Wet van 12 december 1962, houdende een regeling betreffende het vorderen van zaken door de landsoverheid

Type Wet
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling vast te stellen betreffende het vorderen van zaken door de landsoverheid;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1
1.

Voor de toepassing van het bij en krachtens deze wet bepaalde worden onder zaken verstaan de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.

2.

Met betrekking tot vermogensrechten kan in dezelfde gevallen een vordering plaats vinden als met betrekking tot zaken. Voor zover geen andere regels zijn gegeven, is het bij en krachtens deze wet met betrekking tot zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

3.

Op grond van het bij en krachtens deze wet bepaalde is geen vordering toegelaten van enig recht dat betrekking heeft op

Artikel 2

De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzonderingen.

Artikel 3
1.

Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 3 a in werking worden gesteld.

2.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.

3.

Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.

Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 3a

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Al Onze Ministers zijn bevoegd, indien dit noodzakelijk is met het oog op de behartiging van belangen van tot hun zorg behorende aangelegenheden, ten behoeve van de Staat, andere lichamen of personen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van zaken te vorderen.

Artikel 4

De bekendmaking van een beschikking waarbij een Onzer Ministers machtiging verleent namens hem vorderingsbeschikkingen te ondertekenen, geschiedt door toezending of uitreiking aan de gemachtigde dan wel door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 5
1.

Onze Ministers gaan niet tot vordering over dan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat.

2.

Alvorens een beslissing omtrent vorderingen te nemen pleegt Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat overleg met Onze Ministers, tot wier zorg belangen, die door de vorderingen kunnen worden geraakt, behoren, tenzij de vereiste spoed dit niet toelaat.

Artikel 6

In vorderingsbeschikkingen kan aan daarbij aangewezen personen de verplichting worden opgelegd, om, voor zover hun dat feitelijk en rechtens mogelijk is, op de daarbij aangegeven plaats en tijd aan degene, te wiens behoeve de vordering geschiedt, de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van het gevorderde recht te verschaffen.

Artikel 7

In beschikkingen tot vordering van een recht tot gebruik van een zaak wordt de inhoud van dat recht omschreven.

Artikel 8
1.

Ingeval de vorderingsbeschikking door een gemachtigde is ondertekend, vermeldt zij de naam en de functie van de ondertekenaar alsmede de beschikking, waarbij de machtiging is verleend.

2.

Het niet inachtnemen van het eerste lid brengt nietigheid van de beschikking mede indien op deze nietigheid binnen één maand nadat de vordering is gedaan, een beroep wordt gedaan. Zodanig beroep kan niet worden gedaan door de Staat, noch door degene, te wiens behoeve de vordering is geschied.

Artikel 9
1.

De bekendmaking van een vorderingsbeschikking geschiedt door toezending of uitreiking:

2.

Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van de vorderingsbeschikking door middel van toezending of uitreiking van een exemplaar daarvan mededeling gedaan:

3.

Ingeval van vordering van het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van tot een zelfde groep behorende zaken, die bij verscheidene personen aanwezig zijn, kunnen de bekendmaking en de mededeling overeenkomstig het eerste en tweede lid worden vervangen door een algemene bekendmaking de beschikking. De beschikking wordt dan tevens zo spoedig mogelijk in de Staatscourant geplaatst.

4.

Van vorderingsbeschikkingen, die niet door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zijn vastgesteld, wordt aan deze afschrift gezonden.

Artikel 10
1.

Onze Minister die een vordering heeft gedaan, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de vordering.

2.

Een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden kan worden gegeven door Onze Minister die de vordering heeft gedaan.

Artikel 11
1.

Ingeval het eigendomsrecht op een zaak is gevorderd, gaat dit op degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, over op het tijdstip, waarop hij de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van dat recht verkrijgt, of, zo hij deze reeds heeft, op het voor dat geval in de vorderingsbeschikking te bepalen tijdstip.

2.

De in artikel 60 der Onteigeningswet (Stb. 1851, 125) bedoelde lasten en belastingen, waarmede de zaak is bezwaard, gaan bij de eigendomsovergang over op degene, te wiens behoeve de vordering is geschied. Overigens gaat de eigendom over, vrij van alle met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten, tenzij in de vorderingsbeschikking anders is bepaald.

Artikel 12

Ingeval een recht tot gebruik van een zaak is gevorderd, ontstaat dit recht voor degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, op het tijdstip, waarop hij de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van dat recht verkrijgt, of, zo hij deze reeds heeft, op het voor dat geval in de vorderingsbeschikking te bepalen tijdstip.

Artikel 13
1.

Zodra als gevolg van een vordering het eigendomsrecht is overgegaan of een recht tot gebruik is ontstaan, wordt daarvan door Onze Minister, die de vordering heeft gedaan, zo spoedig mogelijk een bewijsstuk opgemaakt.

2.

Het bewijsstuk verwijst naar de vorderingsbeschikking en bevat zo nodig de gegevens vereist met betrekking tot de inschrijving van stukken in de betrokken openbare registers, voor zover deze niet in de beschikking staan. Indien de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van het gevorderde recht is verschaft met toepassing van artikel 10, wordt hiervan in het bewijsstuk melding gemaakt.

3.

Een exemplaar van het bewijsstuk, mede ondertekend door degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, wordt, zo mogelijk, verstrekt aan ieder dergenen, aan wie een exemplaar van de vorderingsbeschikking is verstrekt. Van bewijsstukken, die niet door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zijn opgemaakt, wordt aan deze afschrift gezonden.

Artikel 14
1.

Ingeval een registergoed of een recht waarvan de overdracht slechts na inschrijving in openbare registers tegen derden werkt, is gevorderd, doet Onze Minister, die de vordering heeft gedaan, de vorderingsbeschikking en het krachtens artikel 13 opgemaakte bewijsstuk zo spoedig mogelijk in de betrokken openbare registers inschrijven.

2.

Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.

Artikel 15
1.

Degene te wiens behoeve de vordering is geschied, is gehouden de eigenaar, de beperkt gerechtigde, de pachter, de huurder, de huurkoper en de beslaglegger voor zover zij schade lijden, schadeloos te stellen. Het recht op schadeloosstelling van de pand- of hypotheekhouder en van de beslaglegger wordt echter uitgeoefend overeenkomstig de hun in artikel 229 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 455a en 507a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegekende rechten.

2.

De schadeloosstelling wordt, ingeval het eigendomsrecht op een zaak is gevorderd, vastgesteld met overeenkomstige toepassing, voor zover uit deze wet niet anders voortvloeit, van paragraaf 15.3.1 van de Omgevingswet en, ingeval het een roerende zaak betreft, tevens overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent te stellen aanvullende regelen. Zij wordt, ingeval een recht tot gebruik van een zaak is gevorderd, vastgesteld overeenkomstig bij zodanige maatregel daaromtrent te stellen regelen.

3.

De Staat is voor de betaling van de schadeloosstelling mede aansprakelijk.

Artikel 16
1.

Het bedrag van de aan iedere rechthebbende te betalen schadeloosstelling wordt, zo mogelijk, door Onze Minister, die de vordering heeft gedaan, degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, en de rechthebbende in onderling overleg vastgesteld.

2.

Nadat overeenstemming is bereikt, wordt een bewijsstuk, waarin het overeengekomene wordt vastgelegd, opgemaakt en door degenen, die aan het overleg hebben deelgenomen, ondertekend. Van dit bewijsstuk ontvangt elk een exemplaar.

Artikel 17
1.

De vaststelling van het bedrag van de schadeloosstelling, te betalen aan rechthebbenden met wie daarover geen overeenstemming is bereikt of die niet aan het overleg hebben deelgenomen, geschiedt:

2.

Indien de betrokken onroerende zaak in het rechtsgebied van meer dan één rechtbank of kantonrechter is gelegen, geschiedt de vaststelling van het bedrag van de schadeloosstelling door een dier rechtbanken of kantonrechters, ter keuze van de meest gerede partij.

Artikel 18
1.

Het bedrag van de in artikel 17 bedoelde schadeloosstelling wordt door de rechter vastgesteld op verzoek van de rechthebbende, van degene, te wiens behoeve de vordering is geschied of van Onze Minister, die de vordering heeft gedaan. Het geding wordt door de verzoeker aanhangig gemaakt bij een in drievoud ingediend verzoekschrift, waarin de namen en adressen van de overige in dit lid bedoelde partijen zijn vermeld, alsmede het bedrag van de schadeloosstelling, waarvan vaststelling wordt verlangd.

2.

Indien het verzoekschrift aan de kantonrechter is gericht, bepaalt deze de dag en het uur waarop de zaak ter terechtzitting zal dienen; indien het aan de rechtbank is gericht, bepaalt de rechtbank de dag waarop de zaak ter rolle zal worden uitgeroepen. Bedoelde dag zal niet later mogen worden gesteld dan drie weken na die, waarop het verzoekschrift ter griffie is ontvangen.

3.

De griffier geeft bij aangetekende brief van deze dagbepaling kennis aan de verzoeker en aan de overige partijen. Tussen de dag, waarop deze kennisgeving is verzonden en de in het tweede lid bedoelde dag moeten tenminste veertien dagen verlopen. Bij de kennisgeving aan de overige partijen wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.

4.

De in het derde lid bedoelde kennisgeving heeft ten opzichte van partijen de kracht van een dagvaarding.

5.

Tegen het vonnis is uitsluitend beroep in cassatie toegelaten.

6.

De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op het geding van toepassing voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

Artikel 19
1.

Degene, die als gevolg van een vordering het eigendomsrecht op een zaak of een beperkt recht, waaraan een zaak is onderworpen, heeft verkregen, mag die zaak of dat recht, zo de betrokken zaak onroerend is, binnen tien en anders binnen drie jaren daarna niet vervreemden alvorens die zaak of dat recht aan degene, die deze zaak of dat recht door de vordering heeft verloren, te koop te hebben aangeboden tegen een prijs, te bepalen in onderling overleg, dan wel bij gebreke van overeenstemming door de in artikel 17 bedoelde rechter.

2.

Niet inachtneming van het eerste lid tast de geldigheid van de vervreemding niet aan.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.