Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2011–2012
Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds (Stb. 1995, 155), het Besluit Participatiefonds (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen:
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Deel 1. Begripsbepalingen
Artikel 1. : Begripsbepalingen
-
- Afvloeiingsvolgorde: de volgorde waarin personeel voor afvloeiing in aanmerking komt. Hierin is tevens het eindigen van dienstverbanden van rechtswege betrokken. Hoofdregel is dat eerst al het tijdelijk aangestelde personeel dient te zijn afgevloeid voordat vast personeel kan worden ontslagen.
-
- Andere gronden: gronden welke niet genoemd zijn in enig ander lid van artikel 9 van het reglement en welke in ieder geval buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag vallen.
-
- Andere ontslagen: de omvang in nettoloonkosten op jaarbasis van beëindigde of geëindigde dienstverbanden uitgezonderd het natuurlijk verloop, einde vervangingsbetrekking en het ontslag of de ontslagen waar de ontslagmelding betrekking op heeft.
-
- Benoeming in reguliere betrekking: een (her)benoeming in een betrekking niet zijnde een vervangingsbetrekking.
-
- Bestuursvoorschriften: de bestuursvoorschriften en bijlagen zoals die door het bestuur zijn vastgesteld ter bevordering van een correcte toepassing van het reglement Participatiefonds.
-
- Bevoegd gezag: het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 WPO, respectievelijk het bevoegd gezag van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 68 WPO, tenzij het bevoegd gezag door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard is uitgezonderd van aansluiting bij de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs.
-
- CAO-PO: de collectieve arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs zoals die tussen de Werkgeversvereniging Primair Onderwijs (WvPO) en de organisaties van werknemers in het onderwijs voor de periode 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 is overeengekomen en welke ook in 2011 van kracht blijft.
-
- Centrale diensten: diensten zoals bedoeld in artikel 68 WPO.
-
- Contractactiviteiten: activiteiten waarvoor een prijs bij derden in rekening wordt gebracht.
-
- Detachering: de situatie dat onderwijspersoneel op eigen verzoek of met zijn instemming voor bepaalde tijd wordt belast met werkzaamheden bij een ander bevoegd gezag of buiten het onderwijs.
-
- Eigen beleid: in het reglement Participatiefonds zijn gronden genoemd voor onvermijdbaar ontslag. Indien de reden voor het ontslag anders is dan genoemd in enig artikel of lid van het reglement, is er sprake van eigen beleid.
-
- Eigen middelen: eigen middelen zijn middelen welke niet zijn begrepen in of onttrokken aan de beschikbare formatie in het huidige schooljaar.
-
- Formatiebudget: de formatie in geld zoals bedoeld in artikel 120 en 123 WPO met inbegrip van de bijzondere bekostiging toegekend op grond van samenvoeging van scholen in het primair onderwijs, het overgedragen gekregen geld voor formatie, de aanvullende formatie in geld toegekend door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de gerealiseerde/verwachte aanvullende formatie/contractactiviteiten in geld van derden.
-
- Formulier: het bevoegd gezag kan bij het doen van een melding in het kader van de instroomtoets gebruik maken van het formulier ‘Aanvraag vergoeding kosten werkloosheid’.
-
- In- en doorstroombanen: banen voor personeel dat destijds is aangetrokken voor het verrichten van werkzaamheden door gebruik te maken van de regeling ‘In- en doorstroombanen voor langdurig werklozen’.
-
- Instroomtoets: de toetsing van een door het bevoegd gezag bij het Participatiefonds ingediend vergoedingsverzoek.
-
- Kwalitatieve fricties (het oplossen van): het vrijmaken van formatieruimte ten behoeve van personeel met andere voor het onderwijs noodzakelijke kwaliteiten.
-
- Leraar in opleiding: de functie als bedoeld in artikel 3.22 tot en met 3.26 en artikel 4.21 tot en met 4.25 van de CAO-PO.
-
- Materiële instandhouding: de vergoeding zoals genoemd in Afdeling 4 van de WPO.
-
- Natuurlijk verloop: de omvang in nettoloonkosten op jaarbasis van het eindigen of beëindigen van dienstverbanden zonder dat daar een uitkering op volgt welke op grond van het BWOO dan wel de WW en de bovenwettelijke regeling door UWV wordt uitbetaald. Een en ander uitgezonderd einde vervangingsbetrekking. Ingetrokken melding: de ontslagmelding die is gedaan, wordt ingetrokken door het bevoegd gezag.
-
- Netto-loonkosten: het betreft hier de bruto loonkosten minus de eventuele brutokortingen vermeerderd met de werkgeverslasten.
-
- OALT: Onderwijs in Allochtone Levende Talen zoals bedoeld in de voormalige Afdeling 11 van de WPO (die kwam te vervallen per 1 augustus 2004).
-
- Onderwijsassistent in opleiding: de functie als bedoeld in artikel 3.27 en 4.26 CAO-PO.
-
- Onderwijspersoneel: directieleden, leraren en onderwijsondersteunend personeel in dienstbetrekking bij het bevoegd gezag als hierboven bedoeld en leden van het bestuur van die scholen die zijn benoemd door een raad van toezicht als bedoeld n artikel 17c, derde lid, WPO, voor zover die leden mede zijn benoemd op basis van een arbeidsovereenkomst of een akte van aanstelling.
-
- Ontslag: beëindiging van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Het eindigen of de beëindiging van een dienstverband voor bepaalde tijd, of een tijdelijke uitbreiding van een (vast) dienstverband, wordt ongeacht de reden met ontslag gelijkgesteld. Voor de toepassing van dit Reglement wordt met ontslag niet gelijkgesteld: In beide situaties behoeft geen melding bij het Participatiefonds te worden gedaan. Indien er echter sprake is van een rappel als bedoeld in artikel 3, derde lid, wordt ook het einde van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere aanstelling vooraf is gegaan, en een ontslag op eigen verzoek van betrokkene, met ontslag gelijk gesteld en dient melding bij het Participatiefonds plaats te vinden. Ingetrokken ontslag: het voorgenomen ontslag dat niet geëffectueerd wordt, dan wel de herbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag van een tijdelijk personeelslid, waarbij de omvang van de nieuwe aanstelling groter of gelijk is aan de oude aanstelling en geen vervangingsbetrekking betreft. Uitgesteld ontslag: een ontslag waarvan het vergoedingsverzoek op een bepaalde datum op grond van formatieve ontwikkelingen (de daling) kan worden toegewezen maar waarvan de ingangsdatum is uitgesteld omdat het bevoegd gezag het betreffende personeelslid op basis van andere middelen dan die begrepen zijn onder normatieve formatie, aanvullende formatie en de opbrengst van de contractactiviteiten, in dienst houdt. Ontslagdatum: de datum van het einde van het dienstverband.
- a. het eindigen van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere aanstelling vooraf is gegaan;
- b. het ontslag op eigen verzoek van betrokkene.
-
- Outplacement: Bij outplacement in de zin van het Reglement dient er sprake te zijn van een planmatige begeleiding door een derde van een met ontslag bedreigde werknemer bij het verwerven van een reguliere betrekking elders, waarbij een brede oriëntatie op de arbeidsmarkt en een wezenlijke financiële inspanning van de werkgever kenmerkend zijn (zie de uitspraak van de Raad van State van 9 mei 2007, zaaknummer 200606432/1).
-
- Participatiefonds: de rechtspersoon als bedoeld in artikel 184, eerste lid van de WPO.
-
- Projectformatie: additionele gelden als bedoeld in de artikelen 3.4 en 4.4 beiden aanhef en onder d van de CAO-PO.
-
- Samenwerkingsverband: bkb-Samenwerkingsverband: een bestuurlijke krachtenbundeling tussen zelfstandige bevoegde gezagsorganen zoals bedoeld in de beleidsregel van OC en W van 4 april 1997, kenmerk PO/PJ-97008394, Uitleg nummer 11, 16 april 1997 en 12 april 2002, kenmerk PO/KB-2002/14416, Uitleg nummer 11, 24 april 2002. wpo-Samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 WPO.
-
- Schooljaar: een schooljaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli van het opvolgende kalenderjaar.
-
- Schoolsoort: het basisonderwijs en de scholen voor speciaal basisonderwijs als bedoeld in de WPO.
-
- Schoonmaakpersoneel: personeel waarvan in de functieomschrijving is opgenomen het schoonmaken en schoonhouden van de binnenzijde van het schoolgebouw en waarvoor de bekostiging is genormeerd in de materiële vergoeding.
-
- Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds: door het bestuur van het Participatiefonds aangewezen organisatie voor de uitvoering van de instroomtoets.
-
- Vergoedingsverzoek: een door het bevoegd gezag ingediend verzoek – middels de melding van een ontslag – op grond van artikel 138, derde lid van de WPO strekkende tot het voor rekening van het Participatiefonds nemen van de kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppletieregelingen op grond van het BWOO dan wel de WW en de bovenwettelijke regeling, van een (voorgenomen) ontslag.
-
- Vervanging (vervangingsbetrekking): een aanstelling van een personeelslid ter vervanging, niet zijnde bij detachering, waarbij het betreft vervanging bij de in de toelichting limitatief opgesomde vormen van afwezigheid.
-
- Wetten: BZA: Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs, BZA (Stb. 1995, 703). WPO: Wet op het Primair Onderwijs (Stb. 1998, 495). BWOO: Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (Stb. 1994, 100). BBWO: Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (Stb. 2001, 61). WW en de bovenwettelijke regeling: De Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566) en de bovenwettelijke regeling als bedoeld in de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Stb. 1997, 768). De bovenwettelijke regeling vangt de vermindering van de uitkeringsaanspraken op als gevolg van de invoering van de WW voor het onderwijs.
-
- Zij-instromers: onbevoegden met een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b WPO.
Toelichting op artikel 1
2. Andere gronden
In de uitspraak van 26 augustus 1999, onder nummer E04.98.0149, heeft de Raad van State aangegeven dat een ontslag dat valt binnen de risicosfeer van het bevoegd gezag, reeds daarom niet onvermijdbaar kan worden geacht op grond van artikel 9, lid h van het reglement. Andere gronden welke bedoeld zijn in artikel 9, lid h van het reglement, zijn derhalve gronden welke vallen buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag.
9. Contractactiviteiten
Het kan hierbij gaan om cursussen waarvan de kosten niet ten laste komen van ’s Rijks kas en werkzaamheden welke voor eigen rekening ten behoeve van derden worden uitgevoerd. Maar ook bij detachering kan er sprake zijn van een contractactiviteit, namelijk de vergoeding voor de diensten van de gedetacheerde.
11. Eigen beleid
In de uitspraak van 17 augustus 1999, onder nummer E04.98.0131, heeft de Raad van State aangegeven dat van onvermijdbaar ontslag alleen sprake kan zijn indien het ontslag is verleend op grond van het bepaalde in de artikelen 7 tot en met 11 van het reglement. De omstandigheid dat een ontslaggrond niet is opgenomen in het reglement heeft derhalve tot gevolg dat het ontslag niet als onvermijdbaar kan worden aangemerkt. Niet van belang is of op goede gronden tot het ontslag van betrokkene is besloten.
13. Formatiebudget
In artikel 1.13 van het reglement staat omschreven welke gelden er in de formatie worden meegenomen, hierbij staat genoemd de aanvullende formatie in geld. Het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid wordt hieronder begrepen en vormt als zodanig een onderdeel van de formatie.
20. Ingetrokken melding
Het ontslag hoeft hierdoor niet getoetst te worden, wat automatisch betekent dat indien er wel uitkeringskosten ontstaan, deze ten laste van het bevoegd gezag komen. De omvang van het ontslag wordt bij de overige ontslagmeldingen wel als andere ontslagen dan wel natuurlijk verloop opgenomen.
26. Ontslag
Indien aan een vervangingsbetrekking een reguliere aanstelling is voorafgegaan, wordt het voorafgaande ontslag gemeld. Deze melding kan plaatsvinden direct na afloop van de reguliere betrekking. In geval van een aanvraag van een ziekte uitkering na ontslag kan de melding ook direct plaatsvinden.
28. Participatiefonds
Het Participatiefonds stelt zich ten doel:
36. Vervanging (vervangingsbetrekking)
Vervanging bij de volgende vormen van afwezigheid van onderwijspersoneel wordt gezien als vervanging in de zin van het Reglement Participatiefonds en behoeft niet te worden gemeld:
Deel 2. Premie
Artikel 2. : Verplichting tot betaling van premie
Het bevoegd gezag is verplicht, op de wijze zoals bepaald in de bestuursvoorschriften, een door het Participatiefonds te bepalen bijdrage te voldoen in verband met de kosten voor werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.
Toelichting op artikel 2
Er zijn geen toelichtingen.
Deel 3. Instroomtoets
Artikel 3. : Het vergoedingsverzoek
3.1. Vergoedingsverzoek
De kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, worden conform artikel 138, derde lid van de WPO door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in mindering gebracht op de door het bevoegd gezag verkregen vergoeding van de uitgaven voor het personeel, tenzij het Participatiefonds instemt met het verzoek de uitkeringskosten ten laste van dit fonds te laten komen. Dit vergoedingsverzoek wordt aan de hand van een door het bevoegd gezag ingediende melding beoordeeld.
3.2. Melden
Van elk ontslag per of na 1 augustus 2011 wordt bij de Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds melding gedaan. De melding wordt in ieder geval gedaan binnen 4 weken na de datum van beëindiging van het dienstverband. De beoordeling van het vergoedingsverzoek geschiedt door middel van een toetsing van deze melding.
3.3. Rappel
Indien de melding het Participatiefonds niet heeft bereikt, rappelleert deze het bevoegd gezag éénmaal. Dit rappel geschiedt op basis van een periodieke vergelijking van de door UWV toegekende uitkeringen en de bij het Participatiefonds gemelde ontslagen.
3.3.1. Fatale termijn
Als de melding niet binnen 6 weken na het rappel door het Participatiefonds wordt ontvangen, kan er geen vergoedingsverzoek meer worden ingediend. Deze termijn van 6 weken is een fatale termijn. Indien de melding buiten deze termijn wordt ontvangen, wordt deze niet in behandeling genomen en blijven de uitkeringskosten welke voortvloeien uit het ontslag op basis van artikel 138, derde lid van de WPO dus voor rekening van het bevoegd gezag.
De fatale termijn blijft buiten toepassing:
- a. Indien het gaat om het eindigen van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere aanstelling vooraf is gegaan. Het bevoegd gezag toont in die gevallen door middel van het overleggen van een akte van aanstelling danwel een akte van benoeming aan dat er daadwerkelijk sprake is van de beëindiging van een vervangingsbetrekking.
- b. Indien het gaat om een ontslag op eigen verzoek van betrokkene. Het bevoegd gezag toont aan dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 9i.
- c. Indien de termijnoverschrijding niet aan het bevoegd gezag is toe te rekenen.
3.4. Onderbouwing
Het vergoedingsverzoek wordt door het bevoegd gezag in ieder geval onderbouwd op de punten waar het reglement dit vereist.
3.4.1. Wanneer het vergoedingsverzoek niet compleet is, wordt het bevoegd gezag verzocht binnen 6 weken na dagtekening van de kennisgeving omtrent de onvolledigheid de opgave te completeren. Als het vergoedingsverzoek niet binnen 6 weken geheel gecompleteerd is, wordt het vergoedingsverzoek getoetst op basis van de gegevens welke bij het Participatiefonds aanwezig zijn, tenzij de termijnoverschrijding niet aan het bevoegd gezag is toe te rekenen.
3.4.2. Een vergoedingsverzoek zonder enige onderbouwing van de reden van ontslag wordt niet in behandeling genomen.
3.5. Beslistermijn
Zonder tegenbericht wordt binnen 8 weken nadat de melding door het Participatiefonds is ontvangen een beschikking gegeven. In het geval waarbij het Participatiefonds om aanvullende informatie heeft verzocht, wordt binnen 8 weken na het ontvangen van de aanvullende gegevens een beschikking gegeven.
Toelichting op artikel 3
3.2. Melden
Onder ontslag wordt niet verstaan het eindigen van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere betrekking is voorafgegaan. Een dergelijke beëindiging hoeft niet te worden gemeld. Het verdient aanbeveling een ontslag waarop een benoeming in vervanging volgt en een ontslag waarop de aanvraag van een ziekte-uitkering volgt, direct na de beëindiging van de betrekking te melden. In het geval van het eindigen van de vervangingsbetrekking wordt het ontslag uit de reguliere aanstelling beoordeeld. Ook in het geval dat betrokkene geen recht meer heeft op een uitkering op grond van het BZA dan wel de Ziektewet en terugvalt op een uitkering krachtens het BWOO dan wel de WW en de bovenwettelijke regeling, wordt het ontslag uit de reguliere aanstelling beoordeeld. De uitkeringsaanvraag wordt in deze gevallen geruime tijd na het ontslag uit de reguliere aanstelling gedaan. Dit betekent dat in een laat stadium de gegevens over een veel eerdere beëindiging van het reguliere dienstverband alsnog overgelegd dienen te worden.
3.3.1. Fatale termijn
De termijn van artikel 3.3.1 is ook van toepassing op het melden van de beëindiging van een vervangingsbetrekking waar geen reguliere betrekking aan vooraf is gegaan. Dit betekent dat wanneer er een rappel als bedoeld in artikel 3.3 heeft plaatsgevonden het bevoegd gezag binnen zes weken aan het Participatiefonds kenbaar maakt dat van de beëindiging van een vervangingsbetrekking sprake is. Wanneer de termijn van zes weken wordt overschreden betekent dit echter niet dat de bedoelde mededeling buiten behandeling wordt gelaten. Bij het beëindigen van een vervangingsbetrekking wordt het bevoegd gezag gevraagd aan te tonen dat er daadwerkelijk sprake is geweest van een vervangingsbetrekking. Hiertoe overlegt het bevoegd gezag een afschrift van de akte van aanstelling danwel een afschrift van de akte van benoeming.
Artikel 4. : Toetsing
4.1. Voorkomen werkloosheid
Op het bevoegd gezag rust de verplichting in redelijkheid datgene te doen wat van het bevoegd gezag verwacht mag worden ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering van betrokkene te voorkomen.
4.2. Trapsgewijze toetsing
De toetsing vindt trapsgewijs plaats. Eerst wordt de onvermijdbaarheid van het ontslag op grond van de door het bevoegd gezag aangegeven reden getoetst en vervolgens wordt de inspanning van het bevoegd gezag beoordeeld.
4.3. Onvermijdbaarheid ontslag
Een ontslag dient gemeld te worden op basis van een van de gronden genoemd in de artikelen 7 tot en met 11. In deze artikelen is per ontslaggrond aangegeven hoe het bevoegd gezag de onvermijdbaarheid van het ontslag aantoont.
4.4. Inspanningsverplichting
Bij elke melding wordt beoordeeld of aan het in artikel 4.1 gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de activiteiten genoemd in het artikel dat op het ontslag van toepassing is, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen. Het bevoegd gezag heeft tal van mogelijkheden en instrumenten van personeelsbeleid die gericht zijn op het voorkomen van een beroep op een werkloosheidsregeling. Omdat niet voor iedere soort ontslag eenzelfde inspanning kan worden verwacht, is bij iedere ontslaggrond zoals gesteld in de artikelen 7 tot en met 11, aangegeven aan welke eisen het bevoegd gezag dient te voldoen.
De inspanningsverplichting is door het Participatiefonds in de volgende categorieën ondergebracht:
Categorie I functionerings- en beoordelingsgesprekken
-
- overzicht met data van functionerings- en beoordelingsgesprekken, lesbezoeken en begeleidingsgesprekken, die hebben plaatsgevonden in de periode van een jaar voorafgaand aan de ontslagdatum;
-
- overzicht met data van re-integratiegesprekken.
Categorie II vormen van begeleiding
-
- interne begeleiding door de leiding van de school; of
-
- externe begeleiding door onderwijsbegeleidingsdienst, pedagogisch centrum, particulier instituut.
Categorie III hulp bij behoud van werk, intern
-
- intern een andere passende functie aanbieden; of
-
- scholing, gericht op herplaatsing binnen het bevoegd gezag.
Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)
-
- extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).
Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).
De betreffende categorieën en een aantal van de activiteiten zijn opgenomen in de toelichting en in het formulier ‘Opgave medewerker’. Het bevoegd gezag informeert het Participatiefonds schriftelijk op welke wijze aan de inspanningsverplichting is voldaan. Activiteiten in het kader van de inspanningsverplichting worden uitsluitend in de beoordeling van een vergoedingsverzoek meegenomen indien deze activiteiten hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de datum van ontslag.
4.4.1. Schriftelijk bewijs
Bij de categorieën I, II, III en IV wordt in alle gevallen schriftelijk bewijs gevraagd.
Categorie I
Als bewijsstuk wordt geaccepteerd een overzicht van de data waarop functionerings- en beoordelingsgesprekken hebben plaatsgevonden, dan wel een overzicht van de data waarop re-integratiegesprekken hebben plaatsgevonden. Het overzicht wordt door betrokkene schriftelijk bevestigd. Hiermee verklaart betrokkene dat de gesprekken hebben plaatsgevonden.
Categorie II
Als bewijsstuk wordt geaccepteerd een overzicht van de data waarop de voortgang van de begeleiding is besproken. Het overzicht wordt door betrokkene schriftelijk bevestigd. Hiermee verklaart betrokkene dat de gesprekken hebben plaatsgevonden.
Categorie III
Als bewijsstuk wordt geaccepteerd een overzicht van de data waarop één of meer van de in de toelichting genoemde voorbeelden van activiteiten hebben plaatsgevonden. Het overzicht wordt door betrokkene schriftelijk bevestigd. Hiermee verklaart betrokkene dat de activiteiten hebben plaatsgevonden.
Categorie IV A sub 1
Als bewijsstuk wordt onder andere geaccepteerd een afschrift van een brief waarmee het bevoegd gezag bij collega schoolbesturen informeert of er voor betrokkene een vacature voorhanden is, dan wel een afschrift van een gespreksverslag waaruit blijkt dat de dreigende werkloosheid van betrokkene aan de orde is gesteld in overlegsituaties met collega schoolbesturen. Indien gebruik wordt gemaakt van een mobiliteitscentrum of arbeidspool wordt als bewijsstuk geaccepteerd een afschrift van de inschrijving bij het mobiliteitscentrum of de arbeidspool.
Categorie IV A sub 3 en IV B sub 2
Als bewijsstuk wordt geaccepteerd een afschrift van een offerte of van een factuur waaruit blijkt dat het schoolbestuur betrokkene – voorafgaand aan zijn ontslag – middels het aanbieden, en bij acceptatie bekostigen van faciliteiten, in de gelegenheid heeft gesteld zijn positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. Onder faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren wordt (niet-limitatief) verstaan trainingen, cursussen of workshops ter verbetering zowel van het persoonlijk niveau (sollicitatietraining, presentatietraining, coachingsgesprekken, een competentie- en beroepskeuzetest) als van het kennisniveau (praktijkgerichte bij of omscholingscursussen).
Categorie IV A sub 4 en IV B sub 3
Als bewijsstuk wordt geaccepteerd een afschrift van de brief aan betrokkene waarin het aanbod tot het inschakelen van een outplacementbureau wordt gedaan, in combinatie met een afschrift van een door een outplacementbureau uitgebrachte offerte.
Op die wijze wordt de meeste zekerheid verkregen dat het inderdaad een reëel en substantieel aanbod van outplacement betreft.
4.4.2. Indien door het bevoegd gezag niet (volledig) aan de gevraagde inspanning kan worden voldaan, geeft het bevoegd gezag gemotiveerd aan wat daarvan de reden is.
4.5. Onredelijkheid of onvoldoende onderbouwing
Het vergoedingsverzoek wordt afgewezen indien er sprake is van kennelijke onredelijkheid in het standpunt van het bevoegd gezag, onverminderd het gestelde in artikel 3.
4.6. Herplaatsing vanuit een centrale dienst
Naast de in artikel 4.4 genoemde activiteiten, onderzoekt het bestuur van een centrale dienst of er voor een met ontslag bedreigd personeelslid bij een van de aangesloten bevoegde gezagsorganen een vacature beschikbaar is, tenzij de aard van het ontslag zich hiertegen verzet. Indien blijkt dat er geen vacatures beschikbaar zijn, overlegt het bestuur van de centrale dienst een verklaring van alle aangesloten bevoegde gezagsorganen waaruit blijkt dat zij voor betrokkene geen plaatsingsmogelijkheden hebben.
Toelichting op artikel 4
Wat de inspanningsverplichting betreft, heeft het Participatiefonds aansluiting gezocht bij de instrumenten die het bevoegd gezag conform de CAO-PO ter beschikking staan. Het Participatiefonds heeft de inspanningsverplichting in de categorieën I, II, III en IV ondergebracht. Middels een opgave van de soorten activiteiten welke zijn genoemd in de categorieën I en II maakt het bevoegd gezag inzichtelijk dat er personeelsbeleid is gevoerd.
Indien het bevoegd gezag ondanks het voeren van een op het voorkomen van ontslag gericht personeelsbeleid moet overgaan tot ontslag, geeft het aan op welke wijze getracht is betrokkene binnen het gezagsbereik te herplaatsen (categorie III). Indien herplaatsing binnen het bevoegd gezag niet aan de orde kan zijn of mogelijk is, geeft het bevoegd gezag tevens aan op welke wijze getracht is voor betrokkene een werkkring bij een ander bevoegd gezag of buiten het onderwijs te vinden (categorie IV). Ter invulling van de inspanningsverplichting worden de categorieën ook in deze volgorde doorlopen.
Bij categorie III kunnen onder andere de volgende voorbeelden van activiteiten worden genoemd:
Ter beoordeling of herplaatsing binnen het bevoegd gezag mogelijk is wordt bij een ontslag op grond van artikel 8 van het reglement een formatievergelijking gemaakt. Indien geen invulling is gegeven aan de verplichting als genoemd in categorie III geeft het bevoegd gezag gemotiveerd aan wat de reden is waarom niet is voldaan aan 'hulp bij behoud van werk'.
Ook van het betrokken personeelslid mag verwacht worden dat deze de nodige inspanning verricht tot het behoud van werk. In het kader van de instroomtoets staat echter de inspanning van de werkgever centraal.
Artikel 5. : Personele bezetting
5.1. Het bevoegd gezag verstrekt bij de ontslagen per of na 1 augustus 2011 informatie over de personele bezetting, als het ontslag op grond van artikel 7, 7a, 7b, 8 of 11 gemeld wordt.
5.2. De te overleggen informatie onderbouwt de reden dat juist voor deze persoon (personen) het vergoedingsverzoek is ingediend, in de volgende situaties:
5.2.1. Beëindiging tijdelijk dienstverband op grond van de formatieve ontwikkelingen
Het bevoegd gezag geeft aan of er een vacature beschikbaar is op de datum van ontslag.
- II. Als er wel een vacature is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 7, 7a of 7b wat betreft de formatieve ontwikkelingen, en overeenkomstig artikel 8 wat betreft de vacature en de reden dat betrokkene niet in deze vacature is benoemd.
5.2.2. Beëindiging tijdelijk dienstverband op grond van kwalitatieve fricties
Het bevoegd gezag geeft aan of er een vacature beschikbaar is op de datum van ontslag.
- I. Als er geen vacature is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 8.
- II. Als er wel een vacature is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 8, waarbij ook het vakgebied van de vacature bij de onderbouwing wordt betrokken.
5.2.3. Beëindiging vast dienstverband op grond van de formatieve ontwikkelingen
Het bevoegd gezag geeft aan of er op de datum van ontslag sprake is van:
- a. personeel in tijdelijke dienst dat gehandhaafd blijft;
- b. personeel in tijdelijke dienst dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum in vaste dienst is benoemd;
- c. personeel in vaste of tijdelijke dienst dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum een uitbreiding van de betrekking heeft gehad;
- d. personeel dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum in vaste dienst is getreden en/of
- e. een vacature op de datum van ontslag;
- I. Als van het gestelde onder a, b, c, d en e geen sprake is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 7, 7a of 7b.
- II. Als van het gestelde onder a, b, c, d, of e één of meer keren sprake is, wordt het ontslag wat betreft de formatieve ontwikkelingen onderbouwd op grond van artikel 7, 7a of 7b en wat betreft de functie bedoeld in a t/m e wordt op grond van artikel 8 onderbouwd waarom betrokkene niet in deze functie is benoemd.
5.2.4. Beëindiging vast dienstverband op grond van kwalitatieve fricties
Het bevoegd gezag geeft aan of er op de datum van ontslag sprake is van:
- a. personeel in tijdelijke dienst dat gehandhaafd blijft,
- b. personeel in tijdelijke dienst dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum in vaste dienst is benoemd,
- c. personeel in vaste of tijdelijke dienst dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum een uitbreiding van de betrekking heeft gehad,
- d. personeel dat in de periode tussen de ontslagaanzegging en de ontslagdatum in vaste dienst is getreden en/of er sprake is van
- e. een vacature op de datum van ontslag.
- I. Als van het genoemde in a, b, c, d en e geen sprake is, wordt het ontslag onderbouwd overeenkomstig artikel 8.
- II. Als van het genoemde in a, b, c, d, of e één of meer keren sprake is, wordt het ontslag onderbouwd op grond van artikel 8, waarbij tevens wordt aangegeven waarom betrokkene niet in de onder a t/m e bedoelde functie is benoemd.
5.3. Afvloeiingsvolgorde bij vast en tijdelijk dienstverband
Het bevoegd gezag overlegt de onderlinge volgorde van ontslag als er sprake is van meerdere ontslagen die gemeld worden. Hierbij zijn voor personeel in vaste dienst de geldende regels t.a.v. de afvloeiingsvolgorde van kracht, en voor personeel uit tijdelijke dienst geldt dat het bevoegd gezag de volgorde vaststelt. Uitgangspunt hierbij is dat ontslag van personeel in vaste dienst, terwijl personeel in tijdelijke dienst gehandhaafd blijft, alleen mogelijk is indien er sprake is van kwalitatieve fricties zoals bedoeld in artikel 8. In de overige gevallen dient eerst al het tijdelijk benoemde personeel af te vloeien voordat personeel in vaste dienst kan worden ontslagen.
Toelichting op artikel 5
In dit artikel is aangegeven wanneer en op welke wijze het bevoegd gezag het Participatiefonds dient te berichten over de personele bezetting op het niveau van het bevoegd gezag of samenwerkingsverband. Dit artikel is geen zelfstandige toetsingsgrond, maar geeft slechts een beschrijving van de wijze waarop een in dit artikel genoemd ontslag onderbouwd en getoetst wordt. De personele bezetting is alleen van belang indien deze van invloed is op de reden van ontslag, en is dus niet noodzakelijk bij persoonsgebonden redenen (dus wel bij ontslag op grond van artikel 7, 7a, 7b, 8 of 11 en niet bij ontslag op grond van artikel 9).
Artikel 6. : Toewijzen/afwijzen vergoedingsverzoek
6.1. Een vergoedingsverzoek kan alleen worden toegewezen indien het ontslag is verleend met inachtneming van het gestelde in artikel 7 tot en met 11 en wanneer tevens is voldaan aan het gestelde in artikel 4.4.
6.2. Indien het ontslag is verleend op andere dan in artikel 7 tot en met 11 genoemde gronden is er sprake van eigen beleid. Als er sprake is van eigen beleid wordt het vergoedingsverzoek afgewezen.
6.3. Een vergoedingsverzoek wordt afgewezen indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel4.4.
Toelichting op artikel 6
Artikel 7. : Ontslag wegens daling rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden bij ontslagbeleid
7.1. Ontslaggrond
In het geval een werkgever de regeling ontslagbeleid als bedoeld in artikel 10.4 en 10.5 van de CAO-PO hanteert, kan ontslag wegens daling van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. Ontslag wegens daling van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden doet zich voor indien de daling van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk zijn aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte aanwezig.
Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 7, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
Beëindigingovereenkomst
In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 7, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:
-
- het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,
-
- het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en
-
- de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.
Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 7, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
7.2. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden
Ter beoordeling van een in het eerste lid bedoelde ontslag wordt een vergelijking van de rijksbekostiging en financiële bijdragen van derden gemaakt. In deze vergelijking wordt de totale rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden direct voorafgaand aan het ontslag vergeleken met de totale rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden per de datum van het ontslag. Het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid wordt voor 65% in de vergelijking betrokken. Dit betekent dat bij de berekening van de rijksbekostiging wordt uitgegaan van 65% inzet van het budget voor de bekostiging van personeel.
Het niveau van de vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden is afhankelijk van één van de onderstaande situaties:
7.2.1. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden op bestuursniveau
De vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden wordt op bestuursniveau gemaakt, tenzij er sprake is van een in artikel 7.2.2 of 7.2.3 genoemde situatie.
7.2.2. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden op het niveau van het bkb-Samenwerkingsverband
Het ontslag wordt getoetst op het niveau van het samenwerkingsverband indien er sprake is van een samenwerkingsverband in het kader van een bestuurlijke krachtenbundeling. In de vergelijking wordt de rijksbekostiging en financiële bijdragen van derden zoals is beschreven in artikel 7.2. op het niveau van het samenwerkingsverband vergeleken.
7.2.3. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden op het niveau van een centrale dienst
Het ontslag wordt getoetst op het niveau van de centrale dienst indien er sprake is van ontslag van personeel dat werkzaam is bij een centrale dienst. In de vergelijking wordt de voor de centrale dienst beschikbare rijksbekostiging en financiële bijdragen van derden vergeleken.
7.2.4. Vervallen
7.3. Uitgesteld ontslag
Indien er sprake is van uitgesteld ontslag, wordt het ontslag getoetst op bestuursniveau over drie schooljaren. In de vergelijking wordt de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden zoals beschreven in artikel 7.2 in de schooljaren 2009-2010 en 2010–2011 vergeleken. Daarna volgt een vergelijking van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden tot de datum van het ontslag ten opzichte van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden per de datum van het ontslag.
De ontslagruimte per 1 augustus 2010 wordt opgeteld bij de ontslagruimte, of in mindering gebracht op de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden per de datum van het ontslag. Tevens wordt bij de beoordeling bekeken of betrokkene op andere middelen dan begrepen in de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden zoals is beschreven in artikel 7.2 in dienst is gehouden.
7.4. Natuurlijk verloop en andere ontslagen
Ten gevolge van natuurlijk verloop en andere ontslagen komen rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden beschikbaar. Om deze reden wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in een periode van zes maanden voorafgaand aan en per de datum van het gemelde ontslag in de vergelijking betrokken.
Indien er sprake is van een daling in de beschikbare rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen op deze daling in mindering gebracht. In het geval dat er sprake is van een stijging in de beschikbare rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen bij deze stijging opgeteld.
7.4.1. Natuurlijk verloop en andere ontslagen bij uitgesteld ontslag
In het geval van uitgesteld ontslag is de omvang van de andere ontslagen en het natuurlijk verloop vanaf 1 februari 2010 tot en met de datum van het gemelde ontslag onderdeel van de toetsing.
7.5. Vervallen
7.6. Benodigde gegevens
Het bevoegd gezag verstrekt bij de melding van ontslagen wegens daling van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden op het in artikel 7.2 aangegeven toetsingsniveau:
- a. een gespecificeerde opgave van de omvang van de (verwachte) aanvullende rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden over de perioden waarop de vergelijking betrekking heeft;
- b. een gespecificeerde opgave van de omvang in nettoloonkosten van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in een periode van zes maanden voorafgaand aan en per de ontslagdatum;
- c. een afschrift van de passage van het zorgplan als bedoeld in artikel 19, lid 2, onder b van de WPO over de inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in de periode tot en per de datum van het ontslag;
- d. in geval van uitgesteld ontslag toont het bevoegd gezag tevens aan dat betrokkene op andere middelen dan begrepen in de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden zoals is beschreven in artikel 7.2 in dienst is gehouden;
- e. in geval van uitgesteld ontslag, een gespecificeerde opgave in nettoloonkosten van de omvang van het natuurlijk verloop en andere ontslagen in de periode vanaf 1 februari 2010 tot aan de datum van het gemelde ontslag.
7.7. Toetsingsdatum
Ontslag op grond van artikel 7 per of na de laatste schooldag van een schooljaar wordt getoetst als zijnde een ontslag per 1 augustus van het volgend schooljaar. Een ontslag op grond van artikel 7 per een andere datum voorafgaand aan de laatste schooldag van een schooljaar wordt per deze andere datum getoetst.
7.8. Inspanningsverplichting
Bij een ontslag op grond van artikel 7 dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV.
Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 7, stelt:
Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)
-
- extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).
Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).
Toelichting op artikel 7
Alle instellingen voor primair onderwijs ontvangen een budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid (PAB-budget) In artikel 7 van het reglement wordt een deel van het PAB-budget bij de beoordeling van de vermijdbaarheid van het ontslag wegens daling van de rijksbekostiging van personeel buiten beschouwing gelaten. Voor het schooljaar 2011–2012 is het percentage van PAB-budget dat bij de vergelijking buiten beschouwing wordt gelaten, gesteld op 35%.
Onder financiële bijdragen van derden worden onder meer bijdragen van gemeenten verstaan, Europese subsidies en sponsorgelden.
7.1. Ontslaggrond
Indien er een ontslaguitkering wordt aangevraagd ten gevolge van de afbouw van overuren wordt de melding van het ontslag getoetst op grond van artikel 7 van dit reglement.
Indien de ontslagruimte kleiner is dan de omvang van het ontslag, kan ontslag uit een vast dienstverband niet plaatsvinden omdat deelontslag niet is toegestaan. In het geval dat een tijdelijk dienstverband van rechtswege eindigt, dient een herbenoeming plaats te vinden welke gelijk is aan de omvang van de voorafgaande betrekking minus de ontslagruimte.
Aan de herbenoemingsverplichting van tijdelijk personeel is een ondergrens gesteld. Voor groepsleraren in het primair onderwijs is deze ondergrens 8 uur. Indien de omvang van de voorafgaande aanstelling minder dan 8 uur is, bedraagt de ondergrens de helft van de beëindigde aanstelling. Voor vakleraren en onderwijsondersteunend personeel wordt de één-uurgrens gehanteerd.
7.2. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden
Indien er sprake is van een fusie en/of overdracht van instellingen dan wel besturen, houdt het bevoegd gezag hier rekening mee, zodat de verschillende jaren vergelijkbaar blijven. Dit betekent dat als in het schooljaar 2011–2012 een extra instelling onder het bevoegd gezag ressorteert, deze instelling in het schooljaar 2010–2011 (herkenbaar) bij de vergelijking betrokken wordt.
7.2.2. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden op het niveau van het bkb-Samenwerkingsverband
Een samenwerkingsverband van bevoegde gezagsorganen in het kader van bestuurlijke krachtenbundeling zal zich voor wat betreft ontwikkelingen inzake de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden gedragen als ware het één werkgever. Een ontslag binnen het samenwerkingsverband kan dan ook pas plaatsvinden als er binnen dat samenwerkingsverband geen rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden beschikbaar zijn om dat ontslag te voorkomen. Het feit dat de stimuleringsbijdrage is vervallen betekent niet dat er geen bkb- Samenwerkingsverbanden meer bestaan. Dit is afhankelijk van de inhoud en looptijd van de samenwerkingsovereenkomst.
7.2.3. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden op het niveau van een centraledienst
Op grond van artikel 21 WPO moeten verschillende bevoegde gezagsorganen die in één samenwerkingsverband zitten, zijn aangesloten bij dezelfde centrale dienst. Bij het beoordelen van een vergoedingsverzoek van uitkeringskosten welke het gevolg zijn van ontslag bij een centrale dienst wordt gekeken naar het verschil in middelen welke beschikbaar zijn voor de centrale dienst. Wat de zorgformatie betreft, geldt ook het gestelde in de toelichting op artikel 7.6.c.
7.3. Uitgesteld ontslag
Dit artikel voorziet in een tweetal concrete situaties:
In beide situaties wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen betrokken van de periode 6 maanden voorafgaand aan de eerste daling tot en met het daadwerkelijke moment van ontslag. Indien een bevoegd gezag van de bovenstaande mogelijkheden gebruik wil maken, dient het dit expliciet aan te geven.
7.4. Natuurlijk verloop en andere ontslagen
Voor de ruimte van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden die ontstaat door natuurlijk verloop of andere ontslagen geldt dat het bevoegd gezag van de school deze inzet om gedwongen ontslagen te voorkomen. Om deze reden betrekt het bevoegd gezag eveneens het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in het in artikel 7.2 bedoeld overzicht.
7.6.c. Zorgformatie
In de WPO is in artikel 184, lid 6 gesteld dat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid die voortvloeien uit de inzet of een wijzing van de inzet van zorgformatie niet ten laste van het Participatiefonds kunnen worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat het Participatiefonds inzicht dient te krijgen in de wijze van inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in beide schooljaren. Om deze reden dient bedoelde passage uit het zorgplan te worden overgelegd. Dit betekent dat bij een ontslag van een personeelslid van een speciale school voor het basisonderwijs die participeert in meer dan één samenwerkingsverband, de bedoelde passage van alle samenwerkingsverbanden dient te worden overgelegd. (zie art. 18 lid 8 WPO)
7.7. Toetsingsdatum
Bij een ontslag per andere datum dan 1 augustus of laatste schooldag past het bevoegd gezag zijn melding aan, aan deze andere datum en richt de melding verder in overeenkomstig de wijze als in artikel 7 beschreven, maar nu met als uitgangspunt deze andere datum.
Artikel 7a. : Ontslag wegens daling rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden bij werkgelegenheidsbeleid
7A.1. Ontslaggrond
Indien een werkgever de regeling werkgelegenheidsbeleid als bedoeld in artikel 10.2 en 10.3 van de CAO-PO hanteert en de werkgelegenheidsgarantie niet kan handhaven, kan ontslag van personeel wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. Ontslag van personeel wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden doet zich voor indien de daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte aanwezig.
Ontslaggrond
De reden voor het ontslag is gelegen in het feit dat:
-
- zich in één of meer achterliggende schooljaren direct voorafgaand aan het ontslag, een daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden heeft voorgedaan, en
-
- na de uitvoering van de maatregelen van de fasen 1 en 2 van het met de centrales in het DGO overeengekomen sociaal plan (een deel van) de omvang van het formatieve probleem als bedoeld in artikel 10.3 lid 3 onder a van de CAO-PO nog resteert.
Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 7A, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
Beëindigingovereenkomst
In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 7A, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:
-
- het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,
-
- het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en
-
- de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.
Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 7A, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
Ontslag uit tijdelijk dienstverband
Uitsluitend voor zover het ontslag uit een tijdelijk dienstverband betreft, geldt het navolgende:
Indien een werkgever de regeling werkgelegenheidsbeleid als bedoeld in artikel 10.2 en 10.3 van de CAO-PO hanteert en met een daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden wordt geconfronteerd maar de werkgelegenheidsgarantie (vooralsnog) kan handhaven, kan ontslag van personeel uit een tijdelijke dienstverband wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek.
Ontslag van personeel in tijdelijke dienst wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden doet zich voor indien de daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte voor personeel met een tijdelijk dienstverband aanwezig.
De reden voor het ontslag uit een tijdelijk dienstverband is gelegen in het feit dat
-
- zich in schooljaar 2011–2012 ten opzichte van schooljaar 2010–2011 een daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden heeft voorgedaan, en
-
- de daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte, voor zo ver het betreft ontslag uit een tijdelijk dienstverband, aanwezig.
7A.2. Onvermijdbaarheid ontslag uit een vast dienstverband
Uitsluitend voor zover het ontslag uit een vast dienstverband betreft, geldt het navolgende:
Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag:
-
- aantoont dat hij, omdat hij de werkgelegenheidsgarantie niet meer kon handhaven, met de vakcentrales in het DGO overleg heeft gevoerd en de maatregelen van het met de vakcentrales overeengekomen sociaal plan heeft uitgevoerd. Het bevoegd gezag overlegt hiertoe het door de vakcentrales getekende sociaal plan tezamen met documenten waaruit blijkt welke omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan resteert.
-
- schriftelijk verklaart dat
- a. zich in één of meer achterliggende schooljaren, direct voorafgaand aan het ontslag, een daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden heeft voorgedaan en
- b. hij, uitsluitend als gevolg van deze daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, de werkgelegenheidsgarantie niet meer kon handhaven en
- c. er derhalve aan het ontslag niet (mede) andere redenen van financiële aard ten grondslag liggen dan genoemde daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden.
7A.3. Onvermijdbaarheid ontslag uit tijdelijk dienstverband
Uitsluitend voor zover het ontslag uit een tijdelijk dienstverband betreft, geldt het navolgende:
Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond voor zover het betreft ontslag uit een tijdelijk dienstverband doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont
-
- Dat zich in schooljaar 2011–2012 ten opzichte van schooljaar 20110–2011 een daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden heeft voorgedaan, en
-
- de daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag. Indien van een dergelijke daling sprake is, is ontslagruimte, voor zo ver het betreft ontslag uit een tijdelijk dienstverband, aanwezig.
Ter beoordeling van een in het eerste lid bedoelde ontslag uit een tijdelijk dienstverband wordt een vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden gemaakt. In deze vergelijking wordt de totale bekostiging van personeel direct voorafgaand aan het ontslag vergeleken met de totale bekostiging van personeel per de datum van het ontslag. Het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid wordt voor 65% in de vergelijking betrokken. Dit betekent dat bij de berekening van de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden wordt uitgegaan van 65% inzet van het budget voor de bekostiging van personeel.
Het niveau van de vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden is afhankelijk van één van de onderstaande situaties:
7A.3.1. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden op bestuursniveau
De vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden wordt op bestuursniveau gemaakt, tenzij er sprake is van een in artikel 7A.3.2 of 7A.3.3 genoemde situatie.
7A.3.2. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden op het niveau van het bkb-Samenwerkingsverband
Het ontslag uit een tijdelijk dienstverband wordt getoetst op het niveau van het samenwerkingsverband indien er sprake is van een samenwerkingsverband in het kader van een bestuurlijke krachtenbundeling. In de vergelijking wordt de rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden zoals is beschreven in artikel 7A.3. op het niveau van het samenwerkingsverband vergeleken.
7A.3.3. Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden op het niveau van een centrale dienst
Het ontslag uit een tijdelijk dienstverband wordt getoetst op het niveau van de centrale dienst indien er sprake is van ontslag van personeel dat werkzaam is bij een centrale dienst. In de vergelijking wordt de voor de centrale dienst beschikbare rijksbekostiging personeel en financiële middelen van derden vergeleken.
7A.3.4. Benodigde gegevens
Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van de passage van het zorgplan als bedoeld in artikel 19, lid 2, onder b van de WPO over de inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in de periode tot en per de datum van het ontslag.
7A.3.5. Toetsingsdatum
Ontslag op grond van artikel 7A per of na de laatste schooldag van een schooljaar wordt getoetst als zijnde een ontslag per 1 augustus van het volgend schooljaar. Een ontslag op grond van artikel 7A per een andere datum voorafgaand aan de laatste schooldag van een schooljaar wordt per deze andere datum getoetst.
7 A.4. Inspanningsverplichting
Bij een ontslag op grond van artikel 7A dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 7A, stelt:
Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)
-
- extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren;
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).
Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).
Toelichting op artikel 7A
7A.1. Ontslaggrond
Als een werkgever met werkgelegenheidsbeleid wegens daling rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, personeel wil ontslaan, dan kan zo’n ontslag een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. De werkgever dient in dat geval krachtens de Regeling werkgelegenheidsbeleid ex. art. 10.2 met de centrales in het DGO een Sociaal Plan ex. art. 10.3 overeen te zijn gekomen en uit hebben uitgevoerd.
7A.2. Onvermijdbaarheid ontslag uit een vast dienstverband
Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat hij het met de vakcentrales in het DGO overeengekomen Sociaal Plan heeft uitgevoerd. Het bevoegd gezag overlegt hiertoe behalve het Sociaal Plan documenten waaruit blijkt welke omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan resteert.
Genoemde omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan, is de ontslagruimte die de werkgever in het kader van een melding op basis van dit artikel heeft. Daarom hoeft er geen vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden te worden overlegd, behoudens de situatie van art. 7A.3. Wel dient de werkgever conform art. 7A.2 lid 2 te verklaren dat het ontslag uitsluitend het gevolg is van daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden. Indien er (mede) andere redenen van financiële aard aanleiding zijn geweest om in het DGO met de bonden een Sociaal Plan overeen te komen en uit te voeren, is er sprake van een re-organisatie als bedoeld in art. 13.2 lid 5 onder a van de CAO-PO. In dat geval dient de werkgever het ontslag op grond van art. 7 B te melden.
7A.3. Onvermijdbaarheid ontslag uit tijdelijk dienstverband
Zoals in de toelichting bij art. 7A. 2 staat, is voor een melding op grond van art. 7A in principe geen vergelijking van de bekostiging nodig omdat de ontslagruimte wordt bepaald door omvang van het formatieve probleem zoals dat na uitvoering van het Sociaal Plan resteert. Hierop geldt echter één uitzondering, namelijk de melding van ontslagen van personeel uit een tijdelijk dienstverband. Indien een werkgever met werkgelegenheidsbeleid wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, het dienstverband van tijdelijk personeel niet wil voortzetten, dan kan hij het ontslag van dit tijdelijk personeel melden op grond van dit artikel. Hij dient dan aan te tonen dat zich een daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden als bedoeld in art. 7A.3 heeft voorgedaan. Voor de verdere toelichting over de vergelijking van art. 7A.3, zie de toelichting bij art. 7.2. en art. 7.7.
Artikel 7b. : Ontslag wegens reorganisatie
7B.1. Ontslaggrond
Indien een werkgever wegens reorganisatie, waaronder begrepen noodzakelijke bezuinigingen anders dan wegens daling rijksbekostiging personeel wil ontslaan, kan zo’n ontslag een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. Indien de werkgever meerdere personeelsleden wil ontslaan, is denkbaar dat ontslagen deels het gevolg zijn van daling van de rijksbekostiging personeel.
Ontslaggrond
De reden voor het ontslag is gelegen in reorganisatie als bedoeld in artikel 13.2 lid 5 onder a van de CAO-PO.
Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 7B, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
Beëindigingovereenkomst
In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 7B, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:
-
- het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,
-
- het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en
-
- de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.
Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 7B, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
7B.2. Onvermijdbaarheid ontslag
Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat hij met de centrales in het DGO overleg heeft gevoerd over de rechtspositionele gevolgen van een reorganisatie als bedoeld in art. 13.2 lid 5 onder a van de CAO-PO en in dat kader een met de bonden overeengekomen sociaal plan heeft uitgevoerd. Het bevoegd gezag overlegt hiertoe het door de bonden getekende sociaal plan tezamen met documenten waaruit blijkt welke omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan resteert.
7B.3. Benodigde gegevens
Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van de passage van het zorgplan als bedoeld in artikel 19, lid 2, onder b van de WPO over de inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in de periode tot en per de datum van het ontslag.
7B.4. Toetsingsdatum
Ontslag op grond van artikel 7B per of na de laatste schooldag van een schooljaar wordt getoetst als zijnde een ontslag per 1 augustus van het volgend schooljaar. Een ontslag op grond van artikel 7B per een andere datum voorafgaand aan de laatste schooldag van een schooljaar wordt per deze andere datum getoetst.
7B.5. Inspanningsverplichting
Bij een ontslag op grond van artikel 7B dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV.
Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 7B, stelt:
Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)
-
- extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).
Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).
Toelichting op artikel 7B
7B.1. Ontslaggrond
Als een werkgever wegens reorganisatie, waaronder begrepen noodzakelijke bezuinigingen anders dan wegens daling rijksbekostiging personeel wil ontslaan, dan kan zo’n ontslag een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. Indien de werkgever meerdere personeelsleden wil ontslaan, is denkbaar dat ontslagen deels het gevolg zijn van daling van de rijksbekostiging personeel en deels vanwege andere noodzakelijke bezuinigingen. Indien er een ontslaguitkering wordt aangevraagd ten gevolge van de afbouw van overuren wordt de melding van het ontslag getoetst op grond van artikel 7B van dit reglement.
7B.3. Zorgformatie
In de WPO is in artikel 184, lid 6 gesteld dat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid die voortvloeien uit de inzet of een wijzing van de inzet van zorgformatie niet ten laste van het Participatiefonds kunnen worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat het Participatiefonds inzicht dient te krijgen in de wijze van inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in betrokken schooljaren. Om deze reden dient bedoelde passage uit het zorgplan te worden overgelegd. Dit betekent dat bij een ontslag van een personeelslid van een speciale school voor het basisonderwijs die participeert in meer dan één samenwerkingsverband, de bedoelde passage van alle samenwerkingsverbanden dient te worden overgelegd.
7B.4. Toetsingsdatum
Bij een ontslag per andere datum dan 1 augustus of laatste schooldag past het bevoegd gezag zijn melding aan, aan deze andere datum en richt de melding verder in overeenkomstig de wijze als in artikel 7B beschreven, maar nu met als uitgangspunt deze andere datum.
Artikel 8. : Ontslag vanwege kwalitatieve fricties
8.1. Ontslaggrond
Ontslag omdat het anders onmogelijk wordt om binnen het bevoegd gezag het gevraagde onderwijs te verzorgen of de verlangde taken uit te voeren kan een grond zijn voor toewijzing van een vergoedingsverzoek. Ontslag vanwege kwalitatieve fricties doet zich voor indien de bedoelde onmogelijkheid is onderbouwd en het natuurlijk verloop en andere ontslagen geen oplossing bieden. De kwalitatieve fricties mogen geen gevolg zijn van eigen beleid van het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 8, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
Beëindigingovereenkomst
In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 8, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:
-
- het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,
-
- het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en
-
- de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.
Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 8, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
8.2. De kwalitatieve frictie die van toepassing is
Ter beoordeling van een in het eerste lid bedoeld ontslag dient een onderbouwing te worden overgelegd.
8.2.1. Verschuivingen tussen onderwijzend personeel
Ter beoordeling van een ontslag als gevolg van een veranderde vraag naar onderwijzend personeel, dient het bevoegd gezag onderbouwd inzicht te geven in de gewijzigde situatie (bij a t/m e kan worden volstaan met aantallen van die vakken waarop het ontslag betrekking heeft, en de vakken die hieraan via dubbele bevoegdheden van al het personeel gerelateerd zijn).
Het bevoegd gezag overlegt hiertoe:
- a. per vak de leerlingaantallen tot de datum van het ontslag;
- b. per vak de leerlingaantallen vanaf de datum van het ontslag;
- c. per vak het aantal gevraagde lesuren tot de datum van het ontslag;
- d. per vak het aantal gevraagde lesuren vanaf de datum van het ontslag;
- e. bescheiden waarmee aangetoond wordt dat er via verschuivingen binnen de gekoppelde bevoegdheden geen mogelijkheden zijn om het ontslag van betrokkene te voorkomen;
- f. een lijst met de bevoegdheden van al het personeel in vaste en tijdelijke dienst van alle onder het bevoegd gezag ressorterende scholen; en
- g. overige gegevens die voor de beoordeling door het Participatiefonds noodzakelijk zijn.
8.2.2. Verschuivingen tussen verschillende soorten personeel
Ter beoordeling van een ontslag als gevolg van het vervallen van taken en/of het creëren van ruimte voor andere taken, dient het bevoegd gezag onderbouwd inzicht te geven in:
- a. de (onderwijskundige) redenen van het vervallen van de taken;
- b. de (onderwijskundige) redenen van het creëren van ruimte voor andere taken;
- c. de wijze waarop de verkregen ruimte vanaf de datum van ontslag is benut; en
- d. bescheiden waarmee aangetoond wordt dat er via verschuivingen binnen de gekoppelde bevoegdheden geen mogelijkheden zijn om het ontslag van betrokkene te voorkomen.
8.2.3. Vervallen
8.2.4. Vervallen
8.3. Natuurlijk verloop en andere ontslagen
Voor de formatieruimte die ontstaat door natuurlijk verloop of andere ontslagen geldt, dat het bevoegd gezag van de school deze inzet om gedwongen ontslagen te voorkomen. Om deze reden wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in een periode van zes maanden voorafgaand aan en per de datum van het gemelde ontslag bij de toetsing betrokken. Het natuurlijk verloop en andere ontslagen is alleen voor de in artikel 8.2 bedoelde situatie van belang.
8.4. Benodigde gegevens
Het bevoegd gezag verstrekt in verband met de verplichte bestuursaanstelling bij de melding van ontslagen wegens kwalitatieve fricties:
- a. de bescheiden bedoeld in artikel 8.2.1 of artikel 8.2.2;
- b. een gespecificeerde opgave van de omvang in geld van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in de periode van zes maanden voorafgaand aan de ontslagdatum en per de ontslagdatum;
- c. een afschrift van de passage van het zorgplan over de inzet van de zorgformatie, als bedoeld in artikel 19, lid 2, onder b, WPO, voor het schooljaar tot aan het ontslag en voor het schooljaar erna.
8.5. Toetsingsdatum
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)