Burgerlijk Wetboek Boek 1, Personen- en familierecht

Type Wet
Publication 2025-07-05
State In force
Source BWB
artikelen 738
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Voor opneming en verblijf als bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, of 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet is geen machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, doch een machtiging als bedoeld in genoemde artikelleden. Deze machtiging geldt voor de toepassing van artikel 265a als een machtiging als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 265c
1.

De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing is, behoudens verlenging als bedoeld in het tweede lid, ten hoogste een jaar. Indien een minderjarige voorlopig onder toezicht is gesteld en gelijktijdig een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, komt de duur hiervan niet in mindering op de termijn van ten hoogste een jaar.

2.

Op verzoek van de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie.

3.

Een machtiging vervalt indien deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

Artikel 265d
1.

Een uithuisplaatsing kan door de gecertificeerde instelling worden beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van het onderzoek, bedoeld in artikel 265b, eerste lid, en het belang van de minderjarige zich tegen beëindiging niet verzet.

2.

De met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder of een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt kunnen wegens gewijzigde omstandigheden de gecertificeerde instelling verzoeken:

  • a. de uithuisplaatsing te beëindigen;
  • b. de duur ervan te bekorten;
  • c. af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, tenzij de toestemming reeds met toepassing van artikel 265i is verleend.
3.

De gecertificeerde instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

4.

Op verzoek van een in het tweede lid genoemde persoon kan de kinderrechter de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. Artikel 264, eerste lid, tweede volzin, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 265, vierde lid, zijn van toepassing.

Artikel 265e
1.

De kinderrechter kan bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Hij kan dit doen met betrekking tot:

  • a. de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling,
  • b. het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, of
2.

De duur van de gedeeltelijke uitoefening van het gezag is niet langer dan die van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing.

3.

De kinderrechter kan de duur van de gedeeltelijke uitoefening van het gezag telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.

Op verzoek kan een beslissing als bedoeld in het eerste of derde lid wegens gewijzigde omstandigheden worden gewijzigd.

5.

De verzoeken, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, kunnen worden gedaan door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent. Indien deze gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming of degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek.

Artikel 265f
1.

Voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, kan de gecertificeerde instelling voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken.

2.

De beslissing van de gecertificeerde instelling geldt als een schriftelijke aanwijzing. Artikel 264 en artikel 265 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

Artikel 265g
1.

Voor de duur van de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

2.

Op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.

Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 377a, tweede lid.

Artikel 265h
1.

Indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming op verzoek van de gecertificeerde instelling worden vervangen door die van de kinderrechter.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een medische behandeling van een minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Artikel 265i
1.

De gecertificeerde instelling behoeft de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin.

2.

De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

3.

Indien de kinderrechter het verzoek, bedoeld in het tweede lid, afwijst, kan hij tevens bepalen dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijven voor ten hoogste een jaar. De gecertificeerde instelling is gehouden de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen.

Artikel 265j
1.

Indien de gecertificeerde instelling oordeelt dat niet-verlenging van de ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 260, tweede lid, of niet-verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, bedoeld in artikel 265c, tweede lid, aangewezen is, doet zij hiervan tijdig doch uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling of machtiging tot uithuisplaatsing en onder overlegging van een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling of de uithuisplaatsing mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.

2.

De gecertificeerde instelling kan een uithuisplaatsing gedurende de termijn waarvoor zij is toegestaan beëindigen. De gecertificeerde instelling doet van het voornemen daartoe tijdig doch uiterlijk een maand voor het voorgenomen tijdstip van beëindiging en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing, mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.

3.

Indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, gaat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de gecertificeerde instelling vergezeld van een advies van de raad voor de kinderbescherming met betrekking tot de verlenging van die ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling doet van het voornemen tot een voornoemd verzoek tijdig doch uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de ondertoezichtstelling mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 265k
1.

Verzoeken op grond van deze afdeling worden schriftelijk gedaan. Voor zover zij aan de kinderrechter zijn gericht, kunnen zij worden ingediend zonder advocaat met uitzondering van het verzoek bedoeld in artikel 262b.

2.

De gecertificeerde instelling die een verzoek indient of ter terechtzitting wordt opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet, en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter.

3.

Het plan en het verslag, bedoeld in het tweede lid, worden eveneens gezonden aan de raad voor de kinderbescherming.

4.

De verzoeken die de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder advocaat en worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die zij tot dat doel aanvraagt, worden haar door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.

Afdeling 6. Voogdij

§ 1. Voogdij in het algemeen

§ 2. Voogdij door een der ouders opgedragen

§ 2. Voogdij door een der ouders opgedragen

§ 5. Ontslag van de voogdij

§ 7. Ondertoezichtstelling van onder voogdij staande minderjarigen

§ 9. Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige

§ 10. Het bewind van de voogd

§ 11. De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij

Titel 15. Omgang en informatie

Titel 17. Levensonderhoud

Afdeling 2. Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen

Titel 18. Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Titel 20. Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

Artikel 18d
1.

Van alle in registers opgenomen akten van de burgerlijke stand wordt een dubbel of een afschrift gehouden, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te stellen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld alles wat betreft de bewaring van de dubbelen of de afschriften alsmede van de daarop betrekking hebbende latere vermeldingen.

3.

Wanneer akten van de burgerlijke stand verloren zijn gegaan of verminkt zijn, wordt ter vervanging van deze akten van de dubbelen van de akten een afschrift gemaakt door een of meer door Onze Minister van Justitie aan te wijzen Centrale Bewaarplaatsen waar de dubbelen bewaard worden. De afschriften treden in de plaats van de verloren gegane of verminkte akten.

4.

Er wordt een lijst opgesteld van de akten die vervangen worden, die in de Staatscourant wordt gepubliceerd.

5.

De kosten voor de vervanging van akten van de burgerlijke stand komen ten laste van de Staat, tenzij het de vervanging van akten betreft die bewaard worden door een gemeente. In het laatstgenoemde geval komen de kosten van vervanging voor rekening van de gemeente.

6.

Onze Minister van Justitie kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop de vervanging van de akten dient te worden uitgevoerd.

Afdeling 4. De akten van geboorte, van overlijden en de akten houdende attestaties de vita

Afdeling 5. Latere vermeldingen

Afdeling 7. De bewijskracht van akten van de burgerlijke stand alsmede van afschriften en uittreksels

Afdeling 8. De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand

Afdeling 9. De aanvulling van de registers van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin voorkomende akten en latere vermeldingen

Afdeling 10. Inschrijving van buitenlandse akten en de rechterlijke last tot het opmaken van een vervangende akte van geboorte

Afdeling 11. De verklaring voor recht omtrent de rechtsgeldigheid in Nederland van een buitenlandse akte of uitspraak

Afdeling 12. Voorziening tegen de weigering tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of tot een andere verrichting

Afdeling 13. Wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte

Afdeling 14. De Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit

Titel 5. Het huwelijk

Afdeling 1. Vereisten tot het aangaan van een huwelijk

Afdeling 2. Formaliteiten die aan de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan

Afdeling 3. Stuiting van het huwelijk

Afdeling 4. De voltrekking van het huwelijk

Afdeling 5. Nietigverklaring van een huwelijk

Afdeling 6. Bewijs van het bestaan van het huwelijk

Titel 5A. Het geregistreerd partnerschap

Titel 6. Rechten en verplichtingen van echtgenoten

Titel 7. De wettelijke gemeenschap van goederen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Het bestuur van de gemeenschap

Afdeling 3. Ontbinding van de gemeenschap

Afdeling 4. Opheffing van de gemeenschap bij beschikking

Titel 8. Huwelijkse voorwaarden

Afdeling 1. Huwelijkse voorwaarden in het algemeen

Afdeling 2. Verrekenbedingen

Paragraaf 1. Algemene regels voor verrekenbedingen

Paragraaf 2. Periodieke verrekenbedingen

Paragraaf 2. Periodieke verrekenbedingen

Titel 9. Ontbinding van het huwelijk

Afdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in het algemeen

Afdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in het algemeen

Titel 10. Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

Afdeling 1. Scheiding van tafel en bed

Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

Titel 11. Afstamming

Afdeling 3. Erkenning

Afdeling 4. Gerechtelijke vaststelling van het ouderschap

Afdeling 6. De bijzondere curator

Titel 12. Adoptie

Titel 13. Minderjarigheid

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Titel 14. Het gezag over minderjarige kinderen

Afdeling 2. Ouderlijk gezag

§ 2a. Gezag na meerderjarigverklaring

§ 3. Het bewind van de ouders

Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen

Afdeling 3A. Gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Paragraaf 1. Het gezamenlijk gezag van rechtswege van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Paragraaf 2. Het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder krachtens rechterlijke beslissing

Afdeling 3B. Maatregel van opgroeiondersteuning

Afdeling 6. Voogdij

§ 2. Voogdij door een der ouders opgedragen

§ 2. Voogdij door een der ouders opgedragen

§ 5. Ontslag van de voogdij

§ 9. Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige

§ 9. Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige

§ 11. De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij

Titel 16. Curatele

Titel 17. Levensonderhoud

Afdeling 2. Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen

Titel 18. Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Afdeling 1. Onderbewindstelling in geval van afwezigheid

Afdeling 1. Onderbewindstelling in geval van afwezigheid

Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Titel 20. Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

Artikel 41a

Een huwelijk mag niet worden gesloten tussen hen die elkander, hetzij van nature hetzij familierechtelijk, als bloedverwanten bestaan in de derde of vierde graad in de zijlinie, tenzij de aanstaande echtgenoten bij de ambtenaar van de burgerlijke stand ieder een beëdigde verklaring hebben afgelegd, inhoudende dat zij hun vrije toestemming tot het huwelijk geven.

Afdeling 2. Formaliteiten die aan de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan

Afdeling 3. Stuiting van het huwelijk

Afdeling 4. De voltrekking van het huwelijk

Afdeling 5. Nietigverklaring van een huwelijk

Afdeling 6. Bewijs van het bestaan van het huwelijk

Titel 5A. Het geregistreerd partnerschap

Titel 6. Rechten en verplichtingen van echtgenoten

Titel 7. De wettelijke gemeenschap van goederen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Het bestuur van de gemeenschap

Afdeling 3. Ontbinding van de gemeenschap

Afdeling 4. Opheffing van de gemeenschap bij beschikking

Titel 8. Huwelijkse voorwaarden

Afdeling 1. Huwelijkse voorwaarden in het algemeen

Afdeling 2. Verrekenbedingen

Paragraaf 1. Algemene regels voor verrekenbedingen

Paragraaf 3. Finale verrekenbedingen

Titel 9. Ontbinding van het huwelijk

Afdeling 2. Echtscheiding

Titel 10. Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

Afdeling 1. Scheiding van tafel en bed

Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

Titel 11. Afstamming

Afdeling 2. Ontkenning van het door huwelijk of geregistreerd partnerschap ontstane vaderschap

Afdeling 4. Gerechtelijke vaststelling van het ouderschap

Afdeling 5. Inroeping of betwisting van staat

Afdeling 6. De bijzondere curator

Titel 12. Adoptie

Titel 13. Minderjarigheid

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 3. De raad voor de kinderbescherming

Afdeling 4. Registers betreffende het over minderjarigen uitgeoefende gezag

Titel 14. Het gezag over minderjarige kinderen

Afdeling 2. Ouderlijk gezag

§ 2a. Gezag na meerderjarigverklaring

Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen

Afdeling 3A. Gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Paragraaf 1. Het gezamenlijk gezag van rechtswege van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Paragraaf 3. Gemeenschappelijke bepalingen inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van minderjarigen

Afdeling 5. Beëindiging van het ouderlijk gezag

Afdeling 6. Voogdij

§ 2. Voogdij door een der ouders opgedragen

§ 7. Ondertoezichtstelling van onder voogdij staande minderjarigen

§ 9. Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige

§ 9. Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige

§ 11. De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij

Titel 15. Omgang en informatie

Titel 16. Curatele

Titel 17. Levensonderhoud

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen

Titel 18. Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Afdeling 1. Onderbewindstelling in geval van afwezigheid

Afdeling 1. Onderbewindstelling in geval van afwezigheid

Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Titel 19. Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen

Titel 20. Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

Artikel 95a
1.

Indien een onderneming buiten de gemeenschap valt, komt ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

2.

Ook indien een onderneming op naam en voor rekening van een personenvennootschap of een rechtspersoon wordt uitgeoefend, de gerechtigdheid tot die personenvennootschap of die rechtspersoon buiten de gemeenschap valt en de echtgenoot die daartoe is gerechtigd, in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van die onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, komt ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

Afdeling 3. Ontbinding van de gemeenschap

Afdeling 4. Opheffing van de gemeenschap bij beschikking

Titel 8. Huwelijkse voorwaarden

Afdeling 1. Huwelijkse voorwaarden in het algemeen

Afdeling 2. Verrekenbedingen

Paragraaf 1. Algemene regels voor verrekenbedingen

Paragraaf 3. Finale verrekenbedingen

Afdeling 3. Giften bij huwelijkse voorwaarden

Titel 9. Ontbinding van het huwelijk

Afdeling 2. Echtscheiding

Titel 10. Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

Afdeling 1. Scheiding van tafel en bed

Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed

Titel 11. Afstamming

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 5. Inroeping of betwisting van staat

Afdeling 6. De bijzondere curator

Titel 13. Minderjarigheid

Afdeling 2. Handlichting

Afdeling 3. De raad voor de kinderbescherming

Artikel 242a

Indien de ene ouder wordt verdacht van het doden van de andere ouder, of indien de ene ouder is veroordeeld wegens het doden van de andere ouder, stelt de raad voor de kinderbescherming een onderzoek in naar de wenselijkheid van een contact- of omgangsregeling van het kind met de ouder die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het doden van de andere ouder, zodra hij van de verdenking of veroordeling in kennis is gesteld. Op basis van dit onderzoek verzoekt de raad voor de kinderbescherming de kinderrechter om een contact- of omgangsregeling vast te stellen of om het contact of de omgang te ontzeggen. Een verzoek om het contact of de omgang te ontzeggen vermeldt tevens de duur van de verzochte ontzegging.

Titel 14. Het gezag over minderjarige kinderen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Ouderlijk gezag

§ 3. Het bewind van de ouders

Paragraaf 3. Gemeenschappelijke bepalingen inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Afdeling 3B. Maatregel van opgroeiondersteuning

Afdeling 5. Beëindiging van het ouderlijk gezag

Afdeling 6. Voogdij

§ 1. Voogdij in het algemeen

§ 3. Voogdij door de rechter opgedragen

§ 5. Ontslag van de voogdij

§ 10. Het bewind van de voogd

§ 11. De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij

Titel 17. Levensonderhoud

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen

Titel 18. Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Titel 20. Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

Artikel 267a

De rechtbank die een verzoek tot beëindiging van het gezag afwijst, kan een minderjarige onder toezicht te stellen als bedoeld in artikel 255 mits aan de grond hiervoor is voldaan.

Afdeling 6. Voogdij

§ 3. Voogdij door de rechter opgedragen

§ 7. Ondertoezichtstelling van onder voogdij staande minderjarigen

§ 8. Beëindiging van voogdij

§ 10. Het bewind van de voogd

§ 11. De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij

Titel 16. Curatele

Titel 17. Levensonderhoud

Afdeling 2. Voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen

Titel 18. Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Afdeling 2. Personen wier bestaan onzeker is

Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Titel 19. Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen

Titel 20. Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

Artikel 432a
1.

Dit artikel is van toepassing indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de rechthebbende woonplaats heeft, schriftelijk aan de griffier van de ingevolge artikel 266 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde rechtbank kenbaar heeft gemaakt dat het advies wenst uit te brengen over de vraag of een voldoende behartiging van de belangen van rechthebbenden kan worden bewerkstelligd met een meer passende en minder verstrekkende voorziening dan met de voortzetting van bewind, totdat het college deze verklaring schriftelijk intrekt.

2.

De rechter verplicht de bewindvoerder binnen drie maanden na de instelling van een bewind wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden afschrift van de boedelbeschrijving, bedoeld in artikel 436, eerste lid, en een plan van aanpak te zenden aan het college.

3.

De rechter kan de bewindvoerder verplichten binnen drie maanden na de instelling van een bewind wegens een lichamelijke of geestelijke toestand afschrift van de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, te zenden aan het college indien tevens sprake is van problematische schulden.

4.

Indien de rechter de bewindvoerder verplicht de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, te zenden aan het college, kan het college aan de rechter een advies als bedoeld in het eerste lid uitbrengen. De bewindvoerder bericht het college binnen twee weken na de instelling van het bewind over de instelling.

5.

Het college verstrekt het advies aan de griffier, de rechthebbende en de bewindvoerder binnen vier weken na ontvangst van de bescheiden, bedoeld in het tweede lid.

6.

Indien het college adviseert dat een voldoende behartiging van de belangen van de rechthebbende kan worden bewerkstelligd met een meer passende en minder verstrekkende voorziening, beslist de rechter of het bewind wordt voortgezet dan wel beëindigd. De griffier zendt afschrift van de beschikking aan het college. In afwijking van artikel 806, eerste lid, onderdeel a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat voor het college geen hoger beroep open tegen de beschikking.

7.

Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene verordening gegevensverwerking is het verbod om gegevens over de gezondheid van de rechthebbende te verwerken niet van toepassing indien de verwerking noodzakelijk is in het kader van het verstrekken van een advies als bedoeld in het eerste lid.

Titel 20. Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

Artikel 251b
1.

De moeder en de persoon die een kind heeft erkend oefenen het gezag over hun kind gezamenlijk uit, tenzij:

  • a. een voogd met de voogdij over het kind is belast;
  • b. de voorziening in het gezag over het kind is komen te ontbreken;
  • c. de ouder die het gezag heeft, dit gezamenlijk met een ander dan een ouder uitoefent; of
  • d. de erkenner eerder het gezag over het kind heeft uitgeoefend.
2.

De moeder oefent het gezag over haar kind alleen uit, indien uit de akte, bedoeld in artikel 203, eerste lid, onderdeel a of b, blijkt dat:

  • a. de moeder en de erkenner hebben verklaard dat het gezag alleen door de moeder wordt uitgeoefend; of

De ambtenaar van de burgerlijke stand doet onverwijld na de erkenning of, in geval van een erkenning voor de geboorte van het kind, na de aangifte van de geboorte, mededeling aan de griffier van de verklaring, bedoeld onder a, of de erkenning met vervangende toestemming, bedoeld onder b, ter aantekening in het register, bedoeld in artikel 244.

Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen

Afdeling 3A. Gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Paragraaf 1. Het gezamenlijk gezag van rechtswege van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Paragraaf 3. Gemeenschappelijke bepalingen inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder

Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van minderjarigen

Afdeling 6. Voogdij

§ 8. Beëindiging van voogdij

§ 9. Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige

§ 10. Het bewind van de voogd

§ 11. De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij

Titel 15. Omgang en informatie

Titel 16. Curatele

Afdeling 2. Personen wier bestaan onzeker is

Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Titel 20. Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)