Beschikking Overdracht en Aflossing Grootboek 1946

Type Ministeriële regeling
Publication 1950-11-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3, lid 2, van het Koninklijk besluit van 14 November 1945 (Staatsblad no. F 268);

Gelet op de artikelen 2, lid 2, 4, lid 2, en 8a van het Koninklijk besluit van 8 januari 1946 (Staatsblad no. G 9), zoals dit is gewijzigd en aangevuld bij het Koninklijk besluit van 9 februari 1949 (Staatsblad no. J 64);

Heeft goedgevonden en verstaan te bepalen:

Artikel 1
1.

Degene, op wie een inschrijving of een deel van een inschrijving in het Grootboek 1946 in eigendom overgaat, kan daarbij op de wijze en binnen de termijn, te bepalen door de Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld, hierna te noemen Directeur, verzoeken:

2.

Een verzoek, ingediend op een tijdstip, waarop bijschrijving op de aangewezen rekening niet kan plaats vinden, of met een onjuist ingevuld formulier, kan als niet voor inwilliging vatbaar worden aangemerkt.

3.

In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de Directeur, is deze bevoegd een nieuwe rekening te openen, alhoewel het verzoek niet voldoet aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, sub b.

Artikel 2

De rente van de in het Grootboek 1946 ingeschreven kapitalen wordt halfjaarlijks op 1 Mei en 1 November uitbetaald.

Artikel 3
1.

Aan de rechthebbende op een inschrijving of een deel van een inschrijving in het Grootboek 1946, die geen verzoek, als bedoeld in artikel 1, heeft ingediend of wiens zodanig verzoek niet voor inwilliging vatbaar is, worden schuldbewijzen aan toonder afgegeven; voorzien van alle nog niet verschenen coupons.

Artikel 4
1.

De schuldbewijzen aan toonder worden uitgegeven in coupures van f 1000, f 500 en f 100. Zij zijn voorzien van halfjaarcoupons per 1 Met en 1 November; de eerste coupon is voor 8 maanden rente en vervalt per 1 November 1949.

2.

De schuldbewijzen aan toonder kunnen voor de nominale waarde in betaling worden gegeven voor de voldoening van zekerheidstellingen en aanslagen in de vermogensaanwasbelasting en de vermogensheffing ineens.

Artikel 5

De schuldbewijzen worden, onverminderd het bepaalde bij de Beschikking Beursverkeer van 27 maart 1947 (Staatsblad no. H 105), ter beschikking van de rechthebbende gesteld ten kantore van de Agent van het Ministerie van Financiën te Amsterdam.

Artikel 6

De schuldbewijzen aan toonder, bedoeld in artikel 4, kunnen aan de Directeur worden aangeboden ter omzetting in een inschrijving in het Grootboek 1946, indien:

Artikel 7

Ten behoeve van de aflossing worden onderscheiden:

Artikel 8
1.

De jaarlijkse aflossing zal geschieden op 1 November, voor de eerste maal op 1 November 1949, telkens naar de stand aan het begin van de dienst op 1 October daaraan voorafgaande, en wel in:

1949 4/133 1960 4/89 1971 4/45
1950 4/129 1961 4/85 1972 4/41
1951 4/125 1962 4/81 1973 4/37
1952 4/121 1963 4/77 1974 4/33
1953 4/117 1964 4/73 1975 4/29
1954 4/113 1965 4/69 1976 4/25
1955 4/109 1966 4/65 1977 4/21
1956 4/105 1967 4/61 1978 4/17
1957 4/101 1968 4/57 1979 4/13
1958 4/ 97 1969 4/53 1980 4/ 9
1959 4/ 93 1970 4/49 1981 4/ 5
1982 het restant,

met dien verstande, dat op de aflossing op 1 November 1949 in mindering wordt gebracht het bedrag der tussen 1 Maart en 30 September 1949 voor zekerheidstellingen en heffingen in betaling gegeven schuld en op de aflossing op 1 November 1950 hetgeen uit dezen hoofde in betaling is gegeven tussen 1 October 1949 en 30 September 1950.

2.

Indien in enig jaar het af te lossen bedrag, als in lid 1 aangegeven, verhoogd met de schuld, die in het aan de aflossing voorafgaande tijdvak van 1 October tot 30 September wegens betaling van zekerheidstellingen en heffingen is gedelgd, lager zou zijn dan 1/47ste deel van het op 1 maart 1949 uitstaande restant der schuld, zal het dermate worden verhoogd, dat, met inbegrip van de delging door belastingbetaling, ten minste genoemd 1/47ste deel wordt gedelgd. De bevoegdheid tot versterkte delging blijft gehandhaafd.

Artikel 9

Het op elk der in artikel 7, sub a, bedoelde rekeningen af te lossen bedrag wordt gesteld op de uit artikel 8 voortvloeiende delen van het op elke rekening uitstaande bedrag. Het op elke rekening af te lossen bedrag wordt afgerond op f 100 en wel naar boven, indien het bedrag eindigt op f 50 of meer, anders naar beneden.

Artikel 10

Het voor de aflossing op de in artikel 7, sub b, bedoelde rekeningen beschikbare bedrag wordt gesteld op de uit artikel 8 voortvloeiende delen van het totaal der saldi dezer rekeningen. De af te lossen rekeningen worden door loting aangewezen.

Artikel 11

Het voor aflossing op de schuldbewijzen aan toonder beschikbare bedrag wordt gesteld op de uit artikel 8 voortvloeiende delen van het totaalbedrag der uitstaande schuldbewijzen, of zoveel meer of minder als uit het systeem van uitloting voortvloeit.

Artikel 12

Op naam van een lid van de Vereeniging voor den Effectenhandel (Bedrijfsgroep Effectenhandel) kan ten hoogste één commissionnairsrekening worden geopend.

In afwijking van het bepaalde bij artikel 1, sub b, en artikel 6 gelden voor deze commissionnairsrekeningen geen beperkende bepalingen ten aanzien van de grootte der inschrijvingen.

De aflossing van bedragen, ingeschreven op commissionnairsrekeningen, geschiedt op de wijze, als bepaald in artikel 9.

Artikel 13

Voor het aanvragen van verrichtingen bij het Grootboek 1946 moet gebruik worden gemaakt van de door de Directeur voorgeschreven formulieren.

Artikel 14

Deze beschikking, die in de Nederlandse Staatscourant zal worden geplaatst, kan worden aangehaald als Beschikking overdracht en aflossing Grootboek 1946. Zij treedt in werking met ingang van 1 maart 1949.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.