Besluit noodmaatregelen coronacrisis
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850 ( Stcrt. 2022, 3142 ).
Het onderdeel ‘Betalingsregeling voor opgebouwde belastingschuld (onderdeel 3.5)’ is gewijzigd. Het is aangevuld met de mogelijkheid voor een langere betalingsregeling. Daarnaast is er de mogelijkheid om op verzoek in kwartaaltermijnen te betalen en een betaalpauze aan te vragen. De mogelijkheid om later aan te vangen met aflossen is vervallen.
Het besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850 ( Stcrt. 2022, 3142 ) is ingetrokken.
1. Inleiding
De bijzondere omstandigheden als gevolg van de coronacrisis zijn voor het kabinet aanleiding voor het treffen van economische en fiscale maatregelen. In dit beleidsbesluit geef ik uitvoering aan fiscale maatregelen in de vorm van concrete goedkeuringen.
Dit besluit ziet op de volgende onderwerpen:
De goedkeuringen zijn gebaseerd op een redelijke wetstoepassing gegeven de bijzondere omstandigheden veroorzaakt door de coronacrisis en waar nodig op de artikelen 62 tot en met 64 Algemene wet inzake rijksbelastingen.
De beleidsmaatregelen hebben een tijdelijk karakter en zullen daarom worden ingetrokken zodra de omstandigheden dit mogelijk maken.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
2. EB en ODE
3. Invordering
3.1. Uitstel van betaling van belastingschulden
Het toepassen van de goedkeuringen in onderdelen 2.1 en 2.2 kan tot een onbedoeld effect leiden bij verzoeken om teruggaaf van EB en ODE. Om dit onbedoelde effect op te heffen is in onderdeel 2.5 een goedkeuring opgenomen.
Deze goedkeuring is met ingang van 1 oktober 2021 vervallen.
Op grond van artikel 56, eerste lid, onderdeel a, Wbm zijn voor leveringen van aardgas en elektriciteit in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of een voorschotbedrag wordt ontvangen de EB en de ODE verschuldigd op het tijdstip van de uitreiking van de voorschotnota of de ontvangst van het voorschotbedrag en op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur. De huidige bijzondere omstandigheden geven aanleiding om in de situatie dat de eindfactuur van een klant betrekking heeft op een kalendermaand soepeler om te gaan met dit tijdstip. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat met betrekking tot de levering van aardgas en de levering van elektriciteit in gevallen als bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel a, Wbm voor leveringen in de maanden april 2020 tot en met september 2020 de EB en de ODE, alsmede de btw hierover, op een later tijdstip worden verschuldigd dan op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen of een eindfactuur wordt uitgereikt.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende 6 voorwaarden:
De afnemer/ondernemer kan op basis van de aanvullende factuur eventueel aanspraak maken op aftrek van de daarop in rekening gebrachte btw.
Door deze goedkeuring en de daaraan gestelde voorwaarden wordt bewerkstelligd dat wanneer de eindfactuur van een klant betrekking heeft op een kalendermaand, de energieleverancier de EB en de ODE op een later moment verschuldigd is en deze belastingen dus ook later op aangifte zal afdragen.
Doordat de energieleverancier op de voorschotnota, in het voorschotbedrag en op de eindfactuur geen bedrag opneemt voor de EB en de ODE, noch de btw hierover, komt dit uitstel van verschuldigdheid ten goede aan de klanten van de energieleveranciers.
Deze goedkeuring is met ingang van 1 oktober 2021 vervallen.
Op grond van artikel 56, eerste lid, onderdeel b, Wbm zijn voor leveringen van aardgas en elektriciteit, in gevallen waarin geen voorschotnota wordt uitgereikt of voorschotbedrag wordt ontvangen, maar wel een factuur wordt uitgereikt, de EB en de ODE verschuldigd op het tijdstip van de uitreiking van die factuur. De huidige bijzondere omstandigheden geven aanleiding om soepeler om te gaan met dit tijdstip. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat met betrekking tot de levering van aardgas en de levering van elektriciteit in gevallen als bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel b, Wbm voor leveringen in de maanden april 2020 tot en met september 2020 de EB en de ODE, alsmede de btw hierover, op een later tijdstip worden verschuldigd dan op het tijdstip van de uitreiking van de factuur.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende 4 voorwaarden:
De afnemer/ondernemer kan op basis van de aanvullende factuur eventueel aanspraak maken op aftrek van de daarop in rekening gebrachte btw.
Door deze goedkeuring en de daaraan gestelde voorwaarden wordt bewerkstelligd dat de energieleverancier de EB en de ODE op een later moment verschuldigd is en deze belastingen dus ook later op aangifte zal afdragen.
Doordat de energieleverancier op de betreffende factuur geen EB en ODE, noch de btw hierover, in rekening brengt, komt dit uitstel van verschuldigdheid ten goede aan de klanten van de energieleveranciers.
In de toelichting bij de verklaring geeft de derde-deskundige aan welke documenten of gegevens door de ondernemer zijn verstrekt. Zo nodig licht hij dit nader toe. Niet vereist is dat de derde-deskundige een zogenoemde assuranceverklaring geeft dat de ondernemer voldoet aan de voorwaarden.
Op grond van artikel 56, eerste lid, onderdeel c, Wbm zijn voor leveringen van aardgas en elektriciteit in overige gevallen (er wordt geen voorschotnota uitgereikt, geen voorschotbedrag ontvangen en geen factuur uitgereikt) de EB en de ODE verschuldigd op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. De huidige bijzondere omstandigheden geven aanleiding om soepeler om te gaan met dit tijdstip. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat met betrekking tot de levering van aardgas en de levering van elektriciteit in gevallen als bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel c, Wbm voor leveringen in de maanden april 2020 tot en met september 2020 de EB en de ODE, alsmede de btw hierover, niet worden verschuldigd op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt, maar op 1 januari 2021.
Ik keur goed dat de ontvanger gedurende de periode van uitstel, bedoeld in de onderdelen 3.4a en 3.5, geen belastingteruggaven (van enige soort) verrekent met de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend, tenzij de ondernemer hierom verzoekt of de belangen van de Staat worden geschaad.
In een aantal gevallen is de verbruiker op grond van artikel 53, tweede lid, Wbm de EB en de ODE verschuldigd, te weten bij:
Artikel 56, derde lid, Wbm bepaalt dat de belasting dan verschuldigd is op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt. De huidige bijzondere omstandigheden geven aanleiding om soepeler om te gaan met dit tijdstip. Daarom keur ik het volgende goed.
3.2. Invorderingsrente
Vervallen.
3.3. Diverse invorderingsonderwerpen
Bij beide onderdelen is een van de voorwaarden voor de goedkeuring dat voor leveringen in die maanden de EB en de ODE, vermeerderd met de btw hierover, uiterlijk in december 2020 via een aanvullende factuur (of facturen) alsnog in rekening worden gebracht. Die belastingen worden verschuldigd op het tijdstip waarop de aanvullende factuur (of facturen) wordt uitgereikt.
3.3.1. Meldingsregeling bodemrecht
Het is mogelijk dat voor leveringen van aardgas en elektriciteit in de periode april 2020 tot en met september 2020 de EB en de ODE, alsmede de btw hierover, nog niet in rekening zijn gebracht binnen die termijn. Er kan dan niet tijdig een verzoek om teruggaaf worden gedaan. Dit is een onbedoeld effect van die twee goedkeuringen. Om dit onbedoelde effect op te heffen keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat verzoeken om teruggaaf, als bedoeld in de artikelen 67, 68, 69, 70 en 70a Wbm, kunnen worden gedaan binnen dertien weken na 31 december 2020. Deze goedkeuring geldt voor leveringen van aardgas en elektriciteit in de periode april 2020 tot en met september 2020 waarbij de EB en de ODE, alsmede de btw hierover, in een aanvullende factuur (of facturen) in rekening zijn gebracht en die factuur (of facturen) bij het verzoek om teruggaaf wordt overgelegd. (In die gevallen heeft de leverancier gebruik gemaakt van de goedkeuring in onderdeel 2.1 of 2.2 van dit besluit).
De huidige bijzondere omstandigheden geven aanleiding om bij het toepassen van de goedkeuring in onderdeel 2.1 of 2.2 in het geval van zgn. oninbare vorderingen bij de aanvullende factuur (of facturen) geen rekening te hoeven houden met ontvangen bedragen voor voorschotten en (eind)facturen waarop geen bedrag voor de EB en de ODE, noch de btw hierover, is opgenomen. Hiertoe zijn in onderdeel 2.6 twee goedkeuringen opgenomen.
2.6. Oninbare vorderingen bij toepassing onderdeel 2.1 of 2.2 van dit besluit
Bij levering van aardgas en elektriciteit zijn EB en ODE verschuldigd. De in een tijdvak verschuldigd geworden EB en ODE moet op aangifte worden voldaan en binnen 1 maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte zijn betaald.
3.3.3. Melding betalingsonmacht
Bij beide onderdelen is een van de voorwaarden voor de goedkeuring dat voor leveringen in die maanden de EB en de ODE, vermeerderd met de btw hierover, uiterlijk in december 2020 via een aanvullende factuur (of facturen) alsnog in rekening worden gebracht. Die belastingen worden verschuldigd op het tijdstip waarop de aanvullende factuur (of facturen) wordt uitgereikt. Dit levert een liquiditeitsvoordeel op voor de klanten van de energieleveranciers.
3.3.4. G-rekening
Op basis van de bestaande regelgeving kan de energieleverancier op zijn maandelijkse aangifte EB/ODE een vermindering toepassen op de verschuldigde EB en ODE, voor zover komt vast te staan dat een door de belastingplichtige ter zake te ontvangen bedrag niet is en niet zal worden ontvangen (zgn. oninbare vorderingen). Voor de btw geldt eenzelfde regeling. Voor zover de voorschotten en (eind)facturen waarop geen bedrag voor de EB en de ODE, noch de btw hierover, is opgenomen en de aanvullende factuur (of facturen) voor de EB en ODE, en de btw hierover, oninbaar blijken, kunnen de bestaande regelingen van artikel 92 Wbm en artikel 29 Wet OB worden toegepast. De huidige bijzondere omstandigheden geven aanleiding om onderdeel 2 zodanig aan te vullen dat bij het toepassen van de goedkeuring in onderdeel 2.1 of 2.2 in het geval van oninbare vorderingen ontvangen bedragen volgtijdig mogen worden toegerekend aan voorschotten en (eind)facturen waarop geen bedrag voor de EB en de ODE, noch de btw hierover, is opgenomen en de aanvullende factuur (of facturen). Dit geldt ook voor de situaties waarbij een aanvullende factuur in 2021 wordt uitgereikt. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat bij toepassing van onderdeel 2.1 van dit besluit, voor leveringen in kalendermaanden binnen de periode april 2020 t/m september 2020 ontvangen bedragen:
3.4. Tijdelijke aanvullende tegemoetkoming: 1 oktober 2021 – 31 januari 2022
In het besluit van 24 september 2021, nr. 2021-191442 (Stcrt. 2021, 42308) was in dit onderdeel een regeling opgenomen die zag op het verlenen van uitstel in specifieke gevallen. Deze regeling vervang ik met terugwerkende kracht door de regeling van onderdeel 3.4a.
3.1. Uitstel van betaling van belastingschulden
3.5. Betalingsregeling voor opgebouwde belastingschuld
Deze goedkeuring is met ingang van 1 oktober 2021 vervallen.
Ik keur goed dat de ontvanger na ontvangst van een verzoek om uitstel van betaling door een ondernemer van een van de hierna genoemde belastingen, dat is ingediend op of na 12 maart 2020 doch uiterlijk 30 september 2021, gedurende drie maanden, doch uiterlijk tot en met 30 september 2021 geen invorderingsmaatregelen treft.
Het verzoek om uitstel kan schriftelijk of digitaal via een daartoe bestemd formulier worden ingediend nadat er een belastingaanslag is opgelegd. Het verzoek om uitstel wordt geacht een verzoek om uitstel van betaling te zijn voor alle openstaande en nog op te leggen belastingaanslagen waarop deze goedkeuring betrekking heeft.
Deze goedkeuring geldt voor de volgende belastingen: loonheffingen, omzetbelasting, inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, vennootschapsbelasting, kansspelbelasting, assurantiebelasting, verhuurderheffing, milieubelastingen (energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE), kolenbelasting, afvalstoffenbelasting, belasting op leidingwater), accijnzen en verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.
Deze goedkeuring geldt tevens voor belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) die is verschuldigd vanaf 1 mei 2020 door een onderneming die beschikt over een vergunning in de zin van artikel 8 van de Wet BPM.
Deze goedkeuring geldt niet voor de omzetbelasting, de accijnzen, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de kolenbelasting voor zover deze belastingen worden geheven met toepassing van de douanewetgeving ter zake van de invoer.
Er wordt geen uitstel van betaling verleend en verleend uitstel van betaling wordt ingetrokken als de belangen van de Staat zich tegen (verder) uitstel verzetten. Dit is onder meer het geval als de ontvanger vreest voor misbruik van de situatie waardoor verhaalsmogelijkheden in gevaar komen.
Deze goedkeuring is met ingang van 1 oktober 2021 vervallen.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de ontvanger uitstel van betaling van belasting verleent voor een periode langer dan drie maanden. De ondernemer kan om deze langere uitsteltermijn vragen in zijn eerste verzoek om uitstel, of kan hier na zijn eerste uitstelverzoek doch uiterlijk 30 september 2021, alsnog schriftelijk of digitaal via een daartoe bestemd formulier om vragen.
4. Betalingsverzuimboeten
Er wordt geen uitstel van betaling verleend en verleend uitstel van betaling wordt ingetrokken als de belangen van de Staat zich tegen (verder) uitstel verzetten.
Verleend uitstel van betaling op grond van deze goedkeuring wordt ingetrokken per 1 oktober 2021, met dien verstande dat de ontvanger de ondernemer in de gelegenheid stelt om de belastingschuld met een betalingsregeling af te lossen (zie hiervoor onderdeel 3.5). Voor de volledigheid merk ik op dat daarbij de voorwaarden a. tot en met f. onverkort gelden.
Deze goedkeuring is met ingang van 1 oktober 2021 vervallen.
5. Douane
5.1. Uitstel van betaling
Deze goedkeuring is met ingang van 1 oktober 2021 vervallen.
Ik keur goed dat noch het feit dat aan de ondernemer eerder uitstel op grond van het bestaande beleid is verleend, noch het feit dat de ondernemer verzoekt om een andere vorm van uitstel, een belemmering vormt voor het toekennen van uitstel van betaling op grond dit onderdeel.
Ik keur goed dat de ontvanger gedurende de periode van uitstel, bedoeld in de onderdelen 3.4a en 3.5, geen belastingteruggaven (van enige soort) verrekent met de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend, tenzij de ondernemer hierom verzoekt of de belangen van de Staat worden geschaad.
5.2. Termijn verkoop voorraad tabaksproducten aan wederverkopers
Voornoemde goedkeuringen 1 tot en met 5 gelden in aanvulling op het uitstelbeleid als verwoord in artikel 25.6 LI.
3.2. Invorderingsrente
6.1. Administratieve verplichtingen
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 oktober 2021.
6.2. Ongewijzigd doorlopen vaste reiskostenvergoedingen en andere vaste vergoedingen
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 januari 2022.
6.3. Gebruikelijk loon 2020 en 2021 AB-houders
Ik keur goed dat, in afwijking van artikel 22bis.1, ad 1.B.c LI, de verplichting tot mededeling, bedoeld in artikel 22bis, tweede lid of derde lid IW niet geldt in het geval de derde en de ondernemer in verband met de gevolgen van de coronacrisis nader zijn overeengekomen dat de termijn waar binnen de vordering ter zake waarvan het pandrecht of het eigendomsrecht van de derde geldt dient te worden afbetaald, wordt verlengd.
6.4. Werkkostenregeling
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 januari 2022. Vooruitlopend op wijziging van artikel 31a, derde lid, van de Wet LB heb ik in dit onderdeel goedgekeurd dat voor het jaar 2021 in artikel 31a, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB ‘1,7%’ en ‘€ 6.800’ gelezen worden als ‘3%’ en ‘€ 12.000’. Deze wetswijziging is opgenomen in het per 1 januari 2022 in werking getreden artikel VII van het Belastingplan 2022.
7. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen
Vervallen.
8. Vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting (winst)
3.3.4. G-rekening
Ik keur goed dat in afwijking van artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004, het saldo van de g-rekening dat overeenkomt met de verschuldigde loonheffing en omzetbelasting waarvoor ingevolge dit besluit geen invorderingsmaatregelen worden genomen of uitstel van betaling wordt genoten op verzoek kan worden gedeblokkeerd door de ontvanger. De in de vorige zin bedoelde goedkeuring geldt niet indien en voor zover de belangen van de Staat zich tegen deblokkering verzetten. Dit geldt ook in situaties van misbruik of oneigenlijk gebruik.
8.2. Urencriterium
Ondernemers die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting (als bedoeld in artikel 3.4 Wet IB 2001) kunnen onder voorwaarden aanspraak maken op verschillende ondernemersfaciliteiten. Op sommige van deze ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de oudedagsreserve, kan uitsluitend aanspraak worden gemaakt als aan het zogenoemde urencriterium wordt voldaan. Aan dit urencriterium wordt in het algemeen voldaan wanneer de ondernemer ten minste 1.225 uren per kalenderjaar besteedt aan werkzaamheden voor zijn onderneming.
In het besluit van 24 september 2021, nr. 2021-191442 (Stcrt. 2021, 42308) was in dit onderdeel een regeling opgenomen die zag op het verlenen van uitstel in specifieke gevallen. Deze regeling vervang ik met terugwerkende kracht door de regeling van onderdeel 3.4a.
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het aantal in een kalenderjaar aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen bestede uren in het kader van het urencriterium zoals bepaald in artikel 3.6 Wet IB 2001, worden ondernemers in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 geacht ten minste 24 uren per week aan de onderneming(en) te hebben besteed.
Dit onderdeel is met ingang van 1 april 2022 vervallen
Ondernemers kunnen vanwege nieuwe beperkende maatregelen van het kabinet opnieuw of nog steeds te maken krijgen met betalingsproblemen. Daarnaast kan het voorkomen dat ondernemers in verband daarmee voor het eerst betalingsproblemen krijgen. Om deze ondernemers tegemoet te komen, geef ik de volgende goedkeuringen.
Goedkeuring 1 ziet op ondernemers die al uitstel van betaling op grond van dit besluit genieten en goedkeuring 2 ziet op ondernemers die voor het eerst of opnieuw te maken hebben met betalingsproblemen die hoofdzakelijk het gevolg van de coronacrisis zijn.
8.2.1. Verlaagd urencriterium voor startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid
De ontvanger verleent geen uitstel van betaling en trekt verleend uitstel van betaling in als de belangen van de Staat zich tegen (verder) uitstel verzetten. Dit is onder meer het geval als de ontvanger vreest voor misbruik van de situatie waardoor verhaalsmogelijkheden in gevaar komen.
Ik keur goed dat de ontvanger tot en met 31 maart 2022 uitstel van betaling verleent aan ondernemers die voor het eerst of opnieuw om uitstel verzoeken op grond van dit beleidsbesluit. Ondernemers kunnen tot en met 31 maart 2022 hier schriftelijk om verzoeken, voor een of meer van de in goedkeuring 1 van onderdeel 3.1 genoemde belastingen die uiterlijk op 31 maart 2022 betaald moeten zijn.
8.3. Fiscale reserve 2019 voor coronagerelateerd verlies 2020 (fiscale coronareserve)
De ontvanger verleent geen uitstel van betaling en trekt eerder verleend uitstel van betaling in als de belangen van de Staat zich tegen (verder) uitstel verzetten. Voor de volledigheid merk ik op dat de goedkeuringen van onderdeel 3.3 ook gelden als de ontvanger op grond van onderdeel 3.4a uitstel verleent.
8.4. Voorlopige aanslag
De ontvanger beslist in beginsel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld onder goedkeuring 3 (zie artikel 1.1.5 LI 2008).
Gelet op de bijzondere omstandigheden van de coronacrisis, heb ik eerder goedgekeurd om naast de reguliere betalingsregeling voor ondernemers (in artikel 25.6 LI e.v.), een meer ruimhartige betalingsregeling toe te staan voor de in dit onderdeel bedoelde belastingen van ondernemers. De uitgangspunten en voorwaarden van deze betalingsregeling zijn opgenomen in goedkeuring 1 en 2. Vanwege de hoge financiële nood bij sommige ondernemers met een belastingschuld als gevolg van de coronacrisis en daartoe opgeroepen door de Tweede Kamer1Zie onder meer de aangenomen motie van het lid Aartsen c.s. van 5 juli 2022 bij het tweeminutendebat coronasteunpakket (Kamerstukken II, 2021/22, 35 420, nr. 505). heb ik besloten om enkele aanvullende versoepelingen van de ruimhartige betalingsregeling toe te staan. Deze aanvullende versoepelingen zijn opgenomen in onderdeel a tot en met d van goedkeuring 3. De mogelijkheid om per kwartaal af te lossen en een betaalpauze aan te vragen, komen in de plaats van de mogelijkheid om later aan te vangen met aflossen.
De ontvanger verleent tot 1 oktober 2027 uitstel van betaling voor belastingen van ondernemers die uiterlijk 30 september 2021 betaald hadden moeten zijn, mits aan de ondernemer ingevolge goedkeuring 1 van onderdeel 3.1 van dit besluit is toegezegd dat geen invorderingsmaatregelen zouden worden genomen.
8.5. Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren & subsidie financiering vaste lasten
De ondernemer lost de hiervoor onder goedkeuring 1 en 2 bedoelde belastingen af voor 1 oktober 2027 met een betalingsregeling.
5. Douane
De voorwaarden b, c en d gelden ook als gebruik wordt gemaakt van een of meer van de mogelijkheden bedoeld onder goedkeuring 3.
8.6.1. Continuïteitsbijdragen zorglichamen
Voor kwartaalaflossing en betaalpauze geldt dat de ondernemer zijn gehele belastingschuld voor 1 oktober 2027 moet hebben betaald. Dit tijdstip is later, maar uiterlijk 30 september 2029, indien en voor zover de ontvanger heeft ingestemd met een verlenging van de betalingsregeling (zie onder a). Dit betekent ook dat als de ontvanger het verzoek om betaling per kwartaal of betaalpauze inwilligt, de ontvanger voor de nog te betalen belastingschuld de termijnen opnieuw zal berekenen.
De ontvanger beslist in beginsel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld onder goedkeuring 3 (zie artikel 1.1.5 LI 2008).
4. Betalingsverzuimboeten
Ik acht het onwenselijk dat ondernemers waaraan uitstel van betaling vanwege betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis is, wordt of kan worden verleend, worden beboet omdat zij niet of niet tijdig aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat verzuimboeten voor betalingsverzuimen in een periode waarvoor op grond van dit besluit bijzonder uitstel van betaling is of wordt verleend, worden geacht niet te zijn opgelegd. Als een verzuimboete wordt opgelegd, zorgt de ontvanger ervoor dat deze ambtshalve wordt vernietigd.
Ik keur goed dat verzuimboeten voor betalingsverzuimen in een periode waarvoor op grond van dit besluit bijzonder uitstel van betaling kan worden verleend, worden geacht niet te zijn opgelegd als de naheffingsaanslag binnen de betalingstermijn volledig wordt voldaan. De ontvanger zorgt er dan voor dat de verzuimboete ambtshalve wordt vernietigd.
5. Douane
Zorglichamen en sociale werkbedrijven zijn onder voorwaarden subjectief vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting.3Artikel 5, eerste lid, onderdeel c, onder 1° en 2°, Wet Vpb 1969 juncto artikel 4 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Om voor deze vrijstelling – die ook wel wordt aangeduid als de zorgvrijstelling – in aanmerking te komen, moet zijn voldaan aan een werkzaamheden- en winstbestemmingseis. In het besluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751 (Stcrt. 2019, 66223), is over deze voorwaarden beleid opgenomen. Onderdeel 7 van dat besluit bevat overgangsregelingen voor bepaalde groepen zorglichamen en sociale werkbedrijven. De termijn van deze overgangsregelingen eindigt op 31 december 2020.
De in onderdeel 3.1 en onderdeel 3.4a van dit besluit opgenomen goedkeuringen met betrekking tot uitstel van betaling van belastingschulden zijn niet van toepassing op de omzetbelasting, de accijnzen, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de kolenbelasting voor zover deze belastingen worden geheven met toepassing van de douanewetgeving ter zake van de invoer. Voor die gevallen voorziet de douanewetgeving in een eigen regeling. Zie met name de artikelen 110, 112 en 114 van het Douanewetboek van de Unie.
De in onderdeel 3.1 van dit verzamelbesluit opgenomen goedkeuring 5 inzake schorsing van de verrekening van belastingen is niet van toepassing bij de verrekening van rechten bij invoer.
8.8. Herinvesteringsreserve
De bij een vervreemding van bedrijfsmiddelen behaalde boekwinst kan onder voorwaarden worden opgenomen in een herinvesteringsreserve (artikel 3.54 Wet IB 2001). Een belangrijke voorwaarde is dat een voornemen bestaat om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel. Bij herinvestering wordt de herinvesteringsreserve afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd.
8.8.1. Bijzondere omstandigheid
Wanneer de herinvestering nog niet heeft plaatsgevonden, wordt de herinvesteringsreserve uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen (artikel 3.54, vijfde lid, Wet IB 2001). Op grond van onderdeel b van het vijfde lid geldt dit niet voor zover de aanschaffing of voortbrenging, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd. Daarbij mag ervan worden uitgegaan dat de coronacrisis als bijzondere omstandigheid kwalificeert. Daarbij merk ik op dat nog wel aan de overige voorwaarden, waaronder dat aan de aanschaffing of voortbrenging een begin van uitvoering is gegeven, moet worden voldaan.
6.1. Administratieve verplichtingen
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 oktober 2021.
Ik keur goed dat de ruiming van pelsdieren wegens COVID-19 mede in het zicht van de vervroegde inwerkingtreding van de Wet verbod pelsdierhouderij voor de toepassing van artikel 3.54 Wet IB 2001 (en daarmee ook voor de toepassing van artikel 3.64 Wet IB 2001) kwalificeert als overheidsingrijpen.
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 januari 2022.
6.3. Gebruikelijk loon 2020 en 2021 AB-houders
9a. Zorgpersoneel en hulpgoederen
Het is denkbaar dat ondernemers door de coronacrisis minder of geen werkzaamheden voor hun onderneming(en) kunnen verrichten. Hierdoor kan het voor ondernemers lastig zijn om aannemelijk te maken dat aan het urencriterium is voldaan. Het feit dat ondernemers puur als gevolg van de coronacrisis bepaalde ondernemersfaciliteiten verliezen, vind ik onwenselijk en onrechtvaardig. Daarom keur ik het volgende goed.
9b. Verlaagd btw-tarief voor online sportlessen door sportscholen
Ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten en die normaliter in de periode van 1 maart tot en met 30 september een piek hebben in het aantal uren dat ze besteden aan de onderneming, worden geacht een gelijk aantal uren te hebben besteed in dezelfde periode in 2020 als het aantal uren dat is besteed in de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019. De ondernemer kan in dat geval met behulp van zijn administratie bepalen hoeveel uren hij aan de onderneming heeft besteed in de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019.
Vervallen.
Ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten en die normaliter in de periode van 1 januari tot en met 30 juni een piek hebben in het aantal uren dat ze besteden aan de onderneming, worden geacht een gelijk aantal uren te hebben besteed in dezelfde periode in 2021 als het aantal uren dat is besteed in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019. De ondernemer kan in dat geval met behulp van zijn administratie bepalen hoeveel uren hij aan de onderneming heeft besteed in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019.
8.1. Termijn bij gebruikmaking terugwerkende kracht bij geruisloze omzetting, bedrijfsfusie, juridische fusie, splitsing en geruisloze terugkeer
Vervallen.
8.2. Urencriterium
Ondernemers die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting (als bedoeld in artikel 3.4 Wet IB 2001) kunnen onder voorwaarden aanspraak maken op verschillende ondernemersfaciliteiten. Op sommige van deze ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de oudedagsreserve, kan uitsluitend aanspraak worden gemaakt als aan het zogenoemde urencriterium wordt voldaan. Aan dit urencriterium wordt in het algemeen voldaan wanneer de ondernemer ten minste 1.225 uren per kalenderjaar besteedt aan werkzaamheden voor zijn onderneming.
10. Heffing over Duitse netto-uitkeringen
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het aantal in een kalenderjaar aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen bestede uren in het kader van het urencriterium zoals bepaald in artikel 3.6 Wet IB 2001, worden ondernemers in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 geacht ten minste 24 uren per week aan de onderneming(en) te hebben besteed.
11. Inkomstenbelasting
11.1. Eigenwoningrente
Ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten en die normaliter in de periode van 1 januari tot en met 30 juni een piek hebben in het aantal uren dat ze besteden aan de onderneming, worden geacht een gelijk aantal uren te hebben besteed in dezelfde periode in 2021 als het aantal uren dat is besteed in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019. De ondernemer kan in dat geval met behulp van zijn administratie bepalen hoeveel uren hij aan de onderneming heeft besteed in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019.
8.2.1. Verlaagd urencriterium voor startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid
Ook startende ondernemers die arbeidsongeschikt zijn kunnen mogelijk door de coronacrisis minder of geen werkzaamheden voor hun onderneming verrichten. Hiervoor acht ik het passend om in lijn met de systematiek van de hiervoor aangegeven versoepeling van het urencriterium ook het verlaagde urencriterium van 800 uren per kalenderjaar in de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid te versoepelen. Daarom keur ik het volgende goed.
8.6. Zorglichamen
8.3. Fiscale reserve 2019 voor coronagerelateerd verlies 2020 (fiscale coronareserve)
Vervallen.
8.4. Voorlopige aanslag
13.1. Uitstel termijnen Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies
Ondernemers die in 2020, 2021 of 2022 een lagere winst verwachten dan waarmee rekening is gehouden bij het opleggen van de voorlopige aanslag(en), kunnen een verzoek om vermindering indienen bij de inspecteur. De inspecteur zal dit verzoek inwilligen.
Heeft de ondernemer meer belasting betaald dan het bedrag dat is verschuldigd na inwilliging van het verzoek, dan krijgt hij het verschil terugbetaald.
In onderdeel 4.2.1. van het besluit van 25 november 2019, nr. 2019 – 187751 (Stcrt. 2019, 66223) zijn de kaders van het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’ (zorg) zoals gehanteerd binnen de zorgvrijstelling aangegeven. Aangezien de werkzaamheden op grond van het Rijksvaccinatieprogramma zoals vastgesteld op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg) al in onderdeel 4.4.2 van het hiervoor genoemde besluit als kwalificerende werkzaamheden voor toepassing van de zorgvrijstelling zijn aangemerkt, geldt dat ook voor de werkzaamheden in het kader van het COVID-19 Rijksvaccinatieprogramma.
13.2. Voorkomen van dubbele meldingen vanwege het feit dat niet alle lidstaten gebruikmaken van de mogelijkheid de termijnen voor het melden van constructies te verschuiven
Sommige lidstaten hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die in Richtlijn (EU) 2020/876 van de Raad van 24 juni 2020 wordt geboden om de termijnen voor het verstrekken en uitwisselen van inlichtingen over meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies te verschuiven. Door de verschillende deadlines die lidstaten hanteren kunnen situaties ontstaan die niet eerder voorzien waren door de richtlijn en de wetgever.
Zorglichamen zijn onder bepaalde voorwaarden subjectief vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting (artikel 5, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969, hierna ook aan te duiden als de zorgvrijstelling).2Zie uitgebreid het besluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751 (Stcrt. 2019, 66223), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 2020, nr. 2020-27575 (Stcrt. 2020-62958).
De huidige bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat zorglichamen en/of sociale werkbedrijven niet op tijd aan de voorwaarden van de overgangsregelingen kunnen voldoen. Ik vind dit onwenselijk en keur daarom het volgende goed.
Zorglichamen ontvangen continuïteitsbijdragen ter compensatie van omzetdaling en extra gemaakte kosten als gevolg van de coronapandemie. Met deze continuïteitsbijdragen wordt beoogd de financiële continuïteit van de zorgaanbieders te garanderen en ervoor te zorgen dat de zorginfrastructuur ook na de coronacrisis beschikbaar blijft. In de praktijk is de vraag opgekomen of de continuïteitsbijdragen die zorglichamen ontvangen van invloed zijn op de toepassing van de zorgvrijstelling. Ik vind het niet wenselijk dat bij zorglichamen louter door de ontvangst van continuïteitsbijdragen de zorgvrijstelling over de boekjaren 2020 of 2021 ter discussie komt te staan en mogelijk niet zou kunnen worden toegepast. Daarom keur ik het volgende goed.
8.8. Herinvesteringsreserve
De bij een vervreemding van bedrijfsmiddelen behaalde boekwinst kan onder voorwaarden worden opgenomen in een herinvesteringsreserve (artikel 3.54 Wet IB 2001). Een belangrijke voorwaarde is dat een voornemen bestaat om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel. Bij herinvestering wordt de herinvesteringsreserve afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd.
8.8.1. Bijzondere omstandigheid
In onderdeel 4.2.1. van het besluit van 25 november 2019, nr. 2019 – 187751 (Stcrt. 2019, 66223) zijn de kaders van het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’ (zorg) zoals gehanteerd binnen de zorgvrijstelling aangegeven. Aangezien de werkzaamheden op grond van het Rijksvaccinatieprogramma zoals vastgesteld op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg) al in onderdeel 4.4.2 van het hiervoor genoemde besluit als kwalificerende werkzaamheden voor toepassing van de zorgvrijstelling zijn aangemerkt, geldt dat ook voor de werkzaamheden in het kader van het COVID-19 Rijksvaccinatieprogramma.
Overigens ben ik van mening dat de diagnostische werkzaamheden die medische laboratoria of diagnostische centra verrichten als gevolg van het afnemen van COVID-19 testen op grond van de Wpg ook voor de werkzaamhedeneis in de zorgvrijstelling kwalificeren.
Voor de herinvesteringsreserve en voor de doorschuiving van te conserveren inkomen bij staking (artikel 3.64 Wet IB 2001) is van belang of sprake is van vervreemding die een gevolg is van overheidsingrijpen. Als sprake is van overheidsingrijpen dan zijn er ruimere mogelijkheden om een herinvesteringsreserve te vormen en af te boeken. De vraag is voorgelegd of de ruiming van pelsdieren wegens COVID-19 in combinatie met de vervroegde inwerkingtreding van de Wet verbod pelsdierhouderij wordt aangemerkt als overheidsingrijpen.
Zorglichamen en sociale werkbedrijven zijn onder voorwaarden subjectief vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting.3Artikel 5, eerste lid, onderdeel c, onder 1° en 2°, Wet Vpb 1969 juncto artikel 4 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Om voor deze vrijstelling – die ook wel wordt aangeduid als de zorgvrijstelling – in aanmerking te komen, moet zijn voldaan aan een werkzaamheden- en winstbestemmingseis. In het besluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751 (Stcrt. 2019, 66223), is over deze voorwaarden beleid opgenomen. Onderdeel 7 van dat besluit bevat overgangsregelingen voor bepaalde groepen zorglichamen en sociale werkbedrijven. De termijn van deze overgangsregelingen eindigt op 31 december 2020.
16. Citeertitel
Ik keur goed dat de termijn van de overgangsregelingen die gelden voor zorglichamen en sociale werkbedrijven en die zijn opgenomen in onderdeel 7 van het besluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751 (Stcrt. 2019, 66223), wordt verlengd tot en met 31 december 2021.4Zie ook het besluit van 17 december 2020, nr. 2020-27575 (Stcrt. 2020, 62958).
Bijlage. Gepubliceerde lijst van de Wereld Douaneorganisatie; indelingen van medische voorzieningen in verband met uitbraak COVID-19
| Categorie | Product namen | Korte informatie | GS indeling |
|---|---|---|---|
| I COVID-19 Test kits/instrumenten en apparaten die worden gebruikt in diagnostische tests | COVID-19 Test kits | Diagnostische reagentia op basis van polymerasekettingreactie (PCR) nucleïnezuurtest. | 3822.00 |
| I COVID-19 Test kits/instrumenten en apparaten die worden gebruikt in diagnostische tests | COVID-19 Test kits | Diagnostische reagentia op basis van immunologische reacties | 3002.15 |
| I COVID-19 Test kits/instrumenten en apparaten die worden gebruikt in diagnostische tests | COVID-19 Diagnostische Test instrumenten en apparaten | Instrumenten gebruikt in klinische laboratoria voor in vitro diagnose | 9027.80 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | Gezichts- en oogbescherming | Gezichts- en oogbescherming | |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Textielmaskers, zonder vervangbare filters of mechanische delen, inclusief chirurgische maskers en wegwerpmaskers van niet-geweven textiel | □ Textielmaskers, zonder vervangbare filters of mechanische delen, inclusief chirurgische maskers en wegwerpmaskers van niet-geweven textiel | 6307.90 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Gasmaskers met mechanische delen of vervangbare filters ter bescherming tegen biologische agentia. Omvat eveneens dergelijke maskers met oogbescherming of gelaatsschermen. | □ Gasmaskers met mechanische delen of vervangbare filters ter bescherming tegen biologische agentia. Omvat eveneens dergelijke maskers met oogbescherming of gelaatsschermen. | 9020.00 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Beschermende brillen | □ Beschermende brillen | 9004.90 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Gelaatsschermen van kunststof (bedekken meer dan de ogen) | □ Gelaatsschermen van kunststof (bedekken meer dan de ogen) | 3926.20 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | Handschoenen | Handschoenen | |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Handschoenen van kunststof | □ Handschoenen van kunststof | 3926.20 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Chirurgische handschoenen van rubber | □ Chirurgische handschoenen van rubber | 4015.11 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Andere handschoenen van rubber | □ Andere handschoenen van rubber | 4015.19 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Handschoenen van brei- of haakwerk die geïmpregneerd zijn of bedekt zijn met kunststof of rubber | □ Handschoenen van brei- of haakwerk die geïmpregneerd zijn of bedekt zijn met kunststof of rubber | 6116.10 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Handschoenen, andere dan van brei- of haakwerk | □ Handschoenen, andere dan van brei- of haakwerk | 6216.00 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | Andere | Andere | |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | □ Wegwerp haarnetjes | □ Wegwerp haarnetjes | 6505.00 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | Beschermende kleding voor chirurgisch / medisch gebruik van vilt of gebonden textielvlies, ook indien geïmpregneerd, bekleed, bedekt of gelamineerd (textiel bedoeld bij post 56.02 of 56.03). Hieronder vallen ook gesponnen kledingstukken. | Beschermende kleding voor chirurgisch / medisch gebruik van vilt of gebonden textielvlies, ook indien geïmpregneerd, bekleed, bedekt of gelamineerd (textiel bedoeld bij post 56.02 of 56.03). Hieronder vallen ook gesponnen kledingstukken. | 6210.10 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | Andere beschermende kleding van textiel, geïmpregneerd, bekleed, bedekt of gelamineerd met rubber (textiel van de posten 59.03, 59.06 of 59.07). De daadwerkelijke indeling hangt af van het type kledingstuk en of het kleding voor mannen of vrouwen betreft. Voorbeeld: een unisex geweven pak, geïmpregneerd met kunststof, wordt ingedeeld onder 6210.50 – andere kleding, voor dames of voor meisjes. | Andere beschermende kleding van textiel, geïmpregneerd, bekleed, bedekt of gelamineerd met rubber (textiel van de posten 59.03, 59.06 of 59.07). De daadwerkelijke indeling hangt af van het type kledingstuk en of het kleding voor mannen of vrouwen betreft. Voorbeeld: een unisex geweven pak, geïmpregneerd met kunststof, wordt ingedeeld onder 6210.50 – andere kleding, voor dames of voor meisjes. | 6210.20 6210.30 6210.40 6210.50 |
| II. Beschermende kledingstukken en soortgelijke artikelen | Beschermende kledingstukken gemaakt van kunststof in vellen | Beschermende kledingstukken gemaakt van kunststof in vellen | 3926.20 |
| III. Thermometers | Gevuld met vloeistof, met rechtstreekse aflezing | Omvat eveneens standaard ‘Mercury-in-glass’ klinische thermometer | 9025.11 |
| III. Thermometers | Andere thermometers | Bijvoorbeeld digitale thermometers of infraroodthermometers voor op het voorhoofd. | 9025.19 |
| IV. Desinfecteermiddelen / Sterilisatieproducten | Alcohol oplossing | Niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 80% vol of meer | 2207.10 |
| IV. Desinfecteermiddelen / Sterilisatieproducten | Alcohol oplossing | Niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 75% vol | 2208.90 |
| Desinfecterend middel voor de handen | Vloeibaar of in de vorm van een gel die over het algemeen wordt gebruikt om infectieuze stoffen op de handen, op alcoholbasis, te verminderen. | 3808.94 | |
| Andere desinfecterende bereidingen | Opgemaakt in vormen of verpakkingen voor de verkoop in het klein, zoals doekjes geïmpregneerd met alcohol of andere ontsmettingsmiddelen. | 3808.94 | |
| Medische, chirurgische of laboratoriumsterilisatoren | Werkend met stoom of kokend water | 8419.20 | |
| Waterstofperoxide in bulk | H2O2, ook indien gestold met ureum. | 2847.00 | |
| Waterstofperoxide gepresenteerd als medicijn | H2O2 opgemaakt voor intern of extern gebruik als geneesmiddel, ook als antisepticum voor de huid. Alleen hier bedoeld indien in afgemeten doses of in vormen of verpakkingen voor de detailhandel | 3004.90 | |
| Waterstofperoxide verwerkt in desinfecterende bereidingen voor oppervlakken reinigen | H2O2 opgemaakt als reinigingsoplossing voor oppervlakken of apparaten. | 3808.94 | |
| Andere chemische desinfecteermiddelen | Opgemaakt in verpakkingen voor kleinhandel in ontsmettingsmiddelen of als ontsmettingsmiddelen, die alcohol, benzalkoniumchlorideoplossing of peroxyzuren of andere ontsmettingsmiddelen bevatten. | 3808.94 | |
| V. Andere medische apparaten | Tomografen die werken met behulp van een machine voor het automatisch verwerken van gegevens (CT) -scanners | Gebruikt een roterende röntgenmachine om dunne plakjes van het lichaam af te beelden om ziekten zoals longontsteking te diagnosticeren. | 9022.12 |
| V. Andere medische apparaten | Extracorporale membraanoxygenatie (ECMO) | Biedt langdurige cardiale en ademhalings-ondersteuning door bloed uit het lichaam van de persoon te verwijderen en de kooldioxide en zuurstofrijke rode bloedcellen kunstmatig te verwijderen. | 9018.90 |
| V. Andere medische apparaten | Medische beademingsapparaten (beademingsapparatuur) | Zorgt voor mechanische ventilatie door ademlucht in en uit de longen te verplaatsen | 9019.20 |
| V. Andere medische apparaten | Andere apparaten voor zuurstoftherapie, waaronder zuurstoftenten | Naast volledige zuurstoftherapieapparatuur omvat deze onderverdeling ook herkenbare delen van dergelijke systemen. | 9019.20 |
| V. Andere medische apparaten | Patiëntbewakingsapparatuur – elektro-diagnostische apparatuur | Elektrische of elektronische apparatuur voor het waarnemen van een ziekte, aandoening of een of meer medische parameters in de tijd. Dit omvat apparaten zoals pulsoximeters of | 9018.19 |
| controlestations aan het bed die worden gebruikt voor het continu bewaken van verschillende vitale functies. (Opmerking: dit omvat geen apparaten die specifieker elders worden omvat, bijv. elektrocardiografen (9018.11) of elektronische thermometers (9025.19).) | |||
| VI. Medische verbruiksartikelen | Watten, gaas, verband en dergelijke artikelen (bijvoorbeeld zwachtels, pleisters, mosterdpleisters) | Geïmpregneerd of bedekt met farmaceutische stoffen of opgemaakt in vormen of verpakkingen voor de verkoop in het klein voor medisch gebruik | 3005.90 |
| VI. Medische verbruiksartikelen | Spuiten, met of zonder naalden | Spuiten, met of zonder naalden | 9018.31 |
| VI. Medische verbruiksartikelen | Buisvormige metalen naalden en hechtnaalden | Buisvormige metalen naalden en hechtnaalden | 9018.32 |
| VI. Medische verbruiksartikelen | Naalden, katheters, canules en dergelijke | Naalden, katheters, canules en dergelijke | 9018.39 |
| VI. Medische verbruiksartikelen | Intubatiekits | Intubatiekits | 9018.90 |
| VI. Medische verbruiksartikelen | Papieren lakens | Papieren lakens | 4818.90 |
Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.
Bij levering of verbruik van aardgas en elektriciteit zijn energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) verschuldigd. Het tijdstip van verschuldigdheid is geregeld in artikel 56, eerste en derde lid, Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). Hierbij worden vier situaties onderscheiden.
De huidige bijzondere omstandigheden geven aanleiding om soepeler om te gaan met dit tijdstip. De beschrijving van de vier situaties en de goedkeuring voor (delen van) die situaties zijn hierna in afzonderlijke onderdelen opgenomen (onderdelen 2.1 tot en met 2.4).
2.1. Voorschot en eindfactuur per kalendermaand
2.2. Geen voorschot, wel factuur
2.3. Geen voorschot, geen factuur, wel levering
2.4. Geen voorschot, geen factuur, geen levering, wel verbruik
Ik keur goed dat met betrekking tot gevallen als bedoeld in artikel 56, derde lid, Wbm voor verbruik in de maanden april 2020 tot en met september 2020 de EB en de ODE niet worden verschuldigd op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt, maar op 31 december 2020.
2.5. Termijn indienen teruggaafverzoeken EB en ODE
Bij levering van aardgas en elektriciteit zijn EB en ODE verschuldigd. In onderdelen 2.1 en 2.2 van dit besluit keur ik voor bepaalde leveringen van aardgas en elektriciteit in de maanden april 2020 tot en met september 2020 goed dat de EB en de ODE, alsmede de btw hierover, op een later tijdstip worden verschuldigd dan normaal.
Het toepassen van deze goedkeuringen kan gevolgen hebben voor verzoeken om teruggaaf, bedoeld in de artikelen 67, 68, 69, 70 en 70a Wbm. In het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag is namelijk bepaald dat die verzoeken om teruggaaf moeten worden gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode of het tijdvak.
In onderdelen 2.1 en 2.2 van dit besluit keur ik voor bepaalde leveringen van aardgas en elektriciteit in de maanden april 2020 tot en met september 2020 goed dat de EB en de ODE, alsmede de btw hierover, op een later tijdstip worden verschuldigd dan normaal.
Als onderdeel 2.1 of 2.2 van dit besluit wordt toegepast, dan bestaat de kans dat de oorspronkelijke factuur wel nog (gedeeltelijk) kan worden betaald, maar de aanvullende factuur niet meer of slechts gedeeltelijk.
Ik keur goed dat bij toepassing van onderdeel 2.2 van dit besluit, voor leveringen in kalendermaanden binnen de periode april 2020 t/m september 2020 ontvangen bedragen:
3. Invordering
Ondernemers die door bijzondere omstandigheden waarvan de oorzaak buiten hun invloed ligt, tijdelijk in liquiditeitsproblemen zijn gekomen kunnen om uitstel van betaling vragen, het zogenoemde ‘bijzonder uitstel’. Dit is geregeld in artikel 25.6.2a LI. De gevolgen van de coronacrisis geven aanleiding voor een tijdelijk soepeler beleid. Daarom keur ik het volgende goed.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende zes voorwaarden:
Ik keur goed dat de verklaring van de derde-deskundige, die op grond van goedkeuring 2 is vereist bij een belastingschuld van € 20.000 of meer, door de Belastingdienst wordt geaccepteerd als de verklaring in ieder geval de volgende elementen bevat:
In de toelichting bij de verklaring geeft de derde-deskundige aan welke documenten of gegevens door de ondernemer zijn verstrekt. Zo nodig licht hij dit nader toe. Niet vereist is dat de derde-deskundige een zogenoemde assuranceverklaring geeft dat de ondernemer voldoet aan de voorwaarden.
Deze goedkeuring 5 is niet van toepassing bij de verrekening van rechten bij invoer.
Vervallen.
3.3. Diverse invorderingsonderwerpen
Bij het robuust faciliteren van uitstel van betaling van belasting past een soepelere houding ten aanzien van een aantal aanvullende onderwerpen. Deze soepelere houding komt tot uitdrukking in onderstaande goedkeuringen.
3.3.1. Meldingsregeling bodemrecht
Dit onderdeel is met ingang van 1 april 2022 vervallen.
Ik keur goed dat in afwijking van artikel 22bis.2, ad a LI de meldingsplicht van het voornemen om rechten op een bodemzaak of bodemzaken uit te oefenen of enigerlei andere handeling te (laten) verrichten waardoor het niet meer als bodemzaak kwalificeert, niet van toepassing is als de betalingsachterstand is veroorzaakt door de gevolgen van de coronacrisis.
3.3.2. Verklaring betalingsgedrag
Ik keur goed dat in afwijking van artikel 35.12.2 LI de ontvanger, indien voldaan wordt aan de overige voorwaarden, een schone verklaring betalingsgedrag afgeeft als voor de nageheven loonheffingen of voor de (door de uitlener verschuldigde) omzetbelasting ingevolge dit besluit geen invorderingsmaatregelen worden genomen of zolang de ondernemer daarvoor uitstel van betaling geniet.
3.3.3. Melding betalingsonmacht
Ik keur goed dat voor zover het verzoek om uitstel van betaling op grond van dit besluit betrekking heeft op de verschuldigde belasting die behoorde te zijn afgedragen of voldaan vanaf 12 maart 2020 en uiterlijk op 31 maart 2022, het verzoek in voorkomend geval mede geldt als tijdige melding van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 36, tweede lid IW. De melding wordt bovendien rechtsgeldig geacht, tenzij achteraf blijkt dat de betalingsonmacht niet hoofdzakelijk verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis.
Ik keur goed dat uitwinning van de g-rekening achterwege blijft zolang ingevolge dit besluit geen invorderingsmaatregelen worden genomen of uitstel van betaling wordt genoten, tenzij en voor zover de belangen van de Staat zich tegen het niet-uitwinnen van de g-rekening verzetten.
3.4. Tijdelijke aanvullende tegemoetkoming: 1 oktober 2021 – 31 januari 2022
3.4a. Aanvullende regeling voor uitstel van betaling van belastingen
3.5. Betalingsregeling voor opgebouwde belastingschuld
Ik keur goed dat de ontvanger tot en met 31 maart 2022 uitstel van betaling verleent aan ondernemers die in aanmerking komen voor de betalingsregeling van goedkeuring 1 van onderdeel 3.5 en aan ondernemers aan wie na 1 oktober 2021 uitstel van betaling is verleend op grond van goedkeuring 2 van onderdeel 3.4a zoals die luidde in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 16 december 2021, nr. 2021-258581 ( Stcrt. 2021, 50389 ). Het uitstel wordt verleend voor een of meer van de in goedkeuring 1 van onderdeel 3.1 genoemde belastingen die uiterlijk op 31 maart 2022 betaald moeten zijn. Ondernemers hoeven niet nogmaals te verzoeken om uitstel op grond van deze goedkeuring.
De ontvanger stelt de ondernemer in de gelegenheid om de op grond van deze goedkeuring uitgestelde belastingschuld af te lossen met een betalingsregeling (zie hiervoor onderdeel 3.5), tenzij de betalingsproblemen niet hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan. Alvorens de ontvanger het uitstel intrekt of weigert, stelt hij de ondernemer in de gelegenheid om aan te tonen dat de betalingsproblemen hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan.
Ik keur goed dat noch het feit dat aan de ondernemer eerder uitstel op grond van het bestaande beleid is verleend, noch het feit dat de ondernemer verzoekt om een andere vorm van uitstel, een belemmering vormt voor het toekennen van uitstel van betaling op grond van dit onderdeel.
4. Betalingsverzuimboeten
De ontvanger verleent tot 1 oktober 2027 uitstel van betaling voor belastingen van ondernemers die uiterlijk 31 maart 2022 betaald hadden moeten zijn en waarvoor ingevolge onderdeel 3.4a van dit besluit uitstel van betaling is verleend, tenzij de betalingsproblemen niet hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan.
5.1. Uitstel van betaling
Daarnaast keur ik het volgende goed:
6. Loonheffingen
6.1. Administratieve verplichtingen
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 oktober 2021.
5.1. Uitstel van betaling
6.3. Gebruikelijk loon 2020 en 2021 AB-houders
De in onderdeel 4 van dit besluit opgenomen goedkeuring met betrekking tot de verzuimboeten voor betalingsverzuimen begaan in de periode van 12 maart 2020 tot aan de datum waarop het uitstel van betaling op grond van dit besluit eindigt, is in voorkomend geval ook van toepassing op de binnenlandse accijnzen en verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.
5.2. Termijn verkoop voorraad tabaksproducten aan wederverkopers
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 juni 2021
6. Loonheffingen
Vervallen.
8. Vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting (winst)
6.2. Ongewijzigd doorlopen vaste reiskostenvergoedingen en andere vaste vergoedingen
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 januari 2022.
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 januari 2022. Vooruitlopend op wijziging van artikel 31a, derde lid, van de Wet LB heb ik in dit onderdeel goedgekeurd dat voor het jaar 2021 in artikel 31a, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB ‘1,7%’ en ‘€ 6.800’ gelezen worden als ‘3%’ en ‘€ 12.000’. Deze wetswijziging is opgenomen in het per 1 januari 2022 in werking getreden artikel VII van het Belastingplan 2022.
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het aantal in een kalenderjaar aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen bestede uren in het kader van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 3.78a Wet IB 2001, worden de betreffende ondernemers, voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 en voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021, geacht ten minste 16 uren per week aan hun onderneming(en) te hebben besteed. De hiervoor genoemde goedkeuring voor ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten is van overeenkomstige toepassing.
8.3. Fiscale reserve 2019 voor coronagerelateerd verlies 2020 (fiscale coronareserve)
Het is denkbaar dat ondernemers door de coronacrisis minder of geen werkzaamheden voor hun onderneming(en) kunnen verrichten. Hierdoor kan het voor ondernemers lastig zijn om aannemelijk te maken dat aan het urencriterium is voldaan. Het feit dat ondernemers puur als gevolg van de coronacrisis bepaalde ondernemersfaciliteiten verliezen, vind ik onwenselijk en onrechtvaardig. Daarom keur ik het volgende goed.
8.4. Voorlopige aanslag
Ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten en die normaliter in de periode van 1 maart tot en met 30 september een piek hebben in het aantal uren dat ze besteden aan de onderneming, worden geacht een gelijk aantal uren te hebben besteed in dezelfde periode in 2020 als het aantal uren dat is besteed in de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019. De ondernemer kan in dat geval met behulp van zijn administratie bepalen hoeveel uren hij aan de onderneming heeft besteed in de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019.
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het aantal in een kalenderjaar aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen bestede uren in het kader van het urencriterium zoals bepaald in artikel 3.6 Wet IB 2001, worden ondernemers in de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 geacht ten minste 24 uren per week aan de onderneming(en) te hebben besteed.
Zorglichamen zijn onder bepaalde voorwaarden subjectief vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting (artikel 5, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969, hierna ook aan te duiden als de zorgvrijstelling).2Zie uitgebreid het besluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751 (Stcrt. 2019, 66223), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 2020, nr. 2020-27575 (Stcrt. 2020-62958).
8.6.1. Continuïteitsbijdragen zorglichamen
Zorglichamen ontvangen continuïteitsbijdragen ter compensatie van omzetdaling en extra gemaakte kosten als gevolg van de coronapandemie. Met deze continuïteitsbijdragen wordt beoogd de financiële continuïteit van de zorgaanbieders te garanderen en ervoor te zorgen dat de zorginfrastructuur ook na de coronacrisis beschikbaar blijft. In de praktijk is de vraag opgekomen of de continuïteitsbijdragen die zorglichamen ontvangen van invloed zijn op de toepassing van de zorgvrijstelling. Ik vind het niet wenselijk dat bij zorglichamen louter door de ontvangst van continuïteitsbijdragen de zorgvrijstelling over de boekjaren 2020 of 2021 ter discussie komt te staan en mogelijk niet zou kunnen worden toegepast. Daarom keur ik het volgende goed.
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet IB 2001 bieden de mogelijkheid om een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting te verminderen.
8.6.2. Werkzaamheden COVID-19 testen en COVID-19 Rijksvaccinatieprogramma
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 januari 2022. Vooruitlopend op wetswijzigingen bevatte dit onderdeel twee goedkeuringen. Deze wetswijzigingen zijn opgenomen in de artikelen III en XXIII van het Belastingplan 2022.
8.6. Zorglichamen
8.8.2. Ruiming pelsdieren en overheidsingrijpen
De huidige bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat zorglichamen en/of sociale werkbedrijven niet op tijd aan de voorwaarden van de overgangsregelingen kunnen voldoen. Ik vind dit onwenselijk en keur daarom het volgende goed.
9. Omzetbelasting
8.8. Herinvesteringsreserve
De bij een vervreemding van bedrijfsmiddelen behaalde boekwinst kan onder voorwaarden worden opgenomen in een herinvesteringsreserve (artikel 3.54 Wet IB 2001). Een belangrijke voorwaarde is dat een voornemen bestaat om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel. Bij herinvestering wordt de herinvesteringsreserve afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd.
8.8.1. Bijzondere omstandigheid
Wanneer de herinvestering nog niet heeft plaatsgevonden, wordt de herinvesteringsreserve uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen (artikel 3.54, vijfde lid, Wet IB 2001). Op grond van onderdeel b van het vijfde lid geldt dit niet voor zover de aanschaffing of voortbrenging, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd. Daarbij mag ervan worden uitgegaan dat de coronacrisis als bijzondere omstandigheid kwalificeert. Daarbij merk ik op dat nog wel aan de overige voorwaarden, waaronder dat aan de aanschaffing of voortbrenging een begin van uitvoering is gegeven, moet worden voldaan.
Gelet op de bijzondere situatie en het tijdelijke karakter van de sluiting keur ik het volgende goed.
Voor de herinvesteringsreserve en voor de doorschuiving van te conserveren inkomen bij staking (artikel 3.64 Wet IB 2001) is van belang of sprake is van vervreemding die een gevolg is van overheidsingrijpen. Als sprake is van overheidsingrijpen dan zijn er ruimere mogelijkheden om een herinvesteringsreserve te vormen en af te boeken. De vraag is voorgelegd of de ruiming van pelsdieren wegens COVID-19 in combinatie met de vervroegde inwerkingtreding van de Wet verbod pelsdierhouderij wordt aangemerkt als overheidsingrijpen.
9c. Levering van mondkapjes
Immers, wanneer de pelsdieren niet geruimd zouden worden vanwege COVID-19, dan zouden de pelsdieren uiterlijk 8 januari 2021 vervreemd worden als gevolg van de vervroegde inwerkingtreding van het verbod om pelsdieren te houden op grond van de Wet verbod pelsdierhouderij. Die vervreemding zou het gevolg zijn van overheidsingrijpen (artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, Wet IB 2001 juncto artikel 12a, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001). Ik acht het, gezien deze specifieke omstandigheden, onwenselijk dat de gevolgen ten aanzien van de herinvesteringsreserve verschillen bij de vervreemding als gevolg van de ruiming wegens COVID-19 en de vervreemding als gevolg van de vervroegde inwerkingtreding van het verbod om pelsdieren te houden. Met deze goedkeuring worden de gevolgen gelijkgetrokken.
9. Omzetbelasting
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 oktober 2021.
10. Heffing over Duitse netto-uitkeringen
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 januari 2022.
11. Inkomstenbelasting
11.1. Eigenwoningrente
Ik keur goed dat het verlaagde btw-tarief vanaf 28 november 2021 tot en met 14 januari 2022 van toepassing is op de sportlessen die sportscholen en dergelijke ondernemers online aanbieden.
9c. Levering van mondkapjes
Dit onderdeel is vervallen met ingang van 1 oktober 2021.
9d. Levering van COVID-19-vaccins en COVID-19-testkits
12. Uitstel publicatieplicht financiële gegevens ANBI’s
Vervallen.
13. Wet implementatie EU-richtlijn grensoverschrijdende constructies
11. Inkomstenbelasting
De Belastingdienst vindt het belangrijk dat belastingplichtigen die de aangifte met hulp willen indienen, deze hulp ook krijgen. Daarom is op initiatief van de Belastingdienst aan de betreffende belastingplichtigen toestemming verleend om de aangifte 2019 en 2020 later in te dienen en heeft de Belastingdienst de inlevertermijn voor deze aangiften eenzijdig verlengd. De betreffende belastingplichtigen zijn hierover schriftelijk geïnformeerd.
In het besluit ‘Inkomstenbelasting. Eigenwoningrente; betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld’ van 23 september 2021, nr. 2021-20581 zijn goedkeuringen opgenomen waardoor een eigenwoningschuld die onder de fiscale aflossingseis valt, blijft behoren tot de eigenwoningschuld als met de geldverstrekker een betaalpauze voor rente en aflossing wordt overeengekomen vanwege (dreigende) betalingsproblemen als gevolg van de uitbraak van het coronavirus en de daardoor ontstane aflossingsachterstand op een andere wijze dan waarin wettelijk is voorzien, wordt ingehaald. Daarnaast wordt in dit besluit toegelicht op welk moment de tijdens de betaalpauze verschuldigde rente aftrekbaar is. Dit besluit geldt onder voorwaarden ook voor al vóór 8 mei 20205Dit betreft de publicatiedatum van het oorspronkelijke besluit van 6 mei 2020, nr. 2020-85139 (Stcrt. 2020, 26069). overeengekomen betaalpauzes in verband met de uitbraak van het coronavirus. Tijdens een betaalpauze hoeft een belastingplichtige gedurende een bepaalde periode (gedeeltelijk) geen rente en aflossing te betalen.
Uit de wet volgt dat als een belastingaanslag met een te betalen bedrag wordt vastgesteld daarbij in beginsel belastingrente in rekening wordt gebracht (zie artikel 30f e.v. AWR). Belastingrente blijft achterwege als de aangifte vóór 1 mei is ingediend en de (voorlopige) aanslag wordt opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Als de aangifte later wordt ingediend, wordt belastingrente in rekening gebracht, ook als de inlevertermijn op verzoek is verlengd.
13.2. Voorkomen van dubbele meldingen vanwege het feit dat niet alle lidstaten gebruikmaken van de mogelijkheid de termijnen voor het melden van constructies te verschuiven
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de belastingrente die in rekening is gebracht aan de hiervoor bedoelde belastingplichtigen bij de (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2019 of 2020 ambtshalve wordt verminderd tot nihil.
Dit onderdeel bevat een tegemoetkoming voor belastingplichtigen die met belastingrente worden geconfronteerd door de opgetreden vertraging bij de zogenoemde ‘hulp bij aangifte’ (HUBA). Vanwege de coronamaatregelen was de hulp bij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aangifte) 2019 en 2020 gedurende langere tijd niet of beperkt beschikbaar. Daarom is voor belastingplichtigen die gebruikmaken van deze hulp de inlevertermijn voor de aangifte 2019 en 2020 eenzijdig door de Belastingdienst verlengd. Belastingplichtigen die de aangifte binnen de verlengde inlevertermijn (met hulp) indienen, kunnen met belastingrente worden geconfronteerd. In dit onderdeel keur ik onder voorwaarden goed dat voor deze belastingplichtigen de belastingrente verminderd wordt.
De goedkeuring geldt ook als de belastingrente vóór de inwerkingtreding van dit besluit in rekening is gebracht. De goedkeuring is van overeenkomstige toepassing als de belastingrente in rekening is gebracht bij een (voorlopige) aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
Hulp bij het doen van de aangifte wordt aangeboden door de Belastingdienst, maar ook, met ondersteuning van de Belastingdienst, door verschillende maatschappelijke organisaties, zoals vak- en ouderenbonden, wijkcentra, belastingwinkels, sociaal werkers en formulieren-brigades. Deze organisaties houden door heel Nederland spreekuren in bijvoorbeeld bibliotheken.
12. Uitstel publicatieplicht financiële gegevens ANBI’s
De Belastingdienst vindt het belangrijk dat belastingplichtigen die de aangifte met hulp willen indienen, deze hulp ook krijgen. Daarom is op initiatief van de Belastingdienst aan de betreffende belastingplichtigen toestemming verleend om de aangifte 2019 en 2020 later in te dienen en heeft de Belastingdienst de inlevertermijn voor deze aangiften eenzijdig verlengd. De betreffende belastingplichtigen zijn hierover schriftelijk geïnformeerd.
Belastingrente
Uit de wet volgt dat als een belastingaanslag met een te betalen bedrag wordt vastgesteld daarbij in beginsel belastingrente in rekening wordt gebracht (zie artikel 30f e.v. AWR). Belastingrente blijft achterwege als de aangifte vóór 1 mei is ingediend en de (voorlopige) aanslag wordt opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Als de aangifte later wordt ingediend, wordt belastingrente in rekening gebracht, ook als de inlevertermijn op verzoek is verlengd.
Belastingplichtigen die gebruikmaken van hulp bij aangifte en voor wie de inlevertermijn voor de aangifte 2019 of 2020 op initiatief van de Belastingdienst (dus niet op verzoek) is verlengd, kunnen met belastingrente worden geconfronteerd. Dit acht ik ongewenst. Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van artikel 63 AWR (hardheidsclausule).
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de belastingrente die in rekening is gebracht aan de hiervoor bedoelde belastingplichtigen bij de (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2019 of 2020 ambtshalve wordt verminderd tot nihil.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
13.2. Voorkomen van dubbele meldingen vanwege het feit dat niet alle lidstaten gebruikmaken van de mogelijkheid de termijnen voor het melden van constructies te verschuiven
De Belastingdienst heeft te maken met massale processen. Het is complex en kostbaar om af te wijken van de reguliere geautomatiseerde werkwijze. Uit oogpunt van uitvoerbaarheid is er daarom voor gekozen om de betreffende (voorlopige) aanslagen regulier op te leggen en de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente op een later moment in een aantal herstelacties ambtshalve te verminderen tot nihil, waarbij eventueel betaalde belastingrente wordt terugbetaald. De Belastingdienst zal de belastingplichtige hierover schriftelijk informeren.
Bijlage. Gepubliceerde lijst van de Wereld Douaneorganisatie; indelingen van medische voorzieningen in verband met uitbraak COVID-19
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)