← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 9 maart 1962, op de Raad van State

Geldende tekst a fecha 2011-02-23

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wet van 21 December 1861, Stb. 129, houdende regeling van de samenstelling en de bevoegdheid van de Raad van State, door een nieuwe wet te vervangen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. De Raad van State in het algemeen

Artikel 1
1.

De Raad van State bestaat, buiten de Koning als voorzitter, uit een vice-president en ten hoogste tien leden.

2.

De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van rechtswege zitting in de Raad.

3.

Bij koninklijk besluit kan ook andere leden van het koninklijk huis wanneer zij meerderjarig zijn, zitting in de Raad worden verleend.

4.

De leden van het koninklijk huis die zitting in de Raad hebben, kunnen aan de beraadslagingen deelnemen, doch onthouden zich van stemmen.

Artikel 2
1.

De vice-president en de leden worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie voor het leven benoemd. Vacatures worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures.

2.

Voor de benoeming van de vice-president wordt de Raad gehoord. Voor de benoeming van de leden doet de Raad een aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling of afdelingen van de Raad waarvan het te benoemen lid deel zal uitmaken.

3.

De leden worden bij koninklijk besluit benoemd in de Afdeling advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak, dan wel in beide afdelingen. Het aantal leden dat in beide afdelingen wordt benoemd, bedraagt ten hoogste 10. De benoeming kan worden gewijzigd, met dien verstande dat een benoeming in de Afdeling bestuursrechtspraak slechts op verzoek van het lid kan worden beëindigd.

4.

Een lid kan slechts deelnemen aan de rechtsprekende taak indien:

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het vierde lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.

6.

In bijzondere gevallen kan van het vierde lid worden afgeweken.

Artikel 3
1.

De vice-president en de leden worden bij koninklijk besluit ontslagen:

2.

De vice-president en de leden worden voorts door de Raad, bij met redenen omkleed besluit, ontslagen, geschorst, of bij ongeschiktheid wegens ziekte met een andere taak belast, en de leden worden door de vice-president, bij met redenen omkleed besluit, gewaarschuwd overeenkomstig hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat:

3.

De artikelen 46i, vijfde lid, 46k, vijfde lid, en 46l, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt gelezen:

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot voorzieningen in verband met ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.

Artikel 3a
1.

De vice-president en de staatsraden worden door de Raad, bij met redenen omkleed besluit, ontslagen, geschorst, of bij ongeschiktheid wegens ziekte met een andere taak belast, en de staatsraden worden door de vice-president, bij met redenen omkleed besluit, gewaarschuwd overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat wordt gelezen:

De Raad doet de mededeling van een beslissing als bedoeld in artikel 46p, vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2.

De artikelen 46i, vijfde lid, 46k, vijfde lid, en 46l, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt gelezen:

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot wachtgeld en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Artikel 3b

Vervallen

Artikel 3c

Vervallen

Artikel 3d

Vervallen

Artikel 3e

Vervallen

Artikel 3f

Vervallen

Artikel 4

Slechts Nederlanders kunnen worden benoemd tot vice-president of tot lid.

Artikel 5
1.

Onverenigbaar met het ambt van vice-president of lid zijn:

2.

Behoudens indien de onverenigbaarheid ook uit een ander wettelijk voorschrift voortvloeit, kan ten aanzien van een lid op diens verzoek van het eerste lid, onderdeel a, bij koninklijk besluit, de Raad van State gehoord, voor een bepaalde tijd ontheffing worden verleend.

3.

Gedurende de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, is het lid ontheven van de waarneming van zijn ambt.

4.

De bezoldiging wordt gedurende de periode van de ontheffing van de waarneming van zijn ambt ingehouden.

5.

De betrekkingen die de vice-president en de leden buiten hun ambt vervullen worden door de vice-president openbaar gemaakt. De artikelen 44, derde tot en met zesde en achtste lid, en 44a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14
1.

Op voorstel van de vice-president regelt de Raad zijn werkzaamheden alsmede voor zover nodig de overige aangelegenheden welke op het college betrekking hebben en niet uitsluitend de Afdeling advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak aangaan.

2.

De regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

Artikel 7

De vice-president wordt bij verhindering of ontstentenis vervangen door het oudste aanwezige lid, naar rang van benoeming.

Artikel 8
1.

Er kunnen staatsraden worden benoemd.

2.

Zij worden gekozen uit hen, die bekwaamheid of deskundigheid hebben bewezen op het gebied van wetgeving, bestuur of rechtspraak dan wel in aangelegenheden die daaraan raken.

3.

De staatsraden worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie voor het leven benoemd. Voor zover zij niet met rechtspraak worden belast, kunnen zij voor een bepaalde tijd van ten minste drie jaren worden benoemd. Vacatures worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures. Voor de benoeming doet de Raad een aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling of afdelingen van de Raad waarvan de te benoemen staatsraad deel zal uitmaken.

4.
Artikel 17
1.

Wij horen de Afdeling advisering over:

2.

Wij horen de Afdeling advisering voorts in de gevallen waarin een wet dit voorschrijft en over alle aangelegenheden waaromtrent Wij het nodig oordelen.

3.

Wij brengen bij de Afdeling advisering ter overweging de ontwerpen van krachtens enige wet te nemen koninklijke besluiten tot vernietiging.

4.

De voorstellen, ontwerpen en besluiten vermelden dat de Afdeling advisering van de Raad van State is gehoord.

Artikel 10
1.

Er kunnen staatsraden in buitengewone dienst worden benoemd.

2.

Een staatsraad in buitengewone dienst neemt slechts deel aan de werkzaamheden van de Raad of van een van zijn afdelingen, voorzover hij daartoe door de vice-president is opgeroepen.

Artikel 11
1.

Aan de Raad worden toegevoegd een secretaris en het nodige aantal ambtenaren van staat.

2.

Zij worden bij koninklijk besluit op voordracht van de Raad benoemd en bij koninklijk besluit, de Raad gehoord, ontslagen.

Artikel 12
1.

Voor benoeming tot secretaris of ambtenaar van staat komt in aanmerking degene:

Artikel 5, vierde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van overeenkomstige toepassing.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.

3.

In bijzondere gevallen kan van het eerste lid worden afgeweken.

Artikel 13

De secretaris en de ambtenaren van staat leggen alvorens hun ambt te aanvaarden in een vergadering van de Raad in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:

«Ik zweer (verklaar) dat ik, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, aan iemand iets heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, van niemand enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) dat ik al de plichten, aan mijn ambt verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(Dat verklaar en beloof ik»).

Artikel 14

De Raad is belast met de taak, bij artikel 38 van de Grondwet aan hem opgedragen.

Artikel 15
1.

De Raad beslist bij meerderheid van stemmen.

2.

Indien de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter der vergadering.

3.

De Raad beslist niet, indien minder dan de helft van het aantal leden aanwezig is, waaruit de Raad, de vice-president inbegrepen, op dat moment bestaat.

Artikel 15a
1.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal hoort de Raad over de bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakte voorstellen van wet, voordat zij deze in behandeling neemt.

2.

In de gevallen waarin de Tweede Kamer zulks nodig oordeelt, hoort zij de Raad voorts omtrent de in het eerste lid bedoelde voorstellen, nadat deze in behandeling zijn genomen.

3.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de Staten-Generaal in verenigde vergadering.

Artikel 15b

Het horen van de Raad kan achterwege blijven over:

Artikel 15c
1.

De Raad heeft tot taak het opstellen van een ontwerp van een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 136 van de Grondwet.

2.

Binnen zes maanden nadat het ontwerp is opgesteld kan Onze Minister wie het aangaat, de Raad gemotiveerd verzoeken zijn ontwerp in nadere overweging te nemen. Indien het koninklijk besluit afwijkt van het ontwerp of het nader ontwerp wordt het in het Staatsblad geplaatst met het ontwerp, bedoeld in het eerste lid en indien daarvan sprake is, het nader ontwerp. Indien niet binnen zes maanden een verzoek als bedoeld in de eerste volzin is gedaan luidt het koninklijk besluit overeenkomstig het ontwerp.

Artikel 16

De vice-president, de leden, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst nemen geheimhouding in acht, voorzover:

Artikel 17

De Raad regelt zijn verdeling in afdelingen, welke elk betrekking hebben op één of meer ministeries. De regeling wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 18
1.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal hoort de Afdeling advisering over de bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakte voorstellen van wet, voordat zij deze in behandeling neemt.

2.

In de gevallen waarin de Tweede Kamer der Staten-Generaal zulks nodig oordeelt, hoort zij de Afdeling advisering voorts omtrent de in het eerste lid bedoelde voorstellen, nadat deze in behandeling zijn genomen.

3.

Wij horen de Afdeling advisering niet over de bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal door een of meer leden aanhangig gemaakte voorstellen van wet, voordat zij door de Staten-Generaal zijn aangenomen.

4.

Het eerste, het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de Staten-Generaal in verenigde vergadering.

Artikel 18a
1.

Een afdeling kan bij de voorbereiding van een ingevolge artikel 15, derde lid, uit te brengen advies omtrent vernietiging van een besluit, onderscheidenlijk bij het onderzoek van en de voorbereiding van een ontwerp-besluit inzake de beslissing van geschillen als bedoeld in artikel 15c, belanghebbenden, getuigen, deskundigen en tolken oproepen om in een vergadering met gesloten deuren te worden gehoord. De artikelen 32 tot en met 35, alsmede de artikelen 8:24, 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31, 8:32, 8:33 tot en met 8:36, eerste lid, 8:39, 8:50 en 8:61 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Ambtsberichten en andere door Onze Minister wie het aangaat aangewezen stukken zijn niet openbaar.

2.

Het ontwerp van een koninklijk besluit tot vernietiging is niet openbaar.

3.

Een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen ambtenaar kan in een vergadering als bedoeld in het eerste lid aanwezig zijn om inlichtingen te geven.

Artikel 19

Het horen van de Afdeling advisering kan achterwege blijven over:

Artikel 20
1.

De Afdeling advisering stelt het ontwerp op van een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 136 van de Grondwet.

2.

Binnen zes maanden nadat het ontwerp is opgesteld kan Onze Minister wie het aangaat, de Afdeling advisering gemotiveerd verzoeken haar ontwerp in nadere overweging te nemen. Indien het koninklijk besluit afwijkt van het ontwerp of het nader ontwerp wordt het in het Staatsblad geplaatst met het ontwerp, bedoeld in het eerste lid en indien daarvan sprake is, het nader ontwerp. Indien niet binnen zes maanden een verzoek als bedoeld in de eerste volzin is gedaan luidt het koninklijk besluit overeenkomstig het ontwerp.

Artikel 21

De Afdeling advisering adviseert Ons voorts indien zij dit nodig acht.

Artikel 22

In de gevallen, bedoeld in artikel 17, wordt de aangelegenheid hetzij door Ons, op voordracht van Onze Minister wie het aangaat, hetzij door Onze Minister krachtens koninklijke machtiging, ter overweging aanhangig gemaakt.

Artikel 23
1.

Onze Ministers geven aan de Afdeling advisering de inlichtingen, die in verband met de uitoefening van haar taak vereist worden.

2.

Het inwinnen door de Afdeling advisering van inlichtingen bij anderen dan Onze Minister, wie het aangaat, geschiedt door tussenkomst van deze.

3.

De vice-president kan personen oproepen om aan de Afdeling advisering voorlichting en advies te geven.

Artikel 24

De Afdeling advisering beraadslaagt met Onze Minister, wie het aangaat, indien de Afdeling advisering of de Minister zulks mocht verlangen.

Artikel 24a

De vice-president, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst nemen geen deel aan de beraadslagingen en stemmen niet mee, indien daardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Artikel 24b

De vice-president, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst nemen geheimhouding in acht indien deze door de Koning of door Onze Minister wie de zaak aangaat nodig is geoordeeld dan wel indien de meerderheid van degenen die aan de beraadslaging deelnemen, daartoe heeft besloten.

Artikel 25

Van de koninklijke besluiten in aangelegenheden, waarover de Afdeling advisering is gehoord, wordt aan deze mededeling gedaan.

Artikel 25a
1.

Onze Minister wie het rechtstreeks aangaat draagt zorg voor het openbaar maken in de Staatscourant van

2.

Openbaarmaking van de adviezen, bedoeld in het eerste lid onder a, geschiedt te zamen met openbaarmaking van de aan de Raad voorgelegde tekst en van het nader rapport aan Ons. Zij heeft plaats voor wat betreft

3.

Openbaarmaking van adviezen als bedoeld in het eerste lid, onder a, welke niet kan geschieden zoals voorzien in het tweede lid, alsmede openbaarmaking van voordrachten en andere voorstellen, gedaan ingevolge artikel 16, geschiedt uiterlijk binnen dertig dagen nadat is beslist op het advies, de voordracht of een ander voorstel van de Raad. Daarbij worden mede openbaar gemaakt het nader rapport en, in voorkomend geval, de aan de Raad voorgelegde tekst alsmede het koninklijk besluit, indien de openbaarmaking niet elders is geregeld. De openbaarmaking heeft plaats op de wijze, voorgeschreven in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur.

4.

Openbaarmaking blijft achterwege

5.

De Raad doet in zijn adviezen, bedoeld in het eerste lid, voorstellen omtrent de toepassing van de bepalingen van het vierde lid.

Artikel 25b
1.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Staten-Generaal in verenigde vergadering dragen zorg voor het openbaar maken van de adviezen van de Raad, bedoeld in artikel 15a, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, alsmede voor een schriftelijke reactie op deze adviezen.

2.

Openbaarmaking van de adviezen geschiedt te zamen met openbaarmaking van de schriftelijke reactie.

3.

Openbaarmaking blijft achterwege:

4.

De Raad doet in de adviezen voorstellen omtrent de toepassing van de bepalingen van het derde lid.

Hoofdstuk II. De Afdeling bestuursrechtspraak

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 26
1.

Onze Minister wie het rechtstreeks aangaat draagt zorg voor het openbaar maken in de Staatscourant van

2.

Openbaarmaking van de adviezen, bedoeld in het eerste lid onder a, geschiedt tezamen met openbaarmaking van de aan de Afdeling advisering voorgelegde tekst en van het nader rapport aan Ons. Zij heeft plaats voor wat betreft

3.

Openbaarmaking van adviezen als bedoeld in het eerste lid, onder a, welke niet kan geschieden zoals voorzien in het tweede lid, alsmede openbaarmaking van adviezen als bedoeld in het eerste lid, onder b en van voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur als bedoeld in het eerste lid, onder c, geschiedt uiterlijk binnen dertig dagen nadat is beslist op het advies, de voordracht of een ander voorstel van de Afdeling advisering onderscheidenlijk op de voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur van die Afdeling. Daarbij worden, in voorkomend geval, mede openbaar gemaakt het nader rapport en de aan de Afdeling advisering voorgelegde tekst alsmede het koninklijk besluit, indien de openbaarmaking niet elders is geregeld. De openbaarmaking heeft plaats op de wijze, voorgeschreven in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur.

4.

Openbaarmaking blijft achterwege in de gevallen, bedoeld in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

5.

Actieve openbaarmaking kan achterwege blijven indien een advies als bedoeld in het eerste lid, onder a, zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

6.

De Afdeling advisering doet in haar adviezen, bedoeld in het eerste lid, voorstellen omtrent de toepassing van de bepalingen van het vierde of vijfde lid.

Artikel 27
1.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Staten-Generaal in verenigde vergadering dragen zorg voor het openbaar maken van de adviezen van de Afdeling advisering, bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk vierde lid, alsmede voor een schriftelijke reactie op deze adviezen.

2.

Openbaarmaking van de adviezen geschiedt tezamen met openbaarmaking van de schriftelijke reactie.

3.

Openbaarmaking blijft achterwege in de gevallen, bedoeld in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

4.

Actieve openbaarmaking kan achterwege blijven indien het advies zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

5.

De Afdeling advisering doet in de adviezen voorstellen omtrent de toepassing van de bepalingen van het derde of vierde lid.

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30
1.

De Raad kent een Afdeling bestuursrechtspraak.

2.

De Afdeling bestuursrechtspraak bestaat uit de leden, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst die in de Afdeling bestuursrechtspraak zijn benoemd.

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 32a

Vervallen

Artikel 32b

Vervallen

Artikel 32c

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 34a

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Titel II. Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak

§ 1. Beroep

Artikel 36

Vervallen door vernummering.

§ 2. Hoger beroep

Artikel 37

Vervallen door vernummering.

Artikel 38

Vervallen door vernummering.

Artikel 38a

Vervallen

Artikel 39

Vervallen door vernummering.

Artikel 39a
1.

In geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden veroordeeld. Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken, wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling gedaan tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Indien het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken, wordt het verzoek schriftelijk gedaan. De artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40

Vervallen door vernummering.

Artikel 41

Vervallen door vernummering.

Artikel 42
1.

De Afdeling bestuursrechtspraak vormt en bezet op voorstel van de voorzitter enkelvoudige en meervoudige kamers.

2.

De meervoudige kamers bestaan uit drie leden, van wie een als voorzitter optreedt.

3.

Leden van de Afdeling bestuursrechtspraak die niet voldoen aan het vereiste, gesteld in artikel 2, vierde lid, kunnen:

4.

Een lid van de Afdeling bestuursrechtspraak dat betrokken is geweest bij de totstandkoming van een advies van de Raad, neemt geen deel aan de behandeling van een geschil over een rechtsvraag waarop dat advies betrekking had.

Artikel 43
1.

De voorzitter van een meervoudige kamer doet in raadkamer hoofdelijk omvraag. De voorzitter maakt zelf als laatste zijn oordeel kenbaar.

2.

Ieder lid is verplicht aan de besluitvorming deel te nemen.

3.

Een afwezig lid kan zijn oordeel niet door een van de aanwezige leden doen voordragen of het schriftelijk uitbrengen.

Artikel 44

Het is de leden van de Afdeling bestuursrechtspraak en de ten behoeve van deze afdeling werkzame ambtenaren verboden:

Artikel 45
1.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten.

2.

Klachten zijn niet mogelijk ten aanzien van gedragingen waartegen ingevolge een wettelijk geregelde voorziening een procedure bij een rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan, dan wel beroep openstaat of heeft opengestaan tegen een uitspraak die in een zodanige procedure is gedaan. Klachten kunnen evenmin een rechterlijke beslissing betreffen.

3.

Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de zinsnede «of een ander» in artikel 9:1, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder bestuursorgaan wordt verstaan: de Afdeling bestuursrechtspraak.

4.

De regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 46
1.

Indien bij de Afdeling bestuursrechtspraak beroep kan worden ingesteld, is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen 8:1, eerste en tweede lid, 8:4, 8:5, 8:6, eerste lid, 8:7, 8:8, 8:9, 8:10 , 8:13 en 8:51a, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 8:86, eerste lid, slechts kan worden toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. Ook hierop worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, gewezen.

2.

De zaken die bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer.

3.

Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.

4.

Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.

5.

Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.

6.

De Afdeling bestuursrechtspraak kan het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.

Hoofdstuk III. Slotbepalingen

Artikel 47
1.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen bij de Afdeling bestuursrechtspraak hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet, tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het gerechtshof.

2.

Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:

3.

Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen:

Artikel 48
1.

De secretaris doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan.

2.

De griffier van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, zendt de gedingstukken met vier afschriften van het proces-verbaal van de zitting, voor zover dit op de zaak betrekking heeft, en vier afschriften van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de secretaris.

Artikel 77

Vervallen

Artikel 78

Vervallen

Artikel 79

Vervallen

Artikel 80

Vervallen

Artikel 81

Vervallen

Artikel 82

Vervallen

Artikel 83

Vervallen

Artikel 55a

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

Artikel 86

Vervallen

Artikel 87

Vervallen

Artikel 58a

Vervallen

Artikel 58b

Vervallen

Artikel 58c

Vervallen

Artikel 91

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 60a

Vervallen

Artikel 60b

Vervallen

Artikel 60c

Vervallen

Artikel 60d

Vervallen

Artikel 60e

Vervallen

Artikel 60f

Vervallen

Artikel 60g

Vervallen

Artikel 60h

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Artikel 62a

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

Artikel 67

Vervallen

Artikel 68

Vervallen

Artikel 69

Vervallen

Artikel 70

Vervallen

Artikel 71

Vervallen

Artikel 72

Vervallen

Artikel 73

Vervallen

Artikel 74

Vervallen

Artikel 75

Vervallen

Artikel 76

Vervallen

Artikel 77

Vervallen

Artikel 78

Vervallen

Artikel 79

Vervallen

Artikel 80

Vervallen

Artikel 81

Vervallen

Artikel 82

Vervallen

Artikel 83

Vervallen

Artikel 84

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

Artikel 86

Vervallen

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

Artikel 89

Vervallen

Artikel 90

Vervallen

Artikel 91

Vervallen

Artikel 92

Vervallen

Artikel 93

Vervallen

Artikel 94

Vervallen

Artikel 95

Vervallen

Artikel 96

Vervallen

Artikel 97

Vervallen

Artikel 98

Vervallen

Artikel 99

Vervallen

Artikel 100

Vervallen

Artikel 101

Vervallen

Artikel 102

Vervallen

Artikel 103

Vervallen

Artikel 104

Vervallen

Artikel 105

Vervallen

Artikel 106

Vervallen

Artikel 107

Vervallen

Artikel 108

Vervallen

Artikel 109

Vervallen

Artikel 110

Vervallen

Artikel 111

Vervallen

Artikel 112

Vervallen

Artikel 113

Vervallen

Artikel 114

Vervallen

Artikel 115

Vervallen

Artikel 116

Vervallen

Artikel 117

Vervallen

Artikel 118

Vervallen

Artikel 119

Vervallen

Artikel 120

Vervallen

Artikel 121

Vervallen

Artikel 122

Vervallen

Artikel 123

Vervallen

Artikel 124

Vervallen

Artikel 125

Vervallen

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 1. Samenstelling en taak

Artikel 6
1.

Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de vice-president en de leden in handen van de Koning de volgende eed (verklaring en belofte) af:

«Ik zweer (verklaar) dat ik, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, aan iemand iets heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, van niemand enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, dat ik het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal helpen onderhouden en mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onpartijdigheid zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(Dat verklaar en beloof ik»).

2.

Deze eed (verklaring en belofte) kan door de leden ook worden afgelegd in een vergadering van de Raad in handen van de vice-president, daartoe door de Koning gemachtigd.

Artikel 7a

De Raad is belast met de taken, bij de artikelen 35 en 38 van de Grondwet aan hem opgedragen.

Afdeling 2. Staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst

Artikel 9

De staatsraden hebben bij de vervulling van hun taak de bevoegdheden van een lid van de Raad.

Afdeling 3. De secretaris en de ambtenaren van staat

Afdeling 4. Overige bepalingen

Hoofdstuk II. De Afdeling advisering

Afdeling 1. Samenstelling en taak

Artikel 16a
1.

De Raad kent een Afdeling advisering.

2.

De Afdeling advisering bestaat uit:

3.

De leden van het koninklijk huis, bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, hebben zitting in de Afdeling advisering. Artikel 1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

De vice-president is voorzitter van de Afdeling advisering. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21a
1.

De Afdeling advisering dient op verzoek Onze Ministers dan wel een van beide kamers der Staten-Generaal van voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur.

2.

Indien voorlichting wordt gegeven aan een van beide kamers der Staten-Generaal, draagt deze kamer zorg voor de openbaarmaking, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel c.

Afdeling 2. Overige bepalingen

Artikel 27a
1.

Bij de voorbereiding van adviezen en ontwerp-besluiten beraadslaagt de Afdeling advisering met gesloten deuren.

2.

De Afdeling advisering beslist bij meerderheid van stemmen.

3.

Indien de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter der vergadering. Van die omstandigheid wordt in het advies melding gemaakt.

4.

De Afdeling advisering beslist niet, indien minder dan de helft van de leden van de Afdeling advisering aanwezig is.

Artikel 27b
1.

De adviezen zijn met redenen omkleed.

2.

Degene die in de vergadering van de Afdeling advisering een van de meerderheid afwijkende mening heeft kenbaar gemaakt, kan een afzonderlijk advies uitbrengen.

3.

Dit advies wordt bij het advies van de Afdeling advisering gevoegd.

Artikel 27c
1.

De voorzitter regelt de werkzaamheden van de Afdeling advisering.

2.

De regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

Artikel 27d
1.

Bij de voorbereiding van:

3.

Een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen ambtenaar kan bij de beraadslaging aanwezig zijn om inlichtingen te geven.

4.

Ambtsberichten en andere door Onze Minister aangewezen stukken zijn niet openbaar.

5.

Het ontwerp van een koninklijk besluit tot vernietiging is niet openbaar.

Artikel 27e

De vice-president, de leden, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst nemen geen deel aan de beraadslagingen en stemmen niet mee, indien daardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Hoofdstuk III. De Afdeling bestuursrechtspraak

Afdeling 1. Samenstelling en taak

Artikel 30a
1.

Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt uit de leden van de afdeling bestuursrechtspraak die voldoen aan het vereiste, gesteld in artikel 2, vierde lid, een voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak benoemd. Voor de benoeming doet de Raad een aanbeveling, de afdeling bestuursrechtspraak gehoord.

2.

De benoeming geldt voor het leven. Zij kan slechts op verzoek van de voorzitter worden ingetrokken en vervalt in geval van ontslag als lid van de Raad.

3.

De voorzitter kan worden vervangen door een ander lid van de Afdeling bestuursrechtspraak dat voldoet aan het vereiste, gesteld in artikel 2, vierde lid.

4.

De voorzitter is lid van de Raad van State, zo nodig in afwijking van artikel 1, eerste lid.

5.

De voorzitter regelt de werkzaamheden van de Afdeling bestuursrechtspraak.

6.

De daartoe door de voorzitter schriftelijk aangewezen ambtenaren verrichten de werkzaamheden die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen.

Artikel 30b

De Afdeling bestuursrechtspraak is belast met de berechting van de bij de wet aan haar opgedragen geschillen.

Afdeling 2. Overige bepalingen

Afdeling 3. Beroep en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak

Artikel 49
1.

Op het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:13, 8:41, 8:51a, eerste lid, 8:74 en 8:82, van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald. Artikel 8:86, eerste lid, kan slechts worden toegepast indien een enkelvoudige kamer van de rechtbank uitspraak op het beroep heeft gedaan.

2.

De zaken die bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer.

3.

Indien een zaak die door een enkelvoudige kamer van de rechtbank is behandeld naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.

4.

Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.

5.

Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.

6.

De Afdeling bestuursrechtspraak kan het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.

Artikel 50
1.

In geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden veroordeeld. Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken, wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling gedaan tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Indien het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken, wordt het verzoek schriftelijk gedaan. De artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 51
1.

Van de indiener van het beroepschrift wordt door de secretaris een griffierecht geheven. Indien de uitspraak van de rechtbank, voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld, betrekking heeft op meer dan één besluit of indien het een gezamenlijk beroepschrift van twee of meer indieners ter zake van dezelfde uitspraak betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. In die gevallen bedraagt het griffierecht het hoogste op grond van het tweede lid ter zake van een van de besluiten onderscheidenlijk door een van de indieners verschuldigde griffierecht.

2.

Het griffierecht bedraagt:

3.

Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank wordt in stand gelaten, wordt van het bestuursorgaan een griffierecht geheven van € 454.

4.

De secretaris wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de secretarie dan wel ter secretarie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5.

Indien het hoger beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door het bestuursorgaan. In de overige gevallen kan het bestuursorgaan, indien het hoger beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.

6.

De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

7.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om herziening.

Artikel 52
1.

Van de verzoeker om een voorlopige voorziening wordt door de secretaris een griffierecht geheven. Artikel 51, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Artikel 51, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt. De voorzitter kan een kortere termijn stellen.

3.

Indien het verzoek wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de voorzitter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het betaalde griffierecht door de secretaris terugbetaald. In de overige gevallen kan het bestuursorgaan, indien het verzoek wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.

4.

De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door het door de voorzitter aangewezen bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

5.

Indien het verzoek is gedaan door het bestuursorgaan en het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de secretaris aan het bestuursorgaan wordt terugbetaald.

6.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening dat wordt gedaan nadat een verzoek om herziening is gedaan.

Artikel 53

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

Artikel 54
1.

Indien de Afdeling bestuursrechtspraak de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht door het door de Afdeling bestuursrechtspraak aangewezen bestuursorgaan wordt vergoed.

2.

In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk door het door de Afdeling bestuursrechtspraak aangewezen bestuursorgaan wordt vergoed.

Artikel 55
1.

De Afdeling bestuursrechtspraak wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien:

2.

De secretaris zendt de gedingstukken, onder medezending van een afschrift van de uitspraak, zo spoedig mogelijk aan de griffier van de rechtbank.

Artikel 56

In de gevallen, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel a, kan de Afdeling bestuursrechtspraak de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien zij naar haar oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.

Artikel 57

Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van oordeel is dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, kan zij de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.

Hoofdstuk IV. Slotbepalingen

Artikel 58
1.

Tegen de vice-president, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst kan noch een rechtsvervolging, noch een rechtsvordering worden ingesteld wegens hetgeen zij tijdens de beraadslaging in de Raad, de Afdeling advisering, de Afdeling bestuursrechtspraak of een kamer van die Afdeling bestuursrechtspraak hebben gezegd, dan wel daaraan schriftelijk hebben overgelegd.

2.

Artikel 42 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van overeenkomstige toepassing op de leden van de Afdeling bestuursrechtspraak, met dien verstande dat in plaats van «Onze Minister» steeds wordt gelezen: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 59

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Raad van State.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.