Wet van 21 februari 1963, houdende regelen met betrekking tot de vrijmaking van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen

Type Wet
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 130
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is op het gebied van de kernenergie en de ioniserende stralen een regeling te treffen, in het bijzonder ter bevordering van een goede ontwikkeling op het gebied van de vrijmaking van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen, zomede ter bescherming tegen de hieraan verbonden gevaren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en werkingssfeer

Artikel 1

1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid, onder b, bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 2

Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing op een verkenningsonderzoek, het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen voorzover dit plaatsvindt op het continentaal plat, bedoeld in de Mijnbouwwet.

Hoofdstuk II. De autoriteit nucleaire veiligheid en stralingsbescherming

Artikel 3

1.

Er is een Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming.

2.

De Autoriteit vervult haar taken in onafhankelijkheid.

3.

De Autoriteit heeft met betrekking tot nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, alsmede beveiliging en waarborgen tot taak:

4.

De Autoriteit heeft tot taak het deelnemen aan de omschrijving van voorschriften over nucleaire veiligheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, van Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PbEU 2009, L 172), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 (PbEU 2014, L 219).

Artikel 4

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de Autoriteit in het belang van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming of beveiliging bij verordening regels kan stellen met betrekking tot organisatorische of technische onderwerpen.

2.

De Autoriteit stelt een verordening niet vast dan nadat van het ontwerp op geschikte wijze kennis is gegeven en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen een bij die bekendmaking door de Autoriteit vast te stellen termijn van ten minste vier weken na de dag waarop de kennisgeving is gedaan, zienswijzen schriftelijk ter kennis van de Autoriteit te brengen.

Artikel 5

1.

De Autoriteit bestaat uit minimaal twee en maximaal drie leden, onder wie de voorzitter.

2.

Benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid of ervaring, die nodig is voor de uitoefening van de taken van de Autoriteit.

3.

De leden worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de Autoriteit kan een lid van de Autoriteit bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar.

4.

In het geval van een vacature vormen de overige leden, in afwijking van het eerste lid, de Autoriteit.

5.

Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen heeft een lid geen financiële of andere belangen waardoor zijn onpartijdigheid in het geding kan zijn.

6.

Een lid kan niet tevens zijn een aan een minister ondergeschikte ambtenaar.

7.

Het lidmaatschap van de Autoriteit wordt aangewezen als een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

Artikel 6

1.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt, schorst en ontslaat de leden van de Autoriteit.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu doet mededeling van een besluit tot ontslag in de Staatscourant. De redenen van het ontslag worden in die mededeling openbaar gemaakt indien de betrokkene daarom verzoekt.

Artikel 7

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt de bezoldiging of schadeloosstelling van leden van de Autoriteit vast.

Artikel 8

De Autoriteit stelt procedures vast ter voorkoming of oplossing van belangenconflicten bij de uitoefening van haar taken.

Artikel 9

1.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt voldoende financiële middelen ter beschikking aan de Autoriteit ter uitoefening van haar taken.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu neemt in zijn begroting de Autoriteit als afzonderlijke begrotingspost op en voorziet deze post van een toelichting.

Artikel 9a

Vervallen

Artikel 10

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt ten behoeve van de uitvoering van haar taken, voldoende en gekwalificeerd personeel ter beschikking aan de Autoriteit.

Artikel 11

Onverminderd artikel 18, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zendt de Autoriteit het jaarverslag, naast aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, tevens aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie.

Artikel 12

1.

Onverminderd artikel 20, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen verstrekt de Autoriteit desgevraagd naast aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu tevens aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie alle voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Zij kunnen inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

2.

Onze Ministers kunnen gezamenlijk nadere regels vaststellen over de verstrekking van gegevens of inlichtingen van de Autoriteit aan Onze Ministers en van Onze Ministers aan de Autoriteit.

Hoofdstuk III. Splijtstoffen, ertsen en inrichtingen

Afdeling 1. Registratie van splijtstoffen en ertsen

Artikel 13

1.

Er is een register, waarin worden ingeschreven de gegevens van splijtstoffen, ertsen en andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten, waarvan overeenkomstig artikel 14 aangifte is gedaan.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de inrichting van het register geregeld en worden de gevallen aangewezen, waarin inlichtingen uit het register kunnen worden verstrekt.

3.

De Autoriteit is belast met het beheer van het register en de verstrekking van inlichtingen daaruit.

Artikel 14

1.

Ieder, die met inachtneming van deze wet splijtstoffen of ertsen of andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten vervoert, voorhanden heeft, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, dan wel zich daarvan ontdoet, is verplicht daaromtrent administratie te voeren en ten behoeve van de in artikel 13 bedoelde inschrijving aangifte te doen, een en ander in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en overeenkomstig bij de maatregel te stellen regelen.

2.

Ieder, die de aanwezigheid van ertsen of andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten in de bodem heeft vastgesteld, is verplicht in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en overeenkomstig bij de maatregel te stellen regelen daarvan ten behoeve van de in artikel 13 bedoelde inschrijving aangifte te doen.

Afdeling 2. Vergunningen

Artikel 15

Het is verboden zonder vergunning van de Autoriteit:

Artikel 15a

1.

Met ingang van 31 december 2033 vervalt de op grond van artikel 15, onder b, verleende vergunning voor het in werking houden van de in 1973 in werking gebrachte kernenergiecentrale Borssele, voorzover het betreft het vrijmaken van kernenergie.

2.

Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, voor het vrijmaken van kernenergie in de in het eerste lid genoemde inrichting na het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt, onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, buiten behandeling gelaten.

Artikel 15aa

Indien een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, voor het wijzigen van een inrichting wordt aangevraagd en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, is artikel 5.43, eerste en vierde lid, van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. De Autoriteit kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 18a of artikel 19 van deze wet.

Artikel 15b

1.

De vergunning kan slechts worden geweigerd in het belang van:

2.

Onverminderd het eerste lid kan een vergunning voor het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, worden geweigerd, indien de in de aanvraag beschreven techniek voor het vrijmaken van kernenergie, het vervaardigen, bewerken of verwerken van splijtstoffen dan wel het opslaan van splijtstoffen in de inrichting naar het oordeel van de Autoriteit bij het in werking brengen van de inrichting zal zijn verouderd.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen naast de in het eerste lid bedoelde belangen andere belangen worden aangewezen.

4.

Indien Wij niet binnen drie maanden na het in werking treden van een algemene maatregel van bestuur als in het derde lid bedoeld aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een voorstel van wet hebben doen toekomen tot wijziging van deze wet overeenkomstig die maatregel of indien zodanig voorstel wordt ingetrokken of verworpen, trekken Wij de maatregel onverwijld in.

Artikel 15c

1.

In een vergunning wordt duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft. De aanvraag om de vergunning maakt deel uit van de vergunning, voor zover dat in de vergunning is aangegeven.

2.

Een vergunning kan ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen onder beperkingen worden verleend.

3.

Aan een vergunning worden, met inachtneming van de dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels, de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15 b aangewezen belangen. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

4.

Voor zover ten aanzien van de betrokken splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen regels gelden krachtens artikel 21, kunnen de voorschriften daarvan alleen afwijken, voor zover dat bij die regels is toegestaan.

Artikel 15d

1.

De aan een vergunning te verbinden voorschriften geven de doeleinden aan, die de vergunninghouder ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

2.

Voor zover dit naar het oordeel van de Autoriteit noodzakelijk is, kunnen de voorschriften inhouden dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen moeten worden toegepast.

Artikel 15e

1.

Aan een vergunning kunnen ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen andere dan de in artikel 15d bedoelde voorschriften worden verbonden.

2.

Een voorschrift kan de verplichting inhouden dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde, daarbij aangegeven onderwerpen moet worden voldaan aan nadere eisen die door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld. Bij het voorschrift kan worden aangegeven hoe die eisen door het betrokken bestuursorgaan moeten worden bekendgemaakt. Bij het stellen van een nadere eis wordt het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat.

Artikel 16

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de wijze, waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden, en de gegevens, welke van de aanvrager kunnen worden verlangd.

2.

Bij of krachtens de maatregel wordt in ieder geval bepaald dat de aanvrager in gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, dat tevens is aan te merken als het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit een bouwactiviteit of het in stand houden van een bouwwerk, of een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, indien de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit of het in stand houden van een bouwwerk of een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit:

Artikel 17

1.

Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 15 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing en zijn paragraaf 16.2.2 van de Omgevingswet, artikel 5.7, vierde lid, van de Omgevingswet en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij hetgeen in de artikelen 17a tot en met 20a van deze wet is bepaald, in acht wordt genomen.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn de in dat lid genoemde onderdelen van de Algemene wet bestuursrecht, van de Omgevingswet en van de Wet milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen op de aanvraag om een vergunning krachtens:

In gevallen als bedoeld in de eerste volzin is met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet, paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning.

3.

Gevallen als bedoeld in het tweede lid, onder c, zijn die gevallen:

4.

In afwijking van het eerste lid zijn de in dat lid genoemde onderdelen van de Algemene wet bestuursrecht, van de Omgevingswet en van de Wet milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen op de aanvraag om een wijziging van een vergunning krachtens artikel 15, onder b of c:

Artikel 17a

Bij algemene maatregel van bestuur worden de bestuursorganen aangewezen, die - anders dan als adviseurs - bij de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag worden betrokken. Bij de maatregel kunnen bestuursorganen worden aangewezen, die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.

Artikel 18

Vervallen

Artikel 18a

1.

De Autoriteit beziet regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van mensen, dieren, planten en goederen.

2.

De Autoriteit wijzigt de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming daarvan verder kunnen worden beperkt.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van handelingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

4.

Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 15b tot en met 15e van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19

1.

De Autoriteit kan beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen.

2.

Een ieder, met uitzondering van de vergunninghouder, kan de Autoriteit verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen met toepassing van het eerste lid te wijzigen.

3.

Op aanvraag van de vergunninghouder kan de Autoriteit beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

4.

In een geval als bedoeld in artikel 15b, vierde lid, trekt de Autoriteit zo spoedig mogelijk nadat de betrokken algemene maatregel van bestuur is ingetrokken, de ingevolge die maatregel aan een vergunning verbonden voorschriften in. Tot het tijdstip waarop de beschikking tot intrekking van kracht wordt, blijven de voorschriften gelden.

Artikel 20

1.

Op de voorbereiding van een beschikking krachtens artikel 18a, tweede lid, of artikel 19, eerste, tweede of derde lid, is – tenzij het een geval betreft als bedoeld in artikel 17, tweede lidafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing en zijn paragraaf 16.2.2 van de Omgevingswet, artikel 5.7, vierde lid, van de Omgevingswet en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien een verzoek wordt gedaan als bedoeld in artikel 19, tweede lid, stelt de Autoriteit de houder van de betrokken vergunning daarvan in kennis. Deze wordt voor zover zijn belang dat vordert, mede als verzoeker beschouwd.

Artikel 20a

1.

De Autoriteit kan de vergunning intrekken indien dat ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen noodzakelijk is.

2.

Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing en zijn paragraaf 16.2.2 van de Omgevingswet, artikel 5.7, vierde lid, van de Omgevingswet en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, tenzij het een geval betreft als bedoeld in artikel 17, tweede lid.

3.

De Autoriteit kan een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, tevens intrekken wanneer de ontmanteling van die inrichting is voltooid.

Artikel 21

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen regels worden gesteld met betrekking tot daartoe bij de maatregel aangewezen categorieën van splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen dan wel onderdelen van inrichtingen of uitrustingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de bij artikel 15 gestelde verboden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen niet gelden met betrekking tot splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de buitengebruikstelling en ontmanteling van bij of krachtens die maatregel aangewezen categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

4.

Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de bij of krachtens artikel 5.34, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet gestelde regels over activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van die wet, alsmede artikel 13.5, eerste tot en met vijfde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij toepassing van het tweede lid het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen, die de inrichting veroorzaakt.

5.

Indien bij een maatregel krachtens het eerste lid tevens toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan de verplichting worden opgelegd tot het melden van de handelingen ten aanzien waarvan de bij artikel 15 gestelde verboden niet gelden.

6.

De artikelen 4.4, eerste lid, 4.5 en 4.22, tweede lid, van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen.

Afdeling 3. Inbezitneming van splijtstoffen en ertsen

Artikel 22

1.

Ieder, die zonder daartoe bevoegd te zijn splijtstoffen of ertsen, dan wel stoffen, waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het splijtstoffen of ertsen zijn, onder zich heeft of krijgt, is verplicht daarvan terstond aangifte te doen bij de Autoriteit.

2.

De Autoriteit geeft van de gedane aangifte kennis aan de burgemeester van de gemeente, waar die goederen zich bevinden.

3.

De Autoriteit is bevoegd met betrekking tot ongeoorloofd aanwezig bevonden splijtstoffen en ertsen en de voorwerpen, welke tot hun verpakking of berging dienen of hebben gediend, een last onder bestuursdwang op te leggen.

4.

Door toepassing van bestuursdwang in bezit genomen goederen worden overgedragen aan een door de Autoriteit aan te wijzen instelling of persoon. Deze doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing.

Artikel 23

1.

Hij, die bevoegd is de in bezit genomen splijtstoffen of ertsen onder zich te hebben, kan binnen drie maanden na de in artikel 22, vierde lid, bedoelde kennisgeving de afgifte van de in bezit genomen goederen vorderen bij een verzoekschrift, te richten tot de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de inbezitneming heeft plaats gevonden.

2.

De rechtbank behandelt het verzoek overeenkomstig de bepalingen van de zesde afdeling van Titel I van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering en beslist zo spoedig mogelijk bij met redenen omklede beschikking.

Artikel 24

1.

Ingeval niet binnen de in artikel 23, eerste lid, genoemde termijn een verzoekschrift is ingediend of ingeval een krachtens dat lid gedaan verzoek ongegrond is verklaard, vervallen alle rechten op de in bezit genomen goederen aan de staat, met uitzondering van de rechten, welke ingevolge internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties daarop rusten. De krachtens artikel 22, vierde lid, aangewezen instelling of persoon doet hiervan mededeling in de Staatscourant.

2.

Hij, wiens rechten ingevolge het eerste lid aan de staat zijn vervallen, kan binnen een jaar na de krachtens het eerste lid gedane kennisgeving deze rechten van de staat terugvorderen.

Artikel 25

Vervallen

Afdeling 3. Inbezitneming van splijtstoffen en ertsen

Artikel 26

1.

De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in dit hoofdstuk bedoeld wordt Ons gedaan, indien het betreft:

2.

Ten aanzien van bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 14, geregelde onderwerpen, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nadere regels stellen.

Hoofdstuk IV. Radioactieve stoffen en toestellen

Afdeling 1. Radioactieve stoffen

Artikel 28

Ieder die radioactieve stoffen bereidt, vervoert, voorhanden heeft, toepast, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, dan wel zich daarvan ontdoet, is verplicht daaromtrent een administratie te voeren, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.

Artikel 29

1.

Het is verboden zonder vergunning van de Autoriteit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen radioactieve stoffen of in daarbij aan te wijzen gevallen radioactieve stoffen te bereiden, te vervoeren, voorhanden te hebben, toe te passen, binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen, dan wel zich daarvan te ontdoen.

2.

Voor zover het bij of krachtens het eerste lid bepaalde afwijkt van bij of krachtens andere wetten gestelde regelen, blijven deze buiten toepassing.

Artikel 29a

1.

Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 29 zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 29:

In gevallen als bedoeld in de eerste volzin is met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwetparagraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning.

3.

De artikelen 15c, eerste lid, 16 en 17a zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

1.

Aan een vergunning worden met inachtneming van de dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur gestelde regelen de met het oog op de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen nodige voorschriften verbonden. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

2.

Zodanige voorschriften kunnen de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij het voorschrift zijn aangewezen, gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat.

3.

Een vergunning kan ter bescherming van de in het eerste lid genoemde belangen onder beperkingen worden verleend.

4.

De artikelen 18a tot en met 20a zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32

1.

Onverminderd het in artikel 29 bepaalde kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot radioactieve stoffen met het oog op de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen of in het belang van de beveiliging van die stoffen.

2.

Hiertoe kunnen behoren:

3.

Een algemene maatregel van bestuur, waarbij regelen als in het tweede lid, onder a, b of c, bedoeld worden gesteld, kan tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij de maatregel zijn aangewezen, aan de betrokkene gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat.

4.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan een verplichting worden opgelegd tot het melden van bij die maatregel aangewezen handelingen.

5.

Ten aanzien van het bepaalde in het vierde lid zijn de artikelen 4.4, eerste lid, 4.5 en 4.22, tweede lid, van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «Onze Minister» wordt verstaan: Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Infrastructuur en Milieu.

6.

Indien bij een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld wordt afgeweken van bij of krachtens andere wetten gestelde regelen, blijven deze in zoverre buiten toepassing.

Artikel 33

1.

Ieder, die zonder daartoe bevoegd te zijn radioactieve stoffen dan wel stoffen, waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het radioactieve stoffen zijn, onder zich heeft of krijgt, is verplicht daarvan terstond aangifte te doen bij de Autoriteit.

2.

De Autoriteit geeft van de gedane aangifte kennis aan de burgemeester van de gemeente, waar die goederen zich bevinden.

3.

De krachtens artikel 58, eerste lid, onderdeel b, aangewezen ambtenaren en de Autoriteit zijn bevoegd met betrekking tot ongeoorloofd aanwezig bevonden radioactieve stoffen en de voorwerpen, welke tot hun verpakking of berging dienen of hebben gediend, een last onder bestuursdwang op te leggen.

4.

Door toepassing van bestuursdwang in bezit genomen goederen worden overgedragen aan een door de Autoriteit aan te wijzen instelling of persoon. Deze doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing.

5.

De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Toestellen

Artikel 34

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen regelen worden gesteld betreffende toestellen.

2.

Hiertoe kunnen behoren:

3.

In geval van toepassing van het tweede lid, onder b, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing, voor zover dat bij die regelen is bepaald. De artikelen 15c, eerste lid, 16, eerste lid, en 17a zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Een vergunning als bedoeld in het tweede lid, onder b, kan ter bescherming tegen nadelige gevolgen voor mensen, dieren, planten of goederen onder beperkingen worden verleend.

5.

Aan een vergunning als in het tweede lid, onder b, bedoeld kunnen voorschriften worden verbonden. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

6.

Zodanige voorschriften kunnen, voor zover bij de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij het voorschrift zijn aangewezen, gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat.

7.

De artikelen 18a tot en met 20a zijn van overeenkomstige toepassing.

8.

Een algemene maatregel van bestuur, waarbij regelen als in het tweede lid, onder c, d of e, bedoeld worden gesteld, kan tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij de maatregel zijn aangewezen, aan de betrokkene gestelde nadere eisen. Het vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

9.

Indien bij een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld wordt afgeweken van bij of krachtens andere wetten gestelde regelen, blijven deze in zoverre buiten toepassing.

Afdeling 3. Algemeen

Artikel 35

De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur krachtens dit hoofdstuk wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de maatregel betrekking heeft op medische stralingstoepassingen, wordt de voordracht mede door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedaan.

Hoofdstuk V. Maatregelen met betrekking tot werkzaamheden of verblijf in ruimten

Artikel 36

1.

Indien ten aanzien van een inrichting als in artikel 15, onder b, bedoeld of ten aanzien van een uitrusting als in dat artikel, onder c, bedoeld, welke in een vaartuig of ander vervoermiddel is of wordt aangebracht, dan wel ten aanzien van splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen of toestellen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde is gehandeld, kunnen de krachtens artikel 58, eerste lid, aangewezen ambtenaren, ingeval dit handelen naar hun oordeel ten gevolge heeft, dat personen door het verrichten van werkzaamheden in bepaalde ruimten of door het verblijf in die ruimten zich aan een aanmerkelijk gevaar blootstellen, de betrokkene bij beschikking bevelen een ieder, dan wel personen, behorende tot daarbij aangewezen categorieën, te beletten werkzaamheden in die ruimten te verrichten of aldaar te verblijven.

2.

De ambtenaar, die een beschikking krachtens het eerste lid heeft vastgesteld, kan - zo nodig met behulp van de sterke arm - alle maatregelen treffen, die hij ter verzekering van de uitvoering van de beschikking nodig acht.

3.

Een krachtens het eerste lid vastgestelde beschikking heeft een werkingsduur van één week, tenzij vóór het verstrijken van die termijn door de Autoriteit anders is bepaald.

Hoofdstuk Va. Metingen radioactiviteit en bedrijfsvoering

Artikel 37

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld betreffende het meten van doses ioniserende straling en het bepalen van radioactieve besmetting, zomede betreffende de registratie daarvan.

2.

Hiertoe kunnen behoren:

Artikel 37a

1.

De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in artikel 37 bedoeld wordt gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en, indien het een maatregel betreft met het oog op de arbeidsbescherming dan wel de medische aspecten van bescherming tegen ioniserende straling, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderscheidenlijk Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2.

Ten aanzien van bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens het eerste lid, geregelde onderwerpen kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en, indien het een maatregel betreft met het oog op de arbeidsbescherming dan wel medische aspecten van bescherming tegen ioniserende straling, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderscheidenlijk Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nadere regels stellen.

Artikel 37b

1.

Indien naar het oordeel van de Autoriteit de bedrijfsvoering van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, ernstige tekortkomingen vertoont, treft zij alle maatregelen die zij met het oog op de omstandigheden geboden achten.

2.

Tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen behoren het treffen van de nodige technische, organisatorische, personele en administratieve voorzieningen.

3.

Indien de inrichting in gebruik is dan wel is bestemd voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, oefent de Autoriteit haar bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, onderscheidenlijk de verantwoordelijke autoriteit van de desbetreffende mogendheid.

Hoofdstuk V. Maatregelen met betrekking tot werkzaamheden of verblijf in ruimten

Afdeling 1. Inleidende bepalingen

Artikel 38

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 38a

1.

Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat zijn verantwoordelijk voor de voorbereiding van interventies en voor de coördinatie en uitvoering daarvan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent deze voorbereiding, uitvoering en coördinatie regels worden gesteld.

2.

De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan door Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat.

Artikel 39

1.

Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich een ongeval voordoet met een categorie A- of B-object is verplicht dit terstond te melden aan de burgemeester van de gemeente, waar hij zich bevindt en aan de Autoriteit.

2.

De exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, verschaft de burgemeester en de Autoriteit, al of niet op hun verzoek, onverwijld alle informatie die bij de uitoefening van hun taak nodig is.

Afdeling 2. Organisatie en coördinatie

Artikel 40

1.

Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat, zijn verantwoordelijk voor de voorbereiding van de organisatie ten behoeve van een doelmatige bestrijding van ongevallen binnen of buiten Nederland met categorie A-objecten en voor de coördinatie van die bestrijding. Zij bevorderen voorts in het bijzonder het houden van oefeningen en de totstandkoming van afspraken, die nodig zijn voor een doelmatige bestrijding van deze ongevallen.

2.

Het bestuur van de veiligheidsregio is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de organisatie ten behoeve van een doelmatige bestrijding van ongevallen met categorie B-objecten. De burgemeester is verantwoordelijk voor de coördinatie van die bestrijding.

Artikel 41

De voorbereiding door het bestuur van de veiligheidsregio van de bestrijding van ongevallen met categorie A-objecten en categorie B-objecten geschiedt overeenkomstig paragraaf 3 van de Wet veiligheidsregio’s. Bij de voorbereiding houdt het bestuur van de veiligheidsregio rekening met de, overeenkomstig artikel 40, eerste lid, tot stand gekomen afspraken.

Artikel 42

1.

Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister wie het aangaat, gelet op de meer dan plaatselijke betekenis van een ongeval met een categorie B-object, zoveel mogelijk na overleg met de burgemeester van de gemeente waar zich dat ongeval heeft voorgedaan en de voorzitter van de veiligheidsregio, besluiten dat een ongeval met een categorie B-object wordt bestreden als een ongeval met een categorie A-object.

2.

De burgemeester van de gemeente waar zich dat ongeval heeft voorgedaan, of de voorzitter van de veiligheidsregio kan Onze Minister verzoeken gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 3. Informatieverstrekking

Artikel 43

1.

Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat, dragen er zorg voor dat de Nederlandse bevolking op passende wijze informatie wordt verstrekt over mogelijke ongevallen met een categorie A-object, de maatregelen ter voorkoming en bestrijding daarvan, daaronder begrepen maatregelen ter bescherming van de gezondheid, en de bij deze ongevallen te volgen gedragslijn.

2.

De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op:

3.

De verschaffing van de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, geschiedt ten minste één maal per jaar en daarnaast wanneer in de beschreven maatregelen significante wijzigingen worden aangebracht. Voor zover nodig wordt de te verstrekken informatie dan bijgewerkt.

4.

De verschaffing van de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, geschiedt ten minste één maal per vijf jaar en daarnaast wanneer in de beschreven maatregelen significante wijzigingen worden aangebracht. Voor zover nodig wordt de te verstrekken informatie dan bijgewerkt.

5.

Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat verschaffen de informatie, bedoeld in het vierde lid, eerder en werken deze eerder bij, indien naar hun oordeel ontwikkelingen in de kennis over de veiligheid, over de beoordeling van risico’s of over een doelmatige ongevallenbestrijding hiertoe nopen.

Artikel 43a

1.

Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat, dragen er zorg voor dat de bevolking die wordt getroffen door een ongeval met een categorie A-object of door een ongeval met een categorie B-object dat krachtens artikel 42 als een ongeval met een categorie A-object wordt bestreden, onverwijld en bij herhaling doelmatige informatie wordt verstrekt over de te volgen gedragslijn en de maatregelen die zijn getroffen ter bestrijding van dat ongeval, daaronder begrepen maatregelen ter bescherming van de gezondheid.

2.

De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op:

Artikel 44

Onze Minister, Onze Minister wie het aangaat, en het bestuur van de veiligheidsregio dragen er zorg voor dat de personen werkzaam bij diensten of organisaties die kunnen worden ingeschakeld bij de bestrijding van een ongeval met een categorie A-object of van een ongeval met een categorie B-object dat krachtens artikel 42 als een ongeval met een categorie A-object wordt bestreden, regelmatig worden geïnformeerd over de tot deze categorie behorende ongevallen, over de risico’s die zij bij de uitvoering van hun taak lopen, en over de daarbij te nemen voorzorgsmaatregelen.

Artikel 45

1.

De verstrekking van informatie aan de bevolking en aan personen die bij de bestrijding van een ongeval met een categorie B-object zijn betrokken, geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7 en 46 van de Wet veiligheidsregio’s.

2.

Het bestuur van de veiligheidsregio draagt er zorg voor dat de door hem verstrekte informatie in overeenstemming is met de informatie, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onder a en b.

Afdeling 3. Informatieverstrekking

Artikel 46

1.

Indien zich een ongeval voordoet met een categorie A-object of met een categorie B-object dat krachtens artikel 42 als een ongeval met een A-object wordt bestreden, stelt Onze Minister wie het aangaat, regels of treft hij maatregelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, om de gevolgen van dat ongeval zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

2.

De in het eerste lid bedoelde regels en maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op:

3.

Onze Minister wie het aangaat, stelt geen regels en treft geen maatregelen dan na overleg met Onze Minister alsmede met de voorzitter van de veiligheidsregio en de commissaris van de Koning, die hierbij in het bijzonder betrokken zijn, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Artikel 47

1.

Indien zich een ongeval voordoet met een categorie A-object, als bedoeld in artikel 38, onderdeel c, onder 1° of 2°, kan de Autoriteit degene die het daarbij betrokken object onder zijn beheer heeft, bij beschikking bevelen de maatregelen te nemen die naar haar oordeel nodig zijn om de gevolgen van dat ongeval zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

2.

Tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen behoren het stilleggen van de betrokken inrichting, het buiten werking stellen van de betrokken uitrusting of het beëindigen van het verblijf van het betrokken vervoermiddel in Nederland.

3.

De burgemeester van de gemeente waar zich het ongeval heeft voorgedaan kan de Autoriteit verzoeken gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. Op dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk beschikt.

4.

Van een krachtens het eerste lid vastgestelde beschikking wordt mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de burgemeester van de gemeente, waar zich het ongeval heeft voorgedaan.

Artikel 48

1.

Indien zich een ongeval voordoet met een categorie A-object, als bedoeld in artikel 38, onderdeel c, onder 3°, kan Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie, degene die het daarbij betrokken object onder zijn beheer heeft, bij beschikking bevelen de maatregelen te nemen die naar zijn oordeel nodig zijn om de gevolgen van dat ongeval zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Artikel 47, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

De burgemeester van de gemeente waar zich het ongeval heeft voorgedaan, kan Onze Minister van Defensie verzoeken gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. Op dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk beschikt.

3.

Artikel 47, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 49

1.

De commissaris van de Koning, de burgemeester, de voorzitter van de veiligheidsregio en het dagelijks bestuur van het waterschap en van andere openbare lichamen verlenen, op verzoek van Onze Minister wie het aangaat, medewerking aan de uitvoering of handhaving van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde regels en maatregelen.

2.

Onze Minister wie het aangaat, geeft van de regels en maatregelen, bedoeld in artikel 46, eerste lid, onmiddellijk kennis aan de commissaris van de Koning, aan de burgemeester, aan de voorzitter van de veiligheidsregio en, voor zover nodig, aan het dagelijks bestuur van het waterschap en van andere openbare lichamen.

Artikel 49a

1.

Onze Minister wie het aangaat, trekt, zodra de omstandigheden dit toelaten, de regels in en beëindigt de getroffen maatregelen.

2.

Indien de krachtens artikel 46, eerste lid, gestelde regels of getroffen maatregelen met onmiddellijke ingang in werking moeten treden of van kracht moeten worden, kan met het oog daarop bekendmaking plaatsvinden door middel van de locale, regionale of landelijke omroep.

Artikel 49b

1.

De voorzitter van de veiligheidsregio kan naar aanleiding van een ongeval met een categorie A-object bij verordening voorschriften vaststellen of kan, zonodig met behulp van de sterke arm, maatregelen treffen om de gevolgen van dat ongeval zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De voorschriften en maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op de onderwerpen, bedoeld in artikel 46, tweede lid.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)