Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel 23 van de Grondwet, met het oog op de rechtszekerheid en de consistentie en toegankelijkheid van de wetgeving voor het voortgezet onderwijs in zowel Europees Nederland als Caribisch Nederland, wenselijk is om de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES te vervangen door een nieuwe wet voor het voortgezet onderwijs met een heldere ordening en duidelijk geformuleerde regels;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:
- basisberoepsopleiding: basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES;
- basisondersteuningsvoorzieningen: voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot het samenwerkingsverband aanwezig zijn;
- basisonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 2 WPO of artikel 2 WPO BES;
- begeleide onderwijsuren: begeleide onderwijsuren als bedoeld in artikel 7.2.7, zesde lid, WEB, of artikel 7.2.6, zesde lid, WEB BES, met dien verstande dat ten aanzien van het eerste en tweede leerjaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo onder «begeleide onderwijsuren» mede wordt verstaan «onderwijstijd» als bedoeld in artikel 2.38;
- belangstellingsmeting: belangstellingsmeting als bedoeld in artikel 4.6 of artikel 11.45b;
- beroepscollege: beroepscollege als bedoeld in artikel 1.3.2 van de WEB;
- beroepsonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, WEB, of artikel 1.2.1, tweede lid, WEB BES;
- beroepsopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid, WEB of artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES;
- beroepspraktijkvorming: het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, WEB, of artikel 7.2.7, eerste lid, WEB BES;
- bevoegd gezag: voor wat betreft:
- a. een openbare school:
- 1°. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de school in stand houdt, behoudens voor zover de gemeenteraad anders bepaalt en met inachtneming van door hem te stellen regels;
- 2°. het orgaan dat bevoegd is volgens de betrokken gemeenschappelijke regeling waarbij het openbaar lichaam dat de school in stand houdt, is opgericht;
- 3°. de openbare rechtspersoon die de school in stand houdt; of
- 4°. de stichting, bedoeld in artikel 3.10 of artikel 3.16, die de school in stand houdt;
- b. een bijzondere school: de natuurlijke persoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, die de school in stand houdt;
- c. een samenwerkingsschool: de stichting, bedoeld in artikel 3.22, die de school in stand houdt;
- burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
- bijzondere school: school, in stand gehouden door een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als bedoeld in artikel 3.10;
- cluster 3 of 4: cluster 3 als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel c, WEC of cluster 4 als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel d, WEC;
- College voor toetsen en examens: het College voor toetsen en examens, bedoeld in artikel 2 van de Wet College voor toetsen en examens;
- contractactiviteiten: contractactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid;
- cursusduur: in leerjaren uitgedrukte nominale duur van het onderwijsprogramma;
- deelstaatsexamen: staatsexamen in een of meer vakken die van dit staatsexamen deel uitmaken;
- entreeopleiding: entreeopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, WEB BES;
- examencommissie: examencommissie, bedoeld in artikel 2.60d;
- examenprogramma: examenprogramma, bedoeld in artikel 2.54;
- examensecretaris: examensecretaris, bedoeld in artikel 2.51a;
- gelijksoortige school: school van dezelfde schoolsoort of van dezelfde schoolsoort en leerweg;
- gemeenschappelijke regeling: regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen;
- havo: hoger algemeen voortgezet onderwijs;
- ho-student: degene die hoger onderwijs volgt, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, WHW;
- hoger beroepsonderwijs: hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, WHW;
- hoger onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, WHW;
- inspectie: inspectie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, WOT;
- instelling voor beroepsonderwijs: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB, waaraan beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, WEB wordt verzorgd, of instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB BES, waaraan beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, WEB BES wordt verzorgd;
- instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede of derde volzin, WEC, tenzij uit die wet het tegendeel blijkt;
- kerndoelen: kerndoelen als bedoeld in artikel 2.13;
- kwalificatie: de kwalificatie, bedoeld in artikel 7.1.3, eerste lid, WEB of artikel 7.1.3, eerste lid, WEB BES;
- leerjaar: eenheid waarin de cursusduur van het onderwijsprogramma wordt uitgedrukt, overeenkomend met de periode van een schooljaar;
- leerwegondersteunend onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 2.42;
- LPW: Leerplichtwet 1969;
- LPW BES: Leerplichtwet BES;
- mavo: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs;
- mbo-student: student als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB of artikel 1.1.1 WEB BES;
- middenkaderopleiding: middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d, WEB BES;
- ondersteuningsaanbod van de school: beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven;
- onderwijsnummer: door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer of administratienummer is verstrekt;
- onderwijsprogramma: geheel van vakken, al dan niet gecombineerd, als bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2, schooleigen vakken en andere programmaonderdelen;
- Onderwijsraad: Onderwijsraad, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de Onderwijsraad;
- Onze Minister: Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;
- openbare rechtspersoon: openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4;
- openbare school: school, in stand gehouden door:
- a. een gemeente;
- b. een openbaar lichaam dat is ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin een of meer gemeenten deelnemen, al dan niet samen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
- c. een openbare rechtspersoon; of
- d. een stichting als bedoeld in artikel 3.10 of artikel 3.16;
- opleidingsdomein: opleidingsdomein als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB of artikel 1.1.1 WEB BES;
- ouders: met het gezag over de leerling belaste ouders, voogden of verzorgers;
- personeel:
- a. de benoemde rector, directeur, conrector, adjunct-directeur of leraar, en overige personen benoemd in een andere functie dan het geven van onderwijs, waaronder begrepen de leden van het bestuur van een school die zijn benoemd door een raad van toezicht als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, voor zover die leden ook zijn benoemd op basis van een arbeidsovereenkomst; en
- b. in onderdeel a bedoelde personen die zonder benoeming zijn tewerkgesteld;
- persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer of onderwijsnummer;
- persoonsgebonden nummer BES: administratienummer of onderwijsnummer;
- praktijkonderwijs: praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8;
- roc: regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 WEB;
- samenwerkingsschool: samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid of landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in 2.47, achttiende lid;
- scholengemeenschap: gemeenschap van twee of meer scholen;
- school: school voor voortgezet onderwijs;
- school voor speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder f, h, j, k, m of n, WEC, tenzij uit die wet het tegendeel blijkt;
- school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder f, h, j, k, m of n, WEC, tenzij uit die wet het tegendeel blijkt;
- school voor voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder f, h, j, k, m of n, WEC, tenzij uit die wet het tegendeel blijkt;
- schooljaar: periode waarin het onderwijs aan de school wordt verzorgd, beginnend op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigend op 31 juli daaropvolgend;
- schoolsoort: schoolsoort als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid;
- speciaal onderwijs: speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 WEC;
- staatsexamen: staatsexamen vwo, havo, mavo of vbo, afgenomen door het College voor toetsen en examens;
- vakopleiding: vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, WEB BES;
- vavo-student: vavo-student als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB of artikel 1.1.1 WEB BES;
- vbo: voorbereidend beroepsonderwijs;
- verklaring omtrent het gedrag: verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of afgegeven op grond van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES;
- verticale scholengemeenschap: verticale scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6.1 van de WEB;
- vmbo: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs;
- voortgezet onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.4;
- voortgezet speciaal onderwijs: voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 WEC;
- vwo: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
- WEB BES: Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
- WPO BES: Wet primair onderwijs BES; en
Artikel 1.2. Toepassing bepalingen in openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt steeds gelezen voor:
- college van burgemeester en wethouders: bestuurscollege;
- gedeputeerde staten: de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- gemeente: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- gemeentelijk: eilandelijk;
- gemeenteraad: eilandsraad.
Artikel 1.3. Reikwijdte
Deze wet is van toepassing op uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, met uitzondering van de artikelen 2.66 tot en met 2.71, 2.109, 3.27 en 7.44.
De artikelen 3.27 en 7.44 zijn van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2 en 3, LPW en artikel 1, onderdeel b, onder 2 en 3, LPW BES.
De artikelen 2.66 tot en met 2.70 en 2.109 zijn van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2, LPW en artikel 1, onderdeel b, onder 2, LPW BES.
Artikel 2.71 is van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 1 WEC waar voortgezet speciaal onderwijs wordt gegeven.
De artikelen 1.1 tot en met 1.4, 3.39 tot en met 3.41, 7.9, eerste lid, 8.28 en 8.29, zijn ook van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2 en 3, LPW en artikel 1, onderdeel b, onder 2 en 3, LPW BES.
Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders wordt bepaald, is deze wet niet van toepassing op de inrichtingen, bedoeld in:
- a. de Penitentiaire beginselenwet;
Deze wet is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij anders is bepaald.
Artikel 1.4. Karakter en doelen voortgezet onderwijs
Voortgezet onderwijs wordt gegeven na het basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Het omvat algemene vorming, legt de grondslag voor het volgen van beroepsonderwijs of hoger onderwijs, en bereidt voor op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt en op deelname aan de maatschappij.
Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.
Artikel 1.5. Aard bepalingen bekostigd bijzonder onderwijs
De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen die zich rechtstreeks of naar hun aard richten tot het bevoegd gezag, zijn voor het bekostigd bijzonder onderwijs voorwaarden voor bekostiging.
Hoofdstuk 2. Onderwijs
Paragraaf 1. Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs
Artikel 2.1. Schoolsoorten voortgezet onderwijs
Voortgezet onderwijs omvat de volgende schoolsoorten:
- a. vwo;
- b. havo;
- c. mavo;
- d. vbo; en
- e. praktijkonderwijs.
Onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 is ook voortgezet onderwijs.
Artikel 2.2. Actief burgerschap en sociale cohesie
Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:
- a. het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en het handelen naar deze basiswaarden op school;
- b. het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving; en
- c. het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.
Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het eerste lid, onder c, genoemde verschillen.
Artikel 2.3. Karakter openbaar voortgezet onderwijs
Openbaar voortgezet onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden die leven in de Nederlandse samenleving. Daarbij wordt de betekenis van de verscheidenheid van deze waarden onderkend. Openbaar voortgezet onderwijs wordt zo gegeven dat ieders godsdienst of levensovertuiging wordt geëerbiedigd.
Artikel 2.4. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
Vwo wordt gegeven aan scholen voor vwo, die zijn onderscheiden in gymnasia en athenea. Aan een gymnasium wordt in elk geval voortgezet onderwijs gegeven in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur.
Vwo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend wetenschappelijk onderwijs.
Vwo heeft een cursusduur van zes leerjaren.
Artikel 2.5. Hoger algemeen voortgezet onderwijs
Havo wordt gegeven aan:
- a. scholen voor havo; en
- b. afdelingen van scholen voor mavo, die beginnen na vier jaren mavo.
Havo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend hoger beroepsonderwijs.
Havo aan scholen voor havo heeft een cursusduur van vijf leerjaren.
Havo aan afdelingen van scholen voor mavo heeft een cursusduur van twee leerjaren.
Artikel 2.6. Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs
Mavo wordt gegeven aan scholen voor mavo.
Mavo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend beroepsonderwijs of op havo.
Mavo heeft een cursusduur van vier leerjaren.
Artikel 2.7. Voorbereidend beroepsonderwijs
Vbo wordt gegeven aan scholen voor vbo.
Vbo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b, c en d, WEB, of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b, c en d, WEB BES.
Vbo heeft een cursusduur van vier leerjaren.
Artikel 2.8. Praktijkonderwijs
Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs.
Praktijkonderwijs is ingericht om voor te bereiden op functies binnen de regionale arbeidsmarkt op een niveau onder dat van de entreeopleiding.
Artikel 2.9. Dagscholen; contractactiviteiten
Scholen voor voortgezet onderwijs zijn dagscholen.
Aan een school kunnen contractactiviteiten worden verricht bestaande uit:
- a. cursussen waarvan de kosten niet ten laste van 's Rijks kas komen; of
- b. werkzaamheden voor eigen rekening van de school voor derden.
Deze cursussen of werkzaamheden houden verband met het onderwijs aan de school en schaden niet het belang van het onderwijs aan de school.
Paragraaf 2. Inrichting van het voortgezet onderwijs
Artikel 2.10. Reikwijdte
Deze paragraaf heeft betrekking op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo, en op het praktijkonderwijs, indien dat nadrukkelijk is bepaald.
Artikel 2.11. Instructietaal
Het voortgezet onderwijs wordt gegeven in het Nederlands.
Bij het geven van voortgezet onderwijs kan een andere taal dan het Nederlands worden gebruikt als:
- a. onderwijs over die andere taal wordt gegeven;
- b. dat noodzakelijk is vanwege de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs; of
- c. dat noodzakelijk is vanwege de herkomst van de leerlingen.
Het bevoegd gezag stelt voor de school een gedragscode vast voor het gebruik van een andere taal dan het Nederlands bij het geven van onderwijs in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c.
Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.
Artikel 2.12. Algemeen doel inrichting voortgezet onderwijs eerste twee leerjaren
Het voortgezet onderwijs in de eerste twee leerjaren is zo ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van de leerlingen, de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar:
- a. het derde leerjaar van vwo en havo en vervolgens naar de profielen van vwo of havo; of
- b. de profielen van mavo en vbo.
Artikel 2.13. Kerndoelen eerste twee leerjaren
Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen vastgesteld. Kerndoelen zijn de na te streven inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden door leerlingen.
De kerndoelen besteden aandacht aan aspecten van:
- a. Nederlandse taal;
- b. Engelse taal;
- c. geschiedenis en staatsinrichting;
- d. aardrijkskunde;
- e. economie;
- f. wiskunde;
- g. natuur- en scheikunde;
- h. biologie;
- i. verzorging;
- j. informatiekunde;
- k. techniek;
- l. lichamelijke opvoeding; en
- m. beeldende vorming, muziek, drama en dans.
Artikel 2.14. Onderwijsprogramma eerste twee leerjaren
Het bevoegd gezag richt voor de eerste twee leerjaren een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.
Het bevoegd gezag werkt in dit onderwijsprogramma de kerndoelen uit voor de verschillende schoolsoorten en verschillende groepen leerlingen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het verzorgen van het onderwijsprogramma voor zover het om ander onderwijs gaat dan onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen.
Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.
Artikel 2.15. Fries eerste twee leerjaren
Op de scholen in de provincie Fryslân wordt in de eerste twee leerjaren met inachtneming van de kerndoelen, ook voortgezet onderwijs gegeven in Friese taal en cultuur.
Gedeputeerde staten van de provincie Fryslân kunnen op aanvraag van het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht om voortgezet onderwijs te geven in Friese taal en cultuur.
Gedeputeerde staten stellen in beleidsregels criteria vast voor de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, nadat zij over de inhoud van de criteria overleg hebben gevoerd met het voortgezet onderwijs in Fryslân.
Artikel 2.16. Vaststelling kerndoelen Fries
Provinciale staten van Fryslân stellen de kerndoelen Friese taal en cultuur bij verordening vast nadat gedeputeerde staten over de inhoud van de kerndoelen overleg hebben gevoerd met het voortgezet onderwijs in Fryslân.
Voor de verordening is goedkeuring vereist van Onze Minister.
Artikel 2.17. Gronden onthouden goedkeuring verordening inzake kerndoelen Fries
Onze Minister kan aan de verordening, bedoeld in artikel 2.16, in elk geval goedkeuring onthouden indien:
- a. er naar zijn oordeel onvoldoende draagvlak in het voortgezet onderwijs in Fryslân is voor de voorgelegde kerndoelen Friese taal en cultuur; of
- b. de kerndoelen Friese taal en cultuur meer inspanningen van het voortgezet onderwijs in Fryslân vergen dan het aandeel van het onderwijs in Friese taal en cultuur binnen het onderwijsprogramma rechtvaardigt.
Onze Minister kan ook aan de verordening goedkeuring onthouden indien naar zijn oordeel de kerndoelen onvoldoende aandacht schenken aan:
- a. mondelinge uitdrukkingsvaardigheid in het Fries en het verstaan van de Fries gesproken taal;
- b. schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid in het Fries en het verwerven van informatie uit teksten die in het Fries zijn gesteld;
- c. het bevorderen van het begrip van de Friese taal en cultuur; of
- d. het ontwikkelen van een positieve houding over het gebruik van het Fries.
Ten behoeve van het besluit, bedoeld in het eerste lid, verstrekken gedeputeerde staten aan Onze Minister gegevens over de onderwerpen, bedoeld het eerste lid.
Indien Onze Minister voornemens is goedkeuring te onthouden, verzoekt hij de Onderwijsraad advies uit te brengen en geeft hij daarbij een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. De Onderwijsraad brengt binnen zes weken advies uit aan Onze Minister. Het advies wordt openbaar gemaakt.
Onze Minister informeert beide Kamers der Staten-Generaal over het voornemen de verordening al dan niet goed te keuren.
Artikel 2.18. Ontheffingen delen onderwijsprogramma eerste twee leerjaren; bijzondere regels
Het bevoegd gezag kan na overleg met de ouders van de leerling die leerling ontheffing verlenen voor onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14. In dat geval stelt het bevoegd gezag het alternatieve onderwijsprogramma voor die programmaonderdelen vast.
Het bevoegd gezag kan voor leerlingen die daarvoor in aanmerking komen bij de inrichting van het onderwijs afwijken van onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14. De laatste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de procedure om vast te stellen welke leerlingen in aanmerking komen voor afwijkingen als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2.19. Onderwijsprogramma derde leerjaar vwo en havo
Het bevoegd gezag richt voor het derde leerjaar aan scholen voor vwo en aan scholen voor havo een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.
Het onderwijsprogramma wordt zo ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van leerlingen de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar elk van de profielen, genoemd in artikel 2.20, vierde lid.
Artikel 2.14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.
Artikel 2.20. Voorbereidend hoger onderwijs; profielen vwo en havo
Het onderwijs aan scholen voor vwo en aan scholen voor havo heeft met ingang van het vierde leerjaar een periode van voorbereidend hoger onderwijs.
Het bevoegd gezag richt deze periode in volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma met een normatieve studielast voor de leerling van 1600 klokuren per leerjaar.
Een profiel biedt:
- a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming;
- b. een algemene voorbereiding op het hoger onderwijs; en
- c. een bijzondere voorbereiding op groepen opleidingen in het hoger onderwijs die inhoudelijk verwant zijn met het profiel.
Het bevoegd gezag van een school voor vwo of havo biedt alle profielen aan. Deze profielen zijn:
- a. natuur en techniek;
- b. natuur en gezondheid;
- c. economie en maatschappij;
- d. cultuur en maatschappij.
Artikel 2.21. Opbouw en vakken van profielen vwo en havo
Elk profiel in vwo en havo bestaat uit:
- a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen gelijk is;
- b. een profieldeel, dat kenmerkend is voor dat profiel; en
- c. een vrij deel.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voor alle profielen regels gesteld over:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel;
- b. de vakken van de profieldelen en de vakken die in het profieldeel ter keuze van de leerling zijn, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt; en
- c. vakken en andere programmaonderdelen die het vrije deel omvat of kan omvatten, niet zijnde godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan bijzondere scholen, en voor zover het bevoegd gezag deze vakken en andere programmaonderdelen aanbiedt.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de profielen het relatieve gewicht vastgesteld van elk van de vakken binnen het geheel van de vakken van het eindexamen vwo en havo, dat wordt uitgedrukt in een normatieve studielast per vak.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:
- a. leerlingen die zijn ingeschreven voor havo in plaats van de vakken op grond van het tweede lid, overeenkomstige vakken kiezen van vwo; en
- b. leerlingen een of meer extra vakken volgen.
Het bevoegd gezag kan beslissen dat alle leerlingen onderwijs in bepaalde vakken en andere programmaonderdelen volgen.
Artikel 2.22. Vmbo
Het onderwijs aan scholen voor mavo en aan scholen voor vbo heeft met ingang van het derde leerjaar een periode van vmbo. Deze periode heeft vier leerwegen:
- a. de theoretische leerweg;
- b. de basisberoepsgerichte leerweg;
- c. de kaderberoepsgerichte leerweg; en
- d. de gemengde leerweg.
Onderwijs in de theoretische leerweg wordt gegeven aan scholen voor mavo.
Onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg en in de kaderberoepsgerichte leerweg wordt gegeven aan scholen voor vbo. Het bevoegd gezag van de school voor vbo biedt beide leerwegen aan.
Onderwijs in de gemengde leerweg kan alleen worden gegeven aan een school voor mavo of voor vbo binnen een scholengemeenschap waar beide schoolsoorten deel van uitmaken.
Artikel 2.23. Leerwegen en profielen vmbo
Het bevoegd gezag richt de leerwegen in de periode van vmbo in volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma.
Artikel 2.24. Opbouw en vakken van profielen vmbo
Elk profiel in het vmbo bestaat uit:
- a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen van een leerweg gelijk is;
- b. een profieldeel, dat kenmerkend is voor dat profiel; en
- c. een vrij deel, dat bestaat uit vakken en andere programmaonderdelen die de leerling kiest.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voor alle profielen regels gesteld over:
- a. de vakken van het gemeenschappelijk deel;
- b. de vakken van de profieldelen en de vakken die in het profieldeel ter keuze van de leerling zijn, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt; en
- c. vakken en andere programmaonderdelen die het vrije deel omvat of kan omvatten, voor zover het bevoegd gezag deze aanbiedt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. het tot het profiel behorende profielvak in de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg; en
- b. beroepsgerichte keuzevakken in de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg en de gemengde leerweg, alsmede de procedure tot goedkeuring van deze vakken.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor het derde leerjaar in de theoretische leerweg, de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg regels worden gesteld over het minimum aantal te volgen vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, en welke vakken het betreft.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:
- a. leerlingen die zijn ingeschreven voor mavo of vbo vervangende vakken kiezen van een hoger niveau dan dat van de schoolsoort of leerweg van hun inschrijving; en
- b. leerlingen een of meer extra vakken volgen.
Het bevoegd gezag kan beslissen dat in het vrije deel alle leerlingen onderwijs in bepaalde vakken en andere programmaonderdelen volgen.
Artikel 2.25. Profielen in de theoretische leerweg
Een profiel in de theoretische leerweg is zo ingericht dat het:
- a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming biedt;
- b. voorbereidt op opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs die inhoudelijk verwant zijn met het profiel; en
- c. voorbereidt op het havo.
Het bevoegd gezag van een school voor mavo biedt alle profielen in de theoretische leerweg aan. De profielen zijn:
- a. techniek;
- b. zorg en welzijn;
- c. economie;
- d. groen.
Artikel 2.26. Profielen in de beroepsgerichte leerwegen
Een profiel in de basisberoepsgerichte leerweg en in de kaderberoepsgerichte leerweg is zo ingericht dat het:
- a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming biedt; en
- b. voorbereidt op opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs die inhoudelijk verwant zijn met het profiel.
Het bevoegd gezag van een school voor vbo biedt een of meer profielen in basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg aan. De profielen zijn:
- a. bouwen, wonen en interieur;
- b. produceren, installeren en energie;
- c. mobiliteit en transport;
- d. media, vormgeving en ICT;
- e. maritiem en techniek;
- f. zorg en welzijn;
- g. economie en ondernemen;
- h. horeca, bakkerij en recreatie;
- i. groen;
- j. dienstverlening en producten.
De basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg kunnen een stage omvatten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de stage.
Artikel 2.27. Profielen in de gemengde leerweg
Een profiel in de gemengde leerweg is zo ingericht dat het:
- a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming biedt; en
- b. voorbereidt op opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs die inhoudelijk verwant zijn met het profiel.
Het bevoegd gezag van een school met een gemengde leerweg biedt een of meer profielen in de gemengde leerweg aan. De profielen zijn:
- a. bouwen, wonen en interieur;
- b. produceren, installeren en energie;
- c. mobiliteit en transport;
- d. media, vormgeving en ICT;
- e. maritiem en techniek;
- f. zorg en welzijn;
- g. economie en ondernemen;
- h. horeca, bakkerij en recreatie;
- i. groen;
- j. dienstverlening en producten.
De gemengde leerweg kan een stage omvatten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de stage.
Artikel 2.29. Doelgroep praktijkonderwijs
Praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen voor wie vaststaat dat:
- a. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, en
- b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in artikel 2.22, eerste lid, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs, niet zal leiden tot het behalen van een diploma of een getuigschrift vmbo als bedoeld in artikel 2.58.
Artikel 2.30. Toelaatbaarheid en toelating praktijkonderwijs
Het bevoegd gezag van de school waar de leerling is aangemeld of van de school waaraan de leerling is ingeschreven kan aan de ouders van een leerling van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze behoort tot de doelgroep van artikel 2.29, voorstellen dat deze leerling praktijkonderwijs volgt.
Het bevoegd gezag kan bij het samenwerkingsverband een aanvraag indienen voor een leerling die:
- b. rechtstreeks afkomstig is van het eerste leerjaar van een school voor voortgezet onderwijs; of
- c. voldoet aan criteria die zijn gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
In afwijking van het tweede lid kan een aanvraag voor een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, onderdeel b of c, die op 1 oktober van het schooljaar waarin hij voor het eerst wordt meegeteld als leerling in het voortgezet onderwijs korter dan een jaar in Nederland is, uitsluitend worden ingediend na dat schooljaar.
Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag een onderwijskundig rapport over de leerling als bedoeld in artikel 42 WPO of artikel 43 WEC en de op schrift gestelde zienswijze van de ouders.
Het samenwerkingsverband beslist op de aanvraag of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.
Op de beslissing, bedoeld in het vijfde lid, is artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, Awb, niet van toepassing.
Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist, na overleg met de ouders van de leerling, over de toelating van de leerling die toelaatbaar is verklaard tot het praktijkonderwijs.
Artikel 2.31. Inrichting praktijkonderwijs
Praktijkonderwijs omvat:
- a. aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden;
- b. voorbereiding op het uitoefenen van functies op de regionale arbeidsmarkt; en
- c. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanbegeleiding als bedoeld in artikel 2.31a.
Praktijkonderwijs wordt zoveel mogelijk verzorgd op basis van de kerndoelen, en op de scholen voor praktijkonderwijs in de provincie Fryslân ook zoveel mogelijk op basis van de kerndoelen Friese taal en cultuur, bedoeld in artikel 2.15.
Praktijkonderwijs is erop gericht dat leerlingen zoveel mogelijk de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen bereiken die voor het praktijkonderwijs zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs richt voor dat onderwijs een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voor het praktijkonderwijs regels gesteld over
de vakken die dat onderwijs ten minste omvat en het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep.
Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan, met inachtneming van het tweede en derde lid en van artikel 2.38, zevende lid, indien dat voor de leerling noodzakelijk is, bij het aanbieden van dat onderwijs afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.39.
Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.
Artikel 2.32. Maatschappelijke stage
Het onderwijsprogramma van een school kan een maatschappelijke stage omvatten.
Deze stage is gericht op het verwerven van vaardigheden voor het functioneren in de maatschappij. De stage bestaat uit onbezoldigde vrijwilligersactiviteiten die geen stage zijn als bedoeld in de artikelen 2.26, derde lid, en 2.27, derde lid.
Het bevoegd gezag sluit een schriftelijke stage-overeenkomst met de leerling of diens ouders, en de stagebieder. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de stageovereenkomst.
Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.
Artikel 2.33. Voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding
Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding:
- a. bestaat uit praktische bewegingsactiviteiten;
- b. wordt gespreid verzorgd over alle leerjaren van het voortgezet onderwijs;
- c. wordt gespreid verzorgd over de schoolweken.
Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding heeft per schoolsoort een minimaal aantal klokuren:
- a. voor het vmbo: 268;
- b. voor de havo: 305;
- c. voor het vwo: 340.
Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding wordt afgesloten na de maand november van het laatste leerjaar.
Het bevoegd gezag kan een leerling ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in lichamelijke opvoeding indien de leerling op grond van zijn lichamelijke gesteldheid niet in staat is dit onderwijs te volgen. Het bevoegd gezag stelt de inspectie in kennis van een verleende ontheffing en vermeldt daarbij de gronden waarop het berust.
Artikel 2.34. Bestrijding achterstanden voortgezet onderwijs
Het voortgezet onderwijs en het praktijkonderwijs worden zo ingericht dat het op structurele en herkenbare wijze aandacht besteedt aan het bestrijden van achterstanden, vooral in de beheersing van de Nederlandse taal.
Artikel 2.35. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk onderwijs aan openbare scholen
Het bevoegd gezag van een openbare school stelt op aanvraag van kerkelijke gemeenten of van plaatselijke kerken de leerlingen van wie de ouders dat wensen, in de gelegenheid om in de school godsdienstonderwijs te volgen van godsdienstleraren die deze gemeenten of kerken daarvoor hebben aangewezen. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld. Met kerkelijke gemeenten worden voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens hun statuten het geven of doen geven van godsdienstonderwijs als doel stellen.
Het bevoegd gezag van een openbare school stelt op aanvraag van genootschappen op geestelijke grondslag die Onze Minister daarvoor aanwijst, de leerlingen van wie de ouders dat wensen, in de gelegenheid om in de school levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen van leraren die deze genootschappen daarvoor hebben aangewezen. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld.
Bij een geschil over het vaststellen van lessen of het beschikbaar stellen van ruimten van openbare scholen beslist Onze Minister.
Het bevoegd gezag ziet erop toe dat het onderwijs alleen wordt gegeven door een leraar die volgens een schriftelijke verklaring daarover van de aanwijzende kerkelijke gemeente, plaatselijke kerk of het aanwijzend genootschap op geestelijke grondslag:
- a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 7.10, eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn gesteld; en
- b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.
Artikel 2.36. Volgen van lessen bijzondere school door leerlingen met andere levensovertuiging
Het bevoegd gezag kan leerlingen die op grond van artikel 8.3 zijn toegelaten tot een bijzondere school, er niet toe verplichten, de lessen te volgen in de vakken of andere programmaonderdelen die worden gegeven in verband met de levensovertuiging waarvan de school uitgaat.
Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.
Artikel 2.37. Vrijstelling en ontheffing onderwijsprogramma
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:
- a. leerlingen zijn vrijgesteld van het volgen van een deel van het onderwijsprogramma; en
- b. het bevoegd gezag leerlingen ontheffing verleent van het volgen van een deel van het onderwijsprogramma.
Paragraaf 3. Onderwijstijd, vakanties
Artikel 2.38. Onderwijstijd
Vwo omvat ten minste 5700 klokuren.
Havo aan scholen voor havo omvat ten minste 4700 klokuren. Havo aan afdelingen van scholen voor mavo omvat ten minste 1700 klokuren.
Mavo omvat ten minste 3700 klokuren.
Vbo omvat ten minste 3700 klokuren.
Het bevoegd gezag vult de klokuren in met activiteiten die worden verzorgd in een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma als bedoeld in de artikelen 2.14, 2.19, 2.20, tweede lid, en 2.23.
In de eerste twee leerjaren samen worden ten minste 1425 klokuren onderwijs verzorgd, dat wordt gegeven op basis van:
- a. alle kerndoelen; of
- b. een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen behoeft te omvatten, bij toepassing van artikel 2.42, derde lid, of artikel 2.103, achtste lid.
Het praktijkonderwijs wordt zo ingericht dat de leerlingen per schooljaar ten minste 1000 klokuren praktijkonderwijs ontvangen. De leerlingen ontvangen per dag ten hoogste 5,5 klokuren praktijkonderwijs, voor aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het aantal klokuren dat het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep in het kader van het praktijkonderwijs in een schoolweek ten hoogste omvat.
Het buitenschools praktijkgedeelte van een leer-werktraject omvat ten minste 640 klokuren, verzorgd in 80 dagen, en ten hoogste 1280 klokuren, verzorgd in 160 dagen, van de gezamenlijke onderwijstijd van het derde en vierde leerjaar.
Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de invulling van de klokuren met activiteiten, bedoeld in het vijfde lid, en over de spreiding van deze klokuren over de verschillende leerjaren of jaren van de opleiding.
De inspectie kan op verzoek van het bevoegd gezag ermee instemmen dat om lichamelijke of psychische redenen voor individuele leerlingen wordt afgeweken van het eerste, tweede, derde of vierde lid.
Artikel 2.39. Onderwijsdagen
In elk schooljaar wordt op ten minste 189 dagen onderwijs verzorgd.
In afwijking van het aantal dagen, genoemd in het eerste lid, is het bevoegd gezag niet verplicht om in het laatste leerjaar onderwijs te verzorgen vanaf het begin van het eerste tijdvak waarin het centraal examen wordt afgenomen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over vakanties en over andere dagen waarop geen onderwijs hoeft te worden verzorgd.
Bij ministeriële regeling kunnen vakantieperioden worden vastgesteld, waarbij het begin en het einde kunnen verschillen voor groepen van scholen. In afwijking van het eerste lid, kan bij ministeriële regeling voor een te bepalen groep scholen het minimum aantal dagen waarop onderwijs wordt verzorgd worden vastgesteld op een ander aantal dan 189 indien dit noodzakelijk is voor de spreiding van de landelijk vastgestelde vakanties over verschillende delen van Nederland.
Artikel 2.40. Meetellen onderwijstijd voortgezet speciaal onderwijs
Indien een leerling een deel van het onderwijsprogramma ontvangt op een school voor voortgezet speciaal onderwijs, op een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of op een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, telt de tijd mee voor het aantal klokuren, bedoeld in artikel 2.38.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:
- a. regels worden gesteld over de uitvoering van het eerste lid; en
- b. voorwaarden worden gesteld waaraan scholen en instellingen als bedoeld in het eerste lid moeten voldoen als voorwaarde voor het meetellen van de tijd, bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 4. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Artikel 2.41. Begeleiding van leerlingen met extra ondersteuning
Het voortgezet onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, is gericht op individuele begeleiding, afgestemd op de behoeften van de leerling. Zo nodig overlegt het bevoegd gezag over die begeleiding met:
- a. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling zijn woonplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet heeft;
- b. een instantie die jeugdgezondheidszorg uitvoert als bedoeld in artikel 5 van de Wet publieke gezondheid;
- c. een instantie die maatschappelijke ondersteuning biedt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- d. een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg; of
- e. een zorgaanbieder die geneeskundige geestelijke gezondheidszorg levert, behorend tot de prestaties die zijn omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet.
Artikel 2.42. Doelgroep en inrichting leerwegondersteunend onderwijs
Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven aan de leerling voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is om het onderwijs in een van de leerwegen, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, te kunnen afsluiten.
Leerwegondersteunend onderwijs:
- a. bereidt de leerling voor op het volgen van onderwijs in een van deze leerwegen of wordt verzorgd tijdens het volgen van dat onderwijs; en
- b. wordt zo in het onderwijs geïntegreerd en ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan volgen dat is gericht op het afsluiten van de leerweg.
Voor leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs volgen, wordt het onderwijs in de eerste twee leerjaren verzorgd op basis van een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen behoeft te omvatten.
Het bevoegd gezag beslist na overleg met de ouders van de leerling of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.
Artikel 2.43. Aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs
Het samenwerkingsverband beslist op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.
Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na overleg met de ouders een onderwijskundig rapport over de leerling als bedoeld in artikel 42 WPO of artikel 43 WEC.
Artikel 2.30, tweede lid, onderdelen a en b, derde lid en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Op de beslissing, bedoeld in het eerste lid, is artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, Awb, niet van toepassing
Artikel 2.44. Ontwikkelingsperspectief
Het bevoegd gezag stelt, nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor leerlingen die:
- a. praktijkonderwijs volgen; of
- b. extra ondersteuning nodig hebben, voor zover het gaat om leerlingen die vwo, havo, mavo of vbo volgen, met uitzondering van leerlingen die uitsluitend extra ondersteuning in de vorm van leerwegondersteunend onderwijs ontvangen.
In afwijking van het eerste lid, wordt het deel van het ontwikkelingsperspectief dat betrekking heeft op de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.41, vastgesteld nadat daarover overeenstemming is bereikt tussen het bevoegd gezag en de ouders. Het ontwikkelingsperspectief wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld, maar uiterlijk binnen zes weken na de inschrijving van de leerling. Bij een inschrijving op grond van artikel 8.13 wordt het ontwikkelingsperspectief vastgesteld binnen zes weken na de definitieve plaatsing van de leerling.
Het bevoegd gezag evalueert het ontwikkelingsperspectief ten minste een keer per schooljaar met de ouders en de leerling.
Het bevoegd gezag kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen:
- a. nadat het bevoegd gezag op overeenstemming gericht overleg met de ouders heeft gevoerd over deze bijstelling; of
- b. nadat overeenstemming met de ouders is bereikt voor zover het gaat over de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.41.
Het bevoegd gezag stelt het ontwikkelingsperspectief vast of stelt het bij nadat het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid heeft gesteld op een door de leerling te bepalen wijze vrijelijk zijn mening hierover naar voren te brengen. Het bevoegd gezag biedt de leerling daartoe de ondersteuning die hij nodig heeft.
Het bevoegd gezag licht aan de leerling toe op welke wijze diens mening van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.
Het bevoegd gezag beschrijft in het ontwikkelingsperspectief:
- a. de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.41;
- b. indien van toepassing: de onderdelen van het onderwijsprogramma waarvan wordt afgeweken;
- c. de inbreng van de leerling, bedoeld in het vijfde lid, en hoe deze van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het ontwikkelingsperspectief.
Artikel 2.45. Voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen
Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door ziekte thuis verblijven of die zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen ontvangen.
Artikel 2.46. Ondersteuning bij het voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen
Het bevoegd gezag kan worden ondersteund bij het geven van voortgezet onderwijs aan leerlingen als bedoeld in artikel 2.45.
De ondersteuning wordt verzorgd door:
- a. educatieve voorzieningen als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, WHW bij opname van een leerling in een academisch ziekenhuis; of
- b. schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in artikel 185 WPO en artikel 164 WEC bij opname van een leerling in een niet-academisch ziekenhuis, of indien de leerling door ziekte thuis verblijft.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)