← Geldende tekst · Geschiedenis

Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting

Geldende tekst a fecha 2018-01-01

Gelet op artikel 7 van de Wet op de kansspelbelasting (Stb. 1961, 313), artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en artikel 1 van de Wet van 24 december 1927 (Stb. 416);

Besluit:

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Het register als bedoeld is in artikel 7, eerste lid, van de wet dient te worden gehouden ter plaatse waar de administratie van het kansspel wordt gevoerd.

2.

Elk kansspel dient als één post in het register te worden geboekt. Voor elke post wordt tenminste één blad gebruikt.

3.

Elke post dient in te houden:

Artikel 3
1.

De nota als bedoeld is in artikel 7, tweede lid, van de wet dient in te houden:

2.

De nota's dienen naar volgorde van afgifte van een per kansspel doorlopend nummer te worden voorzien. De nummering kan ook geschieden in series, voorzien van een aanduiding per serie.

3.

Van elke nota dient een dubbel te worden aangehouden, voorzien van hetzelfde volgnummer als het eerste exemplaar.

Artikel 4

De aanslagbiljetten van de naheffingsaanslagen worden in afwijking van artikel 8 van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) verzonden door de inspecteur.

Artikel 5
1.

Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting.

2.

Zij treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Artikel 1a

Het tijdstip waarop de belasting, bedoeld in artikel 6 van de wet, in het kalenderjaar is verschuldigd, is: