Wet van 16 december 1964, houdende vervanging van het Besluit op de Loonbelasting 1940 door een nieuwe wettelijke regeling
Het tweede lid, onderdeel g, is niet van toepassing voor zover de vergoeding of verstrekking, al dan niet in het kader van een wijziging van de samenstelling van de tussen de werknemer en de inhoudingsplichtige overeengekomen beloning, in de plaats is gekomen van een ander loonbestanddeel.
Het tweede lid, onderdeel g, onder 2°, is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de voorziening een voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking van de desbetreffende werknemer gebruikelijke voorziening is.
Indien op een dag zowel naar een vaste plaats van werkzaamheden wordt gereisd als wordt thuisgewerkt kan voor die dag slechts een van de vergoedingen of verstrekkingen ter zake of in de vorm van vervoer in het kader van de dienstbetrekking naar een vaste plaats van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk thuiswerken in het kader van de dienstbetrekking als bedoeld in het tweede lid, onderdeel k, worden gegeven. Indien op een dag naar een vaste plaats van werkzaamheden wordt gereisd met een door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde auto als bedoeld in artikel 13bis, kan voor die dag niet een vergoeding of verstrekking ter zake of in de vorm van thuiswerken in het kader van de dienstbetrekking als bedoeld in het tweede lid, onderdeel k, worden gegeven.
Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het tweede lid, onderdeel k, genoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt, in afwijking van artikel 13, zesde lid, de ingevolge artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, in aanmerking te nemen waarde van verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, verminderd met het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van die verstrekkingen in totaal aan zijn werknemers in rekening heeft gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
Bij de bepaling van het in het derde lid bedoelde loon wordt buiten beschouwing gelaten:
- a. loon uit vroegere dienstbetrekking indien de inhoudingsplichtige in meer dan bijkomstige mate loon uit vroegere dienstbetrekking verstrekt;
- b. loon ter zake waarvan de inhoudingsplichtige uitsluitend ingevolge artikel 6, eerste lid, onderdeel c, inhoudingsplichtige is.
De verschuldigde belasting, bedoeld in het tweede lid, wordt, in afwijking van artikel 27a, tweede lid, uiterlijk aangegeven en afgedragen tegelijk met de aangifte, onderscheidenlijk afdracht, over het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar. Ingeval de inhoudingsplicht is geëindigd in de loop van het kalenderjaar wordt voor het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin, gelezen: het tijdvak waarin de inhoudingsplicht is geëindigd.
Indien extraterritoriale kosten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, worden vergoed aan een werknemer die voldoet aan de voorwaarden van het achtste lid, eerste zin, onderscheidenlijk negende lid, dient de inhoudingsplichtige ter zake van het eerste loontijdvak van ieder kalenderjaar waarin die werknemer aan die voorwaarden voldoet en die kosten door hem aan die werknemer worden vergoed een keuze te maken voor het al dan niet toepassen van het achtste lid, onderscheidenlijk negende lid. De keuze, bedoeld in de eerste zin, geldt voor het gehele kalenderjaar zolang de werknemer, bedoeld in de eerste zin, aan de voorwaarden, bedoeld in die zin, blijft voldoen.
Indien binnen de eerste vier maanden van aanvang van de tewerkstelling als werknemer met extraterritoriale kosten een verzoek tot toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur gebaseerd op het achtste lid, wordt gedaan, dient de keuze, bedoeld in het zeventiende lid, in afwijking in zoverre van dat lid, eerste zin, voor het eerst te worden gemaakt ter zake van het eerstvolgende loontijdvak na afloop van die eerste vier maanden en geldt in dat geval vanaf dat loontijdvak voor de resterende periode van het kalenderjaar waarin de termijn van die eerste vier maanden afloopt zolang de werknemer, bedoeld in het zeventiende lid, eerste zin, aan de voorwaarden, bedoeld in die zin, blijft voldoen.
Artikel 32
In afwijking van artikel 31a, eerste lid, kan de belasting die door alle gezamenlijk in concernverband opererende inhoudingsplichtigen is verschuldigd met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, worden bepaald alsof deze inhoudingsplichtigen gezamenlijk één inhoudingsplichtige zijn. Deze belasting wordt aangegeven en afgedragen door de tot het concernverband behorende inhoudingsplichtige met het grootste bedrag aan loon waarover in het kalenderjaar met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting is geheven.
Een inhoudingsplichtige opereert gezamenlijk met een andere inhoudingsplichtige in concernverband, indien gedurende het gehele kalenderjaar:
- a. de inhoudingsplichtige voor ten minste 95% belang heeft in die andere inhoudingsplichtige;
- b. die andere inhoudingsplichtige voor ten minste 95% belang heeft in de inhoudingsplichtige, of
- c. een derde voor ten minste 95% belang heeft in de inhoudingsplichtige, terwijl deze derde tevens voor ten minste 95% belang heeft in die andere inhoudingsplichtige.
Een inhoudingsplichtige wordt voor de toepassing van het eerste lid eveneens geacht gezamenlijk met een andere inhoudingsplichtige in concernverband te opereren, indien deze inhoudingsplichtigen stichtingen zijn die gedurende het gehele kalenderjaar in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven dat zij een eenheid vormen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van de tweede volzin.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de door iedere inhoudingsplichtige die ingevolge het eerste lid samen met andere inhoudingsplichtigen als één inhoudingsplichtige wordt beschouwd te administreren gegevens ten aanzien van:
- a. de berekening van de verschuldigde belasting, bedoeld in het eerste lid;
- b. de inhoudingsplichtige die de belasting, bedoeld in onderdeel a, aangeeft en afdraagt.
Artikel 32a
Voor de toepassing van artikel 31, derde lid, worden bij ministeriële regeling regels gesteld voor het bepalen van het op de eindheffingsbestanddelen toe te passen tarief. Daarbij kunnen de gevolgen van het passeren van tariefschijfgrenzen en maximum premielonen buiten beschouwing blijven en kunnen voorts de noodzakelijke afrondingen en vereenvoudigingen worden toegepast.
Voor gevallen waarin tevens artikel 27b, eerste lid, van toepassing is worden in de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling, met overeenkomstige toepassing van artikel 31, derde lid, tevens regels gesteld volgens welke telkens de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één bedrag dan wel in één percentage kunnen worden afgeleid.
Artikel 32aa
In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding alsmede een door een inhoudingsplichtige voldane en op hem drukkende bijdrage of premie aan een fonds dat of een verzekeraar die een zodanige regeling uitvoert, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 26%.
Een uitkering of een bijdrage of een premie wordt beschouwd te zijn gedaan of voldaan op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend is, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden.
Een uitkering, een bijdrage of een premie wordt beschouwd niet te drukken op een inhoudingsplichtige voor zover de inhoudingsplichtige ter zake bedragen van werknemers heeft ingehouden of van andere inhoudingsplichtigen bijdragen of premies voldaan heeft gekregen.
Ingeval op enig tijdstip een aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken dan wel wordt afgekocht of vervreemd, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer. De waarde van de aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de eerste volzin genoemde tijdstip, met dien verstande dat de waarde ten minste wordt gesteld op het bedrag dat ter zake van de vervreemding of afkoop wordt genoten.
Ingeval op grond van het vierde lid een aanspraak wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van een werknemer of gewezen werknemer, wordt de inhoudingsplichtige die de in dat lid bedoelde regeling voor vervroegde uittreding uitvoert voor de toepassing van het eerste lid geacht een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding te hebben gedaan ter grootte van de aldaar bedoelde waarde van die aanspraak, op het tijdstip waarop de daar bedoelde aanspraak is aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.
Onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die of een gedeelte van een regeling dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt een regeling niet als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die regeling een pensioenovereenkomst inhoudt als bedoeld in de Pensioenwet of een pensioenregeling is als bedoeld in hoofdstuk IIB of in de artikelen 38d, 38e of 38f.
Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een regeling voor vervroegde uittreding is. Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 32b
Ter bevordering van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
Artikel 32c
Vervallen
Artikel 32d
Vervallen
Artikel 32e
Vervallen
Artikel 32f
Vervallen
Artikel 32g
Vervallen
Hoofdstuk VI. Aanvullende regelingen
Artikel 33
Ter vergemakkelijking van de heffing van belasting kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende:
- a. een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking in de zin van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, ingeval hiermede rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de hoogte van een periodieke uitkering ingevolge de Participatiewet;
- b. de voorwaarden waaronder een vermindering met het loon van hulpen plaatsvindt van het loon verstrekt aan:
- 1°. de uitvoerder van aangenomen werk, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, indien de in dat onderdeel bedoelde overeenkomst niet rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijke persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden;
- 2°. de thuiswerker, bedoeld in artikel 4, onderdeel a;
- c. het vaststellen van tabelloon in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c;
- d. het door de inhoudingsplichtige aan het einde van het kalenderjaar herrekenen van de belasting geheven over uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Participatiewet;
- e. de inhoudingsplicht ter zake van loon dat een werknemer geniet van een derde.
Bij ministeriële regeling kunnen aanvullende regels worden gesteld betreffende:
- a. de heffing van de belasting ingeval loon van meer dan één inhoudingsplichtige of mede loon van een derde, dan wel over enig tijdvak meer dan één beloning wordt genoten;
- b. inhouding van geschatte bedragen, gevolgd door periodieke afrekening;
- c. het vaststellen van loonbelastingtabellen voor: Voor de gevallen waarin artikel 27b, eerste lid, toepassing vindt, worden deze tabellen zodanig vastgesteld dat telkens de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één percentage worden opgenomen.
- 1°. degenen die uitkeringen of verstrekkingen ontvangen ingevolge de Participatiewet;
- 2°. uitvoerders van aangenomen werk, hun hulpen, degenen van wie de arbeidsverhouding op grond van artikel 4, onderdeel a, b of e, als dienstbetrekking wordt beschouwd en bij ministeriële regeling aangewezen sekswerkers van wie de arbeidsverhouding bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als dienstbetrekking wordt beschouwd.
Artikel 34
Ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die:
- a. termijnen van lijfrente of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen genieten;
- b. uitkeringen genieten ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of verstrekkingen;
- c. een afkoopsom genieten ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Met betrekking tot bedragen ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt in afwijking van hoofdstuk III de belasting 52% van deze bedragen. Indien de belasting ingevolge artikel 27b, eerste lid, in één bedrag met de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven, wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het bedrag van de verschuldigde belasting tezamen met het bedrag van de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen gesteld op 52% van de bedoelde bedragen.
Artikel 34a
Vervallen
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij verrekening van sociale uitkeringen
Artikel 34b
Vervallen
Artikel 34c
Vervallen
Artikel 34d
Vervallen
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij verrekening van sociale uitkeringen
Artikel 35
Ten aanzien van een artiest of beroepssporter wordt de belasting geheven naar de gage.
Gage is al hetgeen de artiest of beroepssporter als zodanig geniet. Tot de gage behoren kostenvergoedingen alsmede aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.
Tot de gage behoren niet:
- a. vergoedingen en verstrekkingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, of ter zake van maaltijden waarbij het zakelijk karakter van meer dan bijkomstig belang is;
- b. vergoedingen die strekken tot bestrijding van reis- en verblijfkosten – andere dan kosten van eigen vervoer – ter behoorlijke vervulling van het optreden dan wel de sportbeoefening, mits de artiest of beroepssporter de bewijsstukken overhandigt aan de inhoudingsplichtige en deze de bewijsstukken administreert en voor controle beschikbaar houdt;
- c. verstrekkingen die strekken tot voorkoming van reis- en verblijfkosten ter behoorlijke vervulling van het optreden dan wel de sportbeoefening;
- d. aanspraken ingevolge de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
- e. aanspraken, die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel d;
- f. aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval en
- g. bedragen die worden ingehouden als bijdrage voor aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken bedoeld in onderdeel e, alsmede bijdrage voor aanspraken, bedoeld in onderdeel f.
Tot de gage behoort mede niet het aan de artiest of beroepssporter toe te rekenen deel van hetgeen blijkens een beschikking van de inspecteur als een niet tot de gage behorende vergoeding kan worden aangemerkt (kostenvergoedingsbeschikking). De kostenvergoedingsbeschikking wordt op verzoek door de inspecteur verstrekt en is vatbaar voor bezwaar. Het verzoek wordt voor het optreden of de sportbeoefening gedaan door de artiest, de beroepssporter of de inhoudingsplichtige, dan wel uiterlijk een maand na het optreden of de sportbeoefening door de inhoudingsplichtige. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de kostenvergoedingsbeschikking.
Niet in geld genoten gage wordt in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
Gage wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip:
- a. waarop zij betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de artiest of beroepssporter wordt gesteld of rentedragend wordt;
- b. waarop zij vorderbaar en tevens inbaar wordt, of
- c. indien dat later is dan de tijdstippen, bedoeld in de onderdelen a en b en de inhoudingsplichtige een kostenvergoedingsbeschikking heeft aangevraagd: uiterlijk een maand na het optreden of de sportbeoefening.
Artikel 35a
De verschuldigde belasting bedraagt een percentage, gelijk aan het gecombineerde heffingspercentage, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de gage. In afwijking van de vorige volzin bedraagt de belasting ten aanzien van de niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter 20 percent van de gage.
Ten aanzien van niet in Nederland wonende beroepssporters kan bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig onder voorwaarden, ten behoeve van uniforme heffing bij grensoverschrijdende evenementen het in het eerste lid genoemde percentage van 20 tijdelijk worden verlaagd, doch niet verder dan tot 15 percent. Een krachtens de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overlegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgelegd, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de verschuldigde belasting 52 percent van de gage ingeval de artiest of beroepssporter zijn naam, adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt, dan wel zijn identiteit niet is vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 35e, onderdeel e, alsmede ingeval de artiest of beroepssporter ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten.
Artikel 35b
De belasting wordt geheven door inhouding op de gage.
De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de gage wordt genoten.
De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
Artikel 35c
Vervallen
Artikel 35d
De artiest of beroepssporter is gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de inhoudingsplichtige:
- a. opgave te doen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn;
- b. inzage te verlenen van een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht om een afschrift daarvan in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige te laten opnemen;
- c. - indien hij in Nederland woont – opgave te doen van zijn burgerservicenummer.
Opgave van naam, adres, woonplaats en – ingeval hij niet in Nederland woont – woonland en geboortedatum van de artiest of beroepssporter alsmede van de overige in dit artikel bedoelde gegevens geschiedt door middel van de door de inspecteur verstrekte gageverklaring.
Artikel 35e
De inhoudingsplichtige is gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
- a. van de artiest of beroepssporter opgave te verlangen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn;
- b. van de in Nederland wonende artiest opgave te verlangen van zijn burgerservicenummer;
- c. een loonadministratie te voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking tot de gage en met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen die niet tot de gage behoren;
- d. aan de in Nederland wonende artiest, alsmede, op diens verzoek, aan de niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter, opgave te doen van de in een kalenderjaar genoten gage, van de ingehouden belasting en van andere gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting;
- e. de identiteit van de artiest of beroepssporter vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen.
Artikel 35f
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde groepen artiesten of beroepssporters nadere regelen worden gesteld inzake de heffing van de belasting, alsmede andere in het kader der wet passende nadere regelen worden gegeven ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Hoofdstuk VIA
Artikel 35g
Ten aanzien van een buitenlands gezelschap wordt de belasting geheven naar de gage.
Gage is al hetgeen ter zake van het optreden of de sportbeoefening in Nederland wordt ontvangen door het buitenlandse gezelschap, dan wel door het lichaam waarmee de leden van het gezelschap een rechtsverhouding hebben op grond waarvan het optreden of de sportbeoefening plaatsvindt. Tot de gage behoren kostenvergoedingen alsmede aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.
Tot de gage behoren niet:
- a. vergoedingen en verstrekkingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, of ter zake van maaltijden waarbij het zakelijk karakter van meer dan bijkomstig belang is;
- b. vergoedingen die strekken tot bestrijding van reis- en verblijfkosten – andere dan kosten van eigen vervoer – ter behoorlijke vervulling van het optreden of de sportbeoefening, mits het gezelschap de bewijsstukken aan de inhoudingsplichtige doet toekomen en deze de bewijsstukken administreert en voor controle beschikbaar houdt;
- c. verstrekkingen die strekken tot voorkoming van reis- en verblijfkosten ter behoorlijke vervulling van het optreden dan wel de sportbeoefening;
- d. aanspraken ingevolge de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet;
- e. aanspraken, die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel d;
- f. aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval;
- g. bedragen die worden ingehouden als bijdrage voor aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken bedoeld in onderdeel e, alsmede bijdrage voor aanspraken, bedoeld in onderdeel f;
- h. uitzendrechten voor zover die betrekking hebben op het land van vestiging van het buitenlands gezelschap.
Tot de gage behoort mede niet hetgeen blijkens een beschikking van de inspecteur als een niet tot de gage behorende vergoeding kan worden aangemerkt (kostenvergoedingsbeschikking). De kostenvergoedingsbeschikking wordt op verzoek door de inspecteur verstrekt en is vatbaar voor bezwaar. Het verzoek wordt voor het optreden of de sportbeoefening gedaan door het gezelschap of de inhoudingsplichtige, dan wel uiterlijk een maand na het optreden of de sportbeoefening door de inhoudingsplichtige. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de kostenvergoedingsbeschikking.
Niet in geld ontvangen gage wordt in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
Gage wordt beschouwd te zijn ontvangen op het tijdstip:
- a. waarop zij betaald of verrekend wordt, ter beschikking van het gezelschap wordt gesteld of rentedragend wordt;
- b. waarop zij vorderbaar en tevens inbaar wordt, of
- c. indien dat later is dan de tijdstippen, bedoeld in de onderdelen a en b en de inhoudingsplichtige een kostenvergoedingsbeschikking heeft aangevraagd: uiterlijk een maand na het optreden of de sportbeoefening.
Artikel 35h
De verschuldigde belasting bedraagt 20 percent van de gage.
Ten aanzien van buitenlandse gezelschappen kan bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig onder voorwaarden, ten behoeve van uniforme heffing bij grensoverschrijdende evenementen het in het eerste lid genoemde percentage van 20 tijdelijk worden verlaagd, doch niet verder dan tot 15 percent. Een krachtens de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overlegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgelegd, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de verschuldigde belasting 52 percent van de gage:
- a. indien aan de inhoudingsplichtige de naam, het adres, de woonplaats, het woonland en de geboortedatum van de leider of vertegenwoordiger, alsmede de namen van de leden van het gezelschap niet zijn verstrekt;
- b. indien ten aanzien van het merendeel van de leden geen afschrift van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht aan de inhoudingsplichtige is verstrekt of de identiteit niet is vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige overeenkomstig artikel 35m, onderdeel c;
- c. indien het gezelschap terzake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten.
Artikel 35i
De belasting wordt geheven door inhouding op de gage.
De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de gage wordt ontvangen.
De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen.
Artikel 35j
Vervallen
Artikel 35k
De leden van het buitenlandse gezelschap zijn gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan het gezelschap:
- a. opgave te doen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn;
- b. inzage te verlenen van een op hen betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht, en een afschrift daarvan te verstrekken.
Artikel 35l
Het buitenlandse gezelschap is gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
- a. van de leden van het gezelschap opgave te verlangen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn;
- b. de identiteit van de leden vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht en een afschrift daarvan te verlangen;
- c. aan de inhoudingsplichtige opgave te doen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn;
- d. aan de inhoudingsplichtige ten aanzien van het merendeel van de leden inzage te verlenen van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht om een afschrift daarvan in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige te laten opnemen.
Opgave van naam, adres, woonplaats, woonland en geboortedatum van de leider of vertegenwoordiger alsmede het aantal leden van het gezelschap, en opgave van de overige in dit artikel bedoelde gegevens geschiedt door middel van de door de inspecteur verstrekte gageverklaring.
Artikel 35m
De inhoudingsplichtige is gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
- a. van het buitenlandse gezelschap opgave te verlangen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn;
- b. een loonadministratie te voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking tot de gage en met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen die niet tot de gage behoren;
- c. de identiteit van een zo groot mogelijk deel, doch ten minste het merendeel van de leden van het gezelschap vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht, alsmede de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen.
Artikel 35n
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor buitenlandse gezelschappen nadere regelen worden gesteld inzake de heffing van de belasting, alsmede andere in het kader der wet passende nadere regelen worden gegeven ter aanvulling van in de wet geregelde onderwerpen.
Hoofdstuk VIIA. Belastingheffing van buitenlandse gezelschappen
Artikel 36
Vervallen
Artikel 36a
Met betrekking tot op 31 december 2000 bestaande rechten op vakantieverlof en compensatieverlof is artikel 10, derde lid en artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 1°, niet van toepassing.
Artikel 36b
Met betrekking tot bestaande pensioenaanspraken voor welke op of na 1 januari 1995 een ander lichaam als verzekeraar optreedt dan bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel c, en artikel 18i, onderdeel c, zoals dat luidde op 31 december 2004, is de in die onderdelen gestelde voorwaarde inzake de verzekeraar niet van toepassing en blijft artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, en achtste lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, van toepassing. Onder bestaande pensioenaanspraken worden verstaan de op 31 december 1994 bestaande aanspraken welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat toen luidde, zijn aan te merken als aanspraken die berusten op een pensioenregeling.
Artikel 36c
Vervallen
Artikel 37
Vervallen
Artikel 38
Vervallen
Artikel 38a
Vervallen
Artikel 38b
Een wijziging van de begrenzingen, bedoeld in artikel 18, derde lid, is niet van toepassing op aanspraken die vóór de datum van inwerkingtreding van die wijziging zijn ontstaan, voor zover die wijziging niet ten gunste van de werknemer of gewezen werknemer is.
Het eerste lid is niet van toepassing op aanspraken die na de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen zijn omgezet in aanspraken ingevolge een premieovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet of artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op de pensioenregeling van een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a of b.
In afwijking in zoverre van het eerste lid is een wijziging van de begrenzingen, bedoeld in artikel 18, derde lid, ten gunste van de werknemer of gewezen werknemer niet van toepassing op aanspraken waarvan een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016 als verzekeraar optreedt. De eerste zin is niet van toepassing op artikel 18a, vierde lid, en artikel 19b, zesde lid.
Het tweede lid is niet van toepassing op:
- a. een aanspraak ingevolge een wezenpensioenregeling als bedoeld in artikel 18c zoals dat luidde op 30 juni 2023 die is ontstaan of waarvan de uitkeringen zijn ingegaan voor het tijdstip waarop die aanspraak is omgezet in een aanspraak ingevolge een premieovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet of artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
- b. een aanspraak ingevolge een nabestaandenoverbruggingspensioenregeling als bedoeld in artikel 18f zoals dat luidde op 30 juni 2023 waarvan de uitkeringen zijn ingegaan voor het tijdstip waarop die aanspraak is omgezet in een aanspraak ingevolge een premieovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet of artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
- c. een aanspraak ingevolge een overbruggingspensioenregeling als bedoeld in artikel 38f zoals dat luidde op 30 juni 2023 waarvan de uitkeringen zijn ingegaan voor het tijdstip waarop die aanspraak is omgezet in een aanspraak ingevolge een premieovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet of artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 38c
In afwijking in zoverre van artikel 18a, eerste lid, bedraagt de premie per dienstjaar ten hoogste de premie ter zake waarvan een recht van voortgezette inleg bestaat gedurende perioden na ontslag waarin loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen, indien:
- a. deze perioden zijn aangevangen vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, dan wel vóór 1 januari 2029, voor zover met toepassing van artikel 38q zoals dat luidde op de dag van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen opbouw van pensioen heeft plaatsgevonden volgens de in de artikelen 18 tot en met 18ga alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen opgenomen normeringen en begrenzingen en voor de werknemer niet reeds een pensioenregeling van toepassing is als bedoeld in hoofdstuk IIB zoals dat geldt vanaf de dag van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen;
- b. het recht op voortgezette premie-inleg verband houdt met arbeidsongeschiktheid van de werknemer;
- c. als verzekeraar van het pensioen optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, een pensioenfonds als bedoeld in artikel 220h van de Pensioenwet of een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 214f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Indien gedurende perioden na ontslag bedoeld in het eerste lid, opbouw van een partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum of een wezenpensioen plaatsvindt met toepassing van artikel 220h, tweede lid, of artikel 220ha, eerste lid, van de Pensioenwet of artikel 214f, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zijn de artikelen 18b, tweede lid, en 18c, derde lid, niet van toepassing.
Onder een partner wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel degenen met wie duurzaam een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd of is gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat.
Artikel 38d
Artikel 38a zoals dit artikel luidde op 31 december 2004 blijft van toepassing voor een op 31 december 2004 bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel toen luidde, indien ingevolge die prepensioenregeling na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan:
- a. ingevolge aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd, of
- b. aan werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt mits:
- 1°. de uitkeringen die ingevolge die prepensioenregeling worden gedaan met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum, en
- 2°. de prepensioenregeling, met inachtneming van de in of krachtens artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, gestelde normeringen en beperkingen, de mogelijkheid van deeltijdpensioen biedt.
In afwijking in zoverre van artikel 18a kan de premie meer bedragen dan het aldaar opgenomen maximum voor zover zulks het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde, in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.
Artikel 18d, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een prepensioenregeling als bedoeld in het eerste lid waarvan de uitkeringen zijn ingegaan voor het tijdstip waarop die aanspraak is omgezet in een aanspraak ingevolge een premieovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet of artikel 28 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 38e
Vervallen
Artikel 38f
Vervallen
Artikel 38g
Vervallen
Artikel 38i
Vervallen
Artikel 39
Artikel 13a, tweede lid, is niet van toepassing op:
- a. loon waarop de belasting met toepassing van die bepaling voor 1 januari 1994 zou zijn ingehouden;
- b. loon waarvan is overeengekomen dat een niet meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten en waarop de belasting met toepassing van die bepaling voor 1 januari 2006 zou zijn ingehouden.
Artikel 40
De bepalingen van deze wet treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene bepalingen verschillend kan zijn. Ingeval dit tijdstip niet voor alle bepalingen hetzelfde is, worden door Ons voor zoveel nodig, op de grondslag van de ingevolge artikel 39 zoals dat luidt bij de inwerkingtreding van deze wet vervallen of ingetrokken bepalingen, regelen gegeven.
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de loonbelasting 1964.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 19g
Vervallen
Hoofdstuk IIC. Levensloopregeling
Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
Artikel 27a
In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de belasting over de in artikel 31 bedoelde eindheffingsbestanddelen geheven van de inhoudingsplichtige.
De heffing over eindheffingsbestanddelen, met uitzondering van de aan naheffing onderworpen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, geschiedt als ware de door de inhoudingsplichtige in een tijdvak verschuldigde belasting door hem op aangifte af te dragen belasting.
Artikel 30a
Vervallen
Hoofdstuk V. Eindheffing
Artikel 32ab
Als eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31 worden mede aangemerkt bij ministeriële regeling aan te wijzen verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers, waarvoor geen inhoudingsplicht bestaat bij of krachtens een ander artikel van deze wet, ingeval de verstrekker schriftelijke mededeling doet aan de ontvanger van het toepassing vinden van deze eindheffing en aannemelijk kan maken wie de ontvanger is van de verstrekking.
Degene die een mededeling heeft gedaan dat hij eindheffing toepast, wordt, zo hij dat nog niet is, aangemerkt als inhoudingsplichtige.
Met betrekking tot een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in het eerste lid wordt het bedrag van de verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 31, tweede lid, bepaald naar een tarief van:
- 1°. 45 percent, met betrekking tot een verstrekking waarvan de waarde in het economische verkeer niet meer bedraagt dan € 136;
- 2°. 75 percent, met betrekking tot een verstrekking waarvan de waarde in het economische verkeer meer bedraagt dan € 136.
Artikel 32c
Vervallen
Artikel 32d
Vervallen
Hoofdstuk VI. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij verrekening van sociale uitkeringen
Hoofdstuk VB. Belastingheffing bij uit hoofde van een dienstbetrekking af te staan loon
Hoofdstuk VII. Belastingheffing van artiesten en beroepssporters
Hoofdstuk VIIA. Belastingheffing van buitenlandse gezelschappen
Artikel 36c
Vervallen
Artikel 38h
Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij verrekening van sociale uitkeringen
Artikel 32c
Ingeval een sociale uitkering wordt verrekend met een terug te betalen sociale uitkering, wordt de terugbetaling in afwijking van artikel 10 tot het verrekende bedrag niet in aanmerking genomen als negatief loon en gaat de uitkering die met de terug te betalen uitkering wordt verrekend tot het bedrag van die verrekening niet tot het loon behoren. Mocht na verrekening nog een aan de werknemer toekomend bedrag resteren, dan wordt dit loon op de voet van artikel 26 belast.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een sociale uitkering verstaan een uitkering die op grond van een wettelijke bepaling inzake de sociale zekerheid door een gemeente, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Sociale Verzekeringsbank wordt betaald.
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij verrekening van sociale uitkeringen
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij verrekening van sociale uitkeringen
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij verrekening van sociale uitkeringen
Hoofdstuk VIA
Hoofdstuk VIIA. Belastingheffing van buitenlandse gezelschappen
Artikel 36c
In afwijking van artikel 13bis, eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel a, wordt voor een auto met een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016 als voordeel als bedoeld in artikel 13bis, eerste lid, eerste volzin, onderdeel a, op kalenderjaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto in aanmerking genomen.
Artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38j
Vervallen
Artikel 38k
Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 30a
Indien op enig tijdstip wordt geconstateerd dat een werknemer tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, maar de werknemer niet in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige is opgenomen of met betrekking tot de werknemer niet is voldaan aan de verplichting een eerstedagsmelding te doen, wordt de werknemer voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht van de inhoudingsplichtige gedurende ten minste zes maanden voorafgaande aan het tijdstip van de constatering loon uit dienstbetrekking te hebben genoten tot per loontijdvak ten minste het bedrag van het loon dat de werknemer geniet in het loontijdvak van het tijdstip van de constatering, behoudens voorzover blijkt dat de werknemer niet gedurende die periode tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking heeft gestaan of dat een lager loon is genoten.
Artikel 39a
Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 27bis
In afwijking van artikel 27 kan de overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde gedragslijn in de maand januari van het kalenderjaar gedane inhouding op loon dat de werknemer met betrekking tot een of meer loontijdvakken binnen het voorgaande kalenderjaar toekomt, worden begrepen in de laatste aangifte met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar. Het loon waarop deze inhouding betrekking heeft, wordt voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende loontijdvak.
Artikel 28bis
De inspecteur kan de verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen slechts opleggen indien ten aanzien van de inhoudingsplichtige in de periode van zes maanden welke voorafgaat aan de dagtekening van de beschikking, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, een van de volgende gebeurtenissen zich heeft voorgedaan:
- a. een naheffingsaanslag in verband met de toepassing van artikel 30a is opgelegd;
- b. een vergrijpboete als bedoeld in artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgelegd;
- c. een boete ter zake van een of meer beboetbare feiten als genoemd in artikel 18 van de Wet arbeid vreemdelingen is opgelegd;
- d. artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing heeft gevonden, of
- e. strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen ter zake van een of meer strafbare feiten als bedoeld in artikel 19c van de Wet arbeid vreemdelingen, in artikel 47 van de Handelsregisterwet 2007 of in de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
De verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen vervalt drie jaren na de dagtekening van de beschikking waarbij die verplichting is opgelegd of zoveel eerder als deze beschikking bij voor bezwaar vatbare beschikking is ingetrokken omdat de grond, bedoeld in het eerste lid, voor het opleggen van die verplichting is komen te vervallen. In afwijking in zoverre van de eerste volzin vervalt de verplichting vijf jaren na de dagtekening van de beschikking ingeval aan de inhoudingsplichtige eerder een verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen is opgelegd.
In de beschikking waarbij de verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen wordt opgelegd, wordt vermeld welke van de in het eerste lid genoemde gebeurtenissen grond is voor het opleggen van de verplichting. Tevens wordt in de beschikking vermeld met ingang van welke datum de verplichting vervalt.
Hoofdstuk V. Heffing van de inhoudingsplichtige
Hoofdstuk VB. Belastingheffing bij uit hoofde van een dienstbetrekking af te staan loon
Artikel 39b
Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 1. Eindheffing
Afdeling 2. Pseudo-eindheffing
Artikel 32ba
In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding alsmede een door een inhoudingsplichtige voldane en op hem drukkende bijdrage of premie aan een fonds dat of een verzekeraar die een zodanige regeling uitvoert, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 57,7%.
Een uitkering of een bijdrage of een premie wordt beschouwd te zijn gedaan of voldaan op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend is, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden.
Een uitkering, een bijdrage of een premie wordt beschouwd niet te drukken op een inhoudingsplichtige voor zover de inhoudingsplichtige ter zake bedragen van werknemers heeft ingehouden of van andere inhoudingsplichtigen bijdragen of premies voldaan heeft gekregen.
Ingeval op enig tijdstip een aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken dan wel wordt afgekocht of vervreemd, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer. De waarde van de aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de eerste volzin genoemde tijdstip, met dien verstande dat de waarde ten minste wordt gesteld op het bedrag dat ter zake van de vervreemding of afkoop wordt genoten.
Ingeval op grond van het vierde lid een aanspraak wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van een werknemer of gewezen werknemer, wordt de inhoudingsplichtige die de in dat lid bedoelde regeling voor vervroegde uittreding uitvoert voor de toepassing van het eerste lid geacht een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding te hebben gedaan ter grootte van de aldaar bedoelde waarde van die aanspraak, op het tijdstip waarop de daar bedoelde aanspraak is aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.
Onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die of een gedeelte van een regeling dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt een regeling niet als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die regeling een pensioenovereenkomst inhoudt als bedoeld in de Pensioenwet, een beroepspensioenregeling inhoudt als bedoeld in de Wet verplichte beroepspensioenregeling of een pensioenregeling is als bedoeld in hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII.
Een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid wordt voor de toepassing van het eerste lid niet als zodanig aangemerkt, voor zover die regeling voorziet in een of meer uitkeringen in de periode van 36 maanden vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die in totaal niet hoger zijn dan een bedrag van € 2.657 vermenigvuldigd met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van die pensioengerechtigde leeftijd. Voor de toepassing van de eerste zin worden alle regelingen voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid samengevoegd.
Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het zevende lid genoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt gesteld op de som van het bedrag dat na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de algemene heffingskorting voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, gelijk is aan het netto-ouderdomspensioen per maand, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, onderdeel a, van die wet, waarbij de nodig geachte afronding wordt aangebracht en € 300. Indien de vervanging tot een ander bedrag leidt, geldt dat bedrag bij toepassing van het zevende lid niet met betrekking tot maanden uit op dat moment reeds verstreken kalenderjaren.
Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het achtste lid, tweede zin, laatstgenoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de contractloonontwikkelingsfactor, bedoeld in artikel 10.2b, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een regeling voor vervroegde uittreding is. Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.
Artikel 32bb
In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding als bedoeld in het vierde lid voor zover die vergoeding meer bedraagt dan het toetsloon, bedoeld in het derde lid, van de werknemer, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 75%.
Dit artikel is niet van toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan € 700.000.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het toetsloon van een werknemer verstaan:
- a. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen vóór of met het begin van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het loon dat de werknemer in dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de inhoudingsplichtige;
- b. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het tot een jaarloon herleide bedrag van het loon dat de werknemer in dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de inhoudingsplichtige;
- c. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het tot een jaarloon herleide bedrag van het loon dat de werknemer in dat voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de inhoudingsplichtige;
- d. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar van de inhoudingsplichtige zou hebben genoten indien de dienstbetrekking aan het begin van dat kalenderjaar was aangevangen en niet in dat kalenderjaar was beëindigd.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding verstaan de som van het positieve verschil tussen A en het vergelijkingsloon en het positieve verschil tussen B en het vergelijkingsloon, waarbij wordt verstaan onder:
- A:. het van de inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd alsmede het na dat kalenderjaar van de inhoudingsplichtige genoten loon;
- B:. het van de inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
Vergelijkingsloon:
- a. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen vóór of met het begin van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
- b. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
- c. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
- d. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd.
Ingeval de inhoudingsplichtige in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd onderscheidenlijk in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met de werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen en de werknemer ter zake van dat recht niet uiterlijk bij de beëindiging van de dienstbetrekking ingevolge de artikelen 10a en 13a, met uitzondering van artikel 10a, dertiende lid, loon heeft genoten, wordt bij de vaststelling van A, bedoeld in het vierde lid, onderscheidenlijk B, bedoeld in het vierde lid, mede in aanmerking genomen:
- a. ingeval het recht nog niet is uitgeoefend: hetgeen tot het loon zou hebben behoord indien hij dat recht op het tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking zou hebben uitgeoefend en de daarbij verkregen aandelen onmiddellijk verhandelbaar zouden zijn; of
- b. ingeval het recht wel is uitgeoefend: hetgeen tot het loon zou hebben behoord indien de bij uitoefening van het recht verkregen aandelen op het tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking verhandelbaar zouden worden.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband houdt met loon dat de werknemer ingevolge de artikelen 10a en 13a heeft genoten ter zake van een aandelenoptierecht, dat onvoorwaardelijk is toegekend of geworden in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt een vertrekvergoeding beschouwd te zijn toegekend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd, of, voor zover de vertrekvergoeding pas daarna als loon wordt genoten, op dat latere tijdstip. Ingeval een vertrekvergoeding ingevolge de eerste volzin wordt beschouwd te zijn toegekend op meer dan een tijdstip, wordt de berekening ingevolge het vierde lid op elk tijdstip toegepast onder verrekening van hetgeen eerder is berekend.
Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het tweede lid genoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bedrag dat ingevolge artikel 32ba, eerste lid, wordt aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast.
Artikel 32bc
Vervallen
Hoofdstuk VA. Belastingheffing bij verrekening van sociale uitkeringen
Artikel 32d
De in Nederland wonende of gevestigde inhoudingsplichtige wordt geacht met het door hem verschuldigde loon van een in Nederland wonende werknemer tevens te verstrekken het loon dat de werknemer zonder toepassing van dit artikel zou hebben genoten als werknemer van een andere inhoudingsplichtige, indien:
- a. de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van die andere inhoudingsplichtige onder de verplichting het hem toekomende loon af te staan aan de inhoudingsplichtige, en
- b. die andere inhoudingsplichtige het bedoelde loon rechtstreeks afdraagt aan de inhoudingsplichtige en aan de werknemer geen verstrekkingen verstrekt die niet vooraf aan de inhoudingsplichtige zijn medegedeeld. Aan de voorwaarde in de eerste volzin, onderdeel a, dat de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van een andere inhoudingsplichtige is ook voldaan indien de inhoudingsplichtige waaraan het loon wordt afgestaan een lichaam is waarin de werknemer een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, de werknemer via dit lichaam een belang heeft in de andere inhoudingsplichtige en dit belang tezamen met zijn werkzaamheden voor die andere inhoudingsplichtige materieel grotendeels overeenkomt met het aandeel en de werkzaamheden van een vennoot in een vennootschap onder firma.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een niet in Nederland wonende werknemer ingeval het aan de inhoudingsplichtige afgestane loon voor de toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting niet anders zou worden behandeld dan het door deze inhoudingsplichtige aan de werknemer uit te betalen loon.
Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing als de inspecteur onder wie de inhoudingsplichtige ressorteert die zonder toepassing van deze leden belasting had moeten inhouden, op gezamenlijk verzoek van deze inhoudingsplichtige, de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan en de werknemer bij voor bezwaar vatbare beschikking, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, heeft vastgesteld dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
Het derde lid is niet van toepassing indien:
- a. de werknemer een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 in zowel de inhoudingsplichtige die zonder toepassing van dit artikel belasting had moeten inhouden als in de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan, en
- b. de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan aangifte doet in overeenstemming met het eerste of tweede lid.
Hoofdstuk VI. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk VIIA. Belastingheffing van buitenlandse gezelschappen
Hoofdstuk VIIB. Horizonbepaling
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 39c
Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk VIIB. Horizonbepaling
Artikel 39d
Vervallen
Artikel 39e
Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 32bd
Vervallen
Hoofdstuk VI. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk VIIB. Horizonbepaling
Artikel 38l
Vervallen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, iwe zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 22abis
Vervallen
Hoofdstuk IV. Wijze van heffing
Hoofdstuk V. Heffing van de inhoudingsplichtige
Afdeling 1. Eindheffing
Afdeling 2. Pseudo-eindheffing
Hoofdstuk VB. Belastingheffing bij uit hoofde van een dienstbetrekking af te staan loon
Hoofdstuk VIA
Hoofdstuk VII. Belastingheffing van artiesten en beroepssporters
Hoofdstuk VIIB. Horizonbepaling
Artikel 39f
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)