Wet van 7 juni 1972, houdende regelen met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van dienstplichtige militairen en daarmede gelijkgestelden tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid

Type Wet
Publication 2015-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten behoeve van dienstplichtige militairen en daarmede gelijkgestelden regelen vast te stellen met betrekking tot voorzieningen tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

Voor de toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald wordt begrepen onder:

3.

De belanghebbende, die als gevolg van een ontslag uit de militaire dienst, onderscheidenlijk de burgerlijke openbare dienst, bedoeld in het tweede lid, onder a, 1°, of de vervangende dienst, bedoeld in dat lid, onder a, 2°, niet of niet langer voldoet aan de omschrijving van belanghebbende in het eerste of tweede lid, blijft voor de toepassing van deze wet nochtans als belanghebbende aangemerkt.

4.

Geen belanghebbende in de zin van deze wet is de persoon die op of na 29 december 2005 arbeidsongeschikt wordt.

Artikel 2
1.

Waar in deze wet of in de tot haar uitvoering genomen besluiten, wordt gesproken van "aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling",

2.

Een invaliditeitspensioen en een invaliditeitsverhoging waarop aanspraak bestaat volgens de daarover bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen wordt aangemerkt als te zijn verleend ter zake van arbeidsongeschiktheid in de zin van deze wet, tenzij de aanspraak op dat pensioen of die verhoging bestaat ter zake van ziekten of gebreken welke door duidelijk andere oorzaken zijn bepaald dan die welke bepalend zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan recht op uitkering krachtens deze wet bestaat.

3.

Arbeidsongeschiktheid, die bestaat op de dag, waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt, wordt geacht op die dag te zijn aangevangen.

4.

Het tweede lid is niet van toepassing indien het recht op pensioen of de verhoging wordt ontleend aan een periode van werkelijke dienst die is geëindigd met ingang van een op of na 1 januari 1998 gelegen datum, waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden op grond waarvan de aanspraak op het invaliditeitspensioen, dan wel de invaliditeitsverhoging, is ontstaan.

Hoofdstuk II. Het ziekengeld

Artikel 3
1.

De belanghebbende, die op de dag, waarop zijn verblijf in werkelijke dienst eindigt, arbeidsongeschikt is of binnen een maand na die dag arbeidsongeschikt wordt, heeft, overeenkomstig hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid recht op dezelfde ziekengelduitkering als die, waarop krachtens de Ziektewet aanspraak zou bestaan, indien hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid verzekerde in de zin van die wet zou zijn geweest, evenwel slechts indien en voor zover hij ter zake van die arbeidsongeschiktheid geen aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan doen gelden.

2.

Het in het vorige lid omschreven recht heeft eveneens de belanghebbende, die arbeidsongeschikt wordt nadat sedert de dag, waarop zijn verblijf in werkelijke dienst eindigde, meer dan een maand is verstreken, evenwel slechts indien en voor zover hij ter zake van die arbeidsongeschiktheid geen aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan doen gelden en dit, naar het oordeel van Onze Minister van Defensie, zijn oorzaak vindt in het verblijf in werkelijke dienst.

Artikel 4

De ziekengelduitkering gaat in op de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is aangevangen.

Hoofdstuk III. De arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 5
1.

De belanghebbende, die op de dag, waarop zijn verblijf in werkelijke dienst eindigt, arbeidsongeschikt is of binnen een maand na die dag arbeidsongeschikt wordt, heeft, overeenkomstig hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid of de toeneming van de arbeidsongeschiktheid recht op dezelfde uitkeringen als die, waarop krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aanspraak zou bestaan, indien hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid verzekerde in de zin van die wet zou zijn geweest, evenwel slechts indien en voor zover hij ter zake van die arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk die toeneming van de arbeidsongeschiktheid geen aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan doen gelden. Hoofdstuk IIA van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is van overeenkomstige toepassing.

2.

Het in het vorige lid omschreven recht heeft eveneens de belanghebbende, die arbeidsongeschikt wordt nadat sedert de dag, waarop zijn verblijf in werkelijke dienst eindigde, meer dan een maand is verstreken, evenwel slechts indien en voor zover hij ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid of de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid geen aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling kan doen gelden en dit, naar het oordeel van Onze Minister van Defensie, zijn oorzaak vindt in het verblijf in werkelijke dienst.

Artikel 5a
1.

De artikelen 21, 22, 40, 48, 53 en 59b, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen in werking is getreden, blijven van toepassing op de belanghebbende, bedoeld in artikel 5. De artikelen 21a en 21b zijn niet van toepassing op de in artikel 5 bedoelde belanghebbende.

2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 21, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dat artikel luidt na de inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, van toepassing.

Hoofdstuk IV. De vereveningsbijdrage

Artikel 6
1.

Het uitvoeringsorgaan houdt op de uitkering ingevolge deze wet en de toeslag op deze uitkering ingevolge de Toeslagenwet een bedrag in, dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een werkgever op grond van afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, op het overeenkomstige loon van een werknemer die verzekerd is op grond van de Werkloosheidswet, inhoudt.

2.

Indien ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage vastgesteld.

3.

De op grond van het eerste lid in te houden bedragen komen ten bate van ’s Rijks kas.

Hoofdstuk V. De uitvoering

Artikel 7

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, is belast met de uitvoering van deze wet, voorzover die uitvoering niet krachtens deze wet aan anderen is opgedragen.

Hoofdstuk VI. Algemene bepalingen

Artikel 8

De bepalingen betreffende de verplichte verzekering ingevolge de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de bepalingen van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en van de Wet financiering sociale verzekeringen alsmede van de afdelingen II en III van hoofdstuk III en van afdeling II van hoofdstuk IV van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en de uitvoeringsbesluiten van genoemde wetten zijn, met inachtneming van de wijzigingen, die de aard van het onderwerp vordert, voor zoveel nodig van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, niet is afgeweken.

Artikel 8a

De artikelen 8 en 8a van de Ziektewet en 7a en 16, onderdeel c van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn op degene, die een uitkering ingevolge deze wet ontvangt, niet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

Artikel 33a van de Ziektewet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot uitkeringen anders dan bedoeld in dat artikel, die worden ontleend aan een andere wettelijke regeling.

Artikel 10

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het dagloon.

Artikel 11

De uitgaven en de kosten verbonden aan de uitvoering van deze wet alsmede de ingevolge enige wet over de uitkeringen krachtens deze wet door het uitvoeringsorgaan verschuldigde premies, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, komen ten laste van het Rijk.

Hoofdstuk VII. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 12

De bepalingen van deze wet zijn met uitzondering van hoofdstuk II mede van toepassing ten aanzien van degene die arbeidsongeschikt is geworden op een tijdstip gelegen vóór 1 juli 1966 en wiens arbeidsongeschiktheid sedertdien onafgebroken heeft voortgeduurd, indien hij:

met dien verstande, dat hoofdstuk III geen toepassing vindt vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 13
1.

De Militaire Ziekengeldregeling (Stcrt. 1966, 157) vervalt.

2.

De Militaire Ziekengeldregeling en haar uitvoeringsbesluiten, zoals deze luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop deze wet in werking treedt, blijven van toepassing ten aanzien van:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.