Besluit van 30 juli 1960, tot vaststelling van een nieuwe wachtgeldregeling voor het personeel van de buitenlandse dienst
Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 23 juni 1960, Directie Buitenlandse Dienst, DBD/RV-90513;
Gelet op de artikelen 58 en 72 der Grondwet;
De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 1960, No. 17.);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken a.i. van 21 juli 1960, Directie Buitenlandse Dienst, DBD/RV-103406;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
De bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Stb. 319) zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid onder a, b, f en g van artikel 2 van het Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 (Stb. 449) bedoelde personeelsleden van de buitenlandse dienst voorzover zij in vaste dienst zijn, met dien verstande dat overal waar in de voor toepassing in aanmerking komende bepalingen wordt gesproken van:
- a. Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
- b. Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel II
Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na die van de dagtekening van het Staatsblad, waarin het is geplaatst en werkt terug tot 1 oktober 1959.
Het kan worden aangehaald als Wachtgeldbesluit Buitenlandse Dienst.
Het Koninklijk besluit van 4 maart 1924 (Stb. 91) is op 1 oktober 1959 vervallen.
Onze Minister van Buitenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.