Besluit van 13 december 1948, houdende hernieuwde vaststelling van een regeling tot toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht

Type AMvB
Publication 1974-07-27
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog en van Marine a.i. van 23 Juni 1948, Directie Administratieve Diensten, Afdeling B 4, Bureau 1a, Nr. 192;

Overwegende, dat het wenselijk is de regelingen tot toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht, vervat in de Koninklijke besluiten van 9 Mei 1931 (Staatsblad nos. 186 en 187), door een andere te vervangen;

De Raad van State gehoord (advies van 29 Juni 1948, No. 15);

Gezien het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers van 4 December 1948, Directie Administratieve Diensten, Afdeling B 4, Bureau 1a, nr. 214;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Uitkeringen aan gewezen vrijwillig dienende militairen

Artikel 1

Een vrijwillig dienend militair van land- of zeemacht, die met ingang van een datum vóór 1 Juli 1925 uit de militaire dienst is ontslagen en op de datum van zijn ontslag een werkelijke dienst in de zin der Pensioenwetten voor de land- en zeemacht 1922 kon doen gelden van ten minste:

heeft, behoudens het bepaalde in artikel 7, recht op een uitkering, mits:

Artikel 2
1.

De uitkering, bedoeld in artikel 1, bedraagt voor

en wel voor elk jaar geldige diensttijd in de zin der Pensioenwetten voor de land- en zeemacht 1922 .

2.

Indien het eindcijfer van de diensttijd, bedoeld in het vorige lid, een gedeelte van een jaar oplevert van zes maanden of meer, wordt dit gedeelte als een vol jaar in berekening genomen; een gedeelte van een jaar kleiner dan zes maanden wordt verwaarloosd.

Artikel 3
1.

De uitkering, bedoeld in artikel 1, onder a of b, gaat, behoudens het tweede lid en artikel 9, in te rekenen van de datum, waarop de rechthebbende de leeftijd van zestig jaren heeft bereikt. Indien hij blijvend ongeschikt wordt verklaard om in zijn onderhoud te voorzien uit hoofde van ziekten of gebreken, niet het gevolg van eigen moedwillige handelingen of ongeregeld gedrag, gaat de uitkering in op de dag, waarop de aanvrage daartoe is ingekomen. De datum van ingang der uitkering wordt in vorenbedoelde gevallen nimmer gesteld op een eerder tijdstip dan 1 Januari 1947.

2.

De uitkering waarop een officier krachtens artikel 1, onder a of b, recht heeft, alsmede de uitkering bedoeld in artikel 1, onder c, gaat, behoudens artikel 9, in te rekenen van de datum waarop de rechthebbende de leeftijd van vijfenzestig jaren heeft bereikt, doch niet eerder dan met ingang van 1 januari 1966.

§ 2. Uitkeringen aan weduwen

Artikel 4
2.

Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid, onder b, wordt een uitkering, bedoeld in artikel 1, aangemerkt als een pensioen.

Artikel 5
1.

De uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, b, c, of d, bedraagt:

een en ander zonder de verhoging, bedoeld in de wet van 29 Mei 1920 (Staatsblad no. 283).

2.

De uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, bedraagt vijf zevende gedeelten van de uitkering, welke aan de overledene krachtens dit besluit is of had kunnen worden toegekend.

3.

De uitkering bedoeld in de vorige leden gaat, zonder toepassing van artikel 6c, niet te boven een bedrag van een duizend vierhonderd gulden per jaar, indien het betreft een weduwe van een officier of een gewezen officier, en een bedrag van duizend gulden per jaar, indien het betreft een andere weduwe.

Artikel 6

De uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, b, c of d. gaat, behoudens het bepaalde in artikel 9, in met de dag, volgende op die van het overlijden van hem, aan wie krachtens dit besluit de uitkering wordt ontleend, met dien verstande, dat de datum van ingang der uitkering nimmer wordt gesteld op een eerder tijdstip dan 1 Januari 1947.

De vorige volzin vindt mede toepassing op de uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, met dien verstande, dat de uitkering niet eerder ingaat dan 1 januari 1966.

§ 2a. Bijzondere bepalingen

Artikel 6a
1.

Op de uitkering zijn mede van toepassing de bepalingen, vervat in het Eerste Hoofdstuk A, het Tweede Hoofdstuk A en het Tweede Hoofdstuk B van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 of van de Pensioenwet voor de landmacht 1922, al naar gelang de gewezen vrijwillig dienend militair tot de zeemacht of tot de landmacht heeft behoord.

2.

Voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bepalingen wordt, voor zover daarvan in die bepalingen sprake is, verstaan onder:

2,905, indien het betreft een uitkering toegekend krachtens artikel 4, eerste lid, onder a, b of e, aan een weduwe van een vrijwillig dienend militair of gewezen vrijwillig dienend militair, die tot de zeemacht heeft behoord, dan wel toegekend krachtens artikel 4, eerste lid, onder c, d of e, aan een weduwe van een mindere geëmployeerde, werkman of bediende of gewezen mindere geëmployeerde, werkman of bediende bij enige inrichting bij 's Rijks zeemacht;

2,854, indien het betreft een uitkering toegekend krachtens artikel 4, eerste lid, onder a, b of e, aan een weduwe van een vrijwillig dienend militair of gewezen vrijwillig dienend militair die tot de landmacht heeft behoord, dan wel toegekend krachtens artikel 4, eerste lid, onder c, d of e, aan een weduwe van een mindere geëmployeerde, werkman of bediende of gewezen mindere geëmployeerde, werkman of bediende bij enige inrichting van 's Rijks landmacht;

4,067, indien het betreft een uitkering toegekend aan een gewezen vrijwillig dienend militair, die tot de zeemacht heeft behoord;

3,983, indien het betreft een uitkering toegekend aan een gewezen vrijwillig dienend militair, die tot de landmacht heeft behoord.

3.

Voor de toepassing van het vorige lid onder c wordt de officier of de weduwe van een officier geacht op 1 januari 1957 recht te hebben gehad op een uitkering, welke uitkering krachtens Ons besluit van 1 juli 1957 (Stb. 251), zoals dat op die datum luidde, geacht wordt te zijn verhoogd met een algemene toeslag van

4.

Voor de toepassing van de vorige leden wordt:

Artikel 6b

Op de uitkering is mede van toepassing artikel 46a van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 of van de Pensioenwet voor de landmacht 1922, al naar gelang de gewezen vrijwillig dienend militair tot de zeemacht of tot de landmacht heeft behoord.

Artikel 6c
1.

Het Tweede Hoofdstuk van de Aanpassingsregeling pensioenen, is mede van toepassing op de uitkering, waarop krachtens artikel 1 dan wel artikel 4 recht bestaat, met dien verstande, dat daarbij:

2.

De artikelen 2, eerste lid, en 4 van de Derde Afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963 zijn mede van toepassing op de uitkering, waarop krachtens artikel 1 dan wel artikel 4 recht bestaat, met dien verstande, dat daarbij

§ 3. Algemene bepalingen

Artikel 7
1.

De uitkering wordt niet verleend, indien ter zake van de door de militair, minder geëmployeerde, werkman of bediende vervulde dienst of van zijn overlijden aanspraak op pensioen bestaat op grond van een wettelijke regeling.

2.

De uitkering wordt eveneens niet verleend in geval het tweede lid van artikel Y 27 van de Algemene militiaire pensioenwet toepassing heeft gevonden.

3.

Het recht op de uitkering vervalt met ingang van de dag waarop een ter zake van de in het eerste lid bedoelde diensttijd of overlijden krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet verleend pensioen ingaat.

Artikel 8

De toekenning van de uitkering geschiedt door Onze Minister van Defensie op een daartoe tot die Minister te richten aanvrage en onder overlegging van de ter beoordeling benodigde bewijsstukken.

De toekenning kan door Onze voornoemde minister ook ambtshalve geschieden.

Artikel 9
1.

De uitkering gaat in met de dag, waarop het recht daarop is ontstaan.

2.

Indien de aanvraag om een uitkering is ingekomen meer dan een jaar na de dag, waarop de uitkering had kunnen ingaan, gaat de uitkering in met ingang van de dag, liggende een jaar voor de dag, waarop de aanvraag is ingekomen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.