Besluit van 16 september 1965, houdende vaststelling van het bewijs van verzekering voor de niet-kentekenplichtige motorrijtuigen en enkele regelen met betrekking tot het bewijs van vrijstelling

Type AMvB
Publication 2023-12-23
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 juli 1965, no. A-2/031133, Directoraat-Generaal van het Verkeer, mede namens Onze Minister van Justitie;

Gelet op de artikelen 14, 34 en 38 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

De Raad van State gehoord (advies van 18 augustus 1965, no. 34);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 september 1965, no. A-2 1031777, Directoraat-Generaal van het Verkeer, mede namens Onze Minister van Justitie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Definities

Artikel 1

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

§ 2. Bewijs van verzekering binnenlandse niet-kentekenplichtige motorrijtuigen

Artikel 2
1.

Behoudens het bepaalde in artikel 6 moet de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig bij zich hebben:

2.

Het bewijs van verzekering en het document, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt door de verzekeraar.

Artikel 3
1.

Het bewijs van verzekering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, wordt bevestigd op het achterspatbord in verticale of nagenoeg verticale stand en in de breedterichting van het gehandicaptenvoertuig, op zodanige wijze dat de op het bewijs vermelde letters zich boven de op het bewijs vermelde cijfers bevinden en de letters en cijfers goed zichtbaar zijn. Indien het gehandicaptenvoertuig meer achterwielen heeft, behoeft slechts één bewijs van verzekering op één van de achterspatborden te worden aangebracht. Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een bak of opbouw mag het bewijs van verzekering in plaats van op het achterspatbord ook worden bevestigd op de achterzijde van de bak of opbouw, zoveel mogelijk aan de uiterste linkerzijde daarvan.

2.

Het bewijs van verzekering kan worden gebruikt met ingang van 1 januari van het kalenderjaar dat erop staat vermeld. De geldigheidsduur van het bewijs eindigt op 30 april van het daarop volgende jaar om 24.00 uur.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de kenmerken van het bewijs van verzekering.

Artikel 4
1.

In het document, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, worden ten minste de volgende gegevens vermeld:

2.

Indien overeenkomstig artikel 12, derde lid, der wet is bedongen, dat de verzekering eindigt wanneer de verplichting tot verzekering met betrekking tot het gehandicaptenvoertuig op een ander overgaat, moet dit op het document worden vermeld.

3.

De geldigheidsduur van het document eindigt gelijktijdig met die van de bijbehorende verzekeringsplaat en vangt niet eerder aan dan met ingang van 1 januari van het op de verzekeringsplaat vermelde jaar.

4.

Het model van het document, bedoeld in dit artikel, behoeft de goedkeuring van of wordt vastgesteld door Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Onze laatstgenoemde Minister kan, na overleg met Onze Minister, bepalen, dat door of vanwege de verzekeraar een afschrift van het document of van een deel daarvan binnen een bepaalde termijn aan een door hem aangewezen instantie moet worden toegezonden.

5.

In afwijking van het eerste lid kan een verzekeraar, mits hem een geldig ten name van de verzekeringnemer gesteld fabrikanten- of handelaarsbewijs W.A.M. (gehandicaptenvoertuigen) wordt getoond, in het document, in plaats van het merk en ingeslagen identificatienummer van het gehandicaptenvoertuig vermelden: «gehandicaptenvoertuig, deel uitmakende van de fabrieks- of handelsvoorraad van de verzekeringnemer». De verzekeraar tekent de verstrekking van een zodanig document op door Onze Minister te bepalen wijze op het in de eerste volzin bedoelde bewijs aan.

6.

Het document, bedoeld in het vijfde lid, is slechts geldig, indien:

Artikel 5
1.

Behoudens het bepaalde in artikel 6 of ontheffing door Onze Minister moet de bestuurder van een motorrijtuig, dat geen kenteken als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 behoeft en dat geen gehandicaptenvoertuig is, een document bij zich hebben, waaruit blijkt, dat met betrekking tot het door hem bestuurde motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de wet van kracht is.

2.

Het document, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt door de verzekeraar. In dit document moeten ten minste de volgende gegevens zijn vermeld:

3.

Indien overeenkomstig artikel 12, derde lid, der wet is bedongen, dat de verzekering eindigt wanneer de verplichting tot verzekering met betrekking tot het motorrijtuig op een ander overgaat, moet dit op het document worden vermeld.

4.

Het model van het document, bedoeld in dit artikel, behoeft de goedkeuring van of wordt vastgesteld door Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Justitie en Veiligheid.

5.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan een verzekeraar, mits hem een geldig ten name van de verzekeringnemer gesteld fabrikanten- of handelaarsbewijs W.A.M. (andere niet-kentekenplichtige motorrijtuigen dan gehandicaptenvoertuigen) wordt getoond, in het document in plaats van de omschrijving van het motorrijtuig vermelden: motorrijtuig, deel uitmakende van de fabrieks- of handelsvoorraad van de verzekeringnemer. De verzekeraar tekent de verstrekking van een zodanig document op door Onze Minister te bepalen wijze op het in de eerste volzin bedoelde bewijs aan.

6.

Het document, bedoeld in het vijfde lid, is slechts geldig, indien:

7.

De bestuurder van een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft tevens een geldig bewijs van verzekering bij zich, welke op de in het achtste lid voorgeschreven wijze op de bromfiets is bevestigd en welke behoort bij de verzekering, bedoeld in het eerste lid.

8.

Het bewijs van verzekering wordt bevestigd op de achterzijde van de bromfiets, op zodanige wijze dat de letters zich boven de cijfers bevinden en de letters en cijfers goed zichtbaar zijn. Artikel 3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

9.

Het bewijs van verzekering wordt verstrekt door de verzekeraar.

Artikel 5a
1.

Onze Minister kan op verzoek aan fabrikanten van of handelaren in gehandicaptenvoertuigen of andere niet-kentekenplichtige motorrijtuigen één of meer fabrikanten- of handelaarsbewijzen W.A.M. (gehandicaptenvoertuigen) of één of meer fabrikanten- of handelaarsbewijzen W.A.M. (andere niet-kentekenplichtige motorrijtuigen dan gehandicaptenvoertuigen) afgeven voor motorrijtuigen, die deel uitmaken van de fabrieks- of handelsvoorraad van verzoeker, en ten behoeve van het gebruik van de betrokken motorrijtuigen als omschreven in artikel 4, zesde lid, onder d, onderscheidenlijk in artikel 5, zesde lid, onder d. Een dergelijk bewijs, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld, is ten hoogste vijf jaren geldig.

2.

Vervallen.

3.

Onze Minister kan een bewijs als bedoeld in het eerste lid, ongeldig verklaren, indien naar zijn oordeel degene aan wie het is afgegeven niet langer fabrikant van of handelaar in gehandicaptenvoertuigen onderscheidenlijk andere niet-kentekenplichtige motorrijtuigen dan gehandicaptenvoertuigen is, dan wel indien een bewijs voor andere doeleinden, dan waarvoor het geldig is, wordt of is gebruikt. Een bewijs dat ongeldig is verklaard, moet door degene aan wie het is afgegeven binnen een week worden ingeleverd bij Onze Minister.

Artikel 6

Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op de bestuurder van een motorrijtuig, dat gewoonlijk in het buitenland is gestald, en op de bestuurder van een motorrijtuig, met betrekking waartoe de bezitter dan wel de in artikel 2, tweede lid, der wet bedoelde houder van de verplichting tot het sluiten van een verzekering bij of krachtens de wet is vrijgesteld.

§ 3. Bewijs van verzekering buitenlandse motorrijtuigen

Artikel 7

De bestuurder van een motorrijtuig, dat gewoonlijk in het buitenland is gestald, moet, behoudens ontheffing door Onze Minister, bij zich hebben:

hetzij een bewijs waaruit blijkt, dat het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, der wet, is belast met de afwikkeling van de schade, welke in Nederland door dat motorrijtuig is veroorzaakt (groene kaart);

hetzij een bewijs, waaruit blijkt, dat met betrekking tot dat motorrijtuig een verzekering waarvan de voorwaarden voldoen aan de bepalingen van de wet van kracht is.

§ 4. Vrijstellingsplaten

Artikel 8
1.

Wanneer aan de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, welke aan de Staat toebehoort, dan wel aan de bezitter of de in artikel 2, tweede lid, van de wet bedoelde houder van een gehandicaptenvoertuig, die is vrijgesteld van de verplichting tot het sluiten van een verzekering, een bewijs van vrijstelling is uitgereikt, moet dat bewijs op het gehandicaptenvoertuig worden bevestigd op dezelfde wijze als is voorgeschreven ten aanzien van de bewijzen van verzekering.

2.

Wanneer aan de bestuurder van een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, welke aan de Staat toebehoort, dan wel aan de bezitter of de in artikel 2, tweede lid, van de wet bedoelde houder van een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, die is vrijgesteld van de verplichting tot het sluiten van een verzekering, een bewijs van vrijstelling is uitgereikt, wordt dat bewijs op de bromfiets bevestigd op dezelfde wijze als is voorgeschreven ten aanzien van de bewijzen van verzekering.

3.

Het bewijs van vrijstelling kan worden gebezigd met ingang van de eerste januari van het kalenderjaar, dat erop staat vermeld. De geldigheidsduur van het bewijs eindigt op 30 april van het daarop volgende jaar te 24.00 uur.

§ 5. Strafbepalingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.