← Geldende tekst · Geschiedenis

Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971

Geldende tekst a fecha 2006-01-01

Gelet op de artikelen 9, 13, 21, 24 en 29a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Stb. 469);

Besluit:

Artikel 1
1.

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 9, 13, 14a, 14b, 15ad, 15b, 21, 23a en 25a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

2.

Deze regeling verstaat onder de wet: de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel 2

De ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de wet te bepalen redelijke rente voor de in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, bedoelde ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen bedraagt 6 percent.

Artikel 2a
1.

Voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, laatste volzin, van de wet worden de werkzaamheden van een lichaam als daar bedoeld aangemerkt als actieve financieringswerkzaamheden indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

2.

Indien het lichaam niet voldoet aan de in het eerste lid, onder b, opgenomen voorwaarde wordt het lichaam geacht aan deze voorwaarde te voldoen indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de behoefte van de tot het concern behorende lichamen waarvoor het lichaam financieringswerkzaamheden verricht, aan feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen minder is dan 20% van de waarde in het economische verkeer van de activa van het lichaam alsmede dat voornoemde tot het concern behorende lichamen, behoudens vanwege specifieke zakelijke redenen, zelf geen vreemd vermogen feitelijk van derden hebben aangetrokken. Specifieke zakelijke redenen als bedoeld in de vorige volzin doen zich voor, voor zover:

3.

Onder overnamekas als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt verstaan kortlopende beleggingen waarvan de belastingplichtige aan de hand van geobjectiveerde intenties aannemelijk maakt dat deze door het lichaam worden aangehouden met het oog op de verwerving van deelnemingen die passen bij de omvang en liggen in de lijn van het concern. Het bedrag van die beleggingen dient te passen bij de omvang van het concern. Aan deze laatste voorwaarde is in ieder geval voldaan indien die beleggingen niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:

4.

Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt als deelneming buiten Nederland mede aangemerkt een deelneming binnen Nederland voor zover de waarde daarvan is toe te rekenen aan niet in Nederland aanwezige bezittingen en wordt als deelneming binnen Nederland mede aangemerkt een deelneming buiten Nederland voor zover de waarde daarvan is toe te rekenen aan in Nederland aanwezige bezittingen.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt als concern aangemerkt de belastingplichtige tezamen met de met hem verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de wet.

Artikel 2b

Voor de toepassing van artikel 15b, derde lid, van de wet wordt onder kortlopende beleggingen welke worden aangehouden ter financiering van acquisities die passend zijn bij de omvang en liggen in de lijn van het concern, verstaan een overnamekas als bedoeld in artikel 2a, derde en vierde lid, waarbij concern wordt opgevat in de zin van artikel 15b, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

Artikel 3
1.

Een voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de wet kan worden verleend indien het verlies over een kalenderjaar wordt aangegeven door de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen en te ondertekenen en de gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers in te leveren of toe te zenden.

2.

Bij de berekening van een voorlopige verliesverrekening wordt het vermoedelijke verlies voor tachtig percent in aanmerking genomen.

Artikel 4

Artikel 23a , eerste lid, eerste volzin, van de wet is niet van toepassing in geval van afkoop van aanspraken ingevolge een pensioenregeling op de voet van artikel 32, vijfde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Artikel 4a

Vervallen

Artikel 4b

Vervallen

Artikel 5
1.

De aangifte als bedoeld in artikel 25a, tweede lid, van de wet wordt gedaan binnen drie jaren na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.

2.

Ingeval binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van drie jaren hetzij een uitnodiging tot het doen van aangifte is uitgereikt of toegezonden hetzij de inspecteur is verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die termijn verlengd tot het einde van de door de inspecteur ingevolge artikel 9, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde of verlengde termijn.

Artikel 5a

Vervallen

Artikel 6
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst.

2.

Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971

Artikel 2c

De rente, bedoeld in de artikelen 14a, achtste lid, 14b, zesde lid en 15ad, vijfde lid, die bij het einde van de daarin bedoelde periode van acht jaren nog niet in aftrek is gekomen, wordt achtereenvolgens in mindering gebracht op en ten hoogste tot de positieve belastbare bedragen van de volgende jaren.

Artikel 2bis
1.

Het tijdstip van bij de bepaling van de winst in aftrek komen van aan personeel toegekende rechten om aandelen of winstbewijzen te verwerven of een daarmee gelijk te stellen recht, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de wet, is:

2.

Voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de wet wordt de waarde van een ter beurze genoteerd recht om aandelen te verwerven of van een daarmee gelijk te stellen recht, gesteld op de waarde in het economische verkeer van dat recht op het tijdstip van aftrek, bedoeld in het eerste lid. Voor de toepassing van bedoeld onderdeel h wordt de waarde van een recht om winstbewijzen te verwerven of van een daarmee gelijk te stellen recht, gesteld op de waarde in het economische verkeer van dat recht op het tijdstip van aftrek, bedoeld in het eerste lid.

3.

Voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de wet wordt de waarde van een niet ter beurze genoteerd recht om aandelen te verwerven of van een daarmee gelijk te stellen recht, gesteld op de som van de intrinsieke waarde en de verwachtingswaarde van dat recht. De waarde wordt uitgedrukt in een percentage (P) van de waarde (W) in het economische verkeer van de aandelen waarop dat recht betrekking heeft op het tijdstip van aftrek, bedoeld in het eerste lid.

4.

Voor de toepassing van het derde lid wordt P berekend volgens de formule P = I + V doch ten minste nihil, waarin

I voorstelt: {(W – U) / W} × 100, U is daarin de in de optie-overeenkomst vastgelegde uitoefenkoers;

V voorstelt: (4,5 – 0,1t) × t – (0,09 – 0,002t) × I × t doch ten minste nihil, t is daarin de na het tijdstip van aftrek ter zake van de toekenning van het recht resterende looptijd van dat recht in jaren of gedeelten van jaren, doch ten hoogste 20.

5.

Voor de toepassing van het vierde lid worden I en V naar beneden afgerond op gehele getallen.

6.

Indien P op het tijdstip van aftrek niet bepaalbaar is volgens het vierde lid, wordt de waarde van het recht, bedoeld in het derde lid, gesteld op de waarde in het economische verkeer van het recht op het tijdstipvan aftrek.

7.

Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de volgens het derde tot en met het vijfde lid vastgestelde waarde in belangrijke mate lager is dan de werkelijke waarde in het economische verkeer van het recht op het tijdstip van aftrek, wordt de waarde gesteld op de waarde in het economische verkeer.