Besluit van 26 oktober 1956, houdende regelen betreffende het verlenen van vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in gewone omstandigheden aan militairen, die behoren tot het reserve-personeel der krijgsmacht

Type Koninklijk besluit
Publication 1997-10-17
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister voor Defensie van 20 oktober 1956, Nr. P 550 K/Conf en Nr. Minmar 458680/455078;

Gelet op artikel 4 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1
1.

Dit besluit verstaat onder Onze Minister, personeel en werkelijke dienst hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 (Stb. 1989, 592).

2.

Dit besluit verstaat onder de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden de verplichting, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985.

3.

Dit besluit verstaat onder de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in gewone omstandigheden de verplichting, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985.

4.

Dit besluit verstaat onder Ons besluit het Besluit mobilisatie-vrijstelling reserve-personeel (Stb. 1956, 469).

Artikel 2
1.

Aan hem, die tot het personeel behoort en die:

zal door Onze Minister vrijstelling worden verleend van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden.

2.

De in het voorgaande lid bedoelde vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden zal door Onze Minister niet worden verleend of, indien de vrijstelling reeds is verleend, worden ingetrokken, indien een militair, als bedoeld in het voorgaande lid onder b of c, schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven niet of niet langer voor vrijstelling in aanmerking te willen komen en het algemeen belang zich tegen inwilliging van dat verzoek niet verzet.

Artikel 3
1.

Onze Minister is gemachtigd geheel of gedeeltelijk vrijstelling te verlenen van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden aan hem, die tot het personeel behoort en die:

2.

Onze Minister is gemachtigd, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de krijgsmacht noodzakelijk is, een op grond van het bepaalde in het voorgaande lid geheel of gedeeltelijk verleende vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienstin geval van gewone omstandigheden in te trekken.

Artikel 4

De vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden, welke op grond van dit besluit is verleend, vervalt van rechtswege, indien de grond, waarop de vrijstelling werd verleend, vervalt.

Artikel 5

Het Koninklijk besluit van 23 april 1913, nr. 41 wordt ingetrokken.

Artikel 6

Dit besluit, dat kan worden aangehaald onder de titel "Besluit vrijstelling herhalingsoefeningen reserve-personeel", treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.

Onze Ministers van Oorlog en van Marine zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.