Besluit van 26 september 1975, tot vaststelling van het Vergoedingenbesluit Kamer voor de Binnenvisserij 1975

Type AMvB
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 19 augustus 1975, No. J 1815, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken;

Gelet op artikel 53, tweede lid, van de Visserijwet 1963;

De Raad van State gehoord (advies van 3 september 1975, no. 19);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 22 september 1975, no. J 2007, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Voor het leiden van zittingen of andere bijeenkomsten van de Kamer voor de Binnenvisserij wordt aan de plaatsvervangende voorzitter een vergoeding toegekend van € 67,– per 1 januari 2025: € 101,– per uur.

Artikel 2

Voor het bijwonen van zittingen of andere bijeenkomsten van de Kamer voor de Binnenvisserij wordt aan de leden een vergoeding toegekend van € 67,– per 1 januari 2025: € 101,– per uur.

Artikel 3

Voor het houden van besprekingen, welke buiten de zittingen en andere bijeenkomsten van de Kamer voor de Binnenvisserij op voorstel van de voorzitter elders plaatsvinden, wordt aan de leden een vergoeding toegekend van € 67,– per 1 januari 2025: € 101,– per uur.

Artikel 4

De in de voorgaande artikelen bedoelde vergoedingen worden niet toegekend, indien de aldaar genoemde personen bij het Rijk een bezoldigd ambt bekleden, voor zover Onze Minister van Economische Zaken niet anders bepaalt.

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Ons Besluit van 5 augustus 1964, Stb. 340, wordt ingetrokken.

Artikel 7
1.

Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Kamer voor de Binnenvisserij 1975.

2.

Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad.

Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 3a
1.

De vergoedingen, bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3, worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de mate waarin het prijspeil in de periode van 1 juli in het voorafgaande jaar tot en met 1 juli van het daaraan voorafgaande jaar gemiddeld is gestegen volgens de Consumentenprijsindex voor alle huishoudens zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden afgerond op hele euro’s.

2.

Onze Minister van Economische Zaken maakt de aanpassing, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 oktober van het voorgaande jaar bekend in de Staatscourant.

Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.