Besluit van 4 december 1925, tot uitvoering van de artikelen 62 en 76 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 27 October 1925, 2de afdeeling A n°. 897;
Gezien de artikelen 62 en 76 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, zoomede titel IV van de Invoeringswet Strafvordering.
Den Raad van State gehoord (advies van 17 November 1925 n°. 19);
Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie van 30 November 1925, 2de afdeeling A n°. 931;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Artikel 1
Ten aanzien van de plaatsen, die voor inverzekeringstelling worden bestemd, kan Onze Minister van Justitie de noodige algemeene of bijzondere voorschriften geven, strekkende om deze te doen beantwoorden aan de eischen van een eenvoudig, doch voldoende dag- en nachtverblijf.
Indien Onze Minister van Justitie verklaart, dat eene plaats niet voor inverzekeringstelling geschikt is, mag aldaar geenerlei vrijheidsberooving worden ten uitvoer gelegd of verder ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 2
In de voeding van den inverzekeringgestelde moet naar behooren worden voorzien.
Hem kan worden vergund uit eigen gelden zich zoodanige verdere voeding te doen verschaffen als hij verkiest en zich de inrichting van zijn verblijf meer geriefelijk te doen maken.
Hem kan worden vergund te rooken.
Artikel 3
Den inverzekeringgestelde kan, voorzooveel daartoe gelegenheid bestaat, worden vergund tweemaal 's daags gedurende tenminste een half uur beweging in de open lucht te nemen.
Artikel 4
Den inverzekeringgestelde kan worden vergund zich met zoodanigen arbeid bezig te houden als hij verkiest en zich daartoe het noodige te doen verschaffen.
Artikel 4a
De inverzekeringgestelde wordt direct voorafgaand aan de insluiting onderzocht op aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen. Het onderzoek vindt plaats door het aftasten en doorzoeken van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als de inverzekeringgestelde. Voorwerpen die een gevaar voor de inverzekeringgestelde of voor anderen kunnen vormen worden in bewaring genomen.
Van de inverzekeringgestelde kan worden verlangd dat hij zich ontkleedt, indien:
- a. de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de inverzekeringgestelde of voor anderen kan vormen en de hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven;
- b. de kleding naar het oordeel van een arts tijdens de insluiting een gevaar voor de gezondheid van de inverzekeringgestelde of anderen kan vormen. De kleding wordt in bewaring genomen en de inverzekeringgestelde wordt voorzien van vervangende kleding.
Artikel 5
Overigens geschiedt de behandeling van den inverzekeringgestelde in het algemeen in dier voege, dat hij aan geene andere beperkingen wordt onderworpen dan die voor het doel zijner opsluiting of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn.
Behoudens het reeds in artikel 3 daaromtrent bepaalde, kan ook alleen zoodanige volstrekte noodzakelijkheid grond opleveren voor de weigering van eene vergunning als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4.
Artikel 6
Ten aanzien van de in verzekering of in voorloopige hechtenis gestelde personen kunnen door de onderscheidenlijk in artikelen 222 en 225 van de Invoeringswet Strafvordering bedoelde autoriteiten op den daarbij aangewezen voet de maatregelen worden bevolen, die deze in het belang van het onderzoek noodzakelijk achten.
Als zoodanige maatregelen kunnen onder meer worden bevolen:
- a. het verbod, behoudens het bepaalde in artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering, om van bepaalde personen of in het algemeen bezoek te ontvangen of om met bepaalde personen of in het algemeen brieven te wisselen;
- b. het afscheren, knippen of laten groeien van den baard of van het hoofdhaar;
- c. het photographeeren, al dan niet in bepaalde standen;
- d. het nemen van vingerafdrukken en lichaamsmaten;
- e. het tijdelijk doen aantrekken van eene bepaalde kleeding.
Artikel 7
Dit besluit geldt niet voor inverzekeringstelling of voorloopige hechtenis ten uitvoer gelegd in een huis van bewaring.
De artikelen 1 tot en met 5 gelden niet voor inverzekeringstelling ingevolge artikel 490, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en in afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.