Wet van 11 december 1947, tot invoering van een buitengewoon pensioen voor zeelieden-oorlogsslachtoffers, alsmede voor hun nagelaten betrekkingen
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regeling te treffen met betrekking tot het recht op buitengewoon pensioen ten behoeve van zeelieden, die door de oorlog zijn getroffen, alsmede van hun nagelaten betrekkingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
hoofdstuk Eerste. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
"Onze Minister": Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
"de Raad": de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen;
de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
"zeeman": de kapitein of schepeling, een vrouwelijke schepeling inbegrepen, die, Nederlander zijnde, deel uitmaakte van de bemanning van een zeevaartuig op enig tijdstip gedurende het tijdvak van 1 september 1939 tot en met 2 maart 1946 of van een zeevissersvaartuig op enig tijdstip gedurende het tijdvak van 1 september 1939 tot en met 15 december 1945;
"gewezen echtgenote": de vrouw, bedoeld in artikel 14, tweede lid;
"peiljaar": het jaar vastgesteld ingevolge artikel 7, tweede lid, en artikel 35d, eerste lid;
"minimum-pensioengrondslag": de pensioengrondslag, bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef.
Voor de toepassing van deze wet hebben de woorden "zeevaartuig", "zeevissersvaartuig", en "lid van de bemanning" dezelfde betekenis als die, welke daaraan was toegekend in de Zeeongevallenwet 1919, zoals deze was gewijzigd bij de Wet van 18 september 1946, G 255, terwijl mede als zeevaartuig worden beschouwd de vaartuigen, waarop de Zeeongevallenwet 1919 van toepassing zou zijn geweest, indien zij ten tijde van de bovengenoemde wijziging nog in de vaart waren geweest.
Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op het zeevaartuig, zeevissersvaartuig of lid van de bemanning, hetwelk zich bevond in de feitelijke macht van een vijandelijke mogendheid of van een mogendheid, welker gebied, ingevolge het Koninklijk besluit van 27 maart 1941, Stb. B 30, met vijandelijk gebied was gelijkgesteld.
Artikel 1a
Voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld met:
- a. huwelijk: het geregistreerd partnerschap;
- b. gehuwd: als partner geregistreerd;
- c. echtgenoot of echtgenote: de geregistreerde partner;
- d. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partij bij het geregistreerd partnerschap;
Artikel 2
Onder de voorwaarden en naar de regelen, bij of krachtens deze wet gesteld, wordt buitengewoon pensioen verleend aan zeelieden, alsmede aan hun nagelaten betrekkingen.
De zeeman, die van ontrouw aan de zaak van Ons Koninkrijk, aan Ons of aan Onze Regering heeft blijk gegeven, dan wel zijn diensten niet bij voortduring en naar behoren heeft vervuld, kan geen rechten ontlenen aan het bepaalde in deze wet, tenzij de Raad termen aanwezig acht anders te beslissen.
De voordracht voor een krachtens deze wet vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekend gemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
hoofdstuk Tweede. Van het buitengewoon pensioen van de zeeman
§ 1. Van het recht op buitengewoon pensioen
Artikel 3
De zeeman heeft recht op buitengewoon pensioen in geval van:
- a. verwonding of verminking, ontstaan in dienst van het zeevaartuig of zeevissersvaartuig, bekomen in verband met de vaarplicht of de oorlog;
- b. ziekten of gebreken, welke geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn van verrichtingen of vermoeienissen, aan zijn dienstbetrekking als zeeman gedurende het in het eerste lid van artikel 1 genoemde tijdvak verbonden, of van de behandeling ondervonden tijdens gevangenhouding door de vijand, of van bijzondere omstandigheden of toestanden, welke zich in verband met zijn dienstbetrekking als zeeman gedurende genoemd tijdvak hebben voorgedaan, dan wel die tot uiting zijn gekomen of verergerd onder overwegende invloed van die verrichtingen, vermoeienissen, behandeling, bijzondere omstandigheden of toestanden; een en ander onder voorbehoud, dat die verwondingen, verminkingen, ziekten of gebreken niet door eigen opzettelijk toedoen zijn ontstaan, tot uiting gekomen of verergerd.
Indien de in het eerste lid bedoelde verwonding, verminking, ziekten of gebreken een arbeidsongeschiktheid van ten minste veertig procent veroorzaken, doch het totaal der arbeidsongeschiktheid een hoger percentage bedraagt, geldt voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, waarnaar het buitengewoon pensioen wordt berekend, dit hoger percentage, voorzoveel de meerdere arbeidsongeschiktheid niet duidelijk uit andere oorzaken dan de vaarplicht of de oorlog is ontstaan.
Het verband of gevolg, bedoeld in het eerste lid, wordt geacht aanwezig te zijn, indien de zeeman:
- a. naar het oordeel van de Raad in verband met de aard van zijn verrichtingen als zeeman aan buitengewoon zware en langdurige spanningen heeft blootgestaan dan wel in het in artikel 1, eerste lid, genoemde tijdvak in verband met de vaarplicht of de oorlog drie maanden of langer in gevangenschap heeft doorgebracht en
- b. voor ten minste zestig procent arbeidsongeschikt is en deze arbeidsongeschiktheid niet duidelijk uit andere oorzaken dan de vaarplicht of de oorlog is ontstaan.
Bij de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt rekening gehouden met de inzichten en ervaringen van de medische wetenschap met betrekking tot de relatie tussen de vaarplicht of de oorlog en de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand.
In bijzondere gevallen is de Raad bevoegd, het recht op buitengewoon pensioen toe te kennen aan een zeeman, op wie de voorafgaande bepalingen dezer wet niet of niet geheel van toepassing zijn. Een dergelijk besluit wordt niet genomen dan nadat Onze Minister daarin heeft toegestemd. Toestemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Wanneer op grond van verwonding, verminking, ziekten of gebreken als bedoeld in het eerste lid een buitengewoon pensioen wordt toegekend en uit hoofde van die verwonding, verminking, ziekten of gebreken behandeling of verpleging is vereist, wordt aan de gepensioneerde ter zake daarvan vergoeding verleend volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
In afwijking van het zesde lid kan aan categorieën gepensioneerden vergoeding ter zake van bepaalde de behandeling of verpleging omvattende voorzieningen worden verleend zonder dat deze voorzieningen uit hoofde van verwonding, verminking, ziekten of gebreken als bedoeld in het eerste lid, zijn vereist. Bij algemene maatregel van bestuur worden ter zake regels gesteld.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld betreffende de mogelijkheid om de vergoeding ter zake van bepaalde de behandeling of verpleging omvattende voorzieningen na het overlijden van de gepensioneerde gedurende een bepaalde tijd ten gunste van de weduwe of weduwnaar voort te zetten.
§ 2. Van de voet waarop buitengewoon pensioen wordt verleend
Artikel 4
Een buitengewoon pensioen kan blijvend of voorlopig worden toegekend.
Artikel 5
Het buitengewoon pensioen wordt blijvend toegekend, indien hetzij bij de eerste toekenning, hetzij bij vernieuwing van pensioen, verandering van het percentage van arbeidsongeschiktheid voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht.
Artikel 6
Het buitengewoon pensioen wordt voorlopig toegekend, indien verandering van het percentage van arbeidsongeschiktheid voor de toekomst aannemelijk wordt geacht.
Het voorlopig buitengewoon pensioen wordt voor ten hoogste vijf jaren toegekend; het kan meermalen worden verleend.
Indien, nadat een voorlopig buitengewoon pensioen niet is vernieuwd, doordat de arbeidsongeschiktheid van de zeeman is gedaald beneden tien procent, later blijkt, dat de arbeidsongeschiktheid wederom tot ten minste tien procent is gestegen, zonder dat de aanwezigheid van een nieuwe oorzaak aannemelijk moet worden geacht, wordt opnieuw voorlopig buitengewoon pensioen, of indien verandering van het percentage van arbeidsongeschiktheid voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht, blijvend buitengewoon pensioen toegekend.
§ 3. Van de pensioensgrondslag
Artikel 7
Ingeval krachtens deze wet aanspraak op buitengewoon pensioen ontstaat, wordt door de Raad de pensioensgrondslag vastgesteld, waarnaar het buitengewoon pensioen moet worden berekend.
De pensioensgrondslag wordt overeenkomstig het bepaalde in het derde lid afgeleid van het jaarbedrag, dat naar redelijkheid nodig is om de zeeman in staat te stellen te leven op de voet, waarop gelijksoortige valide personen gemiddeld leefden ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande, dat bij de vaststelling van dit bedrag geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van bevordering of anderszins en voorts met de bepaling, dat voor de vaststelling van deze voet geen rekening wordt gehouden met het bedrag, waarmede lonen het maximum, dat daarvoor door het College van Rijksbemiddelaars is goedgekeurd, overschrijden.
De pensioengrondslag bedraagt ten minste € 1 225,21 en ten hoogste:
-
- procent van de eerste € 2813,44,
- 36,84. procent van de volgende € 1724,37,
-
- procent van de volgende € 907,56,
-
- procent van de volgende € 907,56,
-
- procent van de volgende € 907,56, en
-
- procent van de volgende € 1815,12 van het jaarbedrag bedoeld in het tweede lid.
Omtrent de vaststelling van de pensioensgrondslag kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen worden vastgesteld.
§ 4. Van het pensioenbedrag
Artikel 8
Het buitengewoon pensioen bedraagt zoveel procent van het bedrag van de pensioensgrondslag als het voor de belanghebbende vastgestelde percentage van arbeidsongeschiktheid beloopt.
Percentages van arbeidsongeschiktheid boven 10 procent worden uitgedrukt in veelvouden van 10 procent.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt bij een percentage van minder dan tien arbeidsongeschiktheid geacht niet te bestaan.
Artikel 9
Het buitengewoon pensioen wordt éénmaal met twintig procent van de pensioensgrondslag vermeerderd, wanneer ten gevolge van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, in artikel 3 bedoeld:
- a. één der ledematen (handen of voeten) is verloren gegaan, of voorgoed geheel onbruikbaar is geworden, dan wel een toestand is ontstaan, welke met een zodanig verlies of een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen;
- b. twee of meer ledematen dermate in beweeglijkheid of bruikbaarheid zijn verminderd, dat de toestand van de belanghebbende met die onder a beschreven is gelijk te stellen;
- c. het gezichtsvermogen door organische en/of traumatische oorzaken zodanig is beperkt, dat het vermogen om zich zelfstandig te bewegen er ernstig door wordt getroffen;
- d. belangrijke misvorming van het gelaat is ontstaan, welke door hulpmiddelen niet voldoende te verbergen is, zodat de belanghebbende de omgang met zijn medemensen ernstig wordt bemoeilijkt; of
- e. een blijvend buitengewoon pensioen is verleend uit hoofde van een arbeidsongeschiktheid van 80 of 90 procent.
Artikel 10
Het buitengewoon pensioen wordt éénmaal met veertig procent van de pensioensgrondslag vermeerderd, wanneer ten gevolge van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, in artikel 3 bedoeld:
- a. twee of meer ledematen (handen of voeten) zijn verloren gegaan of voorgoed geheel onbruikbaar zijn geworden, dan wel een toestand is ontstaan, welke met een zodanig verlies of een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen;
- b. het gezichtsvermogen voorgoed geheel verloren is gegaan of een toestand is ontstaan, welke met blindheid is gelijk te stellen;
- c. onherstelbare krankzinnigheid is ontstaan, of een toestand, welke daarmede is gelijk te stellen; of
- d. een blijvend buitengewoon pensioen is verleend uit hoofde van een arbeidsongeschiktheid van 100 procent.
Artikel 11
Bij algemene maatregel van bestuur worden met inachtneming van de volgende leden van dit artikel regelen vastgesteld betreffende de inkomsten, welke voor verrekening met het buitengewoon pensioen in aanmerking komen.
De inkomsten van de betrokkene worden op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht tot het bedrag, waarmede het buitengewoon pensioen, ongeacht de vermeerdering ingevolge de artikelen 9 of 10, vermeerderd met de inkomsten uit vermogen alsmede met vijfenzeventig procent van het pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1956, 281) en de Algemene nabestaandenwet en met zeventig procent van de overige inkomsten, de grondslag, waarover het buitengewoon pensioen is berekend, overschrijdt.
Tot de inkomsten van de betrokkene als bedoeld in de vorige volzin worden niet gerekend:
- a. inkomsten uit arbeid indien de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt;
- b. inkomsten uit arbeid, arbeidsvervangende inkomsten en inkomsten uit onderneming van zijn echtgenoot;
- c. inkomsten uit vermogen, tot een bedrag van vijfhonderd gulden per 1 januari 2025: elfhonderd negenendertig euro en drieënzeventig eurocent;
met dien verstande, dat indien met zodanige inkomsten van de echtgenoot of gewezen echtgenoot of uit vermogen reeds rekening is gehouden bij de vaststelling van de pensioengrondslag, een bedrag gelijk aan het met deze inkomsten verband houdende deel van het buitengewoon pensioen op het buitengewoon pensioen in mindering wordt gebracht. Wij bepalen bij algemene maatregel van bestuur in welke gevallen van laatstgenoemde vermindering wordt afgezien. Het in of krachtens de tweede en derde volzin bepaalde vindt geen toepassing, indien zulks zou leiden tot een lager betaalbaar pensioenbedrag.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.