Wet van 29 mei 1963, houdende nadere maatregelen ten aanzien van een Indonesisch pensioen in verband met de samenloop met pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of pensioen of uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet

Type Wet
Publication 2015-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere maatregelen te stellen ten aanzien van een Indonesisch pensioen in verband met de samenloop met een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of een pensioen of uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eerste Hoofdstuk Samenloop van Indonesisch pensioen met pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

Artikel 1a

Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen ouderdomspensioen van een gewezen overheidsdienaar die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.

Artikel 2
1.

Voor de toepassing van deze wet wordt het pensioen geacht te zijn berekend:

2.

Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt ten aanzien van pensioenen, als bedoeld in artikel 35 van de regeling voor het reserve-personeel van het leger in Nederlandsch-Indië (Ind. Stb. 1923, 518), de voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste diensttijd gesteld op 20 jaren.

3.

Diensttijd, waarnaar een of meer pensioenen worden geacht te zijn berekend, wordt geacht te zijn vervuld gedurende het tijdvak of de tijdvakken, welke door de gewezen overheidsdienaar of, indien het betreft een weduwenpensioen, degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, daadwerkelijk in dienstverhouding is of zijn doorgebracht en, voor zover de duur daarvan te boven gaande, geacht aan te sluiten bij het einde van de laatste dienstverhouding, waaraan recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip, waarop de gewezen overheidsdienaar of degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt, wordt die diensttijd, teruggerekend van dat tijdstip af, geacht te zijn vervuld voor zover mogelijk gedurende de tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van het eerste dienstverband waaraan recht op pensioen wordt ontleend.

4.

Het bepaalde in het voorgaande lid lijdt uitzondering ten aanzien van pensioenen als bedoeld in artikel 35 van de regeling voor het reserve-personeel van het leger in Nederlandsch-Indië, in dier voege, dat voor de vaststelling van het tijdvak gedurende hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, waarnaar een zodanig pensioen wordt geacht te zijn berekend, andere pensioenen buiten aanmerking worden gelaten.

5.

Tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling op grond van de Algemene Ouderdomswet, wordt, indien en voor zover die tijd samenvalt met het in lid 3 bedoelde tijdvak, van de in lid 1 bedoelde dienstjaren in mindering gebracht en voor de toepassing van artikel 4 buiten aanmerking gelaten.

Artikel 3
1.

Indien een tijdvak waarop het algemeen ouderdomspensioen moet worden geacht betrekking te hebben geheel of gedeeltelijk samenvalt met het tijdvak gedurende hetwelk diensttijd wordt geacht te zijn vervuld waarnaar een of meer aan betrokkene toekomende pensioenen worden geacht te zijn berekend, wordt over iedere maand, of gedeelte van een maand, gedurende welke betrokkene aanspraak heeft op algemeen ouderdomspensioen en op een of meer pensioenen de betaling van het pensioen of de pensioenen beperkt. Een weduwepensioen wordt beperkt vanaf de dag volgende op die van het overlijden van de gewezen overheidsdienaar aan wiens overlijden het recht op weduwepensioen wordt ontleend indien deze in het genot was van enige pensioenuitkering waarop een beperking werd toegepast en die niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.

2.

Indien een gehuwde vrouw die niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot aanspraak heeft op eigen pensioen, wordt met ingang van de dag waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt voor de toepassing van deze wet de diensttijd waarnaar dat pensioen moet worden geacht te zijn berekend slechts in aanmerking genomen, voorzover deze niet samenvalt met diensttijd waarnaar een aan de echtgenoot toekomend pensioen of toekomende andere uit hoofde van aanspraak op algemeen ouderdomspensioen verminderde pensioenuitkering moet worden geacht te zijn berekend.

3.

Het voorgaande lid vindt slechts toepassing op aanvraag van degene die aantoont dat aan de echtgenoot een pensioen of enig andere pensioenuitkering is toegekend die uit hoofde van zijn aanspraak op algemeen ouderdomspensioen wordt verminderd, waarbij de vermindering van de beperking ingaat op de dag waarop de bedoelde omstandigheid is opgetreden, doch uiterlijk een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 4
1.

De beperking van de uitbetaling van het pensioen of de pensioenen, bedoeld in artikel 3, wordt gerekend vanaf 1 januari 1963 gesteld op een bedrag dat gelijk is aan het deel van het algemeen ouderdomspensioen dat geacht kan worden betrekking te hebben op de tijd die samenvalt met de diensttijd waarnaar een of meer aan betrokkene toekomende pensioenen worden geacht te zijn berekend, met dien verstande dat de beperking van de uitbetaling, bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt berekend naar het algemeen ouderdomspensioen van een ongehuwde, dan wel het algemeen ouderdomspensioen van een gehuwde als dit pensioen minder bedraagt.

2.

Indien het bedrag dat aan een overheidsdienaar aan een of meer eigen pensioenen of aan een weduwe aan een of meer weduwenpensioenen is toegekend, per maand in totaal minder bedraagt dan 1/12 deel, onderscheidenlijk 5/84 deel, van het normbedrag, bedoeld in het derde lid, wordt het met toepassing van het eerste lid berekende bedrag van de beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller 40 maal het eerstbedoelde bedrag bedraagt en de noemer gelijk is aan het produkt van het aantal dienstjaren, waarnaar het pensioen of de pensioenen ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt of worden geacht te zijn berekend en 1/12 deel, onderscheidenlijk 5/84 deel, van het vorenbedoelde normbedrag.

3.

Het normbedrag is het ouderdomspensioen dat overeenkomstig de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die luidde op 31 december 1995, is berekend naar een diensttijd van 40 jaren en middelsom van berekeningsgrondslagen die gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel J 12 van die wet, en met inachtneming van artikel F 7 van die wet. De bedragen, bedoeld in de artikelen J 12 en F 7 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die luidden op 31 december 1995, worden met ingang van 1 januari 1996 bij ministeriële regeling aangepast overeenkomstig de aanpassing van de pensioenen voor overheidswerknemers in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP die werkzaam zijn geweest in de sector Rijk, aan een algemene bezoldigingswijziging.

4.

Indien het bedrag van de beperking dat is berekend volgens het tweede lid, hoger is dan het bedrag van de beperking dat is berekend volgens het eerste lid, wordt het bedrag van de beperking gesteld op het overeenkomstig het eerste lid berekende bedrag.

Artikel 4a

Voor de toepassing van de artikelen 3 en 4 geldt het volgende.

Artikel 5
1.

De beperking bedraagt, gerekend van 1 januari 1963 af, ten hoogste 80 ten honderd van het in artikel 26, eerste lid, onder a bedoelde volle algemeen ouderdomspensioen.

2.

Indien in het pensioen is begrepen een invaliditeitstoeslag als bedoeld in het eerste lid van artikel 2, wordt de uitbetaling van het pensioen niet verder beperkt dan tot het bedrag, waartoe het zou zijn beperkt, indien de betrokkene geen aanspraak op invaliditeitstoeslag zou hebben gehad.

Artikel 5a
1.

Op schriftelijk verzoek van degene, die aantoont, dat uit hoofde van zijn aanspraak op algemeen ouderdomspensioen mede een vermindering plaats vindt van enige andere pensioenuitkering, niet zijnde een pensioenuitkering als bedoeld in artikel A 2 en artikel J 14, vijfde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die luidden op 31 december 1995, wordt, voor zover de tijdvakken, gedurende welke wordt geacht te zijn vervuld de diensttijd, waarnaar het pensioen en de andere pensioenuitkering worden geacht te zijn berekend, samenvallen, het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het bedrag van de beperking van het pensioen.

2.

De in het voorgaande lid bedoelde vermindering van de beperking gaat in op de dag, waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, doch uiterlijk een jaar voor de maand, waarin het verzoek is ingediend.

3.

Ten aanzien van de vaststelling van het tijdvak gedurende hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd ter zake waarvan een andere pensioenuitkering als bedoeld in het eerste lid is toegekend, is het bepaalde in artikel 2 van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat indien de andere pensioenuitkering een naar diensttijd berekend weduwenpensioen is, deze diensttijd wordt geacht te zijn berekend als voor degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend. Indien voorts de andere pensioenuitkering niet of niet uitsluitend is berekend naar diensttijd, wordt deze geacht te zijn berekend naar een diensttijd die zich verhoudt tot 40 jaren, zoals het bedrag van die pensioenuitkering zich verhoudt tot het bedrag van die uitkering, indien het zou zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.