Wet van 22 november 1972, houdende regelen betreffende de verlening van uitkeringen aan de slachtoffers van vervolging
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen betreffende de verlening van uitkeringen aan de slachtoffers van vervolging tijdens de oorlogsjaren 1940-1945;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen;
- c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 1a
Voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld met:
- a. huwelijk: het geregistreerd partnerschap;
- b. gehuwd: als partner geregistreerd;
- c. echtgenoot of echtpaar: de geregistreerde partner of het geregistreerde paar;
- d. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partij bij het geregistreerd partnerschap;
In deze wet en de daarop rustende bepalingen:
- a. worden als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt, ongehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat;
- b. wordt als ongehuwd mede aangemerkt degenen die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid kan slechts sprake zijn indien twee personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van de eerste volzin.
Artikel 2
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder vervolging verstaan iedere handeling of maatregel, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland of het voormalige Nederlands-Indië vijandelijke bezettende machten werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit en welke heeft geleid tot:
- a. vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen;
- b. ondergaan van sterilisatie om aan vrijheidsberoving te ontkomen;
- c. onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
Onder vervolging worden tevens verstaan handelingen of maatregelen:
- a. van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a;
- b. van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen, die zich aan verplichte tewerkstelling hebben onttrokken en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a.
Handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen wegens het zich onttrekken aan krijgsgevangenschap, worden niet onder vervolging begrepen.
Artikel 3
Onder vervolgde wordt verstaan:
- a. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 Nederlander zijnde dan wel Nederlands onderdaan in de zin van de toenmalige Wet van 10 februari 1910 (Stb. 55), vervolging onderging;
- b.
-
- de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij sedert 9 mei 1940 tot aan het tijdstip van zijn naturalisatie onafgebroken in Nederland gevestigd is geweest;
-
- de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij sedert 7 december 1941 tot het tijdstip van zijn naturalisatie onafgebroken in het voormalige Nederlands-Indië, in Indonesië of in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea gevestigd is geweest, dan wel sedert 7 december 1941 onafgebroken in het voormalige Nederlands-Indië, in Indonesië of in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea was gevestigd en aansluitend daaraan vóór 1 april 1964 in Nederland is gekomen of vóór genoemde datum een verzoek om toestemming tot vestiging in Nederland heeft ingediend, waarop gunstig is beslist, en sedert zijn aankomst tot aan het tijdstip van zijn naturalisatie onafgebroken hier te lande gevestigd is geweest.
-
- de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij zich niet later dan 15 augustus 1955 in Nederland heeft gevestigd en tot de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 30, dan wel tot zijn overlijden onafgebroken in Nederland gevestigd is geweest;
- c. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vervolging onderging, indien hij sedert 9 mei 1940 onafgebroken in Nederland is gevestigd, dan wel tot zijn overlijden is geweest;
- d.
-
- de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vervolging onderging, indien hij sedert 7 december 1941 tot zijn overlijden, mits dit plaats vond vóór 1 april 1964, onafgebroken in het voormalig Nederlands-Indië, in Indonesië of in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, was gevestigd;
-
- de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vervolging onderging, indien hij sedert 7 december 1941 onafgebroken in het voormalig Nederlands-Indië, in Indonesië of in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, was gevestigd en aansluitend daaraan vóór 1 april 1964 in Nederland is gekomen of vóór genoemde datum een verzoek om toestemming tot vestiging in Nederland heeft ingediend, waarop gunstig is beslist, en sedert zijn aankomst onafgebroken hier te lande gevestigd is, dan wel tot zijn overlijden is geweest;
- e. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 Nederlander zijnde vervolging onderging;
- f. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 Nederlands onderdaan zijnde in de zin van de Wet van 10 februari 1910 (Stb. 55) vervolging onderging en nadien het Nederlanderschap heeft bezeten.
De Raad kan de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijkstellen indien het niet toepassen van deze wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Artikel 4
Behoudens in nader bij algemene maatregel van bestuur te regelen gevallen is deze wet niet van toepassing op:
- a. de vervolgde en diens nabestaanden, die op grond van de vervolgingsomstandigheden aanspraken ontlenen aan de voor militairen geldende voorzieningen, tenzij de vervolgde heeft behoord tot het personeel van het voormalige Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger;
- b. de vervolgde en diens nabestaanden, die aanspraken ontlenen aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers of de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet;
- c. de vervolgde in de zin van artikel 3, eerste lid, onder c en d, en diens nabestaanden, die een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezitten en zich metterwoon in het buitenland vestigen dan wel reeds buiten Nederland zijn of waren gevestigd, ook indien zij zich nadien in Nederland vestigen;
- d. de nabestaande van de vervolgde in de zin van artikel 3, eerste lid, onder b 3, die een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezitten.
Bij de toepassing van het eerste lid, onder c, wordt een verblijf in het buitenland van langere duur dan een jaar in ieder geval aangemerkt als vestiging aldaar.
Tot de nabestaanden genoemd in het eerste lid onder c, dient niet te worden gerekend de nabestaande, die, als zodanig, vóór 1 april 1964 vanuit het voormalig Nederlands-Indië, Indonesië of het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea in Nederland is gekomen dan wel vóór genoemde datum een verzoek om toestemming tot vestiging in Nederland heeft ingediend, waarop gunstig is beslist en sedert zijn aankomst onafgebroken hier te lande is gevestigd.
Artikel 5
Voor een uitkering, een vergoeding en een tegemoetkoming, alsmede voor een verklaring als bedoeld in artikel 22 komt niet in aanmerking de vervolgde die blijkens opgave van Onze Minister van Justitie:
- a. bij onherroepelijke uitspraak van een bijzondere strafrechter is veroordeeld;
- b. bij een uitspraak van een Tribunaal, waarop fiat executie is verleend, de al dan niet voorwaardelijke oplegging van een bijzondere maatregel onderging;
- c. bij een onherroepelijke beslissing van een orgaan van de bijzondere rechtspleging voorwaardelijk buiten vervolging is gesteld;
- d. bij een onherroepelijke uitspraak van een met zuivering belast orgaan of college is ontzet van het recht ambten of bepaalde ambten te bekleden, dan wel bepaalde beroepen of functies uit te oefenen of oneervol is ontslagen;
- e. zich door de vlucht aan vervolging door een orgaan van de bijzondere rechtspleging heeft onttrokken.
Voor een uitkering, een vergoeding en een tegemoetkoming, alsmede voor een verklaring als bedoeld in artikel 22, komt niet in aanmerking de vervolgde die zich tijdens de vijandelijke bezetting uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
Voor een uitkering komen evenmin in aanmerking de nabestaanden van de vervolgde, indien ten aanzien van hem uitspraken zijn gedaan of beslissingen zijn genomen als in het eerste lid bedoeld, dan wel indien hij zich heeft gedragen als in het tweede lid omschreven.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de nabestaanden van de vervolgde, indien ten aanzien van hen uitspraken zijn gedaan of beslissingen zijn genomen als in het eerste lid bedoeld, dan wel indien zij zich hebben gedragen als in het tweede lid omschreven.
Artikel 6
Vervallen
Hoofdstuk II. De aanspraken
§ 1. De uitkeringsgerechtigden
Artikel 7
Recht op een uitkering heeft:
- a. de vervolgde, die wegens ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, buiten staat is door arbeid een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de ingevolge artikel 8 vastgestelde grondslag;
- b. de weduwe of weduwnaar, alsmede de minderjarige volle wees van de vervolgde van wie het overlijden redelijkerwijs aan de vervolging kan worden toegeschreven;
- c. de weduwe, de weduwnaar, alsmede de minderjarige volle wees van de vervolgde, indien de vervolgde door andere oorzaken dan de vervolging is overleden, mits deze ten tijde van het overlijden in het genot was van een uitkering, uit welken hoofde of onder welke benaming ook, verband houdende met de onder a of in het tweede lid bedoelde ziekten of gebreken.
Indien de ziekten of gebreken, bedoeld in het eerste lid, niet duidelijk door andere oorzaken dan de vervolging zijn ontstaan of verergerd, worden deze geacht hun oorzaken te hebben in de vervolging, dan wel in omstandigheden verband houdende met de vervolging. Daarbij wordt rekening gehouden met de inzichten en ervaringen van de medische wetenschap met betrekking tot de relatie tussen de vervolging en de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand.
Onder verergering bedoeld in het eerste lid, onder a en het tweede lid wordt verstaan een verergering die in belangrijke mate heeft bijgedragen tot de ernst van de ziekten of gebreken op grond waarvan aanspraken aan deze wet kunnen worden ontleend.
De in het eerste lid bedoelde uitkering aan de weduwe of weduwnaar van de vervolgde die na de inwerkingtreding van deze wet is overleden, wordt ten hoogste gedurende een tijdvak van twee jaren na de datum van overlijden verleend, indien de weduwe of weduwnaar op dat tijdstip nog niet de 40-jarige leeftijd heeft bereikt, tenzij zij of hij arbeidsongeschikt is, of een of meer minderjarige kinderen te haren of te zijnen laste heeft.
Voor de toepassing van deze wet worden onder minderjarige kinderen dan wel minderjarige volle wezen verstaan onderscheidenlijk kinderen of volle wezen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn.
§ 2. De grondslag voor de uitkering
Artikel 8
Indien aanspraak op een uitkering bestaat wordt de grondslag vastgesteld waarnaar die uitkering wordt berekend.
De grondslag wordt vastgesteld naar het inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf dat de vervolgde, al naar voor hem het gunstigst is, ten tijde van de aanvraag bedoeld in artikel 30 in Nederland zou hebben genoten:
- a. uit het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep of bedrijf;
- b. uit het laatstelijk voor het tot uiting komen van de ziekten of gebreken, of de verergering daarvan door hem uitgeoefende beroep of bedrijf;
- c. uit het laatstelijk voor de vervolging door hem uitgeoefende beroep of bedrijf.
Indien het in het tweede lid bedoelde beroep of bedrijf buiten Nederland werd uitgeoefend, wordt bij de vaststelling van de grondslag waarnaar de uitkering wordt berekend, rekening gehouden met het meest vergelijkbare beroep of bedrijf in Nederland, alsmede met (vak)opleiding, bekwaamheid en andere factoren, welke terzake van belang kunnen zijn.
Bij de vaststelling van de grondslag, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid van bevordering of verhoging van de vakbekwaamheid, uitbreiding van het bedrijf of andere dergelijke factoren.
Indien de vervolgde ten tijde van het tot uiting komen van de ziekten of gebreken, of de verergering daarvan, dan wel ten tijde van het overlijden, niet aangewezen was op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf, wordt de grondslag vastgesteld op het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in het zevende lid, onder a.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.