Wet van 21 februari 1963, houdende regelen met betrekking tot de vrijmaking van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen

Type Wet
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is op het gebied van de kernenergie en de ioniserende stralen een regeling te treffen, in het bijzonder ter bevordering van een goede ontwikkeling op het gebied van de vrijmaking van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen, zomede ter bescherming tegen de hieraan verbonden gevaren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en werkingssfeer

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid, onder b, bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 2

Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing op een verkenningsonderzoek, het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen voorzover dit plaatsvindt op het continentaal plat, bedoeld in de Mijnbouwwet.

Hoofdstuk II. De autoriteit nucleaire veiligheid en stralingsbescherming

Artikel 3
1.

Er is een Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming.

2.

De Autoriteit vervult haar taken in onafhankelijkheid.

3.

De Autoriteit heeft met betrekking tot nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, alsmede beveiliging en waarborgen tot taak:

4.

De Autoriteit heeft tot taak het deelnemen aan de omschrijving van voorschriften over nucleaire veiligheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, van Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PbEU 2009, L 172), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 (PbEU 2014, L 219).

Artikel 4
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de Autoriteit in het belang van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming of beveiliging bij verordening regels kan stellen met betrekking tot organisatorische of technische onderwerpen.

2.

De Autoriteit stelt een verordening niet vast dan nadat van het ontwerp op geschikte wijze kennis is gegeven en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen een bij die bekendmaking door de Autoriteit vast te stellen termijn van ten minste vier weken na de dag waarop de kennisgeving is gedaan, zienswijzen schriftelijk ter kennis van de Autoriteit te brengen.

Artikel 5
1.

De Autoriteit bestaat uit minimaal twee en maximaal drie leden, onder wie de voorzitter.

2.

Benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid of ervaring, die nodig is voor de uitoefening van de taken van de Autoriteit.

3.

De leden worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de Autoriteit kan een lid van de Autoriteit bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar.

4.

In het geval van een vacature vormen de overige leden, in afwijking van het eerste lid, de Autoriteit.

5.

Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen heeft een lid geen financiële of andere belangen waardoor zijn onpartijdigheid in het geding kan zijn.

6.

Een lid kan niet tevens zijn een aan een minister ondergeschikte ambtenaar.

7.

Het lidmaatschap van de Autoriteit wordt aangewezen als een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

Artikel 6
1.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt, schorst en ontslaat de leden van de Autoriteit.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu doet mededeling van een besluit tot ontslag in de Staatscourant. De redenen van het ontslag worden in die mededeling openbaar gemaakt indien de betrokkene daarom verzoekt.

Artikel 7

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt de bezoldiging of schadeloosstelling van leden van de Autoriteit vast.

Artikel 8

De Autoriteit stelt procedures vast ter voorkoming of oplossing van belangenconflicten bij de uitoefening van haar taken.

Artikel 9
1.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt voldoende financiële middelen ter beschikking aan de Autoriteit ter uitoefening van haar taken.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu neemt in zijn begroting de Autoriteit als afzonderlijke begrotingspost op en voorziet deze post van een toelichting.

Artikel 9a

Vervallen

Artikel 10

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt ten behoeve van de uitvoering van haar taken, voldoende en gekwalificeerd personeel ter beschikking aan de Autoriteit.

Artikel 11

Onverminderd artikel 18, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zendt de Autoriteit het jaarverslag, naast aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, tevens aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie.

Artikel 12
1.

Onverminderd artikel 20, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen verstrekt de Autoriteit desgevraagd naast aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu tevens aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie alle voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Zij kunnen inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

2.

Onze Ministers kunnen gezamenlijk nadere regels vaststellen over de verstrekking van gegevens of inlichtingen van de Autoriteit aan Onze Ministers en van Onze Ministers aan de Autoriteit.

Hoofdstuk III. Splijtstoffen, ertsen en inrichtingen

Afdeling 1. Registratie van splijtstoffen en ertsen

Artikel 13
1.

Er is een register, waarin worden ingeschreven de gegevens van splijtstoffen, ertsen en andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten, waarvan overeenkomstig artikel 14 aangifte is gedaan.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de inrichting van het register geregeld en worden de gevallen aangewezen, waarin inlichtingen uit het register kunnen worden verstrekt.

3.

De Autoriteit is belast met het beheer van het register en de verstrekking van inlichtingen daaruit.

Artikel 14
1.

Ieder, die met inachtneming van deze wet splijtstoffen of ertsen of andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten vervoert, voorhanden heeft, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, dan wel zich daarvan ontdoet, is verplicht daaromtrent administratie te voeren en ten behoeve van de in artikel 13 bedoelde inschrijving aangifte te doen, een en ander in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en overeenkomstig bij de maatregel te stellen regelen.

2.

Ieder, die de aanwezigheid van ertsen of andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten in de bodem heeft vastgesteld, is verplicht in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en overeenkomstig bij de maatregel te stellen regelen daarvan ten behoeve van de in artikel 13 bedoelde inschrijving aangifte te doen.

Afdeling 2. Vergunningen

Artikel 15

Het is verboden zonder vergunning van de Autoriteit:

Artikel 15a
1.

Met ingang van 31 december 2033 vervalt de op grond van artikel 15, onder b, verleende vergunning voor het in werking houden van de in 1973 in werking gebrachte kernenergiecentrale Borssele, voorzover het betreft het vrijmaken van kernenergie.

2.

Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, voor het vrijmaken van kernenergie in de in het eerste lid genoemde inrichting na het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt, onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, buiten behandeling gelaten.

Artikel 15aa

Indien een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, voor het wijzigen van een inrichting wordt aangevraagd en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, is artikel 5.43, eerste en vierde lid, van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. De Autoriteit kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 18a of artikel 19 van deze wet.

Artikel 15b
1.

De vergunning kan slechts worden geweigerd in het belang van:

2.

Onverminderd het eerste lid kan een vergunning voor het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, worden geweigerd, indien de in de aanvraag beschreven techniek voor het vrijmaken van kernenergie, het vervaardigen, bewerken of verwerken van splijtstoffen dan wel het opslaan van splijtstoffen in de inrichting naar het oordeel van de Autoriteit bij het in werking brengen van de inrichting zal zijn verouderd.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen naast de in het eerste lid bedoelde belangen andere belangen worden aangewezen.

4.

Indien Wij niet binnen drie maanden na het in werking treden van een algemene maatregel van bestuur als in het derde lid bedoeld aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een voorstel van wet hebben doen toekomen tot wijziging van deze wet overeenkomstig die maatregel of indien zodanig voorstel wordt ingetrokken of verworpen, trekken Wij de maatregel onverwijld in.

Artikel 15c

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.