Besluit tot vaststelling van de Regulatorische accountingregels (RAR) warmtebedrijven 2027

Type ZBO-regeling
Publication 2026-09-18
Laatst bijgewerkt 2026-09-25
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

1. Begrippen

2. Inleiding

2.1. Achtergrond

2.2. Juridisch kader

2.3. Doelstellingen

2.4. Reikwijdte RAR

2.5. Aanpassing RAR

3. Algemene grondslagen

3.1. Grondslagen financiële verslaggeving

3.2. In aanmerking te nemen beginselen

3.3. Interne verrekenprijzen

3.4. Rubricering en toelichting

4. Activa, kosten en opbrengsten

4.1. Activa

4.1.1. Algemeen

4.1.2. Materiële vaste activa

Kosten worden als direct aangemerkt wanneer een aantoonbare causaliteit aanwezig is tussen de rechtstreeks toegerekende kosten en het vast actief. De volgende categorieën worden onderscheiden:

De kosten van materialen worden opgenomen tegen inkoopprijs en bijkomende kosten exclusief een interne winstopslag. De kosten van interne uren als onderdeel van de vervaardigingsprijs zijn gebaseerd op een intern uurtarief exclusief een winstopslag. Het intern uurtarief wordt berekend per tariefgroep (groepering van medewerkers). Het intern uurtarief bestaat uitsluitend uit:

De kosten van diensten van derden worden opgenomen tegen inkoopprijs en bijkomende kosten. Bij inhuur van externen is tevens een opslag voor huisvesting en automatisering van toepassing.

De regulatoire bouwrente wordt als volgt berekend:

De asset retirement obligation omvat bij de initiële verwerking de contante waarde van de verwachte ontmantelingskosten van het betreffende activum. Indien de verwerking in de jaarverslaggeving in enig jaar na de initiële verwerking wijzigt als gevolg van aanpassingen in de volgende parameters voert het warmtebedrijf in de regulatorische activawaardering een correctie door:

Het warmtebedrijf moet eventuele wijzigingen in de disconteringsvoet, de gehanteerde inflatie en de geschatte ontmantelingskosten toelichten in het toelichtingsdocument en zoveel mogelijk voorzien van documentatie.

4.1.3. Immateriële vaste activa

4.2. Kosten

4.3. Opbrengsten

5. Kostentoerekening

5.1. Inleiding en algemene uitgangspunten

5.2. Stap 1: kostentoerekening naar CWV en KCW

5.3. Stap 2: kostentoerekening in een warmtekavel per CWV en temperatuurcategorie

5.4. Stap 3: kostentoerekening naar activiteiten

5.4.1. Productie en inkoop van thermische energie

5.4.2. Transport en distributie van thermische energie

5.4.3. Verkoop en klantcontact

5.4.4. Ontwikkeling nieuwe warmtenetten

5.4.5. Werk voor derden en diversen

5.4.6. Toerekening indirecte posten aan activiteiten

5.5. Stap 4: Toerekening indirecte kosten aan afnemersgroepen per activiteit

5.5.1. Productie en inkoop van thermische energie

5.5.2. Transport en distributie van thermische energie

5.5.2.1. Toerekening van de BAK

5.5.2.2. Toerekening bij temperatuurcategorieën c en g (ZLT)

5.5.3. Verkoop en klantcontact

6. Slotbepalingen

6.1. Inwerkingtreding

Bijlage 1. Schematische weergave kostentoerekening

Bijlage 2. Toelichting bij kostentoerekening

Toelichting bij paragraaf 5.4.1 – Activiteit productie en inkoop van thermische energie

Een thermische installatie om energie op te slaan valt onder productie, omdat het hoofddoel van een dergelijke installatie het leveren van warmte is. Het is evident dat opslag ook plaatsvindt in het netwerk, maar het netwerk valt onder een andere activiteit. Het netwerk is immers primair gedimensioneerd op de benodigde afname van warmte en niet (primair) op maximaliseren van de efficiëntie van productie, door bijvoorbeeld een e-boiler in te zetten op momenten met negatieve stroomprijzen en levering van die warmte op een ander moment te doen;

Voor alle genoemde activiteiten m.u.v. i) geldt dat deze ook buiten de vergunninghouder belegd kunnen worden. In dat geval maken deze activiteiten géén onderdeel uit van het warmtebedrijf waarop het toezicht is ingericht (i.t.t. de distributie van warmte, is productie geen verplicht onderdeel van de rechtspersoon waarop de vergunning rust);

ACM beschouwt warmteverliezen niet als een losse ‘activiteit’ of dienst. In dit geval betekent dit dat het warmtebedrijf x % meer thermische energie moet invoeden dan dat verkocht kan worden. De ‘kosten’ hiervan komen terug in de vorm van hogere benodigde hoeveelheden warmte of andere energie t.b.v. productie. Administratieve netverliezen en meetfouten komen zodoende ook terecht in de post ‘kosten productie en inkoop thermische energie’, aangezien ze niet kunnen worden gefactureerd. Meetfouten die gecorrigeerd en dus gefactureerd kunnen worden, of bijvoorbeeld kosten van fraude en leegstand die in rekening worden gebracht, worden onderdeel van de kosten van ‘verkoop en klantcontact’, net als wanbetaling.

Toelichting bij paragraaf 5.4.2 – Activiteit transport en distributie van thermische energie

Voor deze activiteit wordt cascadering verplicht gesteld indien een warmtenet verschillende netvlakken heeft. Op deze manier betaalt de groep van afnemers op een hoger netvlak (bijv. het transportnet) niet voor kosten van het groep van afnemers op een lager netvlak (bijv. het secundair distributienet). Hiermee wordt de kostenreflectiviteit van de tarieven verhoogd. Cascadering is vergelijkbaar met hoe dit wordt toegepast bij de tariefregulering voor elektriciteitsnetten. Netvlakken krijgen een rangorde van hoog (transportnet) naar laag (secundair distributienet). Wanneer een warmtenet bijvoorbeeld drie netvlakken heeft (A, B en C, van hoog naar laag), geldt dat een afnemer op netvlak B uitsluitend kosten veroorzaakt van netvlak A en B, terwijl een afnemer op netvlak C voor het gehele net (A+B+C) kosten veroorzaakt.

Een zuivere kostentoerekening houdt bijvoorbeeld in dat ongereguleerde verbruikers (tuinders/industrie) op een transportnet (A) niet betalen voor de kosten van het primaire en secundaire net (B en C) waar consumenten gebruik van maken.

Toelichting bij paragraaf 5.5.1 – Toerekening productie en inkoop van thermische energie

De mate waarin geleverde warmte wordt afgenomen door verschillende typen afnemers is een eerlijke verdeelsleutel voor de toerekening van kosten en activawaarde van deze activiteit aan de verschillende typen afnemers.

In veel gevallen hebben warmtebedrijven meerdere bronnen die thermische energie produceren voor hetzelfde net. De ACM kan zich enkele situaties voorstellen waarin een toerekening op basis van de totale afzet in GJ niet precies tot een eerlijke verdeling van de kosten van alle bronnen leidt. Mogelijk zou een specifiekere toerekening van de kosten per (type) bron tot een preciezere kostentoerekening leiden.

Redenen om een bepaald (type) bron toe te rekenen op basis van afzet van deze bron / dat type bron kunnen zijn:

Het warmtebedrijf kan beredeneren dat niet toerekenbare vaste productiekosten op basis van netcapaciteit toegerekend zouden moeten worden, omdat er immers veel vaste kosten zijn om productiecapaciteit beschikbaar te houden. De ACM vindt het vanuit het oogpunt van kostentoerekening naar de afnemersgroepen eerlijker en praktischer om alle productiekosten op basis van verbruik toe te rekenen. Het warmtebedrijf kan immers inspelen op veranderingen in verbruik door multisourcing toe te passen en via optimalisatie van diverse bronnen met verschillende capex/opex de productiekosten te optimaliseren. Daarbij ontstaat er geen risico voor het warmtebedrijf: alle kosten worden verdeeld in de kostentoerekening. Een mogelijk risico ontstaat pas op het moment dat productiekosten inefficiënt zijn.

Wel kiest de ACM ervoor om warmtebedrijven de mogelijkheid te geven om een alternatief te hebben om de kosten van productie en inkoop op een andere basis dan GJ voor basislast en pieklast gecombineerd toe te rekenen. Warmtebedrijven moeten dan wel een toerekening laten zien op basis van de door hen gebruikte bronnen en de profielen van afnemers. Daaruit zal blijken in hoeverre basislast ook is toegerekend aan kleinverbruikers en in hoeverre back-up correct is toegerekend aan alle afnemersgroepen.

De situatie kan zich in de praktijk voordoen dat grootverbruikers korting krijgen op hun afname op basis van een staffel die in lijn ligt met de kortingen op de gasbelasting. ACM ziet deze kortingen niet als kostengebaseerd, en houdt bij de toerekening van kosten van energie dan ook geen rekening met deze kortingen.

De afstand tot de bron kan bij de ontwikkeling van een warmtenet een cruciale factor zijn in de bepaling van de kosten die gemaakt moeten worden om een bepaalde afnemers aan te kunnen sluiten. Dit ziet overigens vooral op netwerkkosten en in mindere mate op kosten van energie. Toch kiest de ACM ervoor om voor bestaande netten geen rekening te houden met de marginale kostenveroorzaking van specifieke afnemers op het warmtesysteem. Er is in een warmtenet altijd verschil in afstand tot een bron, en tegelijk is een bepaalde schaal (en dus ook afstand tot de bron) nodig om een warmtenet financieel haalbaar te maken, waar alle gebruikers aan bijdragen.

Toelichting bij paragraaf 5.5.2 – Toerekening transport en distributie van thermische energie

Veel delen van het net worden gebruikt door meerdere afnemersgroepen. Deze delen zijn dus niet direct toerekenbaar aan een bepaalde afnemersgroep.

In de RAR warmteleveranciers 2024 is een methodiek gehanteerd op basis van de aansluitwaarden met gelijktijdigheidsfactoren, die o.a. op VESTA Mais waren gebaseerd en ook in berekeningen voor netontwerp worden gebruikt. Dat is een vorm van de zogenaamde non-coincidental peak methode (hierna: NCP-methode), omdat er geen sprake is van berekening op basis van bijvoorbeeld de maandagochtendpiek in januari. Het nadeel van dergelijke gelijktijdigheidsfactoren is dat die niet zullen overeenkomen met de werkelijke situatie in een warmtenet. Het gebruiken van meetwaarden van een warmtenet is zuiverder dan het gebruiken van kengetallen.

Voor de NCP-methode zijn meetgegevens per uur nodig. Deze zijn voor de meeste afnemersgroepen (nagenoeg) altijd beschikbaar. Voor kleinverbruikers woningen niet altijd, ondanks dat er sprake is van een slimme meterverplichting. Daarom stellen de RAR dat er altijd een herrekening moet plaatsvinden naar 100% van een afnemersgroep op basis van dat deel van de afnemersgroep waarover het warmtebedrijf wel meetdata heeft.

Kern in twee stappen:

Waarbij:

Afnemersgroep

g ε G: Een groep afnemers binnen hetzelfde netvlak waarvoor kosten worden toegerekend.

Toerekeningsjaren

t –2: Meest recente afgesloten boekjaar; en

t –3 en t –4: Twee voorgaande boekjaren.

Afnemersset per groep per jaar

I g,t: Alle afnemers die in jaar t tot groep g behoorden.

Afname per afnemer per uurblok

q i,h,t: Afname van afnemer i in uurblok h van jaar t (GJ per uurblok).

Groepsafname per uurblok

ΣiεIg,tqi,h,t

Jaarlijkse groepspiek

: Maximale uurafname van groep g in jaar t .

Jaarlijkse ratio

αg,t: Aandeel van groep g in de totale piek van jaar t.

Gemiddeld groepsaandeel

αg: Gemiddelde van de drie jaarlijkse ratio’s.

Toelichting bij paragraaf 5.5.3 – Toerekening verkoop en klantcontact

Het aantal klanten heeft een duidelijke invloed op de kosten voor verkoop en klantcontact. Niet elke klant veroorzaakt echter dezelfde kosten. Het is aannemelijk dat één extra kleinverbruiker veel minder kosten veroorzaakt dan één extra grootverbruiker.

Redenen waarom grootverbruikers per klant meer kosten veroorzaken dan kleinverbruikers kunnen zijn:

Kleinverbruikers kunnen ook hoge kosten veroorzaken, bijvoorbeeld bij wanbetaling. Echter, kosten (waaronder gederfde inkomsten, incassokosten) door wanbetaling van kleinverbruikers rekent het warmtebedrijf direct toe aan gereguleerd. Niet direct toerekenbare kosten voor wanbetaling zullen gemiddeld per kleinverbruiker beperkt zijn.

Bijlage 3. Temperatuurcategorieën

Inleiding

Volgens het Bcw verschillen de door de ACM op te stellen tariefformules per temperatuurcategorie. Artikel 7.19 van het Besluit collectieve warmte (Bcw) wijst de specifieke temperatuurcategorieën aan voor het transport en de levering van warmte en/of koude. De wetgever maakt hierbij onderscheid op basis van de geschiktheid voor ruimteverwarming en tapwater op basis van de volgende indeling uit de toelichting op het Bcw:

Deze RAR gebruiken de letters in de eerste kolom (bijvoorbeeld: temperatuurcategorie g) om de betreffende temperatuurcategorie uit artikel 7.19 Bcw te beschrijven.

Toelichting op de classificatie

De wet spreekt van "direct geschikt voor de verwarming van tapwater". Om te voldoen aan Artikel 3.110 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) moet tapwater doorgaans met minimaal 60°C (aan de tap) of 55°C (circulerend) beschikbaar zijn ter preventie van legionella.

Bij categorie b en f is de warmte wel geschikt voor ruimteverwarming (bijvoorbeeld via vloerverwarming die werkt op 35–40°C), maar niet voor tapwater. Dit is de definitie van LT (Lage Temperatuur, ca. 40–50°C). In deze netten is de temperatuur hoog genoeg om een goed geïsoleerd huis warm te krijgen, maar te laag om veilig te douchen zonder bijverwarming (tapwaterbooster noodzakelijk).

Categorie c en g betreffen netten waar de aflevertemperatuur zo laag is (bijv. 15–29°C) dat je er een huis niet direct mee kunt verwarmen. Deze categorie omvat ZLT-netten, waarbij de 'warmte' slechts dient als bron voor een individuele warmtepomp.

De toevoeging van de categorieën e, f en g is cruciaal voor systemen met bodemenergie (WKO). Hierbij is het technisch noodzakelijk dat er in de zomer koude wordt afgenomen om de bodem te regenereren (opwarmen) voor de winter. De wet erkent hier dat koude geen 'luxeproduct' is, maar een integraal onderdeel van de efficiënte werking van het warmtesysteem.

Bijlage 4. Wijzigingen ten opzichte van vorige RAR

In onderstaand overzicht zijn significante inhoudelijke wijzigingen opgenomen ten opzichte van de RAR warmteleveranciers 2024.

Onderdeel Onderwerp Omschrijving verschil
Gehele RAR Wcw Aangepast aan Wcw.
H. 2 Kwaliteit data Controleverklaring van RAR naar invul- en auditinstructie.
Par. 3.3 Interne verrekenprijzen Interne verrekenprijzen kostengebaseerd, aangepast aan Bcw.
Par 4.1 Activa Overname netten, bouwrente, asset retirement obligation toegevoegd en onderscheid warmtenet en overige activa toegevoegd.
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening Kostentoerekening in stappen toegevoegd, startend vanuit het warmtebedrijf
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening Stap 1: splitsing CWV en KCW.
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening Stap 2: binnen een warmtekavel per CWV en per temperatuurcategorie.
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening productie en inkoop Optie toegevoegd om onderscheid te maken tussen basislast en pieklastbronnen.
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening productie en inkoop Productie en inkoop bevat geen ZLT (temperatuurcategorieën c en g).
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening transport en distributie Verdeling op basis van uurpiek per afnemersgroep.
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening transport en distributie Vrijval van aansluitbijdragen niet meer gedefinieerd bij opbrengsten, maar bij kosten. Definitie “periodieke projectbijdrage” verwijderd.
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening transport en distributie Cascadering verplicht gesteld.
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening ZLT ZLT (temperatuurcategoriën c en g) toerekening naar activiteit transport & distributie. Toerekening obv gecontracteerde capaciteit.
Hoofdstuk 5 Kostentoerekening verkoop en klantcontact Toerekening direct naar afnemersgroepen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)