Besluit van 20 juli 1953, tot vaststelling van regelen ter uitvoering van de Inkwartieringswet
Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog en van Marine van 30 Juni 1953, No. 3963;
Gelet op de Inkwartieringswet;
De Raad van State gehoord (advies van 7 Juli 1953, La. No. 17);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 17 Juli 1953, Nr. 380.394 BIJ/Nr. Minmar 329781/249071;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. de wet: de Inkwartieringswet;
- b. Onze Minister: Onze Minister van Defensie.
Artikel 2
In dit besluit wordt mede verstaan onder:
- a. vordering in eigendom: de in eigendomneming krachtens artikel 28 der wet, alsmede de beschikbaarstelling in eigendom vanwege de gemeente krachtens artikel 6 der wet;
- b. vordering in gebruik: de ingebruikneming krachtens artikel 28 der wet, alsmede de beschikbaarstelling in gebruik vanwege de gemeente krachtens artikel 6 der wet.
Artikel 3
Geen verstrekkingen worden gevorderd indien daardoor de uitoefening van een beroep of bedrijf in ernstige mate wordt belet of belemmerd.
Het in het voorgaande lid gestelde lijdt uitzondering in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, indien en voor zover de commandant, die vordert, van oordeel is dat het belang waarvoor de vordering geschiedt voorrang dient te hebben op de voorziening in de essentiële behoeften van de volkshuishouding, tenzij het betreft zaken en diensten van vitaal belang voor de functionnering van bedrijven, welke zijn opgenomen op een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, samengestelde lijst.
Artikel 4
Geen vordering vindt plaats:
- a. van onroerende zaken, vermeld in de Voorlopige Lijst der Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, opgemaakt door de Rijkscommissie, ingesteld bij Koninklijk besluit van 7 Juli 1903, no. 44, en door de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, ingesteld bij Koninklijk besluit van 10 Mei 1918, no. 66, tenzij het Hoofd van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg desgevraagd heeft verklaard dat daartegen uit een oogpunt van monumentenzorg geen bezwaar bestaat;
- b. van onroerende zaken, opgenomen in een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, samengestelde lijst, vermeldende gebouwen welke naar hun inhoud of naar het doel, waarvoor zij gebruikt worden, van wetenschappelijke of culturele betekenis zijn, alsmede gebouwen welke uitsluitend gebruikt worden voor de uitoefening van de openbare eredienst;
- c. van terreinen, welke naar het oordeel van de Houtvester van het Staatsbosbeheer uit een oogpunt van natuur- of landschapsschoon of wegens hun betekenis voor de natuurwetenschappen van bijzonder belang zijn.
Onze in het voorgaande lid genoemde Ministers bepalen in hoeverre in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, van het gestelde in het eerste lid kan worden afgeweken. Daaromtrent worden bij de instructie, bedoeld in het derde lid van artikel 28 der wet, nadere voorschriften gegeven.
Artikel 5
Zo min mogelijk worden verstrekkingen gevorderd, waardoor de uitoefening van de openbare eredienst en de werkzaamheden in het belang van de gezondheidszorg, alsmede die van instellingen van weldadigheid en van sociale instellingen worden belet of belemmerd.
Artikel 6
Geen verstrekkingen worden gevorderd van Ons en van de Leden van Ons Huis.
Bij de toepassing van de wet en van dit besluit worden de uitzonderingen, welke in het volkenrecht zijn erkend, in acht genomen.
Hoofdstuk II. Inkwartiering en onderhoud
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 7
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. de commandant: de officieren van de zee-, land- en luchtstrijdkrachten, bedoeld in het eerste en vierde lid van artikel 28 der wet, alsmede voor wat betreft de eerste afdeling en de tweede paragraaf van de derde afdeling van dit hoofdstuk, degenen die krachtens artikel 6 der wet bevoegd zijn een aanvraag te richten tot de burgemeester;
- b. zomer: het tijdvak van 1 Mei-1 October;
- c. winter: het tijdvak van 1 October-1 Mei.
Artikel 8
In de hierna volgende bepalingen van dit hoofdstuk worden onder officier mede begrepen de adjudant-onderofficier en de onderofficier met een daaraan gelijkgestelde of hogere rang.
Artikel 9
In ruimten, welke krachtens dit hoofdstuk verwarmd moeten zijn, dient de temperatuur tenminste 16° Celsius te bedragen.
Artikel 10
De in dit hoofdstuk vermelde verstrekkingen worden alleen verschaft op de wijze en in de mate als door de commandant wordt aangevraagd of gevorderd.
Artikel 11
Aan de vordering tot inkwartiering wordt, al naar gelang de commandant zulks aanvraagt of vordert, voldaan door:
- a. verstrekking van individuele inkwartiering;
- b. verstrekking van collectieve inkwartiering.
Onder individuele inkwartiering wordt verstaan het onder dak brengen van ten hoogste twee militairen in een afzonderlijke kamer van een bewoond huis.
Onder collectieve inkwartiering wordt verstaan het gezamenlijk onderdak brengen van meer dan twee militairen in een ruimte.
Artikel 12
Officieren en afzonderlijk reizende militairen worden, met inachtneming van artikel 14 der wet, zoveel mogelijk individueel ingekwartierd.
Indien de toestand ter plaatse geen voldoende individuele inkwartiering toelaat, kunnen officieren tot de troep behorende ook collectief worden ingekwartierd, met dien verstande dat zij steeds gezamenlijk in een of meer afzonderlijke ruimten moeten kunnen worden ingekwartierd.
Artikel 13
Als besmettelijke ziekten in de zin van het tweede lid van artikel 19 der wet worden aangemerkt:
Pest
Cholera
Gele koorts
Vlektyphus en andere Rickettsiosen
Febris Recurrens
Pokken (Variola major en minor)
Febris Typhoidea
Salmonellosen
Bacillaire Dysenterie
Amoeben Dysenterie
Roodvonk
Diphterie
Meningitis Cerebrospinalis (Epidemica)
Poliomyelitis Anterior Acuta
Encephalitis Lethargica
Leptospirosen
Ornithosis
Hepatitis Infectiosa
Open longtuberculose.
Onder gebouwen, waarin een besmettelijke ziekte heerst, worden mede begrepen gebouwen waarin een kiemdrager verblijft van:
Febris Typhoidea
Salmonellosen
Bacillaire Dysenterie
Amoeben Dysenterie.
Afdeling 2. Individuele inkwartiering
Artikel 14
In geval van individuele inkwartiering moet worden verschaft een behoorlijke kamer, voorzien van:
- a. per militair een ledikant of bedstede met matras, hoofdkussen, kussensloop, twee bedlakens, en een deken des zomers en twee des winters, een en ander van deugdelijke hoedanigheid en in zindelijke staat verkerend;
- b. een tafel, alsmede per militair een stoel of bank;
- c. wasgelegenheid met voldoende waswater;
- d. behoorlijke verlichting.
De kamer, het meubilair en de overige zaken genoemd in het eerste lid worden door de zorg van de kwartiergever schoongehouden.
In geval van inkwartiering des winters dient de in het eerste lid bedoelde kamer verwarmd te zijn gedurende de avonduren, of dient de ingekwartierde een plaats in een verwarmd en behoorlijk verlicht vertrek te worden verschaft, zulks ter keuze van de kwartiergever.
Artikel 15
Voor opper- of vlagofficieren, alsmede voor door Onze Minister aangewezen hoofdofficieren, wordt zo mogelijk boven de in artikel 14 omschreven verstrekking nog verschaft een behoorlijk verlichte en des winters ook verwarmde werkkamer, voorzien van de nodige meubelen, waaronder een tafel en enige stoelen. Alsdan behoeft de in artikel 14 bedoelde kamer niet verwarmd te zijn.
Artikel 16
In geval van individuele inkwartiering met voeding draagt degene, van wie de inkwartiering is gevorderd, zorg voor de maaltijden van de ingekwartierde.
Wanneer de kwartiergever verlangt dat de ingekwartierde militair aan de gewone maaltijden van het gezin deelneemt, wordt daaraan voldaan voorzover de militaire dienst zulks toelaat.
Afdeling 3. Collectieve Inkwartiering
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 17
De ruimten in deze afdeling bedoeld moeten voldoen aan de eisen, welke Onze Minister op het gebied van de gezondheidszorg daaraan stelt.
Zij dienen behoorlijk verlicht en des winters zonodig ook verwarmd te zijn.
Zij dienen, zo geen brandblusapparaten aanwezig zijn, voorzien te zijn van een voldoende hoeveelheid zand en een voldoend aantal emmers met schoppen.
De ruimten dienen, voorzover zij door of vanwege de militaire gebruikers onderhouden worden, voorzien te zijn van schoonmaakgereedschap en reinigingsmiddelen.
Voorzover de ruimten niet aan de in dit artikel gestelde eisen voldoen, worden door de zorg van de burgemeester in overeenstemming met de commandant de nodige voorzieningen getroffen.
§ 2. Anders dan in buitengewone omstandigheden
Artikel 18
In geval van collectieve inkwartiering moet voor de legering van militairen worden verschaft:
- a. per militair een ruimte van tenminste 12 m3 inhoud met een vloeroppervlakte van tenminste 1,50 m bij 2,50 m in een daartoe geschikt gebouw;
- b. per militair een hoeveelheid vers ligstro van 15 kg in geval van militaire zijde een bedzak en een kussenzak zijn verstrekt, en van ten hoogste 25 kg indien geen bedzak en kussenzak zijn verstrekt, dan wel een matras.
Indien bedzakken en kussenzakken zijn verstrekt, dient het stro eenmaal in de drie maanden ververst te worden. Indien geen bedzakken en kussenzakken zijn verstrekt, dient het stro eenmaal per maand ververst te worden en dient tussentijds een vierde deel van de totale hoeveelheid bijgevuld te worden.
Het stro, dat bij het einde van de collectieve inkwartiering en bij de verversing vrij komt, wordt door de zorg van de burgemeester zo mogelijk tegen de marktprijs ten bate van het Rijk verkocht, waarbij degenen die het stro verstrekt hebben in de gelegenheid worden gesteld het stro terug te kopen.
Artikel 19
De gebouwen, bedoeld in het eerste lid van artikel 18, dienen voorzien te zijn van voldoende sanitaire installaties, waarbij als regel geldt dat per 20 man een toilet en één waterkraan of -pomp of per man één wasblik met voldoende waswater beschikbaar is.
Indien geen voldoende sanitaire installaties aanwezig zijn, doet de burgemeester in overeenstemming met de commandant de nodige voorzieningen treffen.
Artikel 20
In geval van collectieve inkwartiering met voeding worden, behoudens de verstrekking bedoeld in de vierde afdeling, lokalen verschaft, geschikt tot het nuttigen van maaltijden en voorzien van een voldoend aantal tafels en stoelen of banken.
Voorts dienen bij collectieve inkwartiering verschaft te worden:
- a. gebouwen of gedeelten van gebouwen voor het inrichten van bureaux met tafels, stoelen en zo mogelijk kasten, met dien verstande dat per militair beschikt kan worden over een bureauruimte met een oppervlakte van 1/3 m2;
- b. gebouwen of gedeelten van gebouwen of terreinen voor de opslag en plaatsing van materieel en voorraden, met dien verstande dat per militair beschikt kan worden over een bergruimte met een oppervlakte van 1/3 m2 en een al dan niet overdekte parkeergelegenheid met een oppervlakte van 3 m2;
- c. lokalen, geschikt tot het betrekken van wachten, voorzien van een tafel en stoelen.
De in het tweede lid onder a bedoelde gebouwen of gedeelten van gebouwen alsmede de onder c bedoelde lokalititen dienen zoveel mogelijk voorzien te zijn van een telefoonaansluiting.
Artikel 21
In geval van collectieve inkwartiering worden de in arrest gestelde militairen ondergebracht in bestaande arrestantenlokalen.
Artikel 22
Indien voor de legering gebruik gemaakt wordt van tenten of slaapzakken, worden daarvoor geschikte terreinen beschikbaar gesteld.
Bij voorkeur worden bestaande kampeerterreinen beschikbaar gesteld, voorzover daardoor het gebruik door burgers niet in ernstige mate wordt geschaad.
De artikelen 18 en 19 zijn alsdan van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
Voor de stalling van paarden dient beschikbaar te worden gesteld een ruimte van tenminste 1.50 m breedte en 3 m lengte per paard in stallen of daartoe geschikte gebouwen.
§ 3. Buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat
Artikel 24
In geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, dienen boven de verstrekkingen genoemd in de vorige paragraaf ten behoeve van de collectief ingekwartierde militairen nog verschaft te worden:
- a. dekens, handdoeken en zeep;
- b. lokalen geschikt tot het geven van theorie en voor ontspanning, voorzien van tafels en stoelen of banken;
- c. gymnastieklokalen, bad- en zweminrichtingen en terreinen voor exercitie en beoefenen van sport gedurende tijdsruimten per week, door de commandant in overeenstemming met de burgemeester te bepalen;
- d. daartoe geschikte gebouwen of gedeelten van gebouwen voor het inrichten van een ziekenverblijf, met het nodige meubilair en inventaris;
- e. lokalen geschikt tot het onderbrengen van arrestanten.
Artikel 25
De burgemeester doet aan de gebouwen en terreinen, bedoeld in deze afdeling, voorzieningen treffen welke door de commandant in verband met het gebruik nodig worden geoordeeld.
Het gestelde in het eerste lid laat onverlet de bevoegdheid van de commandant zelf de nodige voorzieningen te treffen.
Artikel 26
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.