Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 september 2026, nr. IENW/BSK-2026/160909, houdende tijdelijke regels voor de subsidiëring van voorbereidings- en realisatieprojecten voor de commerciële productie in Nederland van geavanceerde bioSAF en van e-SAF voor de luchtvaart (Tijdelijke subsidieregeling Stimulering Duurzame Luchtvaartbrandstoffen) (KetenID WGK0028789)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-09-17
Laatst bijgewerkt 2026-09-18
State In force
Source BWB
artikelen 16
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 4, 5, tweede lid, 6, zesde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, 10, tweede lid, 13, 15, vierde en vijfde lid, 22, tweede lid, 23, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het stimuleren van voorbereidings- en realisatieprojecten voor de commerciële productie in Nederland van geavanceerde bioSAF en van e-SAF voor de luchtvaart, door het verminderen van financiële en technologische belemmeringen die de totstandkoming van dergelijke projecten beperken en die voortvloeien uit de hoge investeringskosten, technologische risico’s en onzekerheid over toekomstige marktomstandigheden.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

1.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een SAF-projectontwikkelaar voor een voorbereidings- of realisatieproject dat bijdraagt aan de realisatie van een SAF-productiefaciliteit in Nederland. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor voorbereidings- of realisatieprojecten die betrekking hebben op één van de volgende typen SAF:

2.

De subsidie heeft slechts betrekking op een van beide typen SAF zoals beschreven in het eerste lid, waarbij het type SAF dat 51% of meer van het gehele verwachte SAF-productievolume van de productiefaciliteit omvat, bepalend is voor de vaststelling van het type SAF waarop de subsidie betrekking heeft.

3.

Voor de in het eerste lid bedoelde typen SAF kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten:

4.

Voor subsidie komen de gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten bedoeld in het derde lid. Voor loonkosten geldt een forfaitair uurtarief van 80 euro, in overeenstemming met artikel 7, tweede lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit.

5.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

6.

Per openstellingsronde wordt per aanvrager voor een voorbereidings- of realisatieproject één beschikking tot subsidieverlening afgegeven, respectievelijk voor activiteiten als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, of voor activiteiten als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 4. Subsidieplafond en steunintensiteit

1.

Voor voorbereidings- en realisatieprojecten voor e-SAF, als bedoeld in artikel 3, derde lid, is ten hoogste € 205.402.000 beschikbaar.

2.

De subsidie per aanvraag voor een project voor e-SAF bedraagt ten hoogste € 205.402.000.

3.

Voor voorbereidings- en realisatieprojecten voor geavanceerde bioSAF, als bedoeld in artikel 3, derde lid, is ten hoogste € 84.594.000 beschikbaar.

4.

De subsidie per aanvraag voor een project voor geavanceerde bioSAF bedraagt ten hoogste € 84.594.000.

5.

De subsidie per aanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, bedraagt ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten van het project, waarbij de steunintensiteit met 20 procentpunten wordt verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

6.

De subsidie per aanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, bedraagt ten hoogste 45% van de subsidiabele kosten van het project, waarbij de steunintensiteit met 20 procentpunten wordt verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

7.

De subsidieverlening voor een voorbereidingsproject wordt gerechtvaardigd op basis van titel 4.13 van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022.

8.

De subsidieverlening voor een realisatieproject wordt gerechtvaardigd op basis van het Kader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de Clean Industrial Deal, specifiek titel 4.1.

Artikel 5. Aanvraag

1.

Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld formulier.

2.

Naast het in eerste lid genoemde formulier worden bij de subsidieaanvraag bijlagen ten behoeve van de beoordeling ingediend. Het aanvraagformulier en de bijlagen vormen gezamenlijk de aanvraag.

3.

Onverminderd artikel 10 van het Kaderbesluit bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

4.

Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde activiteit voor e-SAF, kan in de eerste openstellingsronde van 2026 bij de RVO worden ingediend in de periode van 3 november 2026, 09.00 uur tot en met 24 november 2026, 17.00 uur.

5.

De minister kan voor e-SAF en geavanceerde bioSAF projecten gedurende een periode van vijf jaar maximaal vijf openstellingsrondes vaststellen. Een volgende openstellingsronde wordt uitsluitend vastgesteld indien na de voorafgaande openstellingsronde voldoende van het voor deze regeling beschikbare budget resteert. De minister maakt een openstellingsronde bekend in de Staatscourant vóór de aanvang van het tijdvak waarvoor de aanvraagperioden worden vastgesteld. Een openstellingsronde vangt in ieder geval aan op de eerste werkdag van november van het betreffende jaar.

Artikel 6. Verdeling van de subsidie

1.

De minister verdeelt de beschikbare subsidiegelden op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

2.

Wanneer op één dag meer volledige aanvragen worden ontvangen dan het beschikbare budget toelaat, wordt de volgorde van behandeling bepaald door middel van loting.

Artikel 7. Afwijzingsgronden

1.

Onverminderd de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:

2.

Onverminderd het eerste lid, wordt een subsidieaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, afgewezen indien:

3.

Onverminderd het eerste lid, wordt een subsidieaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, afgewezen indien:

Artikel 8. Algemene verplichtingen subsidieontvanger

1.

De subsidieontvanger die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste vestigingsplaats of dochteronderneming in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat hij voor de eerste voorschotbetaling een vaste vestigingsplaats of dochteronderneming in Nederland heeft.

2.

De subsidieontvanger is verplicht binnen zes maanden na de subsidieverlening met de uitvoering van het project te starten.

3.

De subsidieontvanger is verplicht vanaf het moment van subsidieverlening elk jaar een voortgangsrapportage in te dienen. Aanvullend hierop is de subsidieontvanger verplicht vanaf het moment van subsidieverlening aan het einde van elk kwartaal een actualisatie van de financiën en de planning in te dienen.

4.

De subsidieontvanger is verplicht op verzoek van de minister nadere toelichting te geven op de voortgangsrapportages indien daar naar het oordeel van de minister aanleiding toe is.

5.

Een voorbereidingsproject wordt binnen twee jaar (24 maanden) na de start van het project afgerond. De minister kan deze termijn op aanvraag van de subsidieontvanger verlengen.

6.

Een realisatieproject voor de productie van geavanceerde bioSAF wordt binnen vier jaar (48 maanden) na de start van het project voltooid en gebruiksklaar gemaakt.

7.

Voor een realisatieproject, bedoeld in het zesde lid, geldt dat indien de eerste projectmijlpaal zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening, niet binnen tweemaal de daarvoor in de beschikking vastgestelde termijn wordt behaald, kan de minister de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk intrekken.

8.

Indien een realisatieproject, bedoeld in het zesde lid, niet binnen de in het zesde lid genoemde termijn wordt voltooid, wordt het subsidiebedrag, op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten, bij de vaststelling verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vast te stellen subsidiebedrag:

9.

Het zevende en achtste lid zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden die buiten de controle liggen van de aanvrager en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.

10.

De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan controles die kunnen worden uitgevoerd door de RVO, waaronder administratieve controles, inhoudelijke beoordelingen en controles ter plaatse.

Artikel 9. Productieverplichtingen en verificatie

1.

De subsidieontvanger van een realisatieproject is verplicht de productiefaciliteit gedurende 120 maanden na de datum van inbedrijfstelling in bedrijf te houden en gedurende deze periode duurzame luchtvaartbrandstoffen te produceren. Dit geldt vanaf de datum waarop de productiefaciliteit voor het eerste operationeel is en op structurele wijze het productieproces waarvoor subsidie is verleend kan uitvoeren.

2.

De subsidieontvanger houdt gedurende de in het eerste lid bedoelde periode een administratie bij en verstrekt jaarlijks aan de minister een opgave van de relevante gegevens over het afgelopen boekjaar, voorzien van onafhankelijke beoordeling. Uit deze opgave blijkt ten minste het volgende:

3.

De onafhankelijke beoordeling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de minister vastgestelde en gepubliceerde systematiek.

4.

Voor productiefaciliteiten die e-SAF produceren en waarvoor een beschikking tot subsidieverlening is verleend, geldt dat het gedeelte van de productie dat geen e-SAF is, uitsluitend mag bestaan uit hetzij geavanceerde bio-SAF, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hetzij uit koolstofarme brandstoffen, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.

5.

Indien het gemiddelde aandeel gerealiseerde e-SAF, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, berekend voor de periode van honderdtwintig maanden, lager is dan 80%, of wanneer er sprake is van de productie van overige brandstoffen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, wordt het vastgestelde subsidiebedrag verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vastgestelde bedrag:

6.

Indien het gemiddelde aandeel gerealiseerde geavanceerde bio-SAF, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, berekend voor de periode van honderdtwintig maanden, lager is dan 100%, wordt het vastgestelde subsidiebedrag verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vastgestelde bedrag:

7.

Indien de subsidieontvanger zowel e-SAF als geavanceerde bio-SAF produceert, wordt de verlaging, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar rato toegepast op het deel van het subsidiebedrag dat overeenkomt met het aandeel van het desbetreffende type SAF in het totale gerealiseerde productievolume.

8.

Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden die buiten de controle liggen van de aanvrager en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.

Artikel 10. Begrotingsvoorbehoud

1.

Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van een nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een subsidie vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.

2.

In afwijking van artikel 5, eerste lid, van het Kaderbesluit, mag steun in het kader van deze mededeling, wat betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdelen a en b, worden gecumuleerd met steun uit centraal beheerde EU-fondsen, tot de maximaal toegestane steunintensiteit en het maximaal toegestane steunbedrag.

Artikel 11. Voorschot

1.

De minister verstrekt een voorschot van 95%, verdeeld over vier termijnen, waarbij de eerste termijn 15% van het totale subsidiebedrag bedraagt.

2.

Uitbetaling van de eerste termijn vindt plaats binnen 6 weken na de datum van de afgifte van de beschikking tot subsidieverlening.

3.

Uitbetaling van de volgende termijnen van het voorschot vindt in beginsel plaats op basis van de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger en is gekoppeld aan drie vooraf overeengekomen projectmijlpalen, zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.

4.

Onverminderd het derde lid kan de minister, na overleg met de subsidieaanvrager, besluiten een voorschot in het jaar volgend op de mijlpaal te verstrekken.

Artikel 12. Verplichtingen betreffende voorlichting

1.

Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de niet-bedrijfsgevoelige resultaten van zijn op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteiten.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 13. Subsidievaststelling

1.

Onverminderd artikel 24, vierde lid, van het Kaderbesluit worden bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

2.

In de beschikking tot subsidievaststelling stelt de minister de subsidie vast op basis van de gegevens die bij de aanvraag tot subsidievaststelling zijn ingediend.

Artikel 14. Evaluatie

1.

De minister publiceert 5 jaar na vaststelling van deze regeling in de Staatscourant een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

2.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

Artikel 15. Inwerkingtreding

1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2031 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de voor die datum aangevraagde subsidies.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Stimulering Duurzame Luchtvaartbrandstoffen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)