Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 september 2026, nr. IENW/BSK-2026/160909, houdende tijdelijke regels voor de subsidiëring van voorbereidings- en realisatieprojecten voor de commerciële productie in Nederland van geavanceerde bioSAF en van e-SAF voor de luchtvaart (Tijdelijke subsidieregeling Stimulering Duurzame Luchtvaartbrandstoffen) (KetenID WGK0028789)
Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 4, 5, tweede lid, 6, zesde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, 10, tweede lid, 13, 15, vierde en vijfde lid, 22, tweede lid, 23, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- •. CEEAG: Climate, Energy and Environmental Aid Guidelines, Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01);
- •. CISAF: Clean Industrial Deal State Aid Framework, Kader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de Clean Industrial Deal (C/2025/3602);
- •. e-SAF: luchtvaartbrandstof die voldoet aan een van de productiepaden van ASTM D7566 en voldoet aan de definitie van “hernieuwbare vloeibare en gasvormige vervoersbrandstoffen van niet-biologische oorsprong” zoals beschreven in de Richtlijn hernieuwbare energie;
- •. FEED (Front-End Engineering and Design) studie: technische en procesontwerpstudies en overige voorbereidende engineeringactiviteiten die noodzakelijk zijn voor het onderbouwen van een investeringsbeslissing;
- •. geavanceerde bioSAF: luchtvaartbrandstof die voldoet aan een van de productiepaden van ASTM D7566, met uitzondering van ASTM D7566 Annex A2 en Annex A7, en voldoet aan de definitie van ‘geavanceerde biobrandstof’ zoals beschreven in de Richtlijn hernieuwbare energie;
- •. HEFA: Hydrotreated Esters and Fatty Acids, luchtvaartbrandstof geproduceerd van biologisch afval, zoals gebruikt frituurvet en oliën;
- •. Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
- •. kleine onderneming: een onderneming die voldoet aan de criteria voor een kleine onderneming als bedoeld in de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003;
- •. middelgrote onderneming: een onderneming die voldoet aan de criteria voor een middelgrote onderneming als bedoeld in de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003;
- •. minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- •. pilotproject: een project gericht op het testen van nieuwe technologie, met als primair doel het verbeteren van de technologie;
- •. project: realisatieproject en voorbereidingsproject;
- •. projectmijlpaal: een concreet, toetsbaar en tijdgebonden tussenresultaat binnen het project;
- •. realisatieproject: een samenhangend geheel van activiteiten resulterend in de bouw of uitbreiding van een productiefaciliteit voor duurzame luchtvaartbrandstoffen op een specifieke locatie, met inbegrip van de daarbij behorende technische installaties, procesonderdelen en ondersteunende infrastructuur die functioneel met elkaar samenhangen;
- •. Richtlijn hernieuwbare energie: richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);
- •. RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
- •. SAF: Sustainable Aviation Fuels, duurzame luchtvaartbrandstoffen;
- •. SAF-projectontwikkelaar: een onderneming of samenwerkingsverband van meerdere ondernemingen met rechtspersoonlijkheid, gericht op de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een productiefaciliteit voor de productie van duurzame luchtvaartbrandstoffen in Nederland, en die hiervoor subsidie aanvraagt;
- •. voorbereidingsproject: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het uitvoeren van voorbereidende studies, in aanloop naar een mogelijk realisatieproject.
Artikel 2. Doel van de regeling
Deze regeling heeft als doel het stimuleren van voorbereidings- en realisatieprojecten voor de commerciële productie in Nederland van geavanceerde bioSAF en van e-SAF voor de luchtvaart, door het verminderen van financiële en technologische belemmeringen die de totstandkoming van dergelijke projecten beperken en die voortvloeien uit de hoge investeringskosten, technologische risico’s en onzekerheid over toekomstige marktomstandigheden.
Artikel 3. Subsidiabele activiteiten
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een SAF-projectontwikkelaar voor een voorbereidings- of realisatieproject dat bijdraagt aan de realisatie van een SAF-productiefaciliteit in Nederland. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor voorbereidings- of realisatieprojecten die betrekking hebben op één van de volgende typen SAF:
- a. e-SAF; of
- b. geavanceerde bioSAF.
De subsidie heeft slechts betrekking op een van beide typen SAF zoals beschreven in het eerste lid, waarbij het type SAF dat 51% of meer van het gehele verwachte SAF-productievolume van de productiefaciliteit omvat, bepalend is voor de vaststelling van het type SAF waarop de subsidie betrekking heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde typen SAF kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten:
- a. een voorbereidingsproject, in overeenstemming met titel 4.13 van de CEEAG:
- i. het uitvoeren van voorbereidende studies die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van een investeringsbeslissing met betrekking tot een productiefaciliteit voor geavanceerde bioSAF of e-SAF, in hoofdzaak ‘front-end engineering and design’ (FEED) studies;
- b. een realisatieproject, in overeenstemming met titel 4.1 van de CISAF:
- i. de realisatie van een productiefaciliteit voor de productie van geavanceerde bioSAF of e-SAF voor de luchtvaart, voor zover dit geen betrekking heeft op de realisatie van een elektrolyse installatie voor waterstofproductie;
- ii. de uitbreiding, conversie of aanpassing van een bestaande industriële productiefaciliteit ten behoeve van de productie van bioSAF of e-SAF, voor zover dit geen betrekking heeft op de uitbreiding, conversie of aanpassing van een elektrolyse installatie voor waterstofproductie;
- iii. de aanleg, installatie of integratie van procesinstallaties, technische systemen en ondersteunende infrastructuur die noodzakelijk zijn voor de productie van bioSAF of e-SAF, met inbegrip van engineeringactiviteiten die rechtstreeks verband houden met de realisatie van de productiefaciliteit, met uitzondering van het uitvoeren van een FEED-studie; of
- iv. activiteiten die noodzakelijk zijn voor het testen, in bedrijf stellen en operationeel maken van de productiefaciliteit.
Voor subsidie komen de gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten bedoeld in het derde lid. Voor loonkosten geldt een forfaitair uurtarief van 80 euro, in overeenstemming met artikel 7, tweede lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit.
Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:
- a. projectkosten die zijn gemaakt vóór de indiening van de subsidieaanvraag;
- b. onderzoeken en adviesdiensten die een doorlopende of terugkerende activiteit van de aanvrager vormen, of die verband houden met de reguliere bedrijfskosten van de aanvrager, waaronder:
- i. het voorbereiden van vergunningsaanvragen;
- ii. het selecteren van leveranciers en licentiegevers; of
- iii. activiteiten die uitsluitend zijn gericht op de interne besluitvorming van de aanvrager over de vraag of het project wordt gerealiseerd.
Per openstellingsronde wordt per aanvrager voor een voorbereidings- of realisatieproject één beschikking tot subsidieverlening afgegeven, respectievelijk voor activiteiten als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, of voor activiteiten als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
Artikel 4. Subsidieplafond en steunintensiteit
Voor voorbereidings- en realisatieprojecten voor e-SAF, als bedoeld in artikel 3, derde lid, is ten hoogste € 205.402.000 beschikbaar.
De subsidie per aanvraag voor een project voor e-SAF bedraagt ten hoogste € 205.402.000.
Voor voorbereidings- en realisatieprojecten voor geavanceerde bioSAF, als bedoeld in artikel 3, derde lid, is ten hoogste € 84.594.000 beschikbaar.
De subsidie per aanvraag voor een project voor geavanceerde bioSAF bedraagt ten hoogste € 84.594.000.
De subsidie per aanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, bedraagt ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten van het project, waarbij de steunintensiteit met 20 procentpunten wordt verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
De subsidie per aanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, bedraagt ten hoogste 45% van de subsidiabele kosten van het project, waarbij de steunintensiteit met 20 procentpunten wordt verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
De subsidieverlening voor een voorbereidingsproject wordt gerechtvaardigd op basis van titel 4.13 van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022.
De subsidieverlening voor een realisatieproject wordt gerechtvaardigd op basis van het Kader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de Clean Industrial Deal, specifiek titel 4.1.
Artikel 5. Aanvraag
Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld formulier.
Naast het in eerste lid genoemde formulier worden bij de subsidieaanvraag bijlagen ten behoeve van de beoordeling ingediend. Het aanvraagformulier en de bijlagen vormen gezamenlijk de aanvraag.
Onverminderd artikel 10 van het Kaderbesluit bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. een projectplan waarin minimaal de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdelen a, b en d, van het Kaderbesluit verwerkt worden;
- b. een voorgestelde mijlpalenbegroting met daarin drie zelf gekozen projectmijlpalen, inclusief een omschrijving van het beoogde resultaat, een streefdatum voor het behalen van elk van de drie projectmijlpalen, en een liquiditeitsbehoefte per projectmijlpaal, in lijn met de maximale voorschotten per betalingstermijn;
- c. een kennisverspreidingsplan;
- d. een financieringsplan, waarin minimaal de financiering van het eigen aandeel van de aanvrager onderbouwd wordt;
- e. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, overeenkomstig de definitie in de Richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun, inclusief een ingevuld door de minister beschikbaar gesteld beslisschema;
- f. een juridische organisatiestructuur van de groep waartoe de subsidieaanvrager behoort waaruit de aandelenverhouding of de afwijkende overwegende zeggenschap blijkt en de enkelvoudige jaarrapporten of geconsolideerde jaarrapporten van de in die groep verbonden ondernemingen die gebruikt zijn voor de invulling van het beslisschema, overeenkomstig de definitie in de Richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun;
- g. een intentieverklaring voor de inkoop van grondstoffen zoals methanol, en de afzet van SAF in het geval de aanvraag betrekking heeft op de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b;
- h. een verklaring dat de in de productie-installatie te produceren SAF voldoen aan bijlage IX, deel A van de Richtlijn hernieuwbare energie en aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie, bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie, in het geval de aanvraag betrekking heeft op een realisatieproject voor de productie van geavanceerde bioSAF; en
- i. een verklaring dat de in de productie-installatie te produceren SAF afkomstig zijn van andere hernieuwbare bronnen dan biomassa, en voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie, bedoeld in artikel 29 bis van de Richtlijn hernieuwbare energie, in het geval de aanvraag betrekking heeft op een realisatieproject voor de productie van e-SAF.
Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde activiteit voor e-SAF, kan in de eerste openstellingsronde van 2026 bij de RVO worden ingediend in de periode van 3 november 2026, 09.00 uur tot en met 24 november 2026, 17.00 uur.
De minister kan voor e-SAF en geavanceerde bioSAF projecten gedurende een periode van vijf jaar maximaal vijf openstellingsrondes vaststellen. Een volgende openstellingsronde wordt uitsluitend vastgesteld indien na de voorafgaande openstellingsronde voldoende van het voor deze regeling beschikbare budget resteert. De minister maakt een openstellingsronde bekend in de Staatscourant vóór de aanvang van het tijdvak waarvoor de aanvraagperioden worden vastgesteld. Een openstellingsronde vangt in ieder geval aan op de eerste werkdag van november van het betreffende jaar.
Artikel 6. Verdeling van de subsidie
De minister verdeelt de beschikbare subsidiegelden op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Wanneer op één dag meer volledige aanvragen worden ontvangen dan het beschikbare budget toelaat, wordt de volgorde van behandeling bepaald door middel van loting.
Artikel 7. Afwijzingsgronden
Onverminderd de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:
- a. er onvoldoende vertrouwen is in de kwaliteit van het voorbereidings- of realisatieproject, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet;
- b. het voorbereidings- of realisatieproject gebruik maakt van de technologieroute HEFA;
- c. de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is, overeenkomstig de definitie in de Richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun;
- d. de aanvrager is reeds gestart met de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, of vóór indiening van de aanvraag onomkeerbare juridische verplichtingen aangegaan voor de uitvoering van deze activiteiten;
- e. het plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt, van onvoldoende kwaliteit is;
- f. er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder Commissiebesluit waarbij de steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard.
Onverminderd het eerste lid, wordt een subsidieaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, afgewezen indien:
- a. het aangevraagde subsidiebedrag lager is dan of gelijk is aan € 4.000.000;
- b. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in de CEEAG;
- c. de aanvraag voor het voorbereidingsproject niet voldoet aan de in CEEAG gestelde voorwaarden.
Onverminderd het eerste lid, wordt een subsidieaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, afgewezen indien:
- a. er sprake is van een pilotproject;
- b. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in de CISAF;
- c. de aanvraag voor het realisatieproject niet voldoet aan de in CISAF gestelde voorwaarden.
Artikel 8. Algemene verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste vestigingsplaats of dochteronderneming in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat hij voor de eerste voorschotbetaling een vaste vestigingsplaats of dochteronderneming in Nederland heeft.
De subsidieontvanger is verplicht binnen zes maanden na de subsidieverlening met de uitvoering van het project te starten.
De subsidieontvanger is verplicht vanaf het moment van subsidieverlening elk jaar een voortgangsrapportage in te dienen. Aanvullend hierop is de subsidieontvanger verplicht vanaf het moment van subsidieverlening aan het einde van elk kwartaal een actualisatie van de financiën en de planning in te dienen.
De subsidieontvanger is verplicht op verzoek van de minister nadere toelichting te geven op de voortgangsrapportages indien daar naar het oordeel van de minister aanleiding toe is.
Een voorbereidingsproject wordt binnen twee jaar (24 maanden) na de start van het project afgerond. De minister kan deze termijn op aanvraag van de subsidieontvanger verlengen.
Een realisatieproject voor de productie van geavanceerde bioSAF wordt binnen vier jaar (48 maanden) na de start van het project voltooid en gebruiksklaar gemaakt.
Voor een realisatieproject, bedoeld in het zesde lid, geldt dat indien de eerste projectmijlpaal zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening, niet binnen tweemaal de daarvoor in de beschikking vastgestelde termijn wordt behaald, kan de minister de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk intrekken.
Indien een realisatieproject, bedoeld in het zesde lid, niet binnen de in het zesde lid genoemde termijn wordt voltooid, wordt het subsidiebedrag, op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten, bij de vaststelling verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vast te stellen subsidiebedrag:
- a. 1% bij vertraging tot en met 6 maanden;
- b. 5% bij vertraging van langer dan 6, en tot en met 12 maanden;
- c. 10% bij vertraging van langer dan 12, en tot en met 24 maanden;
- d. 20% bij vertraging van langer dan 24, en tot en met 36 maanden;
- e. 25% bij vertraging van langer dan 36 maanden.
Het zevende en achtste lid zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden die buiten de controle liggen van de aanvrager en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.
De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan controles die kunnen worden uitgevoerd door de RVO, waaronder administratieve controles, inhoudelijke beoordelingen en controles ter plaatse.
Artikel 9. Productieverplichtingen en verificatie
De subsidieontvanger van een realisatieproject is verplicht de productiefaciliteit gedurende 120 maanden na de datum van inbedrijfstelling in bedrijf te houden en gedurende deze periode duurzame luchtvaartbrandstoffen te produceren. Dit geldt vanaf de datum waarop de productiefaciliteit voor het eerste operationeel is en op structurele wijze het productieproces waarvoor subsidie is verleend kan uitvoeren.
De subsidieontvanger houdt gedurende de in het eerste lid bedoelde periode een administratie bij en verstrekt jaarlijks aan de minister een opgave van de relevante gegevens over het afgelopen boekjaar, voorzien van onafhankelijke beoordeling. Uit deze opgave blijkt ten minste het volgende:
- a. het totale volume geproduceerde brandstoffen van het afgelopen boekjaar, in kiloton;
- b. het volume geproduceerde e-SAF, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
- c. het volume geproduceerde geavanceerde bioSAF, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
- d. het volume geproduceerde koolstofarme brandstoffen, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
- e. volume overige brandstoffen, als onderdeel van het totaal, in kton, inclusief aanduiding van het type brandstof.
De onafhankelijke beoordeling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de minister vastgestelde en gepubliceerde systematiek.
Voor productiefaciliteiten die e-SAF produceren en waarvoor een beschikking tot subsidieverlening is verleend, geldt dat het gedeelte van de productie dat geen e-SAF is, uitsluitend mag bestaan uit hetzij geavanceerde bio-SAF, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hetzij uit koolstofarme brandstoffen, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.
Indien het gemiddelde aandeel gerealiseerde e-SAF, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, berekend voor de periode van honderdtwintig maanden, lager is dan 80%, of wanneer er sprake is van de productie van overige brandstoffen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, wordt het vastgestelde subsidiebedrag verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vastgestelde bedrag:
- a. 1% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 90% tot 100%, waarbij het aandeel overige brandstoffen groter is dan 0% en kleiner dan 10%;
- b. 3% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 80% tot 90%, waarbij het aandeel overige brandstoffen groter is dan 10%;
- c. 5% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 70% tot 80%;
- d. 10% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 60% tot 70%;
- e. 20% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 50% tot 60%;
- f. 50% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 30% tot 50%;
- g. 100% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 0% tot 30%.
Indien het gemiddelde aandeel gerealiseerde geavanceerde bio-SAF, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, berekend voor de periode van honderdtwintig maanden, lager is dan 100%, wordt het vastgestelde subsidiebedrag verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vastgestelde bedrag:
- a. 20% bij een gemiddeld aandeel van 80% tot 100%;
- b. 40% bij een gemiddeld aandeel van 60% tot 80%;
- c. 60% bij een gemiddeld aandeel van 40% tot 60%;
- d. 80% bij een gemiddeld aandeel van 20% tot 40%;
- e. 100% bij een gemiddeld aandeel van 0% tot 20%.
Indien de subsidieontvanger zowel e-SAF als geavanceerde bio-SAF produceert, wordt de verlaging, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar rato toegepast op het deel van het subsidiebedrag dat overeenkomt met het aandeel van het desbetreffende type SAF in het totale gerealiseerde productievolume.
Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden die buiten de controle liggen van de aanvrager en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.
Artikel 10. Begrotingsvoorbehoud
Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van een nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een subsidie vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.
In afwijking van artikel 5, eerste lid, van het Kaderbesluit, mag steun in het kader van deze mededeling, wat betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdelen a en b, worden gecumuleerd met steun uit centraal beheerde EU-fondsen, tot de maximaal toegestane steunintensiteit en het maximaal toegestane steunbedrag.
Artikel 11. Voorschot
De minister verstrekt een voorschot van 95%, verdeeld over vier termijnen, waarbij de eerste termijn 15% van het totale subsidiebedrag bedraagt.
Uitbetaling van de eerste termijn vindt plaats binnen 6 weken na de datum van de afgifte van de beschikking tot subsidieverlening.
Uitbetaling van de volgende termijnen van het voorschot vindt in beginsel plaats op basis van de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger en is gekoppeld aan drie vooraf overeengekomen projectmijlpalen, zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.
Onverminderd het derde lid kan de minister, na overleg met de subsidieaanvrager, besluiten een voorschot in het jaar volgend op de mijlpaal te verstrekken.
Artikel 12. Verplichtingen betreffende voorlichting
Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de niet-bedrijfsgevoelige resultaten van zijn op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteiten.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
Artikel 13. Subsidievaststelling
Onverminderd artikel 24, vierde lid, van het Kaderbesluit worden bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. een controleverklaring van een accountant of accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat met de aanvraag wordt voldaan aan de voorschriften bedoeld in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht;
- b. de wijze waarop het voorbereidings- of realisatieproject heeft bijgedragen aan het doel bedoeld in artikel 2;
- c. een openbaar verslag, dat naar het oordeel van de minister van voldoende kwaliteit is, met daarin niet-bedrijfsgevoelige resultaten die met het voorbereidings- of met het realisatieproject worden opgedaan;
- d. in aanvulling op artikel 24, derde lid, van het Kaderbesluit, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, een beschrijving van hoe de FEED-resultaten de technische en economische basis vormen voor eventuele vervolginvesteringen; en
- e. in aanvulling op artikel 24, derde lid, van het Kaderbesluit, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, een beschrijving, inclusief ondersteunend bewijsmateriaal, waaruit minimaal is op te maken dat de productiefaciliteit succesvol in bedrijf is genomen, inclusief datum van ingebruikname, en werkt volgens de in de aanvraag genoemde specificaties met betrekking tot de totale beoogde productiehoeveelheden.
In de beschikking tot subsidievaststelling stelt de minister de subsidie vast op basis van de gegevens die bij de aanvraag tot subsidievaststelling zijn ingediend.
Artikel 14. Evaluatie
De minister publiceert 5 jaar na vaststelling van deze regeling in de Staatscourant een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.
De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
Artikel 15. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.
Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2031 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de voor die datum aangevraagde subsidies.
Artikel 16. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Stimulering Duurzame Luchtvaartbrandstoffen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)