Wet van 1 juli 1909, houdende bepalingen ter voorkoming van scheepsrampen, tot het instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten opzichte van kapiteins, stuurlieden of machinisten
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is bepalingen vast te stellen ter voorkoming van scheepsrampen, tot het instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten opzichte van schippers, stuurlieden of machinisten;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze rijkswet en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- −. bemanning: kapitein en alle personen die zich als officier of gezel aan boord bevinden of zich als zodanig hebben verbonden;
- −. boetecategorie: categorie die voor een overtreding of misdrijf ten hoogste kan worden opgelegd, als bedoeld in:
- a. artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, indien de overtreding of het misdrijf zich heeft voorgedaan in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- b. artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, indien de overtreding of het misdrijf zich heeft voorgedaan in Aruba;
- c. artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao, indien de overtreding of het misdrijf zich heeft voorgedaan in Curaçao;
- d. artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht van Nederland, indien de overtreding of het misdrijf zich heeft voorgedaan in Nederland; of
- e. artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten, indien de overtreding of het misdrijf zich heeft voorgedaan in Sint Maarten;
- −. buitengaats brengen: voor zover het betreft het verlaten van
- a. het Europese deel van het Nederlandse gebied en het Duitse gebied, gelegen aan de landzijde van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen lijn: het brengen van een schip aan de buitenzijde van deze lijn;
- b. de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba: het verlaten van een haven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- c. Aruba, Curaçao of Sint Maarten: het verlaten van een haven in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten;
- d. andere gebieden dan vermeld onder a, b en c: het brengen van een schip aan de buitenzijde van de lijn zoals deze door de overheid ter plaatse voor het buitengaats brengen is vastgesteld, dan wel volgens plaatselijke gewoonte wordt aangenomen;
- –. eigenaar:
- a. natuurlijk persoon of rechtspersoon die als eigenaar van het schip staat geregistreerd;
- b. natuurlijk persoon of rechtspersoon die het schip in gebruik heeft genomen en daarmee verantwoordelijkheid voor het gebruik van het schip heeft overgenomen van de eigenaar, bedoeld in onderdeel a, van het schip, hieronder mede begrepen de rompbevrachter; of
- c. indien het een vissersvaartuig betreft: natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de eigenaar, bedoeld in onderdeel a of b, de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het vissersvaartuig heeft overgedragen;
- –. kapitein: gezagvoerder van een schip;
- –. Koninkrijk: Koninkrijk der Nederlanden;
- –. officier: lid van de bemanning, niet zijnde de kapitein, die aan boord van een schip een functie als stuurman, werktuigkundige, maritiem officier, officier elektrotechniek of radio-operator vervult;
- –. ondernemen van een reis: buitengaats brengen van een schip
- –. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- –. passagier: persoon aan boord, met uitzondering van:
- a. de kapitein en de overige leden van de bemanning;
- b. andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn;
- c. kinderen, die op de dag van inscheping de leeftijd van een jaar nog niet hebben bereikt;
- –. pleziervaartuig: schip dat uitsluitend bestemd is of gebruikt wordt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, voor zover geen vergoeding wordt betaald voor het vervoer van passagiers;
- –. schip: elke zaak, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft of heeft gedreven;
- –. verscheper: natuurlijk persoon of rechtspersoon die als verscheper wordt genoemd op de zeevrachtbrief, het vervoersdocument of elektronisch vervoersbestand of een vergelijkbaar multimodaal vervoersdocument en in wiens naam of namens wie een overeenkomst van goederenvervoer als bedoeld in artikel 370 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, is afgesloten met een vervoerder;
- –. vissersvaartuig: schip dat is uitgerust of met commercieel oogmerk gebruikt wordt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
- –. zeeschip: schip die blijkens zijn constructie bestemd is om in zee te drijven en drijft of heeft gedreven.
Artikel 2
Behoudende het bepaalde in het vijfde lid, zijn deze rijkswet en daarop berustende bepalingen van toepassing op zeeschepen die gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren, met uitzondering van:
- a. oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die de vlag van het Koninkrijk voeren en in gebruik zijn voor de uitvoering van de militaire taak;
- b. reddingvaartuigen;
- c. onoverdekte vissersvaartuigen, die in de regel niet buiten het zicht van de kust worden gebracht;
- d. pleziervaartuigen;
en, behoudens het bepaalde in artikel 2bis:
- e. schepen, die slechts bij uitzondering, hetzij over korte afstand, hetzij gesleept zonder de bemanning, buitengaats worden gebracht;
- f. schepen, die hetzij in een land van het Koninkrijk voor buitenlandse rekening zijn gebouwd, hetzij naar het buitenland zijn verkocht, en die over zee naar hun bestemmingsplaats moeten worden gebracht;
- g. schepen, welke uitsluitend voor het houden van een proefvaart een reis ondernemen.
Deze rijkswet en daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 2 van de Vaartuigenwet 1930 BES, met uitzondering van:
- a. reddingvaartuigen;
- b. onoverdekte vissersvaartuigen, die in de regel niet buiten het zicht van de kust worden gebracht;
- c. pleziervaartuigen;
en, behoudens het bepaalde in artikel 2bis:
- d. schepen, die slechts bij uitzondering, hetzij over korte afstand, hetzij gesleept zonder de bemanning, buitengaats worden gebracht;
- e. schepen, die hetzij in een land van het Koninkrijk voor buitenlandse rekening zijn gebouwd, hetzij naar het buitenland zijn verkocht, en die over zee naar hun bestemmingsplaats moeten worden gebracht;
- f. schepen, welke uitsluitend voor het houden van een proefvaart een reis ondernemen.
De bepalingen van deze rijkswet en daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op bij Landsverordening van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten aangewezen landsvaartuigen of op daarbij aangewezen schepen, varende met een zeebrief van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten.
Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen categorieën van schepen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van één of meer krachtens deze rijkswet gegeven regels en voorschriften worden uitgezonderd.
In uitzonderlijke gevallen kan hetgeen bij of krachtens deze rijkswet is geregeld, bij algemene maatregel van rijksbestuur van toepassing worden verklaard op categorieën schepen die krachtens het eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de toepassing van deze rijkswet zijn uitgezonderd.
Met betrekking tot de bemanning van schepen in openbare dienst zijn de artikelen 34 tot en met 41 en 48 tot en met 51 niet van toepassing.
Artikel 2bis
Een kapitein van een schip, bedoeld onder één van de uitzonderingen opgenomen in artikel 2, eerste lid, onderdelen e tot en met g, of artikel 2, tweede lid, onderdelen d tot en met f, draagt er zorg voor dat met zijn schip geen reis ondernomen wordt zonder vergunning afgegeven door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De vergunning geldt voor een daarbij bepaalde periode.
In Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt een weigering van een vergunning schriftelijk en gemotiveerd gegeven. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan tegen de weigering van een vergunning bezwaar worden gemaakt bij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba met het weigeren van een vergunning gelijkgesteld het schriftelijk weigeren een vergunning te verlenen alsmede het niet tijdig verlenen van een vergunning. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt een besluit omtrent het verlenen van een vergunning genomen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
Een ambtenaar, belast inzake douane, verleent geen expeditie voor een schip, indien geen geldige vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden getoond.
Hoofdstuk II. Voorkoming van scheepsrampen
§ 1. Veiligheidsvoorschriften
Artikel 3
Er wordt geen reis ondernomen, tenzij de voor het schip benodigde certificaten zijn afgegeven, welke nog geldig zijn op het ogenblik van vertrek.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld welke certificaten benodigd zijn. Aan certificaten kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt de geldigheidsduur van de certificaten vastgesteld.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat voor schepen van een bepaalde categorie geen certificaten als bedoeld in het eerste lid benodigd zijn.
Een ambtenaar, belast inzake douane, verleent geen expeditie voor een schip dat bestemd is om buitengaats te worden gebracht, wanneer daarvoor op eerste aanvraag geen geldig certificaat is getoond, waaruit de deugdelijkheid van het schip blijkt.
Artikel 3a
Een certificaat wordt alleen afgegeven indien het schip en de bedrijfsvoering over het schip, zowel aan boord als aan de wal, voldoen aan de eisen, daartoe bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld.
De vaststelling van de eisen, bedoeld in het eerste lid, kan voor bepaalde bij of krachtens de maatregel aangewezen onderwerpen geschieden door het van toepassing verklaren van de regels, ter zake gegeven door bij of krachtens de maatregel aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen. Indien een aanwijzing plaatsvindt krachtens de maatregel wordt het besluit tot aanwijzing bekendgemaakt in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld aan welke onderzoeken schepen, ter verkrijging van een certificaat of tijdens de geldigheidsduur daarvan, zijn onderworpen om vast te stellen of zij voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden regels gegeven met betrekking tot de aanvraag voor het verkrijgen van een certificaat en de daarbij over te leggen bescheiden.
Artikel 4
De kapitein is verplicht, alvorens met zijn schip een reis te ondernemen, ervoor te zorgen dat:
- a. het schip volkomen zeewaardig is en alle daarvoor in aanmerking komende openingen binnenboord en buitenboord afdoende zijn gesloten;
- b. aan boord de benodigde reddings- en veiligheidsmiddelen en medische uitrusting met een bijbehorende handleidingen en aanwijzingen, aanwezig zijn;
- c. aan boord de benodigde zeevaartkundige kaarten, zeevaartkundige publicaties en instrumenten beschikbaar zijn voor de kapitein en deze behoorlijk zijn bijgehouden of op tijd zijn nagezien en bijgesteld;
- d. alle hulpmiddelen die nodig zijn om te kunnen voldoen aan de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, aan boord zijn en in deugdelijke staat verkeren, en in het algemeen de scheepsuitrusting aan de eisen van zeewaardigheid en veiligheid voldoet;
- e. de lensinrichting in orde en van voldoende capaciteit is;
- f. de aanwezige elektrische inrichtingen voldoen aan de vastgestelde voorschriften;
- g. de radio-installaties bedrijfsklaar zijn;
- h. de belading, de stuwage en de ballasten van het schip aan de eisen van zeewaardigheid en veiligheid voldoen;
- i. het schip zodanig is geladen, dat het geen geringer vrijboord heeft dan volgens de afgegeven certificaten is toegestaan;
- j. het schip zodanig is bemand dat redelijkerwijs alle werkzaamheden aan boord, met inachtneming van geldende wet- en regelgeving, kunnen worden uitgevoerd, mede gelet op de veiligheid van het schip;
- k. de voorgeschreven stabiliteitsgegevens aan boord zijn;
- l. de met betrekking tot oorlog of oorlogsgevaar gegeven voorschriften in acht zijn genomen;
- m. de met betrekking tot het vervoer van lading gegeven voorschriften in acht zijn genomen;
- n. niet meer passagiers zijn ingescheept dan bij of krachtens deze wet is toegestaan, de alarmrol bekend is gemaakt, de voorgeschreven alarmrollen zijn gehouden en op duidelijke wijze de nodige aanwijzingen zijn aangebracht betreffende de plaatsen waar de reddingmiddelen zijn opgeborgen of geplaatst, hoe deze plaatsen zijn te bereiken en hoe de reddingmiddelen moeten worden gebruikt.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld aan welke eisen ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid moet worden voldaan.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot normen voor bemanning en andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn inzake opleiding, diplomering, wachtdienst en medische geschiktheid.
Artikel 4a
Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent routering van schepen.
Artikel 4bis
Vervallen
Artikel 5
Onze Minister kan voor schepen van een bepaalde categorie vrijstelling verlenen van één of meer van de bij of krachtens artikel 3a, eerste lid, of artikel 4 gestelde eisen, zonodig onder het geven van voorschriften en beperkingen, mits zulks zonder gevaar voor deze categorie schepen of hun opvarenden mogelijk is. Een vrijstellingsregeling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is bevoegd om in bijzondere gevallen voor een individueel schip, zonodig onder het geven van voorschriften en beperkingen, een ontheffing te verlenen van de bij of krachtens artikel 3a, eerste lid, of artikel 4 gestelde eisen. Een ontheffing kan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 6
Certificaten worden afgegeven door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. In bijzondere gevallen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aan buitenlandse autoriteiten verzoeken certificaten af te geven.
De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn belast met het verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 3a, derde lid. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat deze onderzoeken geheel of ten dele worden verricht door daartoe door Onze Minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen.
Aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot aan een aanwijzing te verbinden voorschriften, alsmede met betrekking tot de schorsing en de intrekking van een aanwijzing.
Onze Minister kan slechts door hem erkende natuurlijke personen of rechtspersonen aanwijzen. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van erkenning van deze natuurlijke personen of rechtspersonen, de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om voor erkenning in aanmerking te komen, en de intrekking van de erkenning indien niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan.
Besluiten tot aanwijzing of erkenning van natuurlijke personen of rechtspersonen, besluiten tot schorsing van een aanwijzing, alsmede besluiten tot intrekking van een aanwijzing of erkenning, worden bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Landscourant van Aruba, in de Curaçaose Courant en in de Landscourant van Sint Maarten.
Artikel 7
Certificaten vervallen, wanneer:
- a. het tijdvak, waarvoor zij gelden, is verstreken;
- b. de tijdens de geldigheidsduur daarvan verplicht gestelde onderzoeken niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden, behoudens in bij algemene maatregel van rijksbestuur omschreven bijzondere gevallen;
- c. het schip ophoudt te behooren tot de categorie van schepen, waarop deze rijkswet van toepassing is;
- d. het schip wordt verbouwd of de aan boord zijnde inrichtingen op ingrijpende wijze worden gewijzigd;
- e. het schip van naam verandert of een ander letterteeken of nummer krijgt. In dat geval worden op aanvrage nieuwe certificaten afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak, waarvoor de vervallen certificaten zouden hebben gegolden.
Bij algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat certificaten onder daarbij aangewezen omstandigheden bovendien vervallen, wanneer de eigenaar het schip aan zijn oorspronkelijke bestemming onttrekt.
Een certificaat kan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden ingetrokken, wanneer het schip schade heeft geleden, een gebrek niet naar behoren is hersteld of indien andere redenen daartoe aanleiding geven. In Aruba, Curaçao of Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt de intrekking van een certificaat schriftelijk en gemotiveerd bekendgemaakt aan de eigenaar.
Artikel 8
Een ingetrokken certificaat wordt door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gezonden door tussenkomst van de ambtenaren der Scheepvaartinspectie, de ambtenaren met de in- of uitklaring belast of de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaren.
Voor een ingezonden certificaat wordt desverlangd een bewijs van ontvangst afgegeven of toegezonden.
Artikel 9
De kapitein is verplicht om:
- a. het roercommando en de voortstuwingscommando’s in rechtstreekschen zin te bezigen en te doen bezigen;
- b. gedurende de reis alles wat tot de uitrusting van het schip behoort in deugdelijken staat en voor onmiddellijk gebruik gereed te houden, voor zoover zulks is voorgeschreven de openingen binnen en buiten boord gesloten te houden, de voorgeschreven alarmrollen en oefeningen te houden en ook overigens aan alle krachtens het vierde lid van dit artikel en de artikelen 3a, eerste lid, en 4 gestelde eisen en voorschriften te voldoen;
- c. indien gedurende de reis aan het schip, de machinerieën of de uitrusting gebreken blijken, zooveel mogelijk deze gebreken te doen herstellen;
- d. den diepgang van het schip telkens na het innemen van lading en van brandstoffen op te nemen en zorg te dragen, dat het schip geen geringer vrijboord krijgt dan blijkens de afgegeven certificaten is toegestaan;
- e. maatregelen te nemen ter voorkoming van misbruik van het internationale noodsein en van het gebruik van seinen, welke met een internationaal noodsein kunnen worden verward;
- f. hulp te verlenen aan een ieder die op zee in levensgevaar is of in nood verkeert, voor zover een dergelijke handelswijze redelijkerwijs van hem kan worden verwacht, en bij het vragen van hulp zich te gedragen naar de daaromtrent geldende voorschriften;
- g. zorg te dragen dat de voorschriften voor de radiowacht, alsmede die betreffende het waarschuwen omtrent de gevaren ter zee, worden nageleefd;
- h. naar gelang der zaak in het scheepsdagboek of in het machinedagboek te doen opteekenen, wat ter voldoening aan de onder b tot en met g opgelegde verplichtingen is geschied;
- i. zorg te dragen dat de benodigde certificaten te allen tijde beschikbaar zijn en dat de bemanning deze of afschriften daarvan steeds kunnen inzien;
- k. zorg te dragen, dat de met betrekking tot oorlog of oorlogsgevaar gegeven voorschriften worden nageleefd;
- l. zorg te dragen, dat de met betrekking tot het vervoer van lading gegeven voorschriften worden nageleefd.
De kapitein is verplicht voor het behoorlijk bijhouden van de dagboeken zorg te dragen. Hij zal op eerste vordering inzage geven aan en afschrift laten nemen door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, terwijl hij voorts verplicht is steeds op eerste aanvrage inzage van de dagboeken te geven aan de in artikel 63 bedoelde ambtenaren. Hij is bovendien verplicht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk bij binnenkomst in de eerstvolgende haven aan Scheepvaartinspectie kennis te geven van de op de afgelopen reis voorgekomen averijen en ongevallen; het overleggen der dagboeken, onder verwijzing naar de aantekening omtrent de averij of het ongeval, wordt als zodanige kennisgeving beschouwd.
In het geval, bedoeld in het eerste lid onder c, is de kapitein voorts verplicht om bij het aandoen van de eerste haven in het ontbrekende te voorzien, voor zoover dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip en van de opvarenden te verzekeren.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de in de voorgaande leden van dit artikel genoemde verplichtingen.
§ 2. Toezicht
Artikel 10
Alle schepen blijven aan een voortdurend toezicht van Regeeringswege onderworpen.
Onder de bevelen van Onzen Minister wordt dit toezicht opgedragen aan door Onze Minister aangewezen ambtenaren, alsmede voorzover betreft het toezicht in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, aan door of vanwege de Gouverneur te benoemen ambtenaren, van welke een bij koninklijk besluit als hoofd van de scheepvaartinspectie wordt aangewezen. Ook kunnen bij koninklijk besluit voor bepaalde werkzaamheden ambtenaren van andere diensttakken ter beschikking van den dienst der scheepvaartinspectie worden gesteld.
De werkkring en de bevoegdheden van de in het vorige lid bedoelde ambtenaren worden bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld; voor wat betreft de ambtenaren, belast met het toezicht in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, worden dienaangaande zonodig bij Landsverordening aanvullende regelingen getroffen.
De bij of krachtens deze rijkswet aan de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, uitgezonderd het krachtens het tweede lid aangewezen hoofd, opgedragen taken onderscheidenlijk toegekende bevoegdheden worden in Nederland en ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde schepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren, of schepen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, verricht onderscheidenlijk uitgeoefend door de daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren.
De bij of krachtens deze rijkswet aan de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie opgedragen taken onderscheidenlijk toegekende bevoegdheden kunnen ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde schepen die op grond van voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren, ook worden verricht onderscheidenlijk uitgeoefend door de ambtenaren die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn belast met de uitvoering van en het toezicht op de naleving van deze rijkswet.
Artikel 11
Het hoofd van de scheepvaartinspectie zendt jaarlijks aan Onzen Minister een beredeneerd verslag over de werking en toepassing van de wettelijke voorschriften en den gang van den dienst gedurende het afgeloopen jaar.
Dit verslag wordt overgelegd aan de Staten-Generaal, alsmede aan de Gouverneur en de Staten van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten.
Artikel 12
De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben ter uitoefening van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze rijkswet gestelde voorschriften toegang tot de in deze rijkswet genoemde schepen met inbegrip van de woongedeelten van deze schepen, tot de ligplaatsen daarvan, alsmede tot de plaatsen, waar deze schepen of hun werktuiglijke inrichtingen worden gebouwd of hersteld, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
Artikel 13
De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn bevoegd inlichtingen te vorderen, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
Artikel 14
Een ieder is verplicht aan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
De eigenaar en de kapitein, alsmede een of meer door elk hunner aan te wijzen personen, zijn bevoegd bij het onderzoek van het schip tegenwoordig te zijn.
Artikel 15
Indien naar het oordeel van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie niet is of zal worden voldaan aan de bij of krachtens artikelen 3a, eerste lid, 4, of 9 bepaalde eisen en voorschriften, worden de eigenaar en de kapitein daarvan onverwijld op de hoogte gesteld, met vermelding van de geconstateerde tekortkomingen.
De eigenaar of kapitein kan aan de ambtenaar verzoeken om aan te geven op welke wijze naar zijn mening in het ontbrekende kan worden voorzien.
Indien de geconstateerde tekortkomingen niet in voldoende mate zijn hersteld, stelt de ambtenaar met vermelding van redenen de eigenaar en de kapitein daarvan op de hoogte.
Artikel 16
Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een schip aan te houden voor onderzoek, indien:
- a. de ambtenaar constateert of een gerechtvaardigd vermoeden heeft dat het schip niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens artikel 3a, voor de verkrijging van die certificaten;
- b. deambtenaar constateert dat of gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de kapitein in strijd met bij of krachtens de artikelen 4 of 9 bepaalde eisen en voorschriften handelt dan wel zal handelen.
Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een schip aan te houden, indien:
- a. het schip niet is voorzien van alle krachtens artikel 3 benodigde geldige certificaten of documenten;
- b. uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat niet is voldaan aan de eisen gesteld krachtens artikel 3a;
- c. wordt gehandeld in strijd met hetgeen bepaald bij of krachtens artikelen 4 en 9;
- d. de eigenaar, de kapitein of de overige leden van bemanning niet de door de ambtenaar gevorderde medewerking verlenen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
Indien een bemanningslid ten aanzien van diens schip redenen meent te hebben voor twijfel over de zeewaardigheid dan wel of aan alle bij of krachtens de artikelen 3a, eerste lid, 4 of 9, bepaalde eisen en voorschriften, is of zal worden voldaan, is hij gerechtigd zich te wenden tot het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Indien Onze Minister in geval van oorlogsgevaar van oordeel is dat de vaart te grote gevaren oplevert, kan hij een schip door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie laten aanhouden.
In Nederland beslist het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zo spoedig mogelijk of in geval van het eerste lid al dan niet een onderzoek wordt ingesteld. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten beslist een aldaar daartoe aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie of al dan niet een onderzoek wordt ingesteld.
In Nederland is afdeling 5.3.1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde bevoegdheid.
Artikel 17
In Nederland geldt de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van het besluit tot aanhouding, met uitzondering van artikel 3:41, eerste lid. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt het besluit tot aanhouding schriftelijk genomen en gemotiveerd.
Het besluit tot aanhouding wordt bekendgemaakt door uitreiking aan de kapitein. Indien uitreiking aan de kapitein niet mogelijk is, geschiedt de bekendmaking van een besluit tot aanhouding door uitreiking van dit besluit aan de naar het oordeel van de ambtenaar van de Scheepvaartinspectie daarvoor meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door kennisgeving van het besluit aan de kapitein.
De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie die de aanhouding heeft verricht, deelt elke beslissing tot aanhouding of tot opheffing daarvan onverwijld mede aan de betrokken ambtenaar, belast inzake douane. Na ontvangst van een bericht tot aanhouding verleent de betrokken ambtenaar, belast inzake douane, geen expeditie totdat de aanhouding is opgeheven.
De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie stelt de havenbeheerder en de naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende diensten onverwijld in kennis van de aanhouding en van de omstandigheden die tot de aanhouding hebben geleid.
De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie stelt de administratie van de desbetreffende vlaggenstaat of de consul, of bij zijn afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger, onverwijld schriftelijk in kennis van de aanhouding en de omstandigheden die tot de aanhouding hebben geleid.
§ 3. Beroep
Artikel 18
Tegen een besluit van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij Onze Minister.
Onze Minister kan bepalen dat het beroep de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht.
Artikel 19
In afwijking van artikel 18 kan degene die door een besluit van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, rechtstreeks in zijn belang is getroffen, met uitzondering van een besluit tot het aanhouden van een schip op grond van artikel 16, vierde lid, daartegen beroep instellen bij de voorzitter van de Commissie van Onderzoek in Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten,.
Het beroep wordt binnen zes weken na het besluit schriftelijk ingediend en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, en de gronden van het beroep.
Alvorens een beslissing op het beroep te nemen raadpleegt de voorzitter van de Commissie van Onderzoek de ter zake meest geschikte leden van de Commissie, die noch rechtstreeks, noch zijdelings belang bij de beslissing hebben.
De voorzitter kan bepalen dat het beroep de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht.
De voorzitter maakt zijn beslissing op het beroep schriftelijk bekend door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. De beslissing berust op een deugdelijke motivering. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van de beslissing.
Artikel 20
In afwijking van artikel 18 kan degene die door een besluit van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Aruba rechtstreeks in zijn belang is getroffen, met uitzondering van een besluit tot het aanhouden van een schip op grond van artikel 16, vierde lid, het hoofd van de Scheepvaartinspectie in Aruba verzoeken dit besluit in heroverweging te nemen.
Het verzoek wordt binnen zes weken na het besluit schriftelijk aanhangig gemaakt door indiening van een bezwaarschrift bij het hoofd van de Scheepvaartinspectie in Aruba en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar zich richt, en de gronden waarop het bezwaar rust.
Het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de bezwaarschriftprocedure in hoofdstuk II van de Landsverordening administratieve rechtspraak.
De indiener van het bezwaarschrift kan aan het Gerecht in Eerste Aanleg verzoeken het besluit waartegen het bezwaar zich richt, te schorsen op grond dat de uitvoering daarvan voor de indiener een onevenredig nadeel met zich mee zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering te dienen belang.
Degene die door de beslissing van het hoofd van de Scheepvaartinspectie op het bezwaarschrift rechtstreeks in zijn belang is getroffen, kan daartegen beroep instellen bij het Gerecht in Eerste Aanleg. Dit beroep wordt behandeld volgens de beroepschriftprocedure in hoofdstuk III van de Landsverordening administratieve rechtspraak.
Artikel 21
Hij, die een beroep van eene beslissing of een voorschrift instelt, zet in zijn beroepschrift zijne bezwaren tegen die beslissing of dat voorschrift uiteen en zendt gelijktijdig een afschrift van het beroepschrift aan den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift hij beroep instelt en aan het hoofd van de scheepvaartinspectie, indien deze niet is de ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep wordt ingesteld.
Alvorens uitspraak te doen is de voorzitter van den Raad voor de scheepvaart of van een Commissie als bedoeld in artikel 26bis steeds bevoegd en op aanvrage van den appellant, van den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep is ingesteld of van het hoofd van de scheepvaartinspectie, verplicht aan ieder hunner gelegenheid te geven hunne bezwaren mondeling in persoon of bij gemachtigde toe te lichten.
Artikel 22
De verdere regelen, bij de behandeling van beroepen in acht te nemen, worden bij algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld.
Hoofdstuk III. De Raad voor de Scheepvaart en de Commissies van Onderzoek in Aruba, Curaçao en Sint Maarten
Artikel 23
De Raad voor de scheepvaart is gevestigd te Amsterdam, maar is bevoegd bij uitzondering in andere gemeenten hier te lande te vergaderen.
De Raad bestaat uit een voorzitter en twee gewone leden. De gewone leden zijn een zeeofficier of oud-zeeofficier en een kapitein of oud-kapitein ter koopvaardij. De voorzitter moet op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen.
Verder worden benoemd de nodige buitengewone leden, van wie drie ondernemers of oud-ondernemers in de zeescheepvaart en drie kapiteins of oud-kapiteins, onderscheidenlijk van de groote vaart, de kleine vaart en de zeevisscherij, een registerloods of oud-registerloods, een werktuigkundige, een electrotechnicus, drie scheepsbouwkundigen, onderscheidenlijk bekend met den bouw van schepen voor de groote vaart, de kleine vaart en de zeevisscherij en een machinist of oud-machinist of een functie gelijkwaardig aan machinist. De ondernemers en kapiteins van de groote vaart, de kleine vaart en de zeevisscherij nemen onderscheidenlijk zitting naar gelang het te behandelen geval behoort tot de groote vaart, de kleine vaart of de zeevisscherij. De overige buitengewone leden nemen zitting wanneer de voorzitter of de Raad van oordeel is, dat hunne tegenwoordigheid door den aard van het te behandelen geval wenschelijk wordt gemaakt. Ook de zitting nemende buitengewone leden nemen aan de stemmingen deel.
Voorts worden benoemd de noodige plaatsvervangende voorzitters en de noodige plaatsvervangende leden, die invallen bij ontstentenis van gewone of buitengewone leden. De plaatsvervangende voorzitters moeten op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen.
Aan den Raad worden een secretaris en een plaatsvervangende secretaris verbonden. De secretaris en de plaatsvervangende secretaris moeten op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren hebben verkregen.
De in het tweede, derde, vierde en vijfde lid bedoelde personen worden door Ons benoemd, telkens voor den tijd van ten hoogste vier jaren.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een directeur of oud-directeur van eene scheepvaartmaatschappij als ondernemer of oud-ondernemer in de zeescheepvaart aangemerkt.
Bij koninklijk besluit worden de werkkring en de bevoegdheden van de voorzitter, van de gewone en buitengewone leden, van de secretaris en van hun plaatsvervangers vastgesteld en worden de geldelijke schadeloosstellingen van de voorzitter, van de gewone en buitengewone leden en van hun plaatsvervangers geregeld, benevens de bezoldiging van de secretaris en de geldelijke schadeloosstelling van zijn plaatsvervanger.
Eveneens worden door Ons de werkkring en de bevoegdheden geregeld van het hoofd van de scheepvaartinspectie en van andere ambtenaren van de scheepvaartinspectie, in verband met hunnen arbeid bij den Raad voor de scheepvaart.
Artikel 24
Het bij de artikelen 12 en 13 ten aanzien van de ambtenaren bepaalde is ook van toepassing ten aanzien van den voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, den secretaris, den plaatsvervangenden secretaris, de gewone en de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden van den Raad voor de scheepvaart.
Artikel 25
De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de gewone en de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden van den Raad onthouden zich van deelneming aan de behandeling van zaken, welke hen of hunne bloed- en aanverwanten tot en met den vierden graad, persoonlijk aangaan, of waarin zij als gemachtigden zijn betrokken.
Artikel 26
De zittingen van den Raad worden in het openbaar gehouden tenzij de Raad, om in de uitspraak te vermelden redenen, mocht besluiten de behandeling van eene zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren te doen plaats hebben.
De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de gewone en de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden, de secretaris en de plaatsvervangende secretaris zijn verplicht het geheim der raadkamer te bewaren.
Voor het nemen van beslissingen moet de Raad ten minste uit drie leden, den voorzitter of plaatsvervangenden voorzitter inbegrepen, bestaan. Ingeval van staking van stemmen, wordt, wanneer het geldt eene beslissing, als in de artikelen 36 en 48 bedoeld, geacht ten voordeele van de betrokken kapitein of officier te zijn beslist; in alle andere gevallen is in geval van staking van stemmen de stem van den voorzitter beslissend.
Artikel 26bis
In Curaçao wordt ingesteld een Commissie van Onderzoek, gevestigd te Willemstad en benoemd bij landsbesluit van Curaçao.
In Aruba wordt ingesteld een Commissie van Onderzoek, gevestigd te Oranjestad en benoemd bij landsbesluit van Aruba.
In Sint Maarten wordt ingesteld een Commissie van Onderzoek, gevestigd te Philipsburg en benoemd bij landsbesluit van Sint Maarten.
Samenstelling en werkwijze van de Commissies, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden bij Landsverordening vastgesteld.
De Commissies van Onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, hebben ten aanzien van schepen, varende met een zeebrief van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, overeenkomstige bevoegdheden en overeenkomstige taken als bij deze wet aan de Raad voor de Scheepvaart zijn toegekend, met uitzondering evenwel van de bevoegdheid tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein, of officier op te treden.
Voorzover het betreft schepen, varende met een zeebrief van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, is het bepaalde bij de artikelen 24, 25, 26 eerste en tweede lid, 32 eerste lid en 64 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de Commissies van Onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
Hoofdstuk III A. De veiligheidscommissies
§ 1. De Algemene veiligheidscommissie
Artikel 26a
Vervallen
Artikel 26b
Vervallen
Artikel 26c
Vervallen
Artikel 26d
Vervallen
§ 1. De Algemene veiligheidscommissie
Artikel 26e
Aan boord van elk schip met vijf bemanningsleden of meer is een veiligheidscommissie.
Onze Minister kan schepen of categorieën van schepen uitzonderen van het bepaalde in het vorige lid.
De veiligheidscommissie heeft tot taak de kapitein te adviseren betreffende het nemen van maatregelen ter voorkoming van arbeidsongevallen aan boord.
Artikel 26f
De samenstelling van de veiligheidscommissie wordt door Onze Minister bepaald.
Artikel 26g
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 26 f benoemt de kapitein de leden van de veiligheidscommissie.
Artikel 26h
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de werkwijze van de veiligheidscommissie en omtrent de wijze waarop met de door de veiligheidscommissie uitgebrachte adviezen moet worden gehandeld.
Hoofdstuk IV. Onderzoek van scheepsrampen
§ 1. Het onderzoek
Artikel 27
Van Staatswege wordt onderzoek gedaan naar de oorzaken van plaats gehad hebbende scheepsrampen.
Het onderzoek bestaat uit een voorloopig onderzoek door de scheepvaartinspectie, zoo noodig gevolgd door een onderzoek door den Raad voor de scheepvaart.
Het voorloopig onderzoek wordt ingesteld wanneer een schip door eene ramp is getroffen, tenzij de ramp een schip betreft dat in gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht.
Artikel 28
De commissarissen der loodsen en de havenmeesters van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, zenden onverwijld aan het hoofd van de scheepvaartinspectie, onderscheidenlijk aan het districtshoofd in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, afschriften van de door hen over scheepsrampen opgemaakte processen-verbaal, die mede door de door hen gehoorde personen, ieder voor zooveel zijne eigene verklaring betreft, worden onderteekend.
De notarissen en de autoriteiten, voor wie scheepsverklaringen als bedoeld in het tweede lid van artikel 353 van het Wetboek van Koophandel of een overeenkomstige regeling in Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn afgelegd, zenden onverwijld afschriften van deze stukken aan het hoofd van de scheepvaartinspectie. Betreft het een schip, varende met een zeebrief van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan worden de stukken aan de Scheepvaartinspectie in het betreffende land gezonden.
De Nederlandsche consulaire ambtenaren maken van elke in hun ambtsgebied aan een schip, als bedoeld in artikel 2, overkomen ramp een proces-verbaal op en zenden dit, nadat het ook door de door hen gehoorde personen onderteekend is en wel door ieder voor zooveel zijne eigene verklaring betreft, onverwijld aan het hoofd van de scheepvaartinspectie.
De personen, die ingevolge het bepaalde bij het eerste en derde lid van dit artikel worden uitgenoodigd tot het geven van inlichtingen en tot het onderteekenen van het proces-verbaal, zijn verplicht aan die uitnoodiging gevolg te geven.
Indien de in het vorige lid bedoelde personen òf weigeren, òf nalaten, òf niet bij machte zijn het proces-verbaal te onderteekenen, wordt daarvan, onder vermelding der reden, in het proces-verbaal melding gemaakt.
Artikel 29
Het hoofd van de scheepvaartinspectie stelt, met inachtneming van het voorschrift in het derde lid van artikel 27 gegeven, nopens elke te zijner kennis gekomen scheepsramp een onderzoek in of doet dit instellen door een of meer der in artikel 10 bedoelde ambtenaren en deelt de uitkomsten van dit onderzoek zoo spoedig mogelijk onder overlegging van stukken aan den voorzitter van den Raad mede, vergezeld van zijn voorstel om met het oog op aard en omvang van de ramp al dan niet een onderzoek daarnaar door den Raad te doen instellen. Hij kan daarbij eene opgave indienen van de getuigen en deskundigen, wier verhoor tijdens de behandeling voor den Raad hij noodig acht. Betreft de scheepsramp een schip, varende met een zeebrief van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan treedt een aldaar daartoe aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie op en worden de uitkomsten van het onderzoek met de stukken aan de in artikel 26bis genoemde commissie ter hand gesteld, die hiermede handelt als voor de Raad voor de Scheepvaart is voorgeschreven.
Over het voorstel van het hoofd van de scheepvaartinspectie om al dan niet een onderzoek in te stellen wordt beslist door eene commissie uit den Raad, bestaande uit den voorzitter en twee door dezen opgeroepen leden. Wijst deze commissie het voorstel af, dan heeft het hoofd van de scheepvaartinspectie het recht te vorderen, dat de Raad de beslissing herziet, waarna de voorzitter zoo spoedig mogelijk den Raad bijeenroept, die - na het hoofd van de scheepvaartinspectie te hebben gehoord - ter zake eene eindbeslissing neemt. De leden der commissie, met uitzondering van den voorzitter, nemen aan deze zitting geen deel.
Artikel 30
De artikelen 11, derde lid, 12, derde lid, 13, 17, eerste en tweede lid, 24, 25, 27 en 28 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 zijn, voorzover zij niet afwijken van de voorgaande bepalingen van deze rijkswet, van toepassing op het onderzoek, in te stellen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie of de door hem krachtens artikel 29, eerste lid, met het onderzoek belaste ambtenaren en door de Raad.
Dezen komen dezelfde bevoegdheden toe als bij die artikelen aan de aldaar bedoelde commissie van onderzoek zijn toegekend.
Nochtans zal in het geval, geregeld bij artikel 13 der in het eerste lid genoemde wet, het bevel van medebrenging mede door den voorzitter van den Raad kunnen worden verleend.
Ten aanzien van de Commissies van Onderzoek, bedoeld in artikel 26bis, eerste, tweede en derde lid, en de aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Aruba, Curaçao of Sint Maarten worden overeenkomstige regelen bij Landsverordening gesteld.
Artikel 31
Aan getuigen en deskundigen, voor zooverre hunne dienstverhouding tot het Rijk of tot Aruba, Curaçao of Sint Maarten niet medebrengt, dat zij hunne medewerking verleenen zonder eene schadeloosstelling, wordt, zoo zij dit verlangen, eene schadeloosstelling toegelegd naar den maatstaf der tarieven van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken.
Artikel 32
De Scheepvaartinspectie en de Raad kunnen overlegging vorderen binnen eenen bepaalden termijn van scheepsdagboeken, machinedagboeken, scheepsverklaringen, monsterrollen, strafregisters en van alle andere voor het onderzoek vereischte bescheiden, zoowel van de kapiteins der schepen, bij de scheepsramp betrokken geweest, als van ieder ander, die de stukken onder zijne berusting heeft. De personen tot wie een vordering wordt gericht tot overlegging van de genoemde bescheiden, zijn verplicht deze stukken binnen de gestelde termijn over te leggen in de staat waarin zij zich ten tijde van de vordering bevinden.
Artikel 33
De kapitein, de stuurlieden en de machinisten of een functie gelijkwaardig aan machinisten van een schip, hetwelk door eene ramp is getroffen of eene ramp heeft veroorzaakt, en voorts ieder, die meent over de oorzaken van de ramp licht te kunnen verspreiden, kunnen verzoeken, zoowel dat zij zelven gehoord worden, als ook bepaaldelijk door hen aangewezen personen, van wie evenzeer het geven van ter zake dienende inlichtingen kan worden verwacht.
Van zoodanige verzoeken wordt, indien daaraan door den leider van het onderzoek geen gehoor wordt gegeven, in het proces-verbaal van het onderzoek aanteekening gehouden.
De verzoekers mogen tot de verschenen getuigen vragen doen richten, met dien verstande, dat aan den leider van het onderzoek de beslissing blijft, of eene vraag al dan niet zal worden gesteld.
§ 2. Ongeschiktheid van kapiteins, stuurlieden, machinisten, radiotelegrafisten of radiotelefonisten
Artikel 34
Indien tijdens het voorloopig onderzoek nopens eene scheepsramp omstandigheden aan het licht komen, welke bij het hoofd van de scheepvaartinspectie de vraag doen rijzen, of de kapitein of één of meer officieren ongeschikt zijn om hunne beroepsplichten te vervullen, verbindt hij aan zijn voorstel om een onderzoek naar de scheepsramp te doen instellen, de voordracht om dien kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist te hooren.
Ook indien geene scheepsramp heeft plaats gehad kan in bijzondere omstandigheden het hoofd van de scheepvaartinspectie aan den Raad voor de scheepvaart voorstellen een onderzoek in te stellen naar de ongeschiktheid van den kapitein of van één of meer officieren.
Beslist de commissie uit den Raad of de Raad, dat de kapitein of één of meer officieren ter zake zal worden gehoord, dan wordt den betrokkene een afschrift der beslissing beteekend. Voorts wordt gehandeld overeenkomstig het vierde lid van artikel 29.
Indien echter eerst tijdens het onderzoek, door den Raad gehouden, omstandigheden aan het licht komen, welke bij het hoofd van de scheepvaartinspectie of bij den Raad de vraag doen rijzen, of de ramp is veroorzaakt door de ongeschiktheid van den kapitein of van één of meer officieren, dan kan de Raad op voorstel van het hoofd van de scheepvaartinspectie of uit eigen beweging besluiten, dat ook over deze vraag het onderzoek zal loopen.
Is de betrokkene ter zitting aanwezig, dan deelt de voorzitter hem de beslissing van den Raad mede. Aan den betrokkene kan op zijn verzoek een uitstel voor de verdere behandeling van de zaak worden verleend.
Is de betrokkene niet ter zitting aanwezig, dan wordt de verdere behandeling der zaak geschorst tot een nader door den voorzitter te bepalen dag en uur en wordt de betrokkene onder beteekening van ’s Raads beslissing tegen die zitting opgeroepen.
De betrokkene heeft het recht zich bij de behandeling zijner zaak door eenen raadsman te doen bijstaan of zich te doen vertegenwoordigen door eenen bijzonder voor dit doel gemachtigde, behoudens de verplichting van den betrokkene om in persoon te verschijnen, wanneer de Raad dit vordert. De betrokkene en zijn raadsman, of zijn gemachtigde, hebben het recht de stukken van het voorloopig onderzoek vóór de behandeling van de zaak te ontvangen.
De Raad kan in de gevallen, bedoeld in het derde en vierde lid, bij eene met redenen omkleede beslissing den betrokkene tevens onbevoegd verklaren om gedurende het onderzoek als kapitein of één of meer officieren op een schip, als bedoeld in artikel 2, dienst te doen.
Artikel 35
De betrokkene kan verzoeken, dat reeds gehoorde getuigen of nader door hem bepaald aangewezen personen alsnog zullen worden gehoord. Bij afwijzing van dit verzoek wordt daarvan aanteekening gehouden in het proces-verbaal der zitting.
Van het afleggen van verklaringen als getuige of deskundige kunnen zich verschoonen des betrokkenen echtgenoot en zijne bloed- en aanverwanten tot den vierden graad ingesloten.
Artikel 36
De Raad kan, hetzij op vordering van het hoofd van de scheepvaartinspectie, hetzij dien hoofdambtenaar gehoord, bij eene met redenen omkleede beslissing den kapitein of één of meer officieren onbevoegd verklaren om als kapitein, stuurman, machinist, radiotelegrafist of radiotelefonist op een schip, als bedoeld in artikel 2, dienst te doen, indien hij den betrokkene ongeschikt acht om zijne beroepsplichten te vervullen.
De onbevoegdverklaring gaat in op den dag van de beteekening van de uitspraak.
Artikel 37
Is de betrokkene niet persoonlijk of bij gemachtigde op de gedane oproeping verschenen, dan wordt verstek tegen hem verleend en het onderzoek buiten zijne tegenwoordigheid voortgezet en te zijnen aanzien beslist.
Heeft de behandeling der zaak plaats gehad buiten tegenwoordigheid van den onbevoegdverklaarde of diens gemachtigde, dan kan hij, indien de uitspraak hem in persoon is beteekend, binnen veertien dagen na die beteekening, of, indien de uitspraak hem niet in persoon is beteekend, binnen veertien dagen nadat zich eene omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit, dat de uitspraak hem bekend was, daartegen verzet doen bij eene schriftelijke memorie, te richten aan den voorzitter, die daarvan desverlangd een bewijs van ontvangst afgeeft of doet afgeven. Bevindt de onbevoegdverklaarde zich niet hier te lande, dan wordt de termijn met twee maanden verlengd.
Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak niet.
Artikel 38
Na de indiening van de memorie stelt de voorzitter van den Raad het hoofd van de scheepvaartinspectie met de memorie in kennis of doet hem daarmede in kennis stellen en bepaalt eerstgenoemde onverwijld dag en uur voor de behandeling van het verzet.
De voorzitter roept den onbevoegdverklaarde tegen het tijdstip, voor de zitting bepaald, op.
De Raad is bevoegd het onderzoek te heropenen of, na den onbevoegdverklaarde in de gelegenheid te hebben gesteld zijne memorie mondeling toe te lichten, dadelijk einduitspraak te doen.
Wordt bij de einduitspraak na gedaan verzet het ontnemen der bevoegdheid niet gehandhaafd, dan wordt de bevoegdheid geacht niet te zijn ontnomen.
Artikel 39
De onbevoegdverklaarde is verplicht de in het betreffende land van het Koninkrijk geldige diploma’s of daaraan gelijkwaardige documenten van zijn vroegere bevoegdheid of - indien hij in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit in dat land afgegeven verklaring van geschiktheid en bekwaamheid als bedoeld in het Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst 1978, met Bijlage (Trb. 1981, 144) - deze verklaring onmiddellijk na de betekening van de uitspraak af te geven aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Wordt iemand onbevoegd verklaard om als kapitein maar niet tevens om als stuurman op te treden, dan zal hem, zo hij in het bezit is van een diploma of een verklaring als bedoeld in het eerste lid, desverlangd door Onze Minister, onderscheidenlijk de tot afgifte van de verklaring bevoegde autoriteit een diploma onderscheidenlijk een verklaring worden uitgereikt met de beperking dat de bevoegdheid om als kapitein op te treden is uitgesloten.
Artikel 40
Wanneer, nadat door den Raad voor de scheepvaart krachtens artikel 36 eene bevoegdheid is ontnomen, nieuwe feiten aan het licht komen, welke tijdens het eerste onderzoek nog niet bekend waren en welke op de beslissing invloed zouden kunnen hebben gehad, wordt door den Raad opnieuw een onderzoek ingesteld en wordt de zaak voor zooveel noodig opnieuw behandeld.
Artikel 41
Door den Raad voor de scheepvaart kan de ontnomen bevoegdheid aan den belanghebbende geheel of gedeeltelijk worden teruggegeven, wanneer mag worden aangenomen, dat hij geschikt is zijne beroepsplichten te vervullen.
§ 3. Algemeene bepalingen
Artikel 42
Wanneer de behandeling van eene zaak voor den Raad is afgeloopen, wordt door den voorzitter van den Raad in het openbaar uitspraak gedaan.
Deze uitspraak moet een overzicht bevatten van den gang van het gehouden onderzoek.
Is door den Raad krachtens het bepaalde in artikel 36 eene bevoegdheid ontnomen, of heeft de Raad tot het ontnemen van eene bevoegdheid niet besloten, hoewel het hoofd van de scheepvaartinspectie daartoe heeft geraden, dan worden aan dit deel van het onderzoek in de uitspraak afzonderlijke overwegingen gewijd.
Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt zoo spoedig mogelijk aan Onzen Minister en aan het hoofd van de scheepvaartinspectie toegezonden.
De uitspraken worden op door Ons te bepalen wijze openbaar gemaakt.
Indien de uitspraak van een Commissie als bedoeld in artikel 26bis doet vermoeden, dat zich een der gevallen, bedoeld in artikel 34, eerste lid en artikel 48, eerste en tweede lid, voordoet en zich geen geval voordoet, waarin de Raad voor de Scheepvaart de zaak heeft terugverwezen naar de betrokken Commissie, handelt het hoofd van de scheepvaartinspectie als in artikel 29 is aangegeven voor een schip, niet varende met een zeebrief van Aruba, Curaçao of Sint Maarten.
Artikel 43
De oproeping van getuigen, deskundigen en van betrokkenen geschiedt, tenzij de wet anders bepaalt of toelaat, door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post.
De termijn van oproeping van getuigen, deskundigen en van betrokkenen is, voor het geval zij in Nederland woonachtig zijn of verblijf houden, van twee vrije dagen. Is hun woonplaats elders of onbekend, dan stelt de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart die termijn vast.
Betekening van oproepingen en van beslissingen van de Raad voor de Scheepvaart vindt plaats indien de voorzitter zulks noodzakelijk oordeelt.
Betekening van oproepingen, van beslissingen en uitspraken van de Raad voor de Scheepvaart geschiedt door uitreiking van het stuk door de post of, in spoedeisende gevallen dan wel wanneer dit om andere reden wenselijk is, door een dienaar van de openbare macht of enige andere ambtenaar.
Ingeval de persoon met de betekening belast noch de persoon aan wie een oproeping, beslissing of uitspraak moet worden betekend, noch iemand van diens huisgenoten aan diens woon- of verblijfplaats aantreft zal hij het afschrift terstond toezenden aan de secretaris van de Raad voor de Scheepvaart, die het afschrift als aangetekende brief zo spoedig mogelijk over de post aan de betrokkene zal toezenden.
Voor zijn verrichtingen ingevolge dit artikel ontvangt de deurwaarder een vergoeding overeenkomstig bij algemene maatregel van rijksbestuur te stellen regelen.
Artikel 44
De Raad is bij de behandeling van zaken, als in dit hoofdstuk bedoeld, aan geene andere vormen gebonden, dan bij deze rijkswet zijn bepaald.
Het hoofd van de scheepvaartinspectie is bevoegd de zittingen van den Raad, ook die, welke met gesloten deuren worden gehouden, bij te wonen. Hij kan zich echter bij alle werkzaamheden in dit hoofdstuk bedoeld door eenen inspecteur doen vervangen.
Artikel 45
De kosten van het onderzoek volgens de bepalingen van dit hoofdstuk worden gedragen door het Rijk voorzover het gedaan wordt door de Raad voor de Scheepvaart en door Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, voorzover het gedaan wordt door de in het betreffende land werkzame Commissie van Onderzoek, bedoeld in artikel 26bis.
Artikel 46
Aan belanghebbenden wordt kosteloos inzage en voor hunne kosten uittreksel of afschrift van de uitspraken van den Raad door den secretaris verstrekt, berekend volgens het tarief voor uittreksels of afschriften van vonnissen in strafzaken.
Artikel 47
Blijkt bij het onderzoek, dat door iemand een strafbaar feit is gepleegd, dan wordt de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie daarmede door den leider van het onderzoek in kennis gesteld.
Hoofdstuk V. Maatregelen van tucht
Artikel 48
De kapitein, die onder andere ten opzichte van de eigenaar, de verschepers, de bemanning, de passagiers of andere opvarenden op enige wijze heeft gehandeld in strijd met wettelijke bepalingen of voorschriften, kan, onafhankelijk van de burgerlijke en de strafvordering, door den Raad voor de scheepvaart, na ingesteld onderzoek, disciplinair worden gestraft door het uitspreken van eene berisping of door ontneming van de bevoegdheid om gedurende eenen bepaalden tijd, twee jaren niet te boven gaande, als kapitein op een schip, als bedoeld in artikel 2, te varen.
Desgelijks kan de kapitein of een officier door den Raad voor de scheepvaart disciplinair worden gestraft door het uitspreken van eene berisping of door ontneming van de bevoegdheid om gedurende eenen bepaalden tijd, twee jaren niet te boven gaande, in een of meer dezer betrekkingen op een schip, als bedoeld in artikel 2, te varen, een en ander wanneer de Raad bij het in hoofdstuk IV bedoelde onderzoek tot de overtuiging komt, dat aan zijne schuld eene scheepsramp is te wijten.
De Raad kan bij eene met redenen omkleede beslissing den betrokkene onbevoegd verklaren om gedurende het onderzoek als kapitein of officier op een schip, als bedoeld in artikel 2, dienst te doen.
Artikel 49
Het onderzoek ter zake van de in artikel 48, eerste lid, bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe naar het oordeel van eene commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, bestaande uit den voorzitter en twee door dezen opgeroepen leden, termen bestaan, plaats, indien eene aanklacht is ingediend door of op last van het hoofd van de scheepvaartinspectie, door den eigenaar, door een of meer van de assuradeuren, van de verschepers, van de bemanning, van de passagiers of van andere opvarenden.
De aanklacht moet, om ontvankelijk te zijn, bij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, bij de Raad voor de Scheepvaart of, indien het een klacht betreft van een zich in Aruba, Curaçao of Sint Maarten bevindende persoon, dan wel tegen de kapitein van een schip, varende met een zeebrief van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, bij een aldaar aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie of de in het betreffende land werkzame Commissie van Onderzoek, zijn ingekomen binnen drie maanden na de dag, waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft verkregen van het gepleegde feit, met uitbreiding van die termijn tot drie weken na de dag van aankomst van het schip ter plaatse van bestemming hier te lande, respectievelijk in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of van aankomst hier te lande, respectievelijk in Aruba, Curaçao of Sint Maarten van de aangeklaagde, indien deze zonder het schip terugkeert.
Indien een der tot het indienen van eene aanklacht gerechtigde personen, die zich in het buitenland bevindt, grond heeft om te vermoeden verhinderd te zullen zijn, om binnen den bepaalden termijn zijne aanklacht bij het hoofd van de scheepvaartinspectie of bij den Raad in te dienen, kan hij zich binnen drie weken na den eersten dag, waarop hij daartoe in de gelegenheid kwam, onder opgave van de redenen van verhindering, tot het indienen van eene aanklacht wenden tot den bevoegden consulairen ambtenaar, door wiens tusschenkomst de aanklacht wordt ingezonden aan den Raad voor de scheepvaart.
Indien een Commissie van Onderzoek als bedoeld in artikel 26bis , na een onderzoek overeenkomstig artikel 48, eerste lid, van oordeel is, dat er aanleiding bestaat tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein te varen, doet de Commissie geen uitspraak doch verwijst de zaak naar de Raad voor de Scheepvaart voor het instellen van een onderzoek. Meent de Raad voor de Scheepvaart, dat er geen aanleiding bestaat tot het uitspreken van een berisping of het ontnemen van de bevoegdheid om als kapitein te varen, dan kan de Raad de zaak ter afdoening weder in handen van de Commissie van Onderzoek stellen.
Het recht van onderzoek vervalt wegens verjaring, door verloop van één jaar nadat de aanklacht bij den Raad voor de scheepvaart of de Commissie van Onderzoek is ingekomen, behoudens, dat elke daad van onderzoek de verjaring stuit, mits blijke, dat die daad ter kennis van den aangeklaagde gebracht is.
Artikel 50
Ten aanzien van de maatregelen van tucht, van het onderzoek en van de uitspraken van den Raad voor de scheepvaart, gelden de bepalingen van hoofdstuk IV, voor zoover deze voor toepassing vatbaar zijn, met uitzondering van artikel 37, derde lid.
Artikel 51
Door Ons kan, den Raad voor de scheepvaart gehoord, de ontnomen bevoegdheid aan den belanghebbende geheel of gedeeltelijk worden teruggegeven, of de duur der onbevoegdheid worden bekort.
Hoofdstuk V. Maatregelen van tucht
§ 1. Gebods- en verbodsbepalingen
Artikel 52
Het is de kapitein verboden een reis te ondernemen of voort te zetten zonder dat de vereiste geldige certificaten zijn afgegeven of - in het geval bedoeld in artikel 2bis - de vereiste geldige verklaring is afgegeven.
Het is de kapitein verboden een reis te ondernemen of voort te zetten, terwijl één of meer van de vereiste certificaten ingevolge het bepaalde in artikel 7, derde lid, zijn ingetrokken.
Het is de kapitein verboden te handelen in strijd met de voorschriften en beperkingen, krachtens artikel 2bis of 3, tweede lid, verbonden aan een verklaring onderscheidenlijk een certificaat.
Artikel 53
De eigenaar of de kapitein is verplicht de vereiste geldige certificaten of - in het geval bedoeld in artikel 2bis - de vereiste geldige verklaring op eerste aanvraag te tonen aan de in artikel 63 bedoelde ambtenaren.
Artikel 54
Het is de kapitein verboden met een schip een reis te ondernemen of voort te zetten, indien en zolang het op grond van artikel 16 door een ambtenaar van de scheepvaartinspectie is aangehouden of zolang door de ambtenaar, belast inzake douane, geen expeditie is verleend.
Artikel 54bis
Vervallen
Artikel 55
Het is de eigenaar van een schip verboden de kapitein van dat schip door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk te bewegen ten aanzien van dat schip in strijd te handelen met het bepaalde in artikel 9, derde lid, 52 of 54.
§ 2. Strafbare feiten
Artikel 56
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)