Besluit van 26 oktober 1945, houdende vaststelling van het Besluit politieke delinquenten 1945
Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 4 October 1945, no. 1120;
Overwegende, dat het wenschelijk is eenige regelen vast te stellen met betrekking tot politieke delinquenten;
Den Raad van State gehoord (advies van 16 October 1945, no. 18);
Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 22 October 1945, 6e Afdeeling, no. 1101;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Afdeeling I. Opsporingsambtenaren
Artikel 1
Met de opsporing van de strafbare feiten, waarop het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing is en van de gedragingen, genoemd in artikel 1 van het Tribunaalbesluit, zijn belast de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aan te wijzen ambtenaren van politie.
Zij richten zich bij de uitvoering van hun taak naar de bevelen, hun bij uitsluiting gegeven door of vanwege den procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof, binnen welks ressort zij standplaats hebben.
Artikel 2
Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt uit de door hem ingevolge artikel 1 aan te wijzen ambtenaren van politie hoofden van politieke recherche aan, die elk in hun ambtsgebied belast zijn met de leiding van de opsporing der in artikel 1 bedoelde feiten en gedragingen, alsmede met de hun bij of krachtens dit besluit opgedragen werkzaamheden. Het tweede lid van artikel 1 is van toepassing.
Afdeeling II. Officieren-Fiscaal
Artikel 3
Onze Minister van Veiligheid en Justitie benoemt op voordracht van den procureur-fiscaal officieren-fiscaal, die vanwege den procureur-fiscaal de hun door dezen verleende bevoegdheden uitoefenen.
Artikel 4
Tot officier-fiscaal zijn benoembaar Nederlanders en Nederlandsche onderdanen, tevens ingezetenen van het Koninkrijk, die tenminste den leeftijd van vijf en twintig jaren hebben bereikt.
De officieren-fiscaal genieten een bezoldiging overeenkomstig door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vast te stellen regelen.
Artikel 5
Alvorens in bediening te treden leggen de officieren-fiscaal naar de wijze hunner godsdienstige gezindheid ten overstaan van de president van het Bijzondere Gerechtshof, binnen welks ressort hun ambtsgebied is gelegen, den eed of de belofte af, dat zij hun taak naar plicht en geweten, nauwgezet, onpartijdig en als goede vaderlanders zullen vervullen.
Afdeeling III. Opsporing en aanhouding
Artikel 6
De in artikel 1 bedoelde opsporingsambtenaren oefenen behalve de bevoegdheden, in het Wetboek van Strafvordering aan opsporingsambtenaren toegekend, de hun in dit besluit toegekende bevoegdheden uit.
Artikel 6a
Zij mogen voor het verhoor niet langer dan vierentwintig uren worden opgehouden.
Artikel 7
De in artikel 1 bedoelde opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd om in beslag te nemen, zoomede ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle roerende goederen, welke tot ontdekking der waarheid kunnen dienen.
Artikel 8
De in artikel 1 bedoelde opsporingsambtenaren hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen, voorzoover zij betreding daarvan voor een goede vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk oordeelen.
In woningen treden zij tegen den wil van den bewoner niet binnen tenzij voorzien van een algemeenen of bijzonderen schriftelijken last, door den procureur-fiscaal of met zijn machtiging door den officier-fiscaal gegeven. Van dit binnentreden wordt binnen twee maal vier en twintig uren proces-verbaal opgemaakt. Daarin wordt mede van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel melding gemaakt.
Artikel 9
Zij zijn bevoegd op iedere plaats, die zij betreden, huiszoeking of onderzoek te doen.
Het bepaalde in artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
De procureur-fiscaal kan ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs bevelen van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten, welke aan de post, de telegrafie of andere instelling van vervoer zijn toevertrouwd; een en ander voorzoover zij klaarblijkelijk voor een van een der in artikel 1 bedoelde feiten of gedragingen verdachten persoon bestemd of van hem afkomstig zijn.
Ieder, die ten behoeve van dat vervoer zoodanige zaken onder zich heeft of krijgt, geeft dienaangaande den procureur-fiscaal op diens vordering de door hem gewenschte inlichtingen.
De procureur-fiscaal geeft pakketten, brieven, stukken en andere berichten, waarvan de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, onverwijld aan den vervoerder ter verzending terug.
Artikel 11
De procureur-fiscaal kan van de in artikel 10 bedoelde pakketten, brieven, stukken en andere berichten kennis nemen, ook voorzoover deze gesloten zijn. Indien de inhoud niet voor het onderzoek van belang is, verzendt de procureur-fiscaal deze onverwijld naar hun bestemming.
Van de inbeslagneming, de teruggave, de opening en de verzending wordt door den procureur-fiscaal proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.
Ieder, die werkzaam is bij een instelling van telefonie, geeft terzake van alle verkeer, hetwelk door tusschenkomst van die instelling is geschied, aan den procureur-fiscaal op diens vordering de door dezen gewenschte inlichtingen.
Afdeeling IV. Bewaring
Artikel 12
Personen, verdacht van een der in artikel 1 bedoelde feiten of gedragingen, kunnen door of vanwege den procureur-fiscaal in bewaring worden gesteld.
Het bevel tot bewaring wordt niet gegeven dan nadat de betrokkene is gehoord. Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
Het bevel is van kracht gedurende ten hoogste veertien dagen en kan telkens voor een termijn van ten hoogste drie maanden worden verlengd.
Het bevel kan schriftelijk of mondeling worden gegeven; een mondeling bevel moet binnen vier en twintig uren schriftelijk worden bevestigd.
Artikel 13
De in bewaring gestelde personen worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die voor het doel hunner opsluiting in het belang der orde of ter handhaving van het moreel volstrekt noodzakelijk zijn.
Zij zullen te werk gesteld kunnen worden.
Artikel 13a
Ten aanzien van de bevoegdheden van den raadsman betreffende het verkeer met den verdachte, die in bewaring is gesteld, is artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat hetgeen daar ten aanzien van den rechter-commissaris, den officier van justitie en de rechtbank is bepaald, ten deze geldt voor den raadsheer-commissaris in het Bijzondere Gerechtshof, den procureur-fiscaal bij dat Hof en den raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en met dien verstande, dat in het geval, bedoeld in artikel 31 van het Tribunaalbesluit, uitsluitend dat artikel toepassing vindt.
Artikel 13b
De procureur-fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof staat aan den raadsman van den verdachte, die in bewaring is gesteld, op diens verzoek toe van het dossier kennis te nemen.
Niettemin kan de procureur-fiscaal, indien het belang van het onderzoek dit vordert, den raadsman de kennisneming van bepaalde stukken onthouden. In dit geval wordt den raadsman schriftelijk medegedeeld, dat de hem ter inzage gegeven stukken niet volledig zijn.
Aan den raadsman mag niet worden onthouden de kennisneming van het schriftelijk gegeven of bevestigd bevel tot bewaring en van de processen-verbaal van de verhooren van den verdachte.
Indien den raadsman de kennisneming van stukken wordt onthouden, kan hij daartegen binnen drie dagen na de mededeeling, vermeld in het tweede lid, een bezwaarschrift indienen bij den raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger, bedoeld in artikel 16, tweede lid, die binnen vijf dagen beslist.
In de gevallen, bedoeld in artikel 33 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 33 van het Tribunaalbesluit, vinden uitsluitend die artikelen toepassing.
Afdeeling V. Invrijheidstelling
Artikel 14
Een bewaarde wordt in vrijheid gesteld:
- 1°. indien blijkt, dat de gerezen verdenking hetzij ongegrond is, hetzij onvoldoende gegrond om voortzetting der bewaring te rechtvaardigen;
- 2°. indien niet blijkt, dat de schuld van den betrokkene van zoodanigen aard is, dat oplegging van een straf of maatregel ingevolge het Besluit Buitengewoon Strafrecht of het Tribunaalbesluit gerechtvaardigd is te achten;
- 3°. indien redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de bewaarde bij oplegging van een straf of maatregel ingevolge het Besluit Buitengewoon Strafrecht of het Tribunaalbesluit niet langer van zijn vrijheid zal worden beroofd dan voor den tijd gedurende welken hij in bewaring is geweest;
- 4°. indien voortzetting van de bewaring, gezien den geestelijken of lichamelijken toestand van den bewaarde of de belangen van zijn gezin in verband met den ernst van de feiten en gedragingen, waarvan hij verdacht wordt, redelijkerwijze niet is gerechtvaardigd.
Een bewaarde kan in vrijheid worden gesteld, indien te zijnen aanzien niet is gebleken, dat hij de belangen van den Staat in feite heeft geschaad dan wel het leven, de vrijheid of het goed van medeburgers in feite heeft in gevaar gebracht, terwijl geen gewichtige omstandigheden den ernst van de feiten en gedragingen, waarvan hij verdacht wordt, verzwaren.
Indien de bewaarde, die krachtens een der beide voorgaande leden voor invrijheidstelling in aanmerking komt, een vreemdeling is, wordt het dossier in handen gesteld van de korpschef en indien hij geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gehad, in handen van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Na ontvangst van het dossier wordt zoo spoedig mogelijk beslist of de vreemdeling al dan niet ten fine van uitleiding in bewaring zal blijven.
Artikel 15
Behoudens het bepaalde in het volgende artikel wordt last tot invrijheidstelling gegeven door of vanwege den procureur-fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof, die de zaak, waarin een bevel tot bewaring is gegeven, in behandeling heeft, of daarin een fiat-behandeling voor een Tribunaal heeft verleend.
Van den last wordt een acte opgemaakt, waarvan een afschrift aan den in vrijheid gestelde wordt uitgereikt.
Artikel 16
Een bewaarde, die zich langer dan veertien dagen in bewaring bevindt, of zijn raadsman, kan een schriftelijk verzoek tot invrijheidstelling indienen bij het Bijzondere Gerechtshof of bij het Tribunaal.
Op het verzoek wordt beslist door een raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger in het Bijzondere Gerechtshof, daartoe voor den tijd van een jaar door Onze Minister van Veiligheid en Justitie op voordracht van den president aangewezen, of, indien een fiat-behandeling voor een Tribunaal is verleend, door het Tribunaal.
Een verkeerd gericht verzoek wordt zoo mogelijk aan het bevoegd college doorgezonden en anders teruggestuurd.
Tijdens of na de behandeling ter zitting wordt het bevel tot invrijheidstelling uitsluitend gegeven door het college, voor hetwelk de zaak dient of het laatst gediend heeft, ambtshalve, op vordering van den procureur-fiscaal of op verzoek van den bewaarde of diens raadsman. Artikel 15, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 17
Het verzoek kan buiten behandeling blijven:
- 1°. indien reeds een dag voor de behandeling van de zaak ter zitting van het Bijzondere Gerechtshof of het Tribunaal is bepaald;
- 2°. indien een vroeger verzoek is afgewezen.
Artikel 17a
De raadsheer of het Tribunaal geeft zoo spoedig mogelijk een schriftelijke beslissing, na desgeraden den bewaarde, diens raadsman en, voor zoover den raadsheer betreft, bovendien den procureur-fiscaal in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
Verzoeken tot invrijheidstelling van hen, die na de inwerkingtreding van deze wet in bewaring zijn gesteld, worden behandeld bij voorrang boven alle andere verzoeken.
Indien het verzoek wordt afgewezen, kan bij de beschikking een termijn worden vastgesteld, na afloop waarvan een herhaald verzoek niet buiten behandeling zal worden gelaten. De afloop van dezen termijn, die tenminste drie maanden na dagteekening der beschikking bedraagt, wordt zooveel doenlijk niet later gesteld dan het tijdstip, waarop naar het aanvankelijk oordeel van den raadsheer of het Tribunaal de bewaarde, ware hij reeds berecht, na het verstrijken van den duur van de straf of maatregel in vrijheid zou zijn gesteld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.