Besluit van 23 november 1972, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 24 van de wet van 15 juni 1972, Stb. 449, tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel

Type AMvB
Publication 2020-09-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i. van 24 juli 1972, nr. AW71/2694, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1972, Stb. 449, tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel;

De Raad van State gehoord (advies van 30 augustus 1972, nr. 10);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 13 november 1972, nr. AW72/2424, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Dit besluit verstaat onder:

Artikel 2
1.

Dit besluit verstaat onder betrokkene:

die ten gevolge van een wet tot herindeling van gemeenten wordt ontslagen.

2.

Tenzij het tegendeel blijkt wordt onder betrokkene, gewezen betrokkene begrepen.

Artikel 3
1.

Dit besluit verstaat onder diensttijd: de diensttijd die aan het ontslag voorafgaat en die medetelt voor de pensioenberekening krachtens de pensioenwet of als zodanig zou medetellen wanneer die tijd door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard, met uitzondering van de tijd:

2.

Voor de toepassing van het vorige lid geldt ten aanzien van de diensttijd bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de pensioenwet, dat betrokkene geacht wordt het in artikel D2 van die wet bedoelde verzoek aan het bestuur te hebben gedaan.

3.

Dit besluit verstaat mede onder diensttijd de diensttijd die aan het ontslag voorafgaat in een betrekking waarin betrokkene krachtens artikel B7, onder a, van de pensioenwet geen ambtenaar in de zin van die wet is, mits het ontslag uit die betrekking is verleend.

Artikel 3a
1.

Dit besluit verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.

2.

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93) is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4
1.

Dit besluit verstaat onder bezoldiging: de bezoldiging, zoals deze laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage.

2.

Voor zover in de bezoldiging een vergoeding moet worden begrepen wegens onregelmatige dienst, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.

3.

De bezoldiging, omschreven in het eerste en tweede lid, wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van de vakantieuitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering van kracht wordt.

4.

Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de opheffing van de gemeente lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van de betrokkene worden herzien.

5.

In bijzondere gevallen kan Onze Minister van het hiervoren bepaalde ten gunste van de betrokkene afwijken.

Artikel 5. Inschrijvingsplicht
1.

Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als werkzoekende te doen inschrijven uiterlijk op de eerste werkdag volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op uitkering ontstaat.

2.

De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van Onze Minister vergelijkbaar is met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

3.

Onze Minister kan bepalen, dat de in het eerste en tweede lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.

Artikel 6. Recht op uitkering
1.

Met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, bestaat ten laste van hoofdstuk VII van de rijksbegroting, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vastgesteld:

2.

Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van een periode waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde verhindering.

3.

De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.

4.

Met weken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid worden gelijkgesteld weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.

5.

De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17, vierde en vijfde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.

6.

Geen recht op uitkering bestaat:

7.

De betrokkene, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, heeft recht op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van algemene invaliditeit op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80%. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen van de datum van ontslag op grond waarvan recht op pensioen is ontstaan. Ter bepaling van de duur van de uitkering wordt:

8.

Onze Minister beslist over de toekenning van uitkering op schriftelijke aanvraag door de betrokkene. De stukken die Onze Minister nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen door of vanwege de betrokkene te worden overgelegd.

Artikel 7. Duur van de uitkering
1.

De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.

2.

Indien de betrokkene:

wordt de duur van de uitkering verlengd met:

3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;

0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;

1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;

1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;

2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;

2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;

3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en

4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.

3.

Het arbeidsverleden bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van:

4.

Perioden, waarin een betrokkene:

worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.

5.

Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind:

6.

Voor de toepassing van het vijfde lid worden als perioden van verzorging niet meegeteld de periode waarin:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.