikelen 10ob, eerste of tweede lid, of 10od, vierde lid, is gehouden:

Artikel 10q
1.

Indien een gegevensinbreuk in Nederland plaatsvindt, meldt Onze Minister die inbreuk en alle daaropvolgende corrigerende maatregelen onverwijld aan de Europese Commissie.

2.

Indien de gegevensinbreuk niet onmiddellijk en op passende wijze onder controle kan worden gebracht, verzoekt Onze Minister de Europese Commissie schriftelijk om een schorsing van de toegang tot het CCN-netwerk voor de toepassing van deze wet.

3.

Onze Minister kan de uitwisseling van inlichtingen met een lidstaat waar een gegevensinbreuk heeft plaatsgevonden schorsen door de Europese Commissie en de betrokken lidstaat daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Een dergelijke schorsing wordt onmiddellijk van kracht.

Afdeling 5. Medewerking in het kader van te verlenen bijstand

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 1. Verzoeken om bijstand

Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen

Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand

Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand

Afdeling 4. Algemene bepalingen

Hoofdstuk IIIA. Overgangsrecht

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 10bis
1.

Onze Minister kan door de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten worden verzocht een gezamenlijke audit uit te voeren.

2.

Onze Minister reageert op het verzoek binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van dat verzoek. Onze Minister kan het verzoek om gemotiveerde redenen verwerpen.

3.

Een gezamenlijke audit die in Nederland plaatsvindt, wordt uitgevoerd op een vooraf door Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten overeengekomen en gecoördineerde wijze, met inbegrip van taalregelingen, en in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving en de in Nederland geldende procedures.

4.

Onverminderd het derde lid:

5.

Onze Minister wijst een vertegenwoordiger aan die voor Nederland wordt belast met het toezicht op en de coördinatie van de activiteiten van een gezamenlijke audit in Nederland.

6.

De rechten en plichten van door de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten gemachtigde ambtenaren die deelnemen aan een gezamenlijke audit in Nederland worden, in geval van hun aanwezigheid bij die activiteiten, vastgesteld overeenkomstig de Nederlandse wetgeving. De ambtenaren zijn gehouden aan de Nederlandse wetgeving en oefenen in ieder geval geen bevoegdheden uit die verder gaan dan de bevoegdheden die aan hen krachtens de wetgeving van hun lidstaat zijn verleend.

Artikel 10ter
1.

Indien wordt overgegaan tot een gezamenlijke audit als bedoeld in artikel 10bis, eerste lid, streeft Onze Minister ernaar met de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten overeenstemming te bereiken over:

2.

De bevindingen van de gezamenlijke audit worden opgenomen in een eindverslag.

3.

In het eindverslag worden ook de punten opgenomen waarover Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten het eens zijn. Deze punten worden in aanmerking genomen bij de relevante instrumenten die Onze Minister naar aanleiding van de gezamenlijke audit kan uitvaardigen.

4.

De geauditeerde persoon wordt binnen zestig dagen na het uitbrengen van het eindverslag in kennis gesteld van het resultaat van de gezamenlijke audit en krijgt een kopie van dat eindverslag.

5.

De handelingen die Onze Minister verricht naar aanleiding van een gezamenlijke audit, alsmede eventuele verdere procedures, vinden plaats overeenkomstig de Nederlandse wetgeving.

Afdeling 4aa. Toegang tot antiwitwasinlichtingen

Afdeling 1. Verzoeken om bijstand

Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen

Afdeling 3a. Gezamenlijke audits

Artikel 27a

Onze Minister kan de bevoegde autoriteit van een lidstaat verzoeken een gezamenlijke audit uit te voeren.

Afdeling 4. Algemene bepalingen

Hoofdstuk IIIA. Overgangsrecht

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2f

Voor de toepassing van dit artikel, artikel 6h, artikel 8, eerste lid, hoofdstuk II, afdeling 4aca, en de daarop berustende bepalingen, artikel 10r en artikel 11 wordt verstaan onder:

Artikel 2g

Voor de toepassing van dit artikel, artikel 6i, artikel 8, eerste lid en artikel 13a wordt verstaan onder:

Hoofdstuk IA. Reikwijdte van inlichtingenuitwisseling

Afdeling 2. Inkomsten uit spaargelden

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Paragraaf 3. Formele bepalingen

Hoofdstuk II. Vormen van door Nederland te verlenen bijstand

Afdeling 2. Automatisch verstrekken van inlichtingen

Artikel 6h
1.

Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU met betrekking tot een persoon van een lidstaat aan de bevoegde autoriteit van de betreffende lidstaat automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 10ob, derde, vierde en vijfde lid, en 10od, vierde en vijfde lid.

2.

Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen jaarlijks binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben.

Artikel 6i
1.

Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU automatisch uit de bij de inspecteur ingediende bijheffing-informatieaangifte:

2.

Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de termijn voor het te rapporteren verslagjaar, dan wel, indien die termijn is verstreken zonder dat de bijheffing-informatieaangifte met betrekking tot dat verslagjaar bij de inspecteur is ingediend, uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijheffing-informatieaangifte bij de inspecteur is ingediend.

3.

In afwijking van het tweede lid verstrekt Onze Minister:

Afdeling 3. Spontaan verstrekken van inlichtingen

Afdeling 4. Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand

Afdeling 4ac. Verplichtingen ten behoeve van de verzameling en verificatie van inlichtingen over verkopers door rapporterende platformexploitanten en de rapportage daarvan

Artikel 10oa

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden verzamel- en verificatievereisten gesteld aan rapporterende aanbieders van cryptoactivadiensten als bedoeld in de artikelen 10ob, eerste en tweede lid, en 10od, vierde lid, met het oog op het door die aanbieders van cryptoactivadiensten rapporteren van gegevens en inlichtingen als bedoeld in de artikelen 10ob en 10od. Ook worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop die gegevens en inlichtingen aan Onze Minister worden verstrekt.

Artikel 10ob
1.

Een rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten rapporteert aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het derde tot en met het vijfde lid, indien hij

2.

Een rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten die een rapportageplicht heeft in een andere lidstaat rapporteert aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het derde lid tot en met het vijfde lid, met betrekking tot de te rapporteren transacties die zijn uitgevoerd via een bijkantoor in Nederland.

3.

De rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten rapporteert zijn naam, adres, fiscaal identificatienummer en, indien beschikbaar, het individuele registratienummer dat op grond van artikel 10od, derde lid, aan hem is toegekend en de mondiale identificatiecode voor juridische entiteiten.

4.

De rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten rapporteert de volgende gegevens en inlichtingen met betrekking tot elke gebruiker van cryptoactiva die te rapporteren gebruiker is of te rapporteren personen als uiteindelijk belanghebbenden heeft:

5.

In aanvulling op het vierde lid rapporteert de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten voor elk soort te rapporteren cryptoactivum dat deel uitmaakt van door de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten gedurende het betrokken kalenderjaar uitgevoerde te rapporteren transacties:

6.

Bij de toepassing van het vierde lid, aanhef en onderdeel b, onder 2° en 3°, rapporteert de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten het betaalde of ontvangen bedrag in de fiduciaire valuta waarin het is betaald of ontvangen. Indien de bedragen in meerdere fiduciaire valuta’s zijn betaald of ontvangen, rapporteert de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten de bedragen in één valuta, die hij op het tijdstip van elke te rapporteren transactie omrekent op een wijze die door hem consequent wordt toegepast.

7.

Bij de toepassing van het vierde lid, aanhef en onderdeel b, onder 4° tot en met 8°, en het vijfde lid bepaalt en rapporteert de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten de reële marktwaarde in één valuta, die hij op het tijdstip van elke te rapporteren transactie waardeert op een wijze die door hem consequent wordt toegepast.

8.

De rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten vermeldt bij elk bedrag in de rapportage de fiduciaire valuta waarin dat bedrag wordt gerapporteerd.

9.

In afwijking van het vierde lid, aanhef en onderdeel a, is de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten uitgesloten van de plicht om de geboorteplaats van een te rapporteren gebruiker die een natuurlijk persoon is en van een uiteindelijk belanghebbende van een entiteit die een te rapporteren persoon is te rapporteren, indien hij op grond van het nationale recht niet anderszins verplicht is dat gegeven te verkrijgen en te rapporteren.

10.

In afwijking van het vierde lid, aanhef en onderdeel a, is de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten uitgesloten van de plicht om een fiscaal identificatienummer te rapporteren, zolang dat door het niet-Unierechtsgebied waarmee Nederland een van kracht zijnde adequate overeenkomst heeft die voorziet in de wederkerige uitwisseling van gelijkwaardige gegevens en inlichtingen tussen Nederland en dat niet-Unierechtsgebied niet is uitgegeven of het nationale recht van dat niet-Unierechtsgebied het verzamelen van het uitgegeven fiscaal identificatienummer niet voorschrijft.

11.

In afwijking van het vierde lid, aanhef en onderdeel a, rapporteert de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten de naam van de te rapporteren persoon, de identificatiecode of identificatiecodes van de identificatiedienst voor rapporterende aanbieders van cryptoactivadiensten en de lidstaat of lidstaten van afgifte, alsmede de rol of rollen op grond waarvan elke te rapporteren persoon een uiteindelijk belanghebbende van de entiteit is, indien de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten gebruik heeft gemaakt van een identificatiedienst voor rapporterende aanbieders van cryptoactivadiensten om de identiteit en de fiscale woonplaats of fiscale woonplaatsen van de te rapporteren persoon vast te stellen.

12.

De rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten rapporteert de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het derde tot en met elfde lid, jaarlijks uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben aan Onze Minister.

Artikel 10oc
1.

In afwijking van artikel 10ob, eerste lid, is een rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten niet verplicht aan Onze Minister te rapporteren, indien hij:

2.

Een rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten is niet verplicht aan Onze Minister te rapporteren met betrekking tot de te rapporteren transacties die zijn uitgevoerd via een bijkantoor waarover dat bijkantoor de rapportageplicht vervult in een andere lidstaat of een ander gekwalificeerd rechtsgebied.

3.

In afwijking van artikel 10ob, eerste lid, is een rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten niet verplicht aan Onze Minister te rapporteren met betrekking tot een te rapporteren gebruiker van cryptoactiva en uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn die ingezetenen van Nederland zijn, indien de rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten de rapportageplicht met betrekking tot die te rapporteren gebruiker of uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn vervult in een niet-Unierechtsgebied dat een van kracht zijnde adequate overeenkomst met Nederland heeft die voorziet in de wederkerige uitwisseling van gelijkwaardige inlichtingen tussen Nederland en die staat.

Artikel 10od
1.

Een exploitant van cryptoactiva die een rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten is en die op grond van het bepaalde in artikel 10ob een rapportageplicht in Nederland heeft en een exploitant van cryptoactiva die in meer dan één lidstaat voldoet aan één van dezelfde voorwaarden van artikel 10ob, eerste lid, aanhef en onderdelen b, c, d of e, of tweede lid, en die kiest voor registratie in Nederland registreert zich uiterlijk op de datum, bedoeld in artikel 10ob, twaalfde lid, bij Onze Minister.

2.

In afwijking van het eerste lid registreert een exploitant zich niet bij Onze Minister indien hij op grond van artikel 10oc niet verplicht is in Nederland te voldoen aan de rapportageplicht bedoeld in artikel 10ob, eerste lid.

3.

Indien de exploitant van cryptoactiva die een rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten is zich in Nederland registreert, kent Onze Minister hem een individueel registratienummer toe. Onze Minister deelt dit individuele registratienummer via elektronische weg mee aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten.

4.

De exploitant van cryptoactiva verstrekt bij registratie aan Onze Minister de volgende gegevens en inlichtingen:

5.

De exploitant van cryptoactiva die zich in Nederland heeft geregistreerd stelt Onze Minister in kennis van iedere wijziging die zich voordoet ten aanzien van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 10oe
1.

Onze Minister verwijdert de registratie van een exploitant van cryptoactiva, bedoeld in artikel 10od, eerste lid, uit het centraal register van exploitanten van cryptoactiva indien:

2.

Indien een exploitant van cryptoactiva na twee aanmaningen van Onze Minister niet voldoet aan de rapportageverplichtingen, bedoeld in artikel 10ob, derde, vierde en twaalfde lid, trekt Onze Minister de registratie in.

3.

De intrekking vindt niet eerder plaats dan na het verstrijken van dertig dagen na de tweede aanmaning en niet later dan na het verstrijken van negentig dagen na die aanmaning.

4.

Onze Minister stelt de Europese Commissie onverwijld van de intrekking in kennis.

5.

Een exploitant van cryptoactiva die een rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten is ten aanzien van wie de registratie is ingetrokken op grond van een met artikel 8 bis quinquies, zevende lid, van Richtlijn 2011/16/EU overeenkomende wettelijke bepaling, kan zich enkel in Nederland registreren indien hij aan Onze Minister passende waarborgen verstrekt inzake zijn verbintenis om te voldoen aan de rapportageverplichtingen, bedoeld inartikel 10ob, derde, vierde en twaalfde lid, inclusief de rapportageverplichtingen die hij alsnog moet nakomen.

Artikel 10of
1.

De Autoriteit Financiële Markten zendt Onze Minister jaarlijks op 30 december een lijst waarop staat vermeld aan wie en op welke datum in het afgelopen kalenderjaar een vergunning op grond van Verordening (EU) 2023/1114 voor het aanbieden van cryptoactivadiensten is verleend.

2.

Indien de datum, genoemd in het eerste lid, een zaterdag of een zondag is, wordt de lijst op de laatste werkdag vóór 30 december aan Onze Minister gezonden.

Afdeling 4ad. Gegevensbescherming

Artikel 10r

Met betrekking tot de gegevens en inlichtingen die andere lidstaten ingevolge artikel 8 bis quinquies van Richtlijn 2011/16/EU hebben verstrekt, heeft Onze Minister slechts recht op gebruik van de in het gegevensbestand, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van Richtlijn 2011/16/EU opgeslagen informatie met betrekking tot te rapporteren gebruikers en te rapporteren personen die in Nederland verblijven.

Afdeling 4b. Strafbepaling en betekening

Afdeling 5. Medewerking in het kader van te verlenen bijstand

Artikel 13a
1.

Indien Onze Minister vermoedt dat de aan hem door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verstrekte gegevens en inlichtingen uit de bij die autoriteit ingediende bijheffing-informatieaangifte kennelijke fouten bevatten die moeten worden gecorrigeerd, stelt hij die autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

2.

Indien Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in artikel 13.1, vierde lid, van de Wet minimumbelasting 2024 heeft ontvangen, maar de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 8 bis sexies, tweede lid, van Richtlijn 2011/16/EU, niet heeft ontvangen binnen de termijn, bedoeld in artikel 8 bis sexies, derde lid, of artikel 27 quinquies, derde en vierde lid, van Richtlijn 2011/16/EU stelt hij de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat daarvan onverwijld in kennis.

3.

Indien Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in artikel 9 bis, tweede lid, eerste zin, van Richtlijn 2011/16/EU heeft ontvangen, stelt hij onverwijld vast op grond van welke reden hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6i, eerste lid, en stelt hij de bevoegde autoriteit die de kennisgeving aan hem heeft verzonden binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van die reden in kennis.

4.

Indien het derde lid van toepassing is en Onze Minister van oordeel is dat hij toepassing moet geven aan artikel 6i, eerste lid, stelt hij de bevoegde autoriteit, bedoeld in het derde lid, in kennis van de verwachte datum waarop hij toepassing geeft aan artikel 6i, eerste lid.

5.

De verwachte datum, bedoeld in het vierde lid, is gelegen binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving.

Afdeling 6. Algemene bepalingen

Hoofdstuk III. Vormen van door Nederland te ontvangen bijstand

Afdeling 1. Verzoeken om bijstand

Afdeling 2. Automatisch en spontaan verkregen inlichtingen

Afdeling 3. Onderzoek in het kader van verzoeken om bijstand

Afdeling 3a. Gezamenlijke audits

Afdeling 4. Algemene bepalingen

Hoofdstuk IIIA. Overgangsrecht

Hoofdstuk IV. Slotbepaling

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.