Besluit van 13 maart 2025, houdende bepalingen over het bemannen van zeeschepen (Besluit bemanning zeeschepen)

Type AMvB
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 124
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 11 juni 2024, nr. IenW/BSK-2024/153686, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen, het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144) en de bij dat verdrag behorende bindende bijlagen, het op 7 juli 1995 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersschepen van de Internationale Maritieme Organisatie (Trb. 2013, 218), het op 23 februari 2006 in Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen en aanhangselen, het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen, Richtlijn (EU)2022/993 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2022 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEU 2022, L 169), Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van Richtlijn 1999/63/EG (PbEG 2009, L 124) en Richtlijn (EU) 2017/ 159 van de Raad van 19 december 2016 tot uitvoering van de op 21 mei 2012 door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (COGECA), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (EFT) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de Europese Unie (Europêche) gesloten Overeenkomst betreffende de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007 (PbEU 2016, L 25);

Gelet op de artikelen 3, derde lid, 19, zesde lid, 20, derde en vierde lid, 21, derde lid, 23, derde lid, 24, tweede lid, 25, tweede lid, 26, eerste lid, 27, tweede lid, 28, 30, derde lid, 31, vierde lid, 32, zesde lid, 37, tweede lid, 38, derde lid, 42, tweede lid, 46, tweede lid, 48, tweede lid, 55, achtstelid, 57, tweede lid, en84 van de Wet bemanning zeeschepen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 2024, nr. W17.24.00137/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 10 maart 2025, nr. IenW/BSK-2025/23093, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning zeeschepen in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • andere polaire wateren: polaire wateren, niet zijnde wateren als bedoeld in de voorschriften 2.5 en 2.10 van de Polar-code;
  • beperkte wateren vissersvaartuigen: gebied omvattende alle wateren tot 30 zeemijlen uit de kust, gemeten vanaf de Franse, Belgische, Nederlandse, Duitse en Deense basislijnen, in het zuiden begrensd door de lijn Calais-Dover en in het noorden begrensd door de parallel van 57° Noorderbreedte, alsmede het gebied omvattende alle wateren tot 30 zeemijlen uit de kust, gemeten vanaf de basislijn van Helgoland;
  • bergy wateren: polaire wateren als bedoeld in voorschrift 1.2.1, deel I-A, van de Polar-code;
  • beveiligingstaken: elke functie of werkzaamheid met betrekking tot de beveiliging aan boord van een zeeschip, zoals omschreven in hoofdstuk XI-2 van de bijlage bij het SOLAS-verdrag en de ISPS-code;
  • bijzonder zeeschip: zeeschip dat in het bijzonder is aangepast aan technische ontwikkelingen of een bijzonder type zeeschip of zeeschip ingezet in een bijzonder soort vaart, als bedoeld in artikel IX van de bijlage bij het STCW-verdrag;
  • CFR-nummer: nummer als bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34);
  • chemicaliëntankschip: tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibare producten die zijn opgenomen in hoofdstuk 17 van de IBC-code;
  • eerste stuurman: wachtstuurman die in rang volgt op de kapitein en op wie het bevel over het zeeschip komt te rusten indien de kapitein daartoe niet in staat is en die bevoegd is in overeenstemming met de voorschriften II/2 of II/3 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • gekwalificeerd gezel dek: gezel die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift II/5 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • gekwalificeerd gezel machinekamer: gezel die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift III/5 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • gezel elektrotechniek: gezel die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift III/7 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • gezel zeevisvaart: gezel aangesteld in de dekdienst van een vissersvaartuig;
  • hoofdwerktuigkundige: wachtwerktuigkundige die het hoogst in rang is en die verantwoordelijk is voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het zeeschip en die bevoegd is in overeenstemming met de voorschriften III/2 of III/3 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • hoofdwerktuigkundige zeevisvaart: werktuigkundige die het hoogst in rang is en die verantwoordelijk is voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van een vissersvaartuig;
  • HSC-code: bij resolutie MSC.97(73) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Internationale Code voor de veiligheid van hogesnelheidsschepen (High-Speed Craft Code;
  • IBC-code: bij resolutie MSC.4(48) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (International Bulk Chemical Code);
  • IGC-code: bij resolutie MSC.5(48) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (International Gas Carrier Code);
  • IGF-code: bij resolutie MSC.391(95) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Internationale Code voor schepen die gas of andere brandstoffen met een laag vlampunt gebruiken (International Code of Safety for Ships Using Gases or Other low-flashpoint fuels);
  • kW: kilowatt;
  • IGF-schip: zeeschip onderworpen aan de IGF-code;
  • ISPS-code: bij resolutie 2 van de Conferentie van verdragsluitende regeringen die partij zijn bij het SOLAS-verdrag op 12 december 2002 aangenomen Internationale Code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (International Ship and Port Facility Security Code);
  • maritiem officier: officier die in overeenstemming met hoofdstuk VII van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 bevoegd is voor een functie in de dekdienst en de machinekamerdienst en daartoe bevoegd is in overeenstemming met de hoofdstukken II en III van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • Medisch Adviseur Scheepvaart: door Onze Minister aangewezen keuringsarts;
  • officier elektrotechniek: officier die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift III/6 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • olietankschip: tankschip gebouwd en gebruikt voor het vervoer in bulk van aardolie of aardolieproducten;
  • onbeperkte wateren vissersvaartuigen: gebied omvattende beperkte wateren en alle wateren daarbuiten;
  • open polaire wateren: polaire wateren als bedoeld in voorschrift 2.10 van de Polar-code;
  • passagiersschip: zeeschip bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf passagiers;
  • plaatsvervangend schipper: stuurman die in rang volgt op de schipper en op wie het bevel over het zeeschip komt te rusten indien de schipper daartoe niet in staat is en die bevoegd is in overeenstemming met de voorschriften II/1 of II/3 van de bijlage bij het STCW F-verdrag;
  • Polar-code: bij resolutie MSC.385(94) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen (International Code for Ships Operating in Polar Waters;
  • polaire wateren: wateren als bedoeld in voorschrift 1, tweede tot en met vierde lid, van de Polar-code;
  • reizen nabij de kust: gebruik van een zeeschip waarvoor nautische en technische ondersteuning vanaf de wal beschikbaar is, als bedoeld voorschrift I/3 van de bijlage bij het STCW-verdrag, in het vaargebied, dat zich uitstrekt tot:
    1. de Nederlandse territoriale zee;
    1. de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee; of
    1. de Nederlandse exclusieve economische zone;
  • ro-ro passagiersschip: passagiersschip met ruimten voor ro-ro lading of ruimten van bijzondere aard, zoals bedoeld in hoofdstuk II-2/A van de bijlage bij het SOLAS-verdrag;
  • scheepsbeveiligingsfunctionaris: zich aan boord bevindende, aan de kapitein verantwoordelijke persoon, dan wel de kapitein zelf, die door de scheepsbeheerder is aangesteld als verantwoordelijke voor de beveiliging van het zeeschip, waaronder begrepen de uitvoering en het onderhoud van het scheepsbeveiligingsplan, en voor het contact met de beveiligingsfunctionaris van de zeescheepvaartonderneming en de beveiligingsfunctionarissen van de havenfaciliteiten;
  • scheepskok: persoon van 18 jaar of ouder in het bezit van een bekwaamheidsbewijs scheepskok, dat ten minste voldoet aan voorschrift 3.2, titel 3, van de bijlage bij het MLC-verdrag.
  • STCW-code: code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van zeevarenden, behorend bij het STCW-Verdrag (Trb. 1996, 249);
  • tankschip: zeeschip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibare producten;
  • tweede werktuigkundige: wachtwerktuigkundige die in rang volgt op de hoofdwerktuigkundige en op wie de verantwoordelijkheid voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het zeeschip komt te rusten, indien de hoofdwerktuigkundige daartoe niet in staat is en die bevoegd is in overeenstemming met de voorschriften III/2 of III/3 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • tweede werktuigkundige zeevisvaart: werktuigkundige die in rang volgt op de hoofdwerktuigkundige en op wie de verantwoordelijkheid voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het vissersvaartuig komt te rusten indien de hoofdwerktuigkundige daartoe niet in staat is als bedoeld in voorschrift I/1, achtste lid, van de bijlage bij het STCW F-verdrag;
  • vloeibaargastankschip: tankschip gebouwd en gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt gas of andere producten die zijn opgenomen in hoofdstuk 19 van de IGC-code;
  • voortstuwingsvermogen: totale maximale vermogen, uitgedrukt in kW, dat staat vermeld op certificaten en bijbehorende uitrustingsrapporten en aanhangsels afgegeven in overeenstemming met de Schepenwet;
  • wachtlopend gezel dek: gezel die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift II/4 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • wachtlopend gezel machinekamer: gezel die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift III/4 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • wachtlopend gezel zeevisvaart: gezel die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift II/4 van de bijlage bij het STCW-verdrag, aangesteld op een vissersvaartuig;
  • wachtstuurman: officier die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift II/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • stuurman zeevisvaart: officier die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift II/2 of II/4 van de bijlage bij het STCW F-verdrag;
  • wachtwerktuigkundige: officier die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift III/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
  • werktuigkundige zeevisvaart: officier die bevoegd is in overeenstemming met voorschrift II/5 van de bijlage bij het STCW F-verdrag;

Artikel 1.2. Reikwijdte

1.

Dit besluit is niet van toepassing ten aanzien van zeilschepen met een scheepslengte van minder dan 12 meter.

2.

Dit besluit is, met uitzondering van artikel 3.5.2 en paragraaf 3.6 niet van toepassing ten aanzien van vissersvaartuigen met een scheepslengte van minder dan 12 meter.

3.

De minimumeisen voor een functie aan boord van vissersvaartuigen met een scheepslengte van minder dan 12 meter voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 1.3. Ontheffing ten behoeve van experimenten

Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet worden beperkingen of voorwaarden verbonden die ten minste zien op:

  • a. het specifieke doel van het experiment;
  • b. het nut en de noodzaak van het experiment in relatie tot aantoonbare technologische innovatie;
  • c. de verantwoordelijke voor de uitvoering van het experiment;
  • d. de noodzakelijke operationele eisen ten behoeve van de veilige uitvoering van het experiment;
  • e. de periode waarin het experiment zal plaatsvinden; en
  • f. het moment en de wijze waarop het experiment wordt geëvalueerd.

Hoofdstuk 2. Het bemannen van zeeschepen

Paragraaf 2.1. Bemanningssamenstelling handelsvaart en zeilvaart

Artikel 2.1.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is niet van toepassing op vissersvaartuigen.

Artikel 2.1.2. Aanvraag voor een bemanningscertificaat

1.

De scheepsbeheerder dient een aanvraag voor een bemanningscertificaat in bij Onze Minister en voegt daarbij een bemanningsplan voor het betrokken zeeschip of de betrokken zeeschepen.

2.

De scheepsbeheerder kan voor een zeeschip meer dan één bemanningssamenstelling voorstellen.

3.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens ten minste in het bemanningsplan worden opgenomen.

4.

Een aanvraag kan worden ingediend met gebruikmaking van een bij ministeriële regeling vast te stellen format voor een geautomatiseerd bestand.

Artikel 2.1.3. Bemanningssamenstellingen

1.

Onze Minister besluit tot afgifte van een bemanningscertificaat voor het betrokken zeeschip of de betrokken zeeschepen, indien naar zijn oordeel met de voorgestelde bemanningssamenstelling of bemanningssamenstellingen:

  • a. de veiligheid van het zeeschip en de veilige en milieuverantwoorde vaart zijn gewaarborgd;
  • b. de voor de bemanning geldende normen voor arbeids- en rusttijden niet worden overschreden en er rekening is gehouden met de beperking van oververmoeidheid van zeevarenden;
2.

De scheepsbeheerder verstrekt desgevraagd nadere inlichtingen over het bemanningsplan.

3.

Onze Minister kan de kapitein raadplegen over de bemanningssamenstelling en het bemanningsplan alvorens te besluiten omtrent de afgifte van een bemanningscertificaat.

4.

Onze Minister kan ambtshalve de bemanningssamenstelling of bemanningssamenstellingen van het betrokken zeeschip of de betrokken zeeschepen vaststellen en geeft dienovereenkomstig een bemanningscertificaat af, indien hij van oordeel is dat met de bemanningssamenstelling of bemanningssamenstellingen die door de scheepsbeheerder worden voorgesteld niet of niet geheel kan worden voldaan aan het eerste lid.

5.

De scheepsbeheerder verschaft de kapitein een afschrift van het bemanningsplan, dat is voorzien van de eventuele aanvullende gegevens die zijn verstrekt op grond van het derde lid, en dat behoort bij het geldige bemanningscertificaat.

6.

Een bemanningscertificaat kan worden afgegeven met gebruikmaking van een bij ministeriële regeling vast te stellen format voor een geautomatiseerd bestand.

Artikel 2.1.4. Bemanningscertificaat

1.

Op het bemanningscertificaat worden de kenmerken van het zeeschip en, zo nodig, de bijzonderheden ten aanzien van het gebruik van het zeeschip in relatie tot de bemanning vermeld.

2.

Een bemanningscertificaat wordt voor een bepaalde periode van ten hoogste vijf jaar afgegeven.

3.

De kapitein draagt er zorg voor dat een kopie van het geldige bemanningscertificaat op een duidelijk zichtbare plaats aan boord van het zeeschip wordt opgehangen.

Artikel 2.1.5. Meerdere bemanningssamenstellingen

Indien voor een zeeschip meer dan een bemanningssamenstelling geldt, worden alle bemanningssamenstellingen duidelijk onderscheiden in het bemanningscertificaat opgenomen.

Artikel 2.1.6. Aantekening scheepsdagboek bemanningssamenstelling of bemanningsplan

Indien voor een zeeschip meer dan een bemanningssamenstelling geldt, tekent de kapitein in het scheepsdagboek aan:

  • a. volgens welke bemanningssamenstelling het zeeschip is bemand; en
  • b. de feiten of omstandigheden die niet in overeenstemming zijn met de gegevens van het bemanningsplan.

Artikel 2.1.7. Wijzigingen gegevens bemanningsplan

1.

De scheepsbeheerder meldt aan Onze Minister alle wijzigingen van de gegevens van het bemanningsplan die hij voornemens is door te voeren.

2.

Op grond van de nieuwe gegevens beslist Onze Minister of de bemanningssamenstelling overeenkomstig het geldige bemanningscertificaat kan worden gehandhaafd. Zo nodig trekt hij het bemanningscertificaat in en geeft een nieuw bemanningscertificaat af.

Artikel 2.1.8. Intrekken bemanningscertificaat

Onze Minister trekt het bemanningscertificaat in, indien is gebleken dat

  • a. het bemanningsplan onjuiste of onvolledige gegevens bevat, zodanig dat op grond van de juiste of volledige gegevens dit bemanningscertificaat niet zou zijn afgegeven, dan wel
  • b. het zeeschip in strijd met de gegevens in het bemanningscertificaat wordt gebruikt en dit afwijkende gebruik naar zijn redelijk oordeel een andere bemanningssamenstelling noodzakelijk maakt.

Artikel 2.1.9. Bestaande bemanningscertificaat niet meer adequaat

1.

Onverminderd artikel 2.1.3, vierde lid, geeft Onze Minister ambtshalve een nieuw bemanningscertificaat af voor een andere bemanningssamenstelling dan waarmee het betrokken zeeschip of de betrokken zeeschepen op grond van het laatst afgegeven bemanningscertificaat is of zijn bemand, indien hem is gebleken dat het voldoen aan het bepaalde in artikel 2.1.3, eerste lid, met dat certificaat niet langer gewaarborgd is.

2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, nodigt Onze Minister de scheepsbeheerder uit een nieuw bemanningsplan in te dienen.

Artikel 2.1.10. Vrijstellingsregeling nationaliteit kapitein

1.

Een regeling als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet bevat ten minste:

  • a. een klachtenprocedure ten behoeve van eerste stuurlieden, respectievelijk eerste maritieme officieren die naar hun oordeel op onjuiste gronden niet zijn aangesteld in de functie van kapitein van een zeeschip;
  • c. de wijze van verkrijging van bij ministeriële regeling aangegeven informatie over de arbeidsmarkt voor Nederlandse zeevarenden, welke jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister moet worden verstrekt.
2.

Voorafgaand aan de vaststelling of wijziging van een regeling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet pleegt Onze Minister overleg daarover met de werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.

Paragraaf 2.2. Bemanningssamenstelling vissersvaartuigen

Artikel 2.2.1. Bemanningssamenstelling

1.

Een vissersvaartuig is ten minste bemand met vissers in de overeenkomstig de in de bij dit artikel behorende tabel vastgestelde functies, bepaald op basis van de scheepslengte en het voortstuwingsvermogen van het vaartuig en het vaargebied waarvoor een bemanningscertificaat is afgegeven.

2.

Een visser is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie die hij vervult.

3.

Een stuurman-werktuigkundige zeevisvaart als bedoeld in de bij dit artikel behorende tabel kan vervangen worden door een stuurman zeevisvaart en een werktuigkundige zeevisvaart.

Tabel behorende bij artikel 2.2.1

Vaargebied Onbeperkt Onbeperkt Vaargebied Onbeperkt Onbeperkt
Scheepslengte ≥45 <60 ≥45 <60 Scheepslengte ≥60 ≥60
Vermogen[kW] ≥1.500 <3.000 ≥3.000 Vermogen[kW] <3.000 ≥3.000
Schipper zeevisvaart 1 1 Schipper zeevisvaart 1 1
Plv-schipper zeevisvaart 1 1 Plv-schipper zeevisvaart 1 1
Stuurman-werktuigkundige zeevisvaart 2 2 Stuurman-werktuigkundige zeevisvaart 2 3
Wachtlopend gezel zeevisvaart 2 2 Wachtlopend gezel zeevisvaart 2 2
Gezel zeevisvaart 2 3 Gezel zeevisvaart 3 3
Vaargebied Onbeperkt Onbeperkt
--- --- --- --- --- --- ---
Scheepslengte ≥45 <60 ≥60
Vermogen[kW] ≥3.000 ≥3.000
Schipper zeevisvaart 1 1
Plv-schipper zeevisvaart 1 1
Stuurman zeevisvaart 2 2
Werktuigkundige zeevisvaart 2 3
Wachtlopend gezel zeevisvaart 2 2
Gezel zeevisvaart 2 3
Vaargebied Beperkt Beperkt Beperkt Onbeperkt Onbeperkt Onbeperkt
--- --- --- --- --- --- ---
Scheepslengte ≥24 <45 ≥24 <45 ≥24 < 45 ≥24 <45 ≥24 <45 ≥24 <45
Vermogen[kW] <750 ≥750 <1.125 ≥1.125 <3.000 <750 ≥750 <1.125 ≥1.125 <3.000
Schipper zeevisvaart 1 1 1 1 1 1
Plv-schipper zeevisvaart 1 1 1 1 1 1
Stuurman-werktuigkundige zeevisvaart – – 1 1 1 1
Wachtlopend gezel zeevisvaart 2 2 2 2 2 2
Gezel zeevisvaart – – – – – 1
Vaargebied Beperkt Onbeperkt Beperkt Onbeperkt
--- --- --- --- ---
Scheepslengte >12 <24 >12 <24 >12 <24 >12 <24
Vermogen[kW] <750 <750 >750 >750
Schipper zeevisvaart 1 1 1 1
Plv-schipper zeevisvaart 1 1 1 1
Stuurman-Werktuigkundige zeevisvaart – – – –
Wachtlopend gezel zeevisvaart 1 2 2 2

Artikel 2.2.2. Aanvulling van het aantal bemanningsleden

Bij ministeriële regeling kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers, aanvulling van het aantal bemanningsleden worden voorgeschreven indien de inrichting, de uitrusting, de scheepslengte, het brutotonnage, het voortstuwingsvermogen, de wijze van voortstuwing of de bestemming van het vissersvaartuig daartoe aanleiding geven.

Artikel 2.2.3. Vrijstelling

1.

Bij ministeriële regeling kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers, voor bepaalde categorieën vissersvaartuigen met een scheepslengte van minder dan 45 meter, vrijstelling worden verleend van het bepaalde in dit hoofdstuk.

2.

Bij het verlenen van een vrijstelling kunnen beperkingen worden opgelegd ten aanzien van:

  • a. de weersomstandigheden waaronder mag worden gevaren;
  • b. het te bevaren vaargebied;
  • c. de categorie vissersvaartuigen;
  • d. de maximale tijd die op zee mag worden doorgebracht.

Artikel 2.2.4. Bemanningscertificaat

1.

De scheepsbeheerder van een vissersvaartuig dient een aanvraag in voor een bemanningscertificaat bij Onze Minister.

2.

De bemanningssamenstelling op het bemanningscertificaat wordt vastgesteld met in achtneming van artikel 2.2.1.

3.
4.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens ten minste bij de aanvraag worden ingediend.

Artikel 2.2.5. Bemanningsplan

1.

De scheepsbeheerder van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 45 meter of meer kan in afwijking van artikel 2.2.4 een aanvraag voor een bemanningscertificaat bij Onze Minister indienen op grond van artikel 2.1.2.

2.

De artikelen 2.1.2, 2.1.3 en 2.1.5 tot en met 2.1.9 zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2.3. Bemanningslijst

Artikel 2.3.1. Opmaken bemanningslijst

1.

Alvorens een zeeschip voor de eerste maal naar zee vertrekt en vervolgens met tussenpozen van niet meer dan twaalf maanden wordt een bemanningslijst opgemaakt.

2.

Bij elke wijziging in de bemanningssamenstelling wordt een bemanningslijst opgemaakt.

3.

Een exemplaar van de bemanningslijst wordt door de kapitein aan boord bewaard en een exemplaar van de bemanningslijst wordt ten kantore van de scheepsbeheerder in Nederland bewaard en ter beschikking gehouden ten behoeve van het houden van toezicht door de ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving.

4.

In afwijking van het derde lid zendt de schipper van een vissersvaartuig een exemplaar van de bemanningslijst vóór het vertrek of onmiddellijk na het vertrek van het vaartuig aan de scheepsbeheerder of zijn vertegenwoordiger aan de wal.

5.

De bemanningslijst kan worden opgemaakt met inachtneming van een bij ministeriële regeling vast te stellen format voor een geautomatiseerd bestand.

Artikel 2.3.2. Gegevens bemanningslijst

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat andere gegevens op de bemanningslijst worden vermeld naast de gegevens, genoemd in de bij het bij het FAL-verdrag ingevoerde standaardverklaring.

Artikel 2.3.4. Bewaren bemanningslijst

De scheepsbeheerder bewaart een bemanningslijst, gedurende drie jaar na de vervangingsdatum of geldigheidsdatum.

Paragraaf 2.4. Aanvullende bepalingen bemanning

Artikel 2.4.1. Zeeschepen, niet zijnde vissersvaartuigen

1.

De kapitein van een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig, draagt er zorg voor dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis overeenkomstig hoofdstuk III/10 van de bijlage bij het SOLAS-verdrag voldoende zeevarenden in het bezit van een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/2, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 aan boord zijn.

2.

De kapitein van elk zeeschip dat is uitgerust met snelle hulpverleningsboten draagt er zorg voor dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis voor iedere snelle hulpverleningsboot ten minste twee zeevarenden beschikbaar zijn die in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs snelle hulpverleningsboten dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 2.4.2. Vissersvaartuigen

1.

De schipper van een vissersvaartuig draagt er zorg voor dat voor het ondernemen van een reis een voldoende aantal bemanningsleden in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/2, eerste lid, van de bijlage bij het STCW-verdrag.

2.

In afwijking van het eerste lid is een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen niet vereist op reizen in beperkte wateren vissersvaartuigen.

3.

De schipper wijst een visser die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen aan die de leiding heeft over de te gebruiken groepsreddingmiddelen van een vissersvaartuig.

4.

De schipper wijst tevens een visser die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen aan als plaatsvervanger van de visser, bedoeld in het derde lid.

Artikel 2.4.3. Arts

Op een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig, dat een internationale reis van meer dan 3 dagen maakt met 100 of meer opvarenden, is een arts aanwezig.

Artikel 2.4.4. Scheepskok

1.

Aan boord van een zeeschip waarvan de voorgeschreven bemanning uit meer dan 9 personen bestaat, is een scheepskok belast met het beheer en de bereiding van de voeding.

2.

Onder scheepskok wordt verstaan een persoon van 18 jaar of ouder in het bezit van een bekwaamheidsbewijs scheepskok dat ten minste voldoet aan voorschrift 3.2, titel 3, van de bijlage bij het MLC-verdrag.

3.

Onze Minister kan een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs, door de bevoegde autoriteiten in een verdragspartij afgegeven op grond van het Verdrag inzake het diploma van bekwaamheid als scheepskok, 1946 (Trb. 1951, 24) of van het MLC-verdrag, als gelijkwaardig aan het bekwaamheidsbewijs scheepskok erkennen.

4.

Aan boord van een zeeschip waarvan de voorgeschreven bemanning uit minder dan tien personen bestaat, heeft eenieder die in de kombuis levensmiddelen verwerkt een opleiding genoten of instructie gekregen op het gebied van voeding, persoonlijke hygiëne en de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van zeeschepen.

Artikel 2.4.5. Maritieme radiocommunicatie

1.

Aan boord van een zeeschip dat reizen onderneemt buiten het zeegebied A1, zoals omschreven in voorschrift 2, onderdeel 12, van hoofdstuk IV van de bijlage bij het SOLAS-verdrag, is ten minste één zeevarende die als verantwoordelijke van de wacht, bedoeld in sectie A-VIII/2, part 4-1, van de STCW-code of, in geval van een vissersvaartuig, hoofdstuk II, onderdeel 4, van de bijlage bij het STCW F-verdrag, kan optreden in het bezit van een algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie, afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013.

2.

De kapitein wijst een zeevarende, in het bezit van een algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie aan als de verantwoordelijke voor de afhandeling van radioberichtgeving tijdens noodgevallen.

3.

Alle andere zeevarenden die als verantwoordelijke van de wacht kunnen optreden zijn ten minste in het bezit van een beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie dat is afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013.

4.

Aan boord van een zeeschip dat uitsluitend reizen onderneemt in zeegebied A1, is ten minste één zeevarende die als verantwoordelijke voor de wacht kan optreden in het bezit van het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, als bedoeld in het derde lid.

Artikel 2.4.6. Communicatievaardigheid zeeschepen, niet zijnde vissersvaartuigen

1.

De scheepsbeheerder, niet zijnde de scheepsbeheerder van een vissersvaartuig, draagt er zorg voor dat aan boord te allen tijde manieren beschikbaar zijn voor een doelmatige mondelinge communicatie tussen alle bemanningsleden over veiligheidsaspecten, met name dat boodschappen en instructies tijdig overkomen en juist worden begrepen.

2.

De scheepsbeheerder, niet zijnde de scheepsbeheerder van een vissersvaartuig, draagt er zorg voor dat aan boord van zijn zeeschip een werktaal wordt vastgesteld die in het journaal wordt aangetekend.

3.

De scheepsbeheerder van een passagiersschip draagt er zorg voor dat een zeevarende die op de alarmrol is aangewezen om de passagiers in kritieke situaties te helpen, duidelijk herkenbaar is en over voor dat doel toereikende communicatieve vaardigheden beschikt, rekening houdend met een relevante en geschikte combinatie van een van de volgende criteria:

  • a. de taal of talen behorende bij de meest voorkomende nationaliteiten van de passagiers die op een bepaalde route worden vervoerd;
  • b. de waarschijnlijkheid dat het vermogen om een Engelse basiswoordenschat te gebruiken voor elementaire instructies kan dienen als een middel om te communiceren met een passagier die hulp nodig heeft, ongeacht of de passagier en de zeevarende een gemeenschappelijke taal gemeen hebben;
  • c. de mogelijke noodzaak om in een noodsituatie via enig ander middel te communiceren, bijvoorbeeld voordoen, handgebaren, of het aanduiden van de plaats waar zich instructies, verzamelplaatsen, reddingsmiddelen of ontsnappingsroutes bevinden, wanneer niet mondeling kan worden gecommuniceerd;
  • d. de mate waarin aan de passagiers in hun moedertaal of -talen volledige veiligheidsinstructies zijn verstrekt;
  • e. de talen waarin de noodinstructies tijdens een noodsituatie of oefening worden omgeroepen, teneinde de passagiers vitale aanwijzingen te geven en het voor de bemanning mogelijk te maken om de passagiers bij te staan.
4.

Onverminderd het eerste lid draagt de scheepsbeheerder van een olie- of chemicaliëntankschip of een vloeibaargastankschip er zorg voor dat de kapitein, de officieren en gezellen in staat zijn met elkaar te communiceren in één of meer gemeenschappelijke werktalen.

Artikel 2.4.7. Verklaring communicatievaardigheid zeeschepen, niet zijnde vissersvaartuigen

1.

De scheepsbeheerder stelt een verklaring op waarin hij voor ieder onderdeel van artikel 2.4.6 voor zover het desbetreffende onderdeel betrekking heeft op zijn zeeschip, nauwkeurig vermeldt op welke wijze hij ten aanzien van zijn zeeschip uitvoering heeft gegeven aan zijn verplichtingen ingevolge dat artikel.

2.

De scheepsbeheerder verschaft de kapitein een exemplaar van de verklaring.

3.

De kapitein hangt het exemplaar van de verklaring op in een voor iedereen toegankelijke plaats.

4.

De verklaring heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

5.

In afwijking van het vierde lid heeft de verklaring voor passagiersschepen en ro-ro passagiersschepen een geldigheidsduur van één jaar.

6.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens worden opgenomen in de verklaring.

Artikel 2.4.8. Communicatievaardigheid op vissersvaartuigen

De scheepsbeheerder van een vissersvaartuig draagt er zorg voor dat de schipper en dekofficieren van een vissersvaartuig van 24 meter of meer waarvoor een bemanningscertificaat is afgegeven voor onbeperkt vaargebied vissersvaartuigen, beschikken over toereikende kennis van de Engelse taal, waardoor zij in staat zijn:

  • a. kaarten en andere zeevaartkundige publicaties te gebruiken;
  • b. weerkundige gegevens en berichten met betrekking tot de veiligheid en het gebruik van het vissersvaartuig te begrijpen;
  • c. te communiceren met andere zeeschepen of tussen het vissersvaartuig en de autoriteiten te land;
  • d. de bij resolutie A.918(22) van de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen IMO Standard Marine Communication Phrases te begrijpen en te gebruiken.

Hoofdstuk 3. Vaarbevoegdheden en beroepseisen

Paragraaf 3.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1. Afgifte vaarbevoegdheidsbewijs

1.

Een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie als bedoeld in artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet wordt door Onze Minister afgegeven indien de aanvrager met de daarvoor benodigde kennisbewijzen, bekwaamheidsbewijzen, beroepseisen of diensttijd aantoont ten minste te voldoen aan de minimumeisen voor de betreffende functie:

  • a. genoemd in paragraaf 3.2 voor zover het functies betreft aan boord van een zeeschip, niet zijnde een zeilschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT of een vissersvaartuig;
  • b. genoemd in paragraaf 3.4 voor zover het functies betreft aan boord van een vissersvaartuig.
2.

Een kennisbewijs als bedoeld in het eerste lid of bekwaamheidsbewijs voor de zeilvaart mag ten hoogste 4 jaar voor de afgifte van het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs zijn afgegeven.

3.

Een kennisbewijs of bekwaamheidsbewijs voor de zeilvaart dat meer dan 4 jaar geleden is afgegeven geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs nadat de aanvrager met goed gevolg een bij ministeriële regeling vast te stellen test als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 3, van de STCW-code heeft afgerond.

Artikel 3.1.2. Geldigheid vaarbevoegdheidsbewijs

1.

Een vaarbevoegdheidsbewijs, met uitzondering van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een gezel, is geldig tot ten hoogste vijf jaar na de datum van afgifte.

2.

Een vaarbevoegdheidsbewijs voor een gezel is onbeperkt geldig.

3.

Een vaarbevoegdheidsbewijs waarvoor de aanvraag tot vernieuwing uiterlijk 3 maanden voor de vervaldatum van het betreffende vaarbevoegdheidsbewijs wordt ingediend, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar na de vervaldatum.

Artikel 3.1.3. Vernieuwen vaarbevoegdheidsbewijs

1.

Een vaarbevoegdheidsbewijs wordt vernieuwd indien de houder diensttijd heeft opgedaan in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist en die door de houder op grond van de aan hem toegekende bevoegdheden mocht worden vervuld, gedurende ten minste:

  • a. 12 maanden in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing; of
  • b. 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing.
2.

Bij ministeriële regeling wordt voor een vaarbevoegdheidsbewijs aangegeven in welke functie of functies de vereiste diensttijd moet zijn opgedaan om in aanmerking te komen voor vernieuwing, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende criteria:

  • a. aan boord van welke categorieën zeeschepen de diensttijd moet zijn opgedaan;
  • b. aan boord van welke grootte, klasse of het voortstuwingsvermogen van zeeschepen de diensttijd moet zijn opgedaan, en
  • c. welke diensttijd, niet opgedaan aan boord van zeeschepen, in aanmerking wordt genomen.
3.

In afwijking van het eerste lid kan de diensttijd in een andere, bij ministeriële regeling vastgestelde, daarmee vergelijkbare functie worden vervuld.

4.

De bevoegdheden op een te vernieuwen vaarbevoegdheidsbewijs worden op verzoek van de aanvrager gewijzigd indien de aanvrager aantoont ten minste te beschikken over de daarvoor benodigde kennisbewijzen, beroepseisen of diensttijd.

Artikel 3.1.4. Vernieuwen vaarbevoegdheidsbewijs bij onvoldoende diensttijd

1.

Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop die niet op grond van artikel 3.1.3 door Onze Minister kan worden vernieuwd, wordt op verzoek vernieuwd indien de houder voorafgaand aan de aanvraag:

  • a. gedurende ten minste 3 maanden aaneengesloten diensttijd heeft opgedaan voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie boven de sterkte voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 5, eerste zinsnede, van de STCW-code;
  • b. gedurende ten minste 3 maanden aaneengesloten diensttijd heeft opgedaan voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante maar lagere functie dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken en in de 30 maanden direct voor het verstrijken van het vaarbevoegdheidsbewijs ten minste 6 maanden diensttijd is opgedaan als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 5, tweede zinsnede, van de STCW-code;
2.

Onze Minister geeft op verzoek een tijdelijk vaarbevoegdheidsbewijs af ten behoeve van het opdoen van de diensttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3.1.5. Verloren gegaan vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs

1.

Een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs dat verloren is gegaan kan door Onze Minister tegen betaling worden vervangen door een duplicaat, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.

2.

Indien de aanvrager van een duplicaat aanspraak kan maken op vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs, wordt hem desgevraagd met inachtneming van artikel 3.1.1 het vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs afgegeven.

Artikel 3.1.6. Vaarbevoegdheidsbewijs als geautomatiseerd bestand

1.

Een vaarbevoegdheidsbewijs kan op verzoek met gebruikmaking van een bij ministeriële regeling vast te stellen format voor een geautomatiseerd bestand worden afgegeven.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in artikel 3.1.1 genoemde bescheiden als geautomatiseerde bestanden.

Artikel 3.1.7. Beperkingen of aanvullingen vaarbevoegdheidsbewijs

1.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke beperkingen of aanvullingen mogen worden aangebracht op een vaarbevoegdheidsbewijs in verband met de aard van de lading, het soort zeeschip, het brutotonnage, het voortstuwingsvermogen, het type voortstuwing, de scheepslengte of het vaargebied.

2.

Onverminderd het eerste lid kunnen op een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de handelsvaart of zeilvaart dan wel in de zeevisvaart in elk geval de aanvullingen en beperkingen worden opgenomen die bij die functie zijn vermeld in de paragrafen 3.2 tot en met 3.4.

3.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze de in het eerste en tweede lid, genoemde aanvullingen dan wel beperkingen op vaarbevoegdheidsbewijzen worden aangebracht.

Artikel 3.1.8. Inhoudelijke beroepseisen

Bij ministeriële regeling worden beroepseisen als bedoeld in de artikelen 23, eerste en tweede lid, 24, eerste lid, en 25, eerste lid, van de wet vastgesteld voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs.

Artikel 3.1.9. Erkenning vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs

1.

Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet dat op grond van het STCW-verdrag is afgegeven door of namens een bevoegde autoriteit van een Lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en met deze Lidstaat of andere staat een officiële verklaring is opgesteld als bedoeld in artikel 6, tweede lid van richtlijn (EU) 2022/993.

2.

Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet dat op grond van het STCW-verdrag is afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een Lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, indien ten aanzien van dat vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs is voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 20, tweede tot en met zesde lid, van richtlijn (EU) 2022/993en met deze andere staat een officiële verklaring is opgesteld als bedoeld in voorschrift I/10 van de bijlage bij het STCW-verdrag.

3.

Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet dat is afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat die partij is bij het STCW F-verdrag, indien wordt voldaan aan de vereisten van bekwaamheid, afgifte en erkenning, bedoeld in voorschrift 7 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.

4.

Onze Minister is bevoegd aan de tot het verstrekken en ontvangen van informatie bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, het STCW-verdrag of het STCW F-verdrag, informatie te verstrekken en van deze te ontvangen omtrent de erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs op grond van het STCW-verdrag of het STCW F-verdrag.

5.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden worden overlegd bij een aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs.

Artikel 3.1.10. Vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein of schipper

1.

Voor de erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein of schipper op grond van artikel 27, eerste lid, van de wet legt de aanvrager het bekwaamheidsbewijs wetgeving en openbaar gezag over.

2.

Zeevarenden in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van eerste stuurman, plaatsvervangend schipper, hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier dat erkend is op grond van artikel 27, eerste lid, van de wet, nemen voor aanvang van hun dienst aan boord kennis van de voor het in het eerste lid genoemde bekwaamheidsbewijs van belang zijnde maritieme regelgeving. Van deze kennisneming wordt schriftelijk bewijs vastgelegd.

3.

Bij ministeriële regeling worden de beroepseisen vastgesteld voor de verkrijging van het in het eerste lid genoemde bekwaamheidsbewijs.

Artikel 3.1.11. Aanvaarding buitenlands vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs

Onze Minister aanvaardt:

  • a. een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van gezel dat is afgeven door een staat die als verdragspartij is bij het STCW-verdrag;
  • b. een bekwaamheidsbewijs, niet zijnde een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet, dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Ruimte of Zwitserland of door een andere staat die verdragspartij is bij het STCW-verdrag.

Paragraaf 3.2. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening zeeschepen

Artikel 3.2.1. Reikwijdte

1.

Deze paragraaf bevat de minimumeisen die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor een functie aan boord van een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en tweede lid, van de wet.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de minimumeisen voor een functie aan boord van een zeilschip van minder dan 500 GT.

Artikel 3.2.2. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtstuurman van een zeeschip

Een wachtstuurman van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1, tweede lid, en voorschrift II/3, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.3. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip

Een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.4. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 3.000 GT

Een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 3.000 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.5. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT

Een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.6. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT

Een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.7. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust

1.

Een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

2.

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van onderdelen van sectie-II/3 van de STCW-code overeenkomstig voorschrift II/3, zevende lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.8. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust

1.

Een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, zesde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

2.

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van onderdelen van sectie-II/3 van de STCW-code overeenkomstig voorschrift II/3, zevende lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.9. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtlopend gezel dek die deel uitmaakt van de brugwacht van een zeeschip

Een wachtlopend gezel dek die deel uitmaakt van de brugwacht van een zeeschip met een brutotonnage van 500 GT of meer, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.10. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een gekwalificeerd gezel dek van een zeeschip

Een gekwalificeerd gezel dek die deel uitmaakt van de dekdienst van een zeeschip met een brutotonnage van 500 GT of meer, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.11. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtwerktuigkundige belast met de machinekamerwacht in een bemande machinekamer, of de aangewezen werktuigkundigen, belast met de wacht in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip

Een wachtwerktuigkundige van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/1, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.12. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip

Een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.13. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie tot 3.000 kW voortstuwingsvermogen

Een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie tot 3.000 kW voortstuwingsvermogen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/3, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.14. Beroepseisen door een stoomvoortstuwingsinstallatie aangedreven zeeschip

Een hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier aan boord van een zeeschip voorzien van een stoomvoortstuwingsinstallatie is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs stoomvoortstuwing dat ten minste voldoet aan tabel A-III/1, onderdeel 2, van de STCW-code.

Artikel 3.2.15. Beroepseisen door een gasturbinevoortstuwingsinstallatie aangedreven zeeschip

Een hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier van een zeeschip voorzien van een gasturbinevoortstuwingsinstallatie is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gasturbinevoortstuwing dat ten minste voldoet aan tabel A-III/1, onderdeel 3, van de STCW-code.

Artikel 3.2.16. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtlopend gezel machinekamer die deel uitmaakt van de machinekamerwacht in een bemande machinekamer, of die aangewezen is om dienst te doen belast met de wacht in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip

Een wachtlopend gezel machinekamer die deel uitmaakt van de machinekamerwacht of is aangewezen om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/4, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.17. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een gekwalificeerd gezel machinekamer in een bemande machinekamer of in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip

Een gekwalificeerd gezel machinekamer in een bemande machinekamer of in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/5, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.18. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een officier elektrotechniek van een zeeschip

Een officier elektrotechniek van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/6, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.19. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een gezel elektrotechniek van een zeeschip

Een gezel elektrotechniek van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/7, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.20. Minimumeisen alternatief vaarbevoegdheidsbewijs maritiem officier of eerste maritiem officier van een zeeschip

Een vaarbevoegdheidsbewijs maritiem officier of eerste maritiem officier dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie van wachtstuurman, eerste stuurman, kapitein, wachtwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of hoofdwerktuigkundige, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.21. Minimumeisen alternatief vaarbevoegdheidsbewijs wachtlopend gezel dek en machinekamer van een zeeschip

Een vaarbevoegdheidsbewijs wachtlopend gezel dek en machinekamer dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een wachtlopend gezel dek of een wachtlopend gezel machinekamer, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.22. Minimumeisen alternatief vaarbevoegdheidsbewijs gekwalificeerd gezel dek en machinekamer van een zeeschip

Een vaarbevoegdheidsbewijs gekwalificeerd gezel dek en machinekamer dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een gekwalificeerd gezel dek of een gekwalificeerd gezel machinekamer, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.2.23. Uitwerking eisen per vaarbevoegdheidsbewijs

Bij ministeriële regeling worden voor elk vaarbevoegdheidsbewijs, genoemd in deze paragraaf, kennisbewijzen, bekwaamheidsbewijzen, diensttijdvereisten en bijzondere of aanvullende beroepseisen vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die functie gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor de betreffende functie.

Paragraaf 3.3. Bijzondere beroepseisen bepaalde scheepstypen

Artikel 3.3.1. Bijzondere beroepseisen olie- of chemicaliëntankschip

1.

Een zeevarende aan wie speciale taken en verantwoordelijkheden zijn opgedragen met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting van een olie- of chemicaliëntankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-1, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

2.

Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van een olietankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling olietankschepen voor gevorderden dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-1, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

3.

Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van een chemicaliëntankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling chemicaliëntankschepen voor gevorderden dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-1, zesde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

4.

Een in het eerste tot en met derde lid bedoeld bekwaamheidsbewijs van een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, of eerste maritiem officier wordt op verzoek vernieuwd indien de houder:

  • a. in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste 3 maanden heeft dienstgedaan op een bij ministeriële regeling voorgeschreven type tankschip; of
  • b. in bezit is van een bekwaamheidsbewijs ten bewijze van het gevolgd hebben van een passende herhalingstraining die ten minste voldoet aan voorschrift V/1-1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.3.2. Bijzondere beroepseisen vloeibaargastankschip

1.

Een zeevarende aan wie speciale taken en verantwoordelijkheden zijn opgedragen met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting van een vloeibaargastankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

2.

Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die rechtstreeks verantwoordelijkheid is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van een vloeibaargastankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-2, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

3.

Een in het eerste en tweede lid bedoeld bekwaamheidsbewijs van een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier wordt op verzoek vernieuwd indien de houder:

  • a. in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste 3 maanden heeft dienstgedaan op een bij ministeriële regeling voorgeschreven type tankschip; of
  • b. in bezit is van een bekwaamheidsbewijs ten bewijze van het gevolgd hebben van een passende herhalingstraining die ten minste voldoet aan voorschrift V/1-2 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.

Artikel 3.3.3. Bijzondere beroepseisen passagiersschip

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)