Wet van 11 mei 1950, tot vaststelling van zekere waarborgen jegens bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen burgerlijke overheidsdienaren van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen

Type Wet
Publication 2013-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de overgang naar een nieuwe rechtsorde zekere waarborgen van het Rijk jegens bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen burgerlijke overheidsdienaren van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen bij de wet vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden en in de volgende artikelen garandeert het Rijk aan de overheidsdienaren, die hun in artikel 1, onder I bedoeld dienstverband vóór of op 31 December 1959 vrijwillig beëindigen, dan wel uit dat dienstverband vóór of op 31 December 1959 worden ontslagen anders dan op eigen verzoek, mits dit ontslag niet is te wijten aan eigen schuld, de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun op grond van die beëindiging bij toepassing van de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen toekomen, en overigens de gevolgen, als omschreven in de afvloeiingsvoorwaarden.

2.

Voor de toepassing van deze wet:

3.

Voorzover recht of aanspraak op vrije overtocht naar Nederland op de voet van de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen niet reeds bestaat of bij deze wet wordt gegarandeerd, garandeert het Rijk - met inachtneming van het bepaalde bij de volgende artikelen - aan de overheidsdienaren en hun gezinsleden in verband met een beëindiging van een in artikel 1, onder I bedoeld dienstverband, vrij vervoer naar Nederland op redelijke voorwaarden, indien die overheidsdienaren:

Onder gezinsleden worden voor de toepassing van dit lid verstaan de leden van een gezin, omschreven in artikel 2 van het Koninklijk besluit van 22 Juni 1916 (Indisch Staatsblad 1916, no. 605), zoals dit luidde op 5 Augustus 1949. In bijzondere gevallen kunnen door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën ook andere personen als gezinsleden worden aangemerkt.

4.

Op verzoek van betrokkene kan Onze Minister beslissen, dat in de gevallen, waarin recht bestaat op vrije overtocht naar Nederland ten laste van het Rijk, in de plaats van die vrije overtocht ten laste van het Rijk een geldelijke uitkering aan betrokkene wordt toegekend.

Artikel 2a
1.

Met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen garandeert het Rijk aan de overheidsdienaren, wier in artikel 1, onder I bedoeld dienstverband na 31 December 1959 wordt voortgezet, gerekend van dat tijdstip de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun ingevolge het bepaalde in artikel 2, lid 1, zouden zijn toegekomen, ingeval zij op 31 December 1959 de dienst zouden hebben beëindigd, met dien verstande, dat zij, zolang zij hun dienstverband met de Republiek Indonesië nog niet daadwerkelijk hebben beëindigd, geen aanspraak kunnen doen gelden op uitkeringen uit hoofde van deze wet.

2.

Onverminderd het bepaalde in het vorige lid en met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen garandeert het Rijk aan de in dat lid bedoelde overheidsdienaren bij daadwerkelijke dienstbeëindiging op een tijdstip na 31 December 1959 met recht op pensioen of aanspraak op onderstand bij wijze van pensioen volgens de op dat tijdstip bij de Republiek Indonesië van kracht zijnde regelingen de voldoening van de eigen pensioenen en onderstanden bij wijze van pensioen, waarop op dat tijdstip volgens de op 5 Augustus 1949 bestaande regelingen recht of aanspraak zou bestaan bij ontslag wegens welbewezen ziels- of lichaamsgebreken.

Artikel 3

Met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen garandeert het Rijk aan de gewezen overheidsdienaren de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun op grond van het hun verleende ontslag volgens de ten tijde van dat ontslag van kracht zijnde regelingen toekomen, met dien verstande, dat de garantie voor hen, die op of nà 5 Augustus 1949 zijn of zullen zijn ontslagen, de voldoening van alle rechten en aanspraken omvat, welke hun op grond van het hun verleende ontslag bij toepassing van de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen toekomen.

Artikel 4

Onverminderd de verplichting tot toekenning en voldoening van weduwenpensioenen en wezenonderstanden, waartoe het Rijk uit anderen hoofde rechtstreeks gehouden is, garandeert het Rijk aan de nagelaten betrekkingen, behoudens en met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen, de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun volgens de ten tijde van het overlijden van kracht zijnde regelingen toekomen, met dien verstande, dat de garantie voor de nagelaten betrekkingen van hem, die na 5 Augustus 1949 is of zal zijn overleden, de voldoening van alle rechten en aanspraken omvat, welke hun bij toepassing van de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen toekomen.

Artikel 4a
1.

Bij beëindiging van het dienstverband onder toekenning van een uitkering krachtens artikel 2 of 2a behoudt de overheidsdienaar in vaste dienst voor zijn weduwe en wezen recht op pensioen onderscheidenlijk onderstand ten laste van de Pensioenstichting op de voet van de rechten en verplichtingen, verbonden aan het verplichte deelgenootschap in een der voormalige Weduwen- en Wezenfondsen of van het voormalige Europees Locaal Pensioenfonds, zulks gerekend van de datum van die beëindiging.

2.

Wanneer de door een overheidsdienaar in vaste dienst terzake van de dienstbeëindiging genoten inkomsten blijvend ophouden, is van dat tijdstip af het bepaalde in het vorige lid alleen van toepassing, indien door de Pensioenstichting van de betrokken overheidsdienaar het verzoek daartoe wordt ontvangen binnen zes maanden nadat die inkomsten hebben opgehouden dan wel, indien deze termijn bij de inwerkingtreding van deze wet reeds geheel of ten dele is verstreken, binnen zes maanden na die inwerkingtreding. In dit geval worden de door hem verschuldigde bijdragen, behoudens het bepaalde in de volgende leden, berekend over de laatstelijk terzake van die dienstbeëindiging genoten inkomsten.

3.

In het geval bedoeld in het vorige lid zijn de bepalingen inzake het voldoen van de bijdragen, het bepalen van de bijdrage naar de grondslag van een fictief pensioen, het ophouden of de opzegging van het deelgenootschap, zoals die golden voor het vrijwillig deelgenootschap in de voormalige in lid 1 genoemde fondsen, van overeenkomstige toepassing.

4.

De vaststelling van het bedrag van de ingevolge dit artikel verschuldigde bijdragen, van de wijze van voldoening daarvan en hetgeen overigens ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel nodig is, geschiedt door de Raad van Beheer van de Pensioenstichting. Over bijdragen, welke ingevolge het in werking treden van deze wet alsnog verschuldigd zijn, is geen rente verschuldigd.

5.

In de gevallen, waarin in de regelingen op het gebied van weduwen- en wezenuitkeringen bevoegdheden tot afwijking van die regelingen of tot het treffen van een afzonderlijke voorziening waren voorbehouden aan de Kroon of aan de Gouverneur-Generaal, worden deze bevoegdheden met betrekking tot de buiten het grondgebied van de Republiek Indonesië gevestigde weduwen en wezen uitgeoefend door de Raad van Beheer van de Pensioenstichting na voorafgaande goedkeuring van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën.

Artikel 4b

In de gevallen, waarin in de op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen aan de Kroon of aan de Gouverneur-Generaal de bevoegdheid was voorbehouden om ter aanvulling of in afwijking van die regelingen beslissingen te nemen of bijzondere voorzieningen te treffen, worden deze bevoegdheden, behoudens het bepaalde in artikel 4a, lid 5, voor de toepassing van deze wet uitgeoefend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

Artikel 4c
1.

Voor de toepassing van deze wet wordt aangenomen, dat bij wijziging of intrekking van de op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde bezoldigingsregelingen deze ongewijzigd van kracht zijn gebleven.

2.

Op pensioen of onderstand bij wijze van pensioen wordt, indien bij de vaststelling van de grondslagen daarvan rekening is gehouden met bezoldigingen, welke zijn toegekend op grond van na 31 December 1948 geldende bezoldigingregelingen, buiten Indonesië geen duurtetoeslag en kindertoelage toegekend, tenzij het bedrag van dat pensioen of die onderstand minder bedraagt dan het bedrag aan pensioen of onderstand bij wijze van pensioen, dat zou zijn genoten, indien voor de vaststelling van de grondslag uitsluitend rekening zou zijn gehouden met bezoldigingen, toegekend op basis van de vóór 1 Januari 1949 bestaande bezoldigingsregelingen, vermeerderd met de toekomende duurtetoeslag en kindertoelage, in welk geval het verschil tussen beide bedoelde bedragen in de vorm van een duurtetoeslag wordt toegekend.

Artikel 4d
1.

De uitkeringen, waartoe het Rijk uit hoofde van of krachtens deze wet gehouden is, worden, behoudens het bepaalde in lid 4, vastgesteld en toegekend door of namens Onze Minister.

2.

Over de in lid 1 bedoelde uitkeringen zijn door de betrokkene volgens de terzake op 5 Augustus 1949 van kracht zijnde regelingen bijdragen verschuldigd voor de eigen pensioenen en op de voet van het bepaalde in artikel 4a voor de weduwenpensioenen en wezenonderstanden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.