Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 9 en 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Stb. 621) en artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301),

Besluit:

Artikel 1

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 4, elfde en twaalfde lid, 4a, tweede, achtste en negende lid, 4c, vierde lid, 4e, 4f, 9, eerste lid, 10, derde en zesde lid, en 10a, tweede lid en zesde lid, onderdeel b, van de Wet op de dividendbelasting 1965.

Artikel 1a

De in artikel 4, elfde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde opgaaf bevat:

Artikel 1aa
1.

Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van de inkoop, of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande jaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van een juridische fusie:

2.

Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van inkoop of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van een juridische splitsing:

3.

Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van de inkoop of in de zeven voorafgaande jaren in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vermogen heeft verkregen van een rechtspersoon (overdrager):

4.

De vorige leden zijn niet van toepassing indien, in geval van een juridische fusie, een juridische splitsing of een bedrijfsfusie in de zin van artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het nominaal gestorte kapitaal in respectievelijk de verdwijnende rechtspersoon, de splitsende rechtspersoon of de overdrager, in het jaar van inkoop of in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is vergroot anders dan in situaties als genoemd in artikel 4c, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de dividendbelasting 1965.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een evenredig gedeelte verstaan:

6.

De correctie met een inflatiebijstelling, bedoeld in artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, vindt plaats door het bedrag van het uitgekeerde dividend in een voorafgaand kalenderjaar te vermenigvuldigen met het produkt van de tabelcorrectiefactoren, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van het op dat jaar volgende jaar tot en met het jaar waarin de inkoop plaatsvindt.

Artikel 1b

De in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde dividendnota houdt in:

Artikel 2

Als internationale organisaties als bedoeld in de artikelen 4a, achtste lid, en 10, zesde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 worden aangewezen:

Artikel 3

Voor de toepassing van artikel 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965:

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5
1.

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 1966.

2.

Deze beschikking kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965.

Bijlage

Vervallen

Bijlage A

Vervallen

Bijlage

Vervallen

Artikel 1ab

Op grond van artikel 4e van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat hij met betrekking tot dat dividend een verzoek zal doen om toepassing van artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 1ac

Op grond van artikel 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat met betrekking tot dat dividend sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de Invorderingswet 1990.

Bijlage A

Vervallen

Bijlage. behorende bij de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965

De woonlandfactor, bedoeld in artikel 1bis, onderdeel g, wordt voor andere lidstaten van de Europese Unie, andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland bepaald aan de hand van de volgende tabel:

Staat Woonlandfactor
België 100%
Bulgarije 50%
Cyprus 80%
Denemarken 100%
Duitsland 100%
Estland 70%
Finland 100%
Frankrijk 100%
Griekenland 80%
Hongarije 60%
Ierland 100%
IJsland 100%
Italië 90%
Kroatië 60%
Letland 70%
Liechtenstein 100%
Litouwen 60%
Luxemburg 100%
Malta 80%
Noorwegen 100%
Oostenrijk 100%
Polen 60%
Portugal 80%
Roemenië 50%
Slovenië 80%
Slowakije 70%
Spanje 90%
Tsjechië 70%
Zweden 100%
Zwitserland 100%

Voor andere staten wordt de woonlandfactor bepaald aan de hand van de tabel die is opgenomen in de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012.

Artikel 1bis

Voor de toepassing van artikel 4, derde lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, de opbrengstgerechtigde geacht het belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van die wet, niet te hebben met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en wordt geacht sprake te zijn van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen indien:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.