Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 29, 30, tweede lid, 31 en 32 van de Kernenergiewet

Type AMvB
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 91
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat van 23 augustus 1968, no. 668/639 W.J.A., de Centrale Raad voor de Kernenergie gehoord;

Gelet op de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 26, 29, 30, tweede lid, 31, 32 en 35 van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82);

De Raad van State gehoord (advies van 25 september 1968, no. 88);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat van 3 september 1969, no. 669/585 W.J.A.;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Een wijziging van de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

3.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «activiteit», «besmetting», «blootstelling», «consumentenproducten», «effectieve dosis», «equivalente dosis», «gezondheidsschade», «radiologische verrichting» en «schade» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.2 in samenhang met bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.

4.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «bron», «hoogactieve bron», «kunstmatige bron», «open bron» en «natuurlijke bron» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.2 in samenhang met bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, voorzover dat betrekking heeft op radioactieve stoffen.

5.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «gehalte», «natuurlijk uranium», «verrijkingsgraad» en «verrijkt uranium» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.

Artikel 1a

Dit besluit is niet van toepassing op handelingen met:

Artikel 1b

1.

Het bepaalde bij of krachtens de in het tweede lid genoemde hoofdstukken, paragrafen en artikelen van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming is, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald over toestellen, van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het derde lid.

2.

Hoofdstukken, paragrafen en artikelen als bedoeld in het eerste lid zijn:

3.

Bij de van overeenkomstige toepassing, bedoeld in het tweede lid:

Hoofdstuk II. Het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer

Afdeling 1. Algemene bepalingen

§ 1. Beveiliging van het vervoer van splijtstoffen (categorie I-, II- of III-materiaal)

Artikel 2

1.

Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer van splijtstoffen of ertsen, indien:

2.

Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt voorts niet voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer van splijtstoffen die gebruikt worden als afschermingsmateriaal in een collo, mits er een kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel 4c, in geval van vervoer in Nederland, of artikel 32, in geval van het binnen of buiten Nederlands grondgebied doen brengen, en wordt voldaan aan de bij en krachtens de wet gestelde regels en voorschriften.

3.

Voor de toepassing van het eerste of tweede lid worden bestraalde splijtstoffen beoordeeld naar onbestraalde toestand. Het bij en krachtens artikel 3.17, tweede, derde en zesde lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het eerste of tweede lid.

4.

Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste of tweede lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.

Artikel 3

1.

De aanvraag om een vergunning voor het vervoeren van splijtstoffen of ertsen, of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen of ertsen in verband met het vervoer bevat de volgende gegevens:

2.

Indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die niet is gerechtvaardigd of als niet-gerechtvaardigd is aangewezen overeenkomstig artikel 1b, in samenhang met de krachtens artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde regeling, omvat de aanvraag om een vergunning tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De aanvraag om de vergunning bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de individuele of maatschappelijke voordelen van de betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.

Artikel 4

1.

Aan een vergunning voor het vervoeren van plutonium of verrijkt uranium bevattende splijtstoffen of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer wordt met het oog op het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomende voor schade, hun toegebracht, het voorschrift verbonden, dat het vervoer over, of het voorhanden hebben binnen Nederlands grondgebied slechts mag geschieden, indien degene, die voor schade als bedoeld in een bijzondere wettelijke regeling van de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, veroorzaakt tijdens het vervoer of de opslag van de splijtstoffen, aansprakelijk kan zijn, ter dekking van die aansprakelijkheid beschikt over een verzekering of andere financiële zekerheid als in die wettelijke regeling bedoeld of over een door Onze Minister van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid.

2.

Het vervoeren van plutonium of verrijkt uranium bevattende splijtstoffen over, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer binnen Nederlands grondgebied, waarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod niet geldt, mogen slechts geschieden, indien degene, die voor schade als bedoeld in een bijzondere wettelijke regeling van de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, veroorzaakt tijdens het vervoer of de opslag van de splijtstoffen, aansprakelijk kan zijn, ter dekking van die aansprakelijkheid beschikt over een verzekering of andere financiële zekerheid als in die bijzondere wettelijke regeling bedoeld of over een door Onze Minister van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor het vervoeren en het voorhanden hebben van de daargenoemde stoffen van een verrijkingsgraad of in hoeveelheden, waarop de daarbedoelde wettelijke regeling niet van toepassing is.

Artikel 4a

Vervallen

Artikel 4b

Vervallen

§ 2. Radioactieve stoffen

Artikel 5

Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod om zonder vergunning radioactieve stoffen te vervoeren of voorhanden te hebben geldt voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer:

Artikel 6

De aanvraag om een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen en voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met het vervoer bevat de volgende gegevens:

Artikel 6a

Vervallen

Afdeling 2. Vervoer over de spoorweg

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

Artikel 7

1.

Aan een vergunning voor het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade zodanige voorschriften verbonden, dat:

2.

Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren:

Artikel 8

1.

Met betrekking tot het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt, kan de Autoriteit aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land dat toelaat.

2.

Bij het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen bij opslag in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, indien daarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod niet geldt, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden ingevolge het eerste lid, eerste volzin, zodanige maatregelen te worden genomen, dat schade, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen.

3.

De Autoriteit kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen. Een zodanige ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

4.

De bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, kan alleen worden uitgeoefend in de gevallen en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land.

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

Artikel 9

1.

Aan een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

2.

Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren voorschriften als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a en b.

Artikel 10

1.

Met betrekking tot het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod geldt, kan de Autoriteit aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land dat toelaat.

2.

Bij het voorhanden hebben van radioactieve stoffen bij opslag in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden ingevolge het eerste lid, eerste volzin, zodanige maatregelen te worden genomen, dat schade, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen. Daarbij moet worden voldaan aan door de Autoriteit gestelde nadere eisen.

3.

Ten aanzien van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen is artikel 8, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3. Vervoer over land, anders dan over de spoorweg

§ 2. Radioactieve stoffen

Artikel 11

Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over land, anders dan over de spoorweg, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 7 en 8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «VSG» telkens wordt gelezen: VLG.

§ 2. Radioactieve stoffen

Artikel 12

1.

Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen over land, anders dan over de spoorweg, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 9 en 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «VSG» wordt gelezen: VLG.

2.

Ten aanzien van de krachtens het eerste lid van toepassing zijnde bepalingen is artikel 8, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4. Vervoer te water

§ 2. Radioactieve stoffen

Artikel 13

1.

Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het vervoeren van splijtstoffen of ertsen:

2.

Een Belgiëvaarder geeft ten minste zeven dagen voordat het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, plaatsvindt kennis van dat vervoer aan de Autoriteit waarbij de Belgiëvaarder de volgende informatie verschaft:

3.

Een Belgiëvaarder neemt de eisen van een vergunning of andere autorisatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in acht.

4.

Een Belgiëvaarder geeft tenminste twee dagen voordat het vervoer naar verwachting zal plaatsvinden kennis aan de Autoriteit van wijzigingen van gegevens als bedoeld in het tweede lid met betrekking tot dat vervoer.

Artikel 14

1.

Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen naar en van zee of over zee zijn de artikelen 7 en 8, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

2.

Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de binnenwateren, anders dan van en naar zee, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 7 en 8, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat telkens in plaats van "VSG" wordt gelezen: VBG.

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

Artikel 15

Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van de Autoriteit radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren.

Artikel 16

1.

Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen naar en van zee of over zee zijn de artikelen 8, derde lid, 9 en 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

2.

Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen over de binnenwateren, anders dan van en naar zee, en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de artikelen 8, derde lid, 9 en 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in artikel 10, eerste lid, in plaats van "VSG" wordt gelezen: VBG.

Afdeling 5. Vervoer in een luchtvaartuig

§ 2. Radioactieve stoffen

Artikel 17

Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het vervoeren van splijtstoffen of ertsen in een luchtvaartuig, waarbij geen landing op Nederlands grondgebied plaatsvindt.

Artikel 18

1.

Aan een vergunning voor het vervoeren van splijtstoffen of ertsen in een luchtvaartuig of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

2.

Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren:

Artikel 19

1.

Bij het vervoeren van splijtstoffen of ertsen in een luchtvaartuig en bij het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer dienen, indien daarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod niet geldt, bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air) in acht te worden genomen, met dien verstande dat:

2.

Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bepalingen is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

Artikel 20

Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van de Autoriteit radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig, waarbij geen landing op Nederlands grondgebied plaatsvindt.

Artikel 21

Aan een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

Artikel 22

1.

Bij het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig en bij het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer dienen bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de burgerlijke luchtvaart (Stb. 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air) in acht te worden genomen, met dien verstande dat:

2.

Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bepalingen is artikel 8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III. Het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen en doen brengen

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

Artikel 23

1.

Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen indien:

2.

Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt voorts niet voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer van splijtstoffen die gebruikt worden als afschermingsmateriaal in een collo, mits er een kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel 4c, in geval van vervoer in Nederland, of artikel 32, in geval van het binnen of buiten Nederlands grondgebied doen brengen, en wordt voldaan aan de bij en krachtens de wet gestelde regels en voorschriften.

4.

Het bij of krachtens artikel 3.17, derde, vierde en negende lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming en wordt aan het slot toegevoegd: ten aanzien van de toepassing van het eerste of tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de toepassing van het eerste of tweede lid.

4.

Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste of tweede lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.

Artikel 24

1.

De aanvraag om een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen bevat de volgende gegevens:

2.

Indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die niet is gerechtvaardigd of als niet-gerechtvaardigd is aangewezen overeenkomstig artikel 1b, in samenhang met de krachtens artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde regeling, omvat de aanvraag tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De aanvraag om de vergunning bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de individuele of maatschappelijke voordelen van de betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.

Artikel 25

1.

Aan een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van splijtstoffen of ertsen kunnen ter voorkoming van schade de volgende voorschriften worden verbonden:

2.

Aan een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied doen brengen van splijtstoffen of ertsen kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

Artikel 26

Degene, die splijtstoffen of ertsen binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt of doet brengen:

§ 2. Radioactieve stoffen

Artikel 27

1.

Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van de Autoriteit radioactieve stoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen geldt voor:

2.

Het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van levensmiddelen, speelgoed, sieraden, cosmetische producten en diervoeder waaraan bij de productie of vervaardiging opzettelijk radioactieve stoffen zijn toegevoegd, is verboden.

3.

Het in het eerste lid, onder b, bedoelde verbod geldt niet, indien:

4.

Het bij en krachtens artikel 3.17, tweede, derde, zesde en negende lid van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het derde lid.

5.

Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen en handelingen met natuurlijke bronnen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.

6.

De verplichting, bedoeld in artikel 4c, eerste lid, geldt niet ingeval er sprake is van een vergunning voor het binnen of buiten het Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van geneesmiddelen of consumentenproducten als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 28

De aanvraag om een vergunning voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 27, eerste lid, of van een hoogactieve bron bevat de volgende gegevens:

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Degene, die radioactieve stoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt of doet brengen:

Artikel 32

1.

De ondernemer onder wiens verantwoordelijkheid een radioactieve stof binnen of buiten Nederlands grondgebied wordt gebracht, doet hiervan ten minste drie weken voordat dit brengen plaatsvindt een kennisgeving aan de Autoriteit.

2.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het brengen van de aldaar bedoelde stoffen voor zover de ondernemer kan aantonen dat hij:

3.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor een kunstmatige bron, indien:

4.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor een natuurlijke bron, indien:

6.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet:

Hoofdstuk IV. Inrichtingen, waarin splijtstoffen worden opgeslagen in verband met het vervoer

Artikel 33

Het in artikel 15, onder b, van de wet vervatte verbod geldt niet ten aanzien van een inrichting, waarin splijtstoffen uitsluitend worden opgeslagen in verband met het vervoer daarvan.

Hoofdstuk V. Slotbepalingen

Artikel 34

1.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.

2.

Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 1c

Geen vergunning krachtens dit besluit wordt verleend indien:

Hoofdstuk Ia. De beveiliging van het vervoer, de opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van de in artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen bedoelde splijtstoffen en ertsen en de in artikel 4.7 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedoelde radioactieve stoffen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

§ 2. Radioactieve stoffen

Artikel 4c

1.

De ondernemer die een radioactieve stof vervoert, doet kennisgeving van dit vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer ten minste drie weken tevoren aan de Autoriteit.

2.

In afwijking van de in het eerste lid bedoelde verplichting tot kennisgeving geldt voor het vervoeren of het voorhanden hebben in verband met dat vervoer van radioactieve stoffen een verplichting tot het doen van een jaarkennisgeving indien de vervoerder ten genoegen van de Autoriteit kan aantonen:

De Autoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van het bepaalde in de aanhef en onder a en de eerste volzin.

3.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien er sprake is van aansluitend vervoer in het kader van het binnen Nederlands grondgebied (doen) brengen of het voorafgaand vervoer in het kader van het buiten Nederlands grondgebied (doen) brengen als bedoeld in artikel 27.

4.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het vervoeren of het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer van een kunstmatige bron, indien:

5.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het vervoeren of het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer van een natuurlijke bron, indien:

7.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen, die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.

Artikel 4d

1.

Een kennisgeving, als bedoeld in artikel 4c, eerste lid, bevat in ieder geval:

2.

Indien een kennisgeving wordt gedaan voor vervoer en voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer dat niet overeenkomstig artikel 1b, in samenhang met de krachtens artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde regeling is gerechtvaardigd, omvat de kennisgeving tevens een verzoek om rechtvaardiging van dat vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer. De kennisgeving bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de individuele of maatschappelijke voordelen van het betrokken vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer.

3.

De ondernemer doet een kennisgeving van wijzigingen van de in het eerste lid genoemde gegevens ten minste twee dagen voordat het vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, waarop zij betrekking hebben, plaatsvindt aan de Autoriteit.

4.

De ondernemer verstrekt de Autoriteit op zijn verzoek nadere gegevens.

Afdeling 2. Vervoer over de spoorweg

§ 2. Radioactieve stoffen

Afdeling 3. Vervoer over land, anders dan over de spoorweg

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

Afdeling 4. Vervoer te water

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

Afdeling 5. Vervoer in een luchtvaartuig

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

§ 2. Radioactieve stoffen

Hoofdstuk III. Het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen en doen brengen

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

§ 2. Radioactieve stoffen

Artikel 32a

1.

De kennisgeving, bedoeld in artikel 32, eerste lid, bevat in ieder geval:

2.

Indien een kennisgeving wordt gedaan voor een handeling die niet is gerechtvaardigd of als niet-gerechtvaardigd is aangewezen overeenkomstig artikel 1b, in samenhang met de krachtens artikel 2.3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde regeling, omvat de kennisgeving tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De kennisgeving bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de individuele of maatschappelijke voordelen van de betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.

3.

Degene die de kennisgeving heeft gedaan, meldt wijzigingen van de in het eerste lid genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat de handelingen plaatsvinden, waarop ze betrekking hebben, aan de Autoriteit.

Hoofdstuk IV. Inrichtingen, waarin splijtstoffen worden opgeslagen in verband met het vervoer

Hoofdstuk V. Slotbepalingen

Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 1d

1.

De vervoerder treft de beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om categorie I-, II- of III-materiaal als bedoeld in artikel 22, zevende of achtste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen te beveiligen tegen diefstal en sabotage.

2.

De beveiligingsmaatregelen hebben ten minste betrekking op:

3.

Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste of tweede lid, waaronder de getroffen of te treffen beveiligingsmaatregelen.

Hoofdstuk II. Het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer

Afdeling 1. Algemene bepalingen

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

§ 2. Radioactieve stoffen

Afdeling 2. Vervoer over de spoorweg

§ 2. Radioactieve stoffen

Afdeling 2. Vervoer over de spoorweg

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

§ 2. Radioactieve stoffen

Afdeling 4. Vervoer te water

§ 1. Splijtstoffen en ertsen

Afdeling 4. Vervoer te water

§ 2. Radioactieve stoffen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)