← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 6 oktober 1966, houdende vaststelling van een regeling tot toekenning van een uitkering aan gewezen militairen, die zijn ontslagen wegens het bereiken van bepaalde leeftijdsgrenzen

Geldende tekst a fecha 2003-06-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor militairen verleggen van de pensioengerechtigde leeftijd naar het tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar is bereikt het noodzakelijk maakt een financiële voorziening te treffen voor de periode liggende tussen het ontslag en het bereiken van vorengenoemde leeftijd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1
1.

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van deze wet wordt begrepen onder ontslag: een ontslag verleend aan hem, die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om in de krijgsmacht als geestelijke verzorger doorlopend werkzaam te zijn, met toepassing van een ontslaggrond van gelijke strekking als een der in het eerste lid onder b genoemde ontslaggronden.

Artikel 2

De gewezen militair heeft met ingang van de dag waarop zijn ontslag is ingegaan recht op een maandelijkse uitkering, maar niet eerder dan zodra hij de in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, bedoelde ontslagleeftijd heeft bereikt.

Artikel 3
1.

Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft is gedurende de eerste 60 maanden gelijk aan 80% van de laatstelijk genoten bezoldiging.

2.

Voor zover het totaal aantal volle pensioengeldige dienstjaren op de dag van het ontslag, waarnaar het pensioen ter zake van dat ontslag zal worden berekend, meer dan 30 bedraagt, wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag vermeerderd met 0,5 percent van de laatstelijk genoten bezoldiging voor ieder op die dag vol pensioengeldig dienstjaar, met dien verstande dat die vermeerdering ten hoogste 5 percent bedraagt.

3.

Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft is na ommekomst van de eerste 60 maanden gelijk aan 73% van de laatstelijk genoten bezoldiging.

4.

Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft over enige maand is niet lager dan het bedrag van een uitsluitend naar diensttijd berekend pensioen over die maand, waarop de gewezen militair recht zou hebben, indien hij met ingang van de dag van het ontslag zou zijn gepensioneerd.

5.

Het vierde lid is mede van toepassing voor tijd die de gewezen militair bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen en die voor de helft van de tijd die in actieve dienst enkelvoudig meetelt of zou meetellen, meetelt voor de berekening van pensioen.

6.

Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, aanspraak heeft, is gelijk aan 73% van de laatst genoten bezoldiging.

Artikel 4

Indien de militair gedurende de in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, bedoelde periode of een deel daarvan is bezoldigd op basis van deeltijdverlof, wordt het in artikel 3 bedoelde bedrag van de uitkering berekend, nadat dit is vermenigvuldigd met de gemiddelde deeltijdfactor.

Artikel 5
1.

De inkomsten die de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, geniet of gaat genieten in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag, ter zake waarvan de uitkering is toegekend, worden gedurende de eerste twee jaren, te rekenen vanaf de dag, waarop de uitkering is ingegaan of had kunnen ingaan, met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben, dan wel over de maand waarop deze inkomsten daarvoor in aanmerking kunnen worden gebracht. Deze verrekening geschiedt aldus, dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag, waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging overschrijdt.

2.

Met arbeid of bedrijf, aangevangen met ingang van of na de dag, waarop het ontslag is ingegaan, wordt gelijkgesteld arbeid of bedrijf, aangevangen tijdens non-activiteit, vakantieverlof of ander verlof of verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag. Onder ander verlof als bedoeld in de vorige volzin, wordt voor de toepassing van dit artikel mede begrepen de tijd van ontheffing uit de functie, als bedoeld in het Koninklijk besluit van 2 juni 1969, Stb. 231.

3.

Wanneer de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, arbeid of bedrijf heeft aangevangen voor het tijdstip van zijn ontslag en na dat tijdstip uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, worden die inkomsten of die meerdere inkomsten in aanmerking genomen voor de toepassing van het eerste lid, tenzij deze aannemelijk maakt, dat die inkomsten, die meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag, in welk geval die inkomsten, die meerdere inkomsten of dat gedeelte daarvan niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het eerste lid.

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als inkomsten aangemerkt hetgeen is verkregen uit dienstbetrekking bij het Ministerie van Defensie of door werkzaamheden die zijn voorbehouden aan:

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid.

6.

Onverminderd het vierde en vijfde lid stelt Onze Minister nadere regelen voor hetgeen bij de toepassing van dit artikel al dan niet als inkomsten wordt begrepen. Daarbij kan Onze Minister bij ministeriële regeling tevens:

7.

In naar het oordeel van Onze Minister bijzondere gevallen, waarin toepassing van dit artikel voor het aanmerken als inkomsten en de berekening daarvan tot een onredelijke uitkomst zou leiden, kan hij van het bepaalde in dit artikel ten gunste van de gewezen militair afwijken.

Artikel 5a

Bij de toepassing van artikel 4 wordt voor de berekening van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde overschrijding de laatstelijk genoten bezoldiging vermenigvuldigd met de gemiddelde deeltijdfactor.

Artikel 6
1.

De gewezen militair die een uitkering geniet, waarop een vermindering kan worden toegepast als bedoeld in artikel 5, is verplicht aan Onze minister, overeenkomstig de door deze gestelde regelen, terstond mededeling te doen van het aanvangen van enige arbeid of bedrijf, onder opgave - voor zover mogelijk - van de inkomsten, welke hij uit dien hoofde zal verwerven. Zijn de inkomsten niet vooraf te bepalen, dan doet hij tijdig voor het einde van elke betalingstermijn van de uitkering opgave van de inkomsten, welke hij sedert het aanvangen van de werkzaamheden of sedert de vorige opgave heeft genoten. Brengt de aard van de werkzaamheden mede, dat de inkomsten over een langere periode in beschouwing moeten worden genomen, dan geschiedt de opgave over die langere periode en kan op de uitkering voorlopig een vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten.

De definitieve vaststelling van de vermindering geschiedt alsdan over de in de vorige volzin bedoelde langere periode.

2.

Indien de gewezen militair, bedoeld in het eerste lid de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt, kan worden bepaald, dat de uitkering, zolang zulks het geval is, niet of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.

3.

De gewezen militair, bedoeld in het eerste lid wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze minister in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken, welke voor de uitvoering van deze wet en derzelver uitvoeringsbepalingen noodzakelijk zijn.

Artikel 7

Het recht op de uitkering vervalt:

Artikel 8
1.

Wij behouden Ons voor een gewezen militair, die de leeftijd van 60 jaar nog niet heeft bereikt, in tijd van oorlog, voor zover nodig, op te roepen om, na daartoe geschikt te zijn bevonden, bij zijn oorspronkelijke korps, wapen, dienstvak of dienstgroep te worden aangesteld in de laatstelijk door hem beklede rang of stand en klasse ten einde als militair werkelijke dienst te verrichten. Een verleende titulaire rang blijft daarbij behouden.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder tijd van oorlog begrepen de tijd, waarin oorlogsgevaar aanwezig is, alsmede de tijd, waarin andere buitengewone omstandigheden aanwezig zijn en dienstplichtigen, die niet in werkelijke dienst zijn, door Ons buitengewoon in werkelijke dienst zijn geroepen en buitengewoon in werkelijke dienst worden gehouden.

3.

Over de tijd, gedurende welke de gewezen militair zich door zonder geldige reden, ter beoordeling van Onze minister, niet te voldoen aan een oproeping als bedoeld in het eerste lid, heeft onttrokken aan te verrichten werkelijke dienst als in dat lid bedoeld, bestaan geen aanspraken voortvloeiende uit het in artikel 2 omschreven recht.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op hem, die als geestelijke verzorger in de krijgsmacht werkzaam is geweest.

Artikel 9
1.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen militair wordt aan de weduwe of weduwnaar dan wel aan de achtergebleven geregistreerde partner, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan:

2.

Vervallen.

3.

Laat de overledene geen weduwe of geen weduwnaar dan wel geen achtergebleven geregistreerde partner na van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg.

Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten van de overledene.

4.

Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste tot en met derde lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Artikel 10

Voor de betaling van de uitkering zijn de ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bepalingen voor betaling van pensioen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10a

Beslissingen ter uitvoering van deze wet worden genomen door Onze Minister.

Artikel 11
1.

In afwijking van de artikelen 7:10, eerste lid, en 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de beslistermijn voor een bezwaarschrift, zomede voor een beroepschrift, dertien weken na de ontvangst daarvan.

2.

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroep de rechtbank te 's-Gravenhage bevoegd.

3.

Voor een herzienings- of herstelbeslissing zijn de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bepalingen voor een herzienings- of herstelbeslissing door Onze Minister van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Deze wet kan worden aangehaald als "Uitkeringswet gewezen militairen".

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.