Wet van 22 juni 1951, houdende vaststelling van zekere waarborgen jegens bepaalde groepen militairen en gewezen militairen van het voormalige K.N.I.L., alsmede hun nagelaten betrekkingen

Type Wet
Publication 2011-02-23
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de nieuwe rechtsorde zekere waarborgen van het Rijk jegens bepaalde groepen militairen en gewezen militairen van het voormalige K.N.I.L., alsmede hun nagelaten betrekkingen bij de wet vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Deze wet verstaat onder:

Artikel 2
1.

Met inachtneming van hetgeen hierna in deze wet is bepaald garandeert het Rijk:

2.

Onverminderd de verplichting tot toekenning en voldoening van weduwenpensioenen, wezenonderstanden en daarmede in aard overeenkomende uitkeringen, waartoe het Rijk uit anderen hoofde rechtstreeks gehouden is, garandeert het Rijk aan de nagelaten betrekkingen, behoudens en met inachtneming van het bepaalde in de volgende artikelen, de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun volgens de ten tijde van het overlijden van kracht zijnde regelingen toekomen, met dien verstande, dat de garantie voor de nagelaten betrekkingen van hem, die na 26 December 1949 is of zal zijn overleden, de voldoening van alle rechten en aanspraken omvat, welke hun bij toepassing van de terzake op 26 December 1949 van kracht zijnde regelingen toekomen.

3.

Aan de beroepsmilitairen, die op de in het eerste lid, onder b, bedoelde wijze zijn ontslagen zonder recht op pensioen, alsmede aan hun gezinsleden, garandeert het Rijk vrij vervoer naar Nederland op redelijke voorwaarden, indien zij op het tijdstip van dat ontslag voldeden aan de voorwaarden, welke voor aanspraak op verlof in Europa zijn omschreven in artikel 2, onder a en b en artikel 3, onder a en b, van het Buitenlandsch verlofreglement voor officieren en onderofficieren, met dien verstande, dat beslissingen over de aanwezigheid van bijzondere belangen in Europa worden genomen door de commissie.

Onder gezinsleden worden voor de toepassing van dit lid verstaan de leden van een gezin, omschreven in artikel 2 van het Koninklijk besluit van 22 Juni 1916 (Indisch Stb. 605), zoals dit luidde op 26 December 1949. In bijzondere gevallen kunnen door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën ook andere personen als gezinsleden worden aangemerkt.

4.

Op verzoek van betrokkene kan Onze Minister beslissen, dat in de gevallen, waarin recht bestaat op vrije overtocht naar Nederland ten laste van het Rijk, in plaats van die vrije overtocht ten laste van het Rijk een geldelijke uitkering aan betrokkene wordt toegekend.

Artikel 3
1.

De beroepsmilitairen, die niet geplaatst kunnen of konden worden bij de Koninklijke Landmacht en dientengevolge voor of op 25 Juli 1950 wegens reorganisatie bij het voormalige Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger werden ontslagen, kunnen - mits dit ontslag eervol is geweest - desverlangd in aanmerking komen voor toepassing van afvloeiingsvoorwaarden, gelijkluidend aan de afvloeiingsvoorwaarden voor overheidsdienaren in vaste dienst, opgenomen onder A in de bijlage bij de Overeenkomst inzake de positie van de Burgerlijke Overheidsdienaren in verband met de souvereiniteitsoverdracht, echter met aftrek van de inkomsten, welke zij genieten ingevolge de sociale voorzieningen als bedoeld in de regelingen, genoemd in artikel 2, lid 1, onder b.

2.

Bij toepassing van de in het vorige lid genoemde afvloeiingsvoorwaarden op beroepsmilitairen, die niet voor een diensttijdpensioen in aanmerking komen, worden zij in het genot gesteld van het volgens de betrekkelijke rangspensioenreglementen toe te kennen pensioen bij ontslag wegens ziels- of lichaamsgebreken, niet ontstaan in en door de dienst, vermeerderd met 1/9 gedeelte van het in die reglementen voor de betrokken rang gestelde normale pensioenbedrag, met dien verstande, dat hierdoor het maximum rangspensioen voor de betrokken rang niet wordt overschreden.

3.

Het Rijk garandeert aan de beroepsmilitairen, die niet geplaatst kunnen worden bij de Koninklijke Landmacht, voorzover zij in het genot van wachtgeld worden gesteld, een minimum wachtgeld volgens door Ons, op voordracht van Onze Ministers voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen en van Financiën vast te stellen regelen. Binnen drie maanden na de vaststelling van deze regelen wordt door Ons een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan tot bevestiging van die regelen. De bevestiging geschiedt in de vorm van vaststelling van de betreffende regelen, al dan niet gewijzigd, bij de wet.

Artikel 3a
1.

De beroepsmilitairen, die tengevolge van ontslag overeenkomstig artikel 38 van de "Regelingen betreffende militaire aangelegenheden", II, Hoofdstuk V, gehecht aan de Overgangsovereenkomst, behorende bij de Mantelresolutie der Ronde Tafel Conferentie, het deelgenootschap in het voormalige "Weduwen- en Wezenfonds der Europese Officieren van het Nederlandsch-Indische Leger" dan wel het voormalige "Weduwen- en Wezenfonds van Europese militairen beneden de rang van Officier bij de Koloniale Troepen" hebben verloren, kunnen, onder voorwaarde dat zij binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet bij de Pensioenstichting de wens daartoe schriftelijk te kennen geven, voor hun weduwen en wezen het recht herkrijgen op pensioen, onderscheidenlijk onderstand, ten laste van de Pensioenstichting op de voet van de rechten en verplichtingen, welke waren verbonden aan het verplichte deelgenootschap in die fondsen, zulks gerekend van de datum van de beëindiging van de dienst bij het voormalige Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger, met dien verstande, dat in de gevallen, bedoeld in het vijfde lid van artikel 41 van genoemde regelingen, de verschuldigde bijdragen zullen worden berekend over het wachtgeld, waarvoor de eenmalige uitkering in de plaats is getreden.

2.

Vanaf het tijdstip, waarop de door de in het vorige lid bedoelde beroepsmilitairen terzake van de dienstbeëindiging genoten inkomsten blijvend ophouden dan wel - in de gevallen dat daarvoor een eenmalige uitkering in de plaats is getreden - zouden zijn opgehouden, worden de door hen verschuldigde bijdragen, behoudens het bepaalde in de volgende leden, berekend over veertig procent van de bezoldiging, welke ingevolge het bepaalde in het derde en vierde lid van artikel 41 van de in het voorgaande lid bedoelde regelingen aan het wachtgeld ten grondslag heeft gelegen dan wel zou hebben gelegen.

3.

In het geval bedoeld in de vorige leden zijn de bepalingen inzake het voldoen van de bijdragen, het bepalen van de bijdrage naar de grondslag van een fictief pensioen, het ophouden of de opzegging van het deelgenootschap, zoals die golden voor het vrijwillig deelgenootschap in de voormalige in het eerste lid genoemde fondsen, van overeenkomstige toepassing.

4.

De vaststelling van het bedrag van de ingevolge dit artikel verschuldigde bijdragen, van de wijze van voldoening daarvan en hetgeen overigens ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel nodig is, geschiedt door de Raad van Beheer van de Pensioenstichting. Over bijdragen, welke ingevolge het in werking treden van deze wet alsnog verschuldigd zijn, is geen rente verschuldigd.

5.

In de gevallen, waarin in de regelingen op het gebied van weduwen- en wezenuitkeringen bevoegdheden tot afwijking van die regelingen of tot het treffen van een afzonderlijke voorziening waren voorbehouden aan de Kroon of aan de Gouverneur-Generaal, worden deze bevoegdheden met betrekking tot de buiten het grondgebied van de Republiek Indonesië gevestigde weduwen en wezen uitgeoefend door de Raad van Beheer van de Pensioenstichting na voorafgaande goedkeuring van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën.

Artikel 3b

In de gevallen, waarin in de op 26 December 1949 van kracht zijnde regelingen aan de Kroon of aan de Gouverneur-Generaal de bevoegdheid was voorbehouden om ter aanvulling of in afwijking van die regelingen beslissingen te nemen of bijzondere voorzieningen te treffen, worden deze bevoegdheden, behoudens het bepaalde in artikel 3a, vijfde lid, voor de toepassing van deze wet uitgeoefend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.

Artikel 3c

Op pensioen of onderstand bij wijze van pensioen wordt, indien bij de vaststelling van de grondslagen daarvan rekening is gehouden met bezoldigingen, welke zijn toegekend op grond van na 31 December 1948 geldende bezoldigingsregelingen, buiten Indonesië geen duurtetoeslag en kindertoelage toegekend, tenzij het bedrag van dat pensioen of die onderstand minder bedraagt dan het bedrag aan pensioen of onderstand bij wijze van pensioen, dat zou zijn genoten, indien voor de vaststelling van de grondslag uitsluitend rekening zou zijn gehouden met bezoldigingen, toegekend op basis van de vóór 1 Januari 1949 bestaande bezoldigingsregelingen, vermeerderd met de toekomende duurtetoeslag en kindertoelage, in welk geval het verschil tussen beide bedoelde bedragen in de vorm van een duurtetoeslag wordt toegekend.

Artikel 3d
1.

De uitkeringen, waartoe het Rijk uit hoofde van of krachtens deze wet gehouden is, worden, voor zover niet op andere wijze bij de wet geregeld en behoudens het bepaalde in het derde lid, vastgesteld en toegekend door Onze Minister en naar boven afgerond tot het naastbijliggende veelvoud van één euro of één rupiah.

2.

Met inachtneming van het in artikel 3a bepaalde, zijn op de voet van de op 26 December 1949 van kracht zijnde regelingen over de in het eerste lid bedoelde uitkeringen bijdragen verschuldigd voor weduwenpensioenen en wezenonderstanden, indien de tot de uitkering gerechtigde voor zijn weduwe en wezen daarop recht heeft.

3.

De periodieke uitkeringen aan buiten het grondgebied van de Republiek Indonesië gevestigde weduwen en wezen, uit hoofde van of krachtens de in artikel 2, tweede lid, van deze wet gegeven garantie, worden met inachtneming voor zover nodig van de door Onze Minister te geven aanwijzingen toegekend door de Raad van Beheer van de Pensioenstichting ten laste van die stichting.

Artikel 3e
1.

Indien een militair of gewezen militair op grond van de dienstbeëindiging rechten of aanspraken heeft op uitkeringen ten laste van de Republiek Indonesië, kan hij door Onze Minister worden verplicht het nodige te verrichten teneinde deze rechten en aanspraken geldend te maken.

2.

Bij niet-nakoming van de in het vorige lid bedoelde verplichting, zomede indien door of vanwege de Republiek Indonesië op grond van de dienstbeëindiging uitkeringen zijn of worden toegekend, zullen de garanties volgens door Onze Minister te stellen regelen slechts worden verwezenlijkt, voor zover en voor zolang de vanwege de Republiek Indonesië toekomende dan wel toegekende uitkeringen minder bedragen dan de uitkeringen, waarop uit hoofde van of krachtens deze wet recht of aanspraak bestaat.

Artikel 4

Door Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid in bijzondere gevallen worden bepaald, dat de garanties uit hoofde van of krachtens deze wet blijven gelden bij verandering van nationaliteit.

Artikel 5

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.