Wet van 30 mei 1963, houdende nieuwe regelen omtrent de visserij
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving op het gebied van de visserij aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder:
- a. "Onze Minister": Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- b. "De Kamer": de Kamer voor de Binnenvisserij bedoeld in artikel 45;
- c. "de rechthebbende op het visrecht": de gerechtigde tot vissen uit welken hoofde ook, behalve de houder van een schriftelijke toestemming, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, of van een schriftelijke toestemming, als bedoeld in artikel 21, tweede lid.
Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder "vis":
- a. vissen van de door Onze Minister aangewezen soorten en delen van deze vissen;
- b. schaal- en schelpdieren van de door Onze Minister aangewezen soorten, delen van deze dieren, alsmede zeesterren en zee- of koraalmos;
- c. kuit en broed van de onder a bedoelde vissen;
- d. broed en zaad van de onder b bedoelde schaal- en schelpdieren.
Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder "vissen":
- a. het te water brengen, te water hebben, lichten of ophalen van vistuigen alsmede het op enigerlei andere wijze pogen om vis uit het water te bemachtigen;
- b. het uitzetten en uitzaaien van vis als bedoeld in het tweede lid.
Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder:
- a. "visserijzone": zone bestaand uit de territoriale zee van Nederland, vastgesteld bij artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, voorzover deze betrekking heeft op het Europese deel van Nederland;
- b. "zeevisserij": het vissen in zee, met inbegrip van het vissen in de visserijzone en in daaraangrenzende, bij algemene maatregel van bestuur als zeegebied aangewezen wateren;
- c. "kustvisserij": het vissen in de bij algemene maatregel van bestuur als kustwater aangewezen wateren;
- d. "binnenvisserij": het vissen in de overige wateren van Nederland.
Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder:
"hengel": het vistuig bestaande uit een roede - al dan niet voorzien van een opwindmechanisme - een lijn of snoer - al dan niet voorzien van één of meer dobbers - en ten hoogste drie een-, twee- of drietandige haken;
"peur": het vistuig, bestaande uit een al dan niet aan een roede verbonden lijn of snoer zonder haak of haken waaraan een hoeveelheid wormen is bevestigd.
De in het tweede lid bedoelde aanwijzing geschiedt bij ministeriële regeling.
§ 2. De medewerking van bedrijfslichamen
Artikel 2
Vervallen
§ 3. Minimummaten, gesloten tijden, welzijnsregels en andere maatregelen in het belang van de visserij
Artikel 2a
Het is verboden vis van een kleinere afmeting dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor die vissoort bepaald, voorhanden of in voorraad te hebben, aan te voeren, te vervoeren, te koop aan te bieden, te vervreemden, af te leveren, te bewerken of te verwerken.
Het is verboden vis gedurende een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdvak, dat voor verschillende vissoorten verschillend kan worden vastgesteld, voorhanden of in voorraad te hebben, aan te voeren, te vervoeren, te koop aan te bieden, te vervreemden, af te leveren, te bewerken of te verwerken.
Vervallen.
Het bepaalde bij het eerste en het tweede lid vindt geen toepassing in de bij of krachtens de aldaar bedoelde algemene maatregelen van bestuur te bepalen gevallen.
Artikel 2b
Onze Minister is bevoegd ter voorkoming of bestrijding van ziekte onder de vis, regelen te stellen ten aanzien van het uitoefenen van de visserij.
Vervallen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vis mede begrepen de vissen, schaal- en schelpdieren van andere dan de overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aangewezen soorten.
Artikel 2c
Het is verboden vis te bedwelmen, te verwonden of te doden met bij ministeriële regeling aan te wijzen middelen.
Vervallen.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Deze ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Hij kan aan zodanige ontheffing voorschriften verbinden.
Hoofdstuk II. De registratie van vissersvaartuigen
Artikel 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende het registreren van en het voeren van lettertekens en nummers door vissersvaartuigen, welke bedrijfsmatig worden gebruikt voor de zeevisserij, de kustvisserij, de visserij op het IJsselmeer en andere bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren.
Hoofdstuk IIA. Naleving internationale verplichtingen
Artikel 3a
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen of verleende bevoegdheden regelen worden gesteld in het belang van de visserij.
Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.
De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen mede inhouden het opleggen van een verplichting aan hen die vis van een aanvoerder betrekken en hen, die hun bemiddeling verlenen bij het veilen van vis tot het voeren van een administratie en tot het doen van opgave aan een bij die voorschriften aangewezen autoriteit van de hoeveelheden vis door hen van een aanvoerder betrokken onderscheidenlijk aan hen ter veiling aangeboden.
Hoofdstuk III. De zeevisserij
Artikel 4
In het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder b, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit. Bij het stellen van zodanige regelen kan mede rekening worden gehouden met de belangen van de natuurbescherming.
Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.
De in het tweede lid bedoelde voorschriften kunnen mede inhouden het opleggen van een verplichting aan hen, die vis van een aanvoerder betrekken en hen, die hun bemiddeling verlenen bij het veilen van vis tot het voeren van een administratie en tot het doen van opgave aan een bij die voorschriften aangewezen autoriteit van de hoeveelheden vis door hen van een aanvoerder betrokken onderscheidenlijk aan hen ter veiling aangeboden.
Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt, indien deze regelen stelt met betrekking tot beperking van de vangstcapaciteit, aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel kan nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken in werking treden, tenzij binnen die termijn door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de maatregel te regelen onderwerp bij de wet zal worden geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven, dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsvoorstel in.
Onze Minister kan, indien hij overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging of intrekking van een maatregel als bedoeld in het vierde lid en naar zijn oordeel de goede werking van de desbetreffende maatregel een onmiddellijke voorziening eist, overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regelen stellen, en in het bestaande besluit vervatte regelen buiten werking stellen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Een regeling getroffen op grond van het vijfde lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de in het vierde lid bedoelde maatregel in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na de inwerkingtreding van de regeling. In het geval dat ingevolge het bepaalde in het vierde lid, het in de maatregel te regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld, blijft de regeling van kracht totdat de wet in werking treedt danwel totdat het voorstel van wet wordt ingetrokken of een van beide kamers tot niet-aanneming daarvan besluit.
Artikel 5
Het is verboden met vreemde vissersvaartuigen de visserij uit te oefenen in de wateren, gelegen binnen de visserijzone.
Het verbod geldt niet indien en voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dan wel uit internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties voortvloeit.
Hoofdstuk IV. De kustvisserij
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Het is verboden in een water, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, te vissen voor zover een ander rechthebbende is op het visrecht van dat water.
Het verbod van het eerste lid geldt niet:
- a. voor hem, die voorzien is van een schriftelijke toestemming van de rechthebbende, geldende voor de visserij, welke wordt uitgeoefend;
- b. voor hem, die de rechthebbende op het visrecht of de houder der schriftelijke toestemming behulpzaam is bij het vissen met een vistuig, dat niet door één persoon kan worden bediend;
- c. indien en voor zover het Rijk de rechthebbende op het visrecht is, behoudens in de gevallen bij algemene maatregel van bestuur bepaald;
- d. voor hem, die vist met ten hoogste twee hengels.
Artikel 8
Voor de geldigheid van een schriftelijke toestemming, als bedoeld in artikel 7, is vereist, dat deze in duidelijk leesbaar en niet door vegen uit te wissen schrift ten minste vermeldt: de naam, de voorletters en de woonplaats van de rechthebbende op het visrecht en van de houder, de geboortedatum van de houder, de omschrijving van het water en de visserij, waarvoor zij geldt, de dagtekening en de geldigheidsduur.
De geldigheidsduur van een schriftelijke toestemming eindigt in ieder geval na verloop van drie jaren na de dagtekening der schriftelijke toestemming.
Artikel 9
In het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit.
Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid, wordt mede rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming.
Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.
De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen mede inhouden het opleggen van een verplichting aan hen, die vis van een aanvoerder betrekken en hen, die hun bemiddeling verlenen bij het veilen van vis tot het voeren van een administratie en tot het doen van opgave aan een bij die voorschriften aangewezen autoriteit van de hoeveelheden vis door hen van een aanvoerder betrokken onderscheidenlijk aan hen ter veiling aangeboden.
De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, wordt Ons niet gedaan, dan nadat Onze Minister met naar het oordeel van Onze Minister daarvoor in aanmerking komende organisaties van sportvissers overleg heeft gepleegd.
Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt, indien deze regelen stelt met betrekking tot beperking van de vangstcapaciteit, aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel kan nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken in werking treden, tenzij binnen die termijn door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de maatregel te regelen onderwerp bij de wet zal worden geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven, dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsvoorstel in.
Onze Minister kan, indien hij overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging of intrekking van een maatregel als bedoeld in het zesde lid en naar zijn oordeel de goede werking van de desbetreffende maatregel een onmiddellijke voorziening eist, overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regelen stellen, en in het bestaande besluit vervatte regelen buiten werking stellen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Een regeling getroffen op grond van het zevende lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de in het zesde lid bedoelde maatregel in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na de inwerkingtreding van de regeling. In het geval dat ingevolge het bepaalde in het zesde lid, het in de maatregel te regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld, blijft de regeling van kracht totdat de wet in werking treedt danwel totdat het voorstel van wet wordt ingetrokken of een van beide kamers tot niet-aanneming daarvan besluit.
Hoofdstuk V. De binnenvisserij
Afdeling I
§ 1. Visakte
Artikel 10
Vervallen
Artikel 11
Vervallen
Artikel 12
Vervallen
Artikel 13
Vervallen
Artikel 14
Vervallen
Artikel 15
Vervallen
§ 3. Maatregelen in het belang van de visserij
Artikel 16
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het vissen in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, regelen worden gesteld:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.