Wet van 23 juni 1972, houdende regelen omtrent de vaarplicht in buitengewone omstandigheden

Type Wet
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen betreffende de vaarplicht in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden alsmede enkele met dat onderwerp samenhangende bijzondere straf- en tuchtbepalingen vast te stellen, een en ander mede met het oog op bij Rijkswet gestelde algemene regelen betreffende de vaarplicht;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Deze wet verstaat onder:

Artikel 2
1.

Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 2a, 10, 11, 16, 17, 18 en 20 in werking worden gesteld.

2.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.

3.

Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.

Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 2a

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Onze Minister is bevoegd met inachtneming van artikel 3, eerste lid, aan zeelieden en gewezen zeelieden de vaarplicht op te leggen.

Artikel 3
1.

De vaarplicht kan worden opgelegd aan alle Nederlanders, uitgezonderd Nederlanders, woonachtig in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, en aan alle inwoners van Nederland, die:

2.

Vaststelling van het in het eerste lid bedoelde tijdvak op langer dan drie jaren geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken.

3.

Van de vaarplicht zijn vrijgesteld:

4.

De vaarplichtige kan door Onze Minister al dan niet voor een bepaalde termijn van de vaarplicht worden ontslagen; het ontslag van de vaarplicht kan te allen tijde worden ingetrokken of ongedaan gemaakt.

5.

De gevolgen, voortvloeiende uit het ontslag van de vaarplicht, worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 4
1.

Onze Minister kan verbieden, dat vaarplichtigen het grondgebied van Nederland verlaten zonder zijnentwege verleende vergunning.

2.

De vergunning kan onder beperkingen worden verleend; aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 5
1.

De vaarplichtige is gehouden iedere hem door Onze Minister gegeven aanwijzing omtrent de door hem te verrichten werkzaamheden, het zich daartoe gereed houden en het treffen van de daartoe vereiste voorbereidende maatregelen op te volgen.

2.

Bij de aanwijzing kan worden bepaald, in wiens dienst de werkzaamheden moeten worden verricht, alsmede de plaats waar en de tijd waarop de dienstbetrekking een aanvang neemt.

3.

Aan vaarplichtigen, die werkzaam zijn aan boord of ten behoeve van een Nederlands schip, kan Onze Minister bij algemene bekendmaking de aanwijzing geven, die werkzaamheden tot nader order te blijven voortzetten.

4.

De vaarplichtige, die een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, is, zolang die aanwijzing van kracht is, vrijgesteld van elke hem van overheidswege anders dan uit hoofde van deze wet opgelegde of op te leggen verplichting tot het verrichten van werkzaamheden, voorzover die werkzaamheden onverenigbaar zijn met het opvolgen van de aanwijzing.

5.

Van een aanwijzing anders dan die bedoeld in het derde lid wordt gelijktijdig mededeling gedaan aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel 6
1.

De vaarplichtige, die een aanwijzing als bedoeld in artikel 5 heeft ontvangen, wordt, zodra de hem in deze aanwijzing genoemde dienstbetrekking is aangevangen, van rechtswege geacht een arbeidsovereenkomst met degene, in wiens dienst hij treedt, te hebben aangegaan; indien het dienst aan boord van een schip betreft volgens het bepaalde in het Wetboek van Koophandel, indien het andere dienst betreft volgens het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek.

2.

Voorzover de vaarplichtige op het tijdstip, waarop de hem ingevolge artikel 5 aangewezen dienst aanvangt, nog gebonden is aan een andere arbeidsovereenkomst, wordt deze overeenkomst voor de tijd, gedurende welke hij de aangewezen dienst heeft te vervullen, geschorst; de andere arbeidsovereenkomst wordt echter geacht beëindigd te zijn met ingang van de dag, waarop de hem aangewezen dienst aanvangt, indien het een arbeidsovereenkomst is voor het verrichten van arbeid aan boord van een schip:

3.

De in het eerste lid bedoelde arbeidsovereenkomst eindigt op het tijdstip, waarop de betrokkene ophoudt vaarplichtig te zijn of de aldaar bedoelde dienstbetrekking door een nadere aanwijzing vervalt.

Artikel 7

De algemene voorwaarden der dienstbetrekking, bedoeld in artikel 6, worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en na overleg met de naar zijn oordeel representatieve organisaties van werkgevers en werknemers. Indien het dienst betreft aan boord van een schip of daarmede gelijk te stellen dienst, zal in deze voorwaarden niet, dan voor zover noodzakelijk is, ten ongunste van de vaarplichtige worden afgeweken van de voorwaarden van de collectieve arbeidsovereenkomsten en de daarbij behorende reglementen en andere bijlagen, gesloten tussen werkgevers en werknemers ter koopvaardij en ter visserij en van de eventueel krachtens artikel 5 of 6 van de Wet op de loonvorming vastgestelde regelingen met betrekking tot arbeidsverhoudingen ter koopvaardij en ter visserij, van kracht voor de arbeid aan boord van Nederlandse schepen op het tijdstip, waarop de dienstbetrekking aanvangt. In de voorwaarden der dienstbetrekking kan worden afgeweken van de bepalingen van dwingend recht in het Wetboek van Koophandel of het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 8
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld, welke aan de vaarplichtige, die een aanwijzing als bedoeld in artikel 5 heeft ontvangen, gedurende de tijd, dat hem geen dienstbetrekking is aangewezen of deze nog niet is aangevangen, van overheidswege een behoorlijk levensonderhoud waarborgen, voorzover hij hierin niet zelf door passende arbeid kan voorzien of hem niet op andere wijze behoorlijk levensonderhoud is verzekerd.

2.

De uit het eerste lid voortvloeiende aanspraak kan door Onze Minister geheel of gedeeltelijk al dan niet voor een bepaalde tijd worden ontzegd aan de vaarplichtige,

Artikel 9
1.

De vaarplichtige is, zolang een hem ingevolge artikel 5 gegeven aanwijzing van kracht is, verplicht de in het belang van zijn gezondheid door de door Onze Minister aangewezen geneeskundige gegeven voorschriften op te volgen en de door deze voor zijn herstel noodzakelijk geachte genees- of heelkundige behandeling te ondergaan. De verplichting geldt niet voor het ondergaan van een levensgevaarlijke operatie, voor het zich onderwerpen aan vaccinaties door diegenen die daartegen gewetensbezwaar hebben dan wel voorzover door Onze Minister is beslist, dat het niet opvolgen der voorschriften of het weigeren om de behandeling te ondergaan gerechtvaardigd is.

2.

De vaarplichtige, die opzettelijk of door schuld de in het eerste lid bedoelde verplichting niet nakomt, heeft geen aanspraak op loon of enige hem door de wet toegekende uitkering wegens ziekte, zolang hij om gezondheidsredenen geen dienst kan verrichten.

3.

Ter uitvoering van dit artikel worden persoonsgegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming verwerkt. Onze Minister is de verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.

Artikel 10

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1.

Indien de kapitein gegronde reden heeft om aan te nemen dat het verblijf van een zeeman op het schip de orde aan boord of de veiligheid van het schip in gevaar brengt, kan hij deze in iedere haven, waar zulks is toegestaan, aan land doen zetten of de toegang tot het schip weigeren.

2.

Indien de kapitein van oordeel is dat het vrije verblijf van een zeeman aan boord om een of meer van de redenen als in het eerste lid bedoeld niet langer verantwoord is, kan hij deze doen insluiten.

In dat geval doet de kapitein de zeeman in de eerste haven, waar zulks is toegestaan, aan land zetten.

3.

Onze Minister bevordert zoveel mogelijk, dat zeelieden, die ingevolge de toepassing van het bepaalde in de vorige leden achterblijven buiten het land van hun herkomst, zo spoedig mogelijk naar dat land worden teruggebracht.

Artikel 11

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

De kapitein, die gebruik maakt van de bevoegdheden hem in het vorige artikel gegeven, is verplicht daarvan melding te maken in het scheepsdagboek. Hij stelt tevens zo spoedig mogelijk Onze Minister in kennis van de genomen maatregel en van de feiten, die tot deze maatregel aanleiding hebben gegeven.

Artikel 12
1.

Tegen een beslissing krachtens deze wet genomen door Onze Minister of een ander bestuursorgaan, kunnen belanghebbenden bezwaar maken onderscheidenlijk beroep instellen bij Onze Minister.

2.

Onze Minister beslist op het bezwaar- of beroepschrift na een bij algemene maatregel van bestuur in te stellen adviescommissie te hebben gehoord, waarin werkgevers en werknemers gelijkelijk zijn vertegenwoordigd. De algemene maatregel van bestuur regelt de benoeming, de samenstelling en de werkwijze van de commissie.

3.

Indien het bezwaar- of beroepschrift telegrafisch of per telex wordt ingediend, kan de ondertekening, in afwijking van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht, achterwege blijven.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.