Wet van 12 januari 1977, houdende regelen met betrekking tot het verrichten van proeven op dieren

Type Wet
Publication 2021-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de bescherming van het dier regelen te stellen met betrekking tot het verrichten van proeven op dieren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1
1.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt voorts verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

inspecteur: de op grond van een aanwijzing krachtens artikel 20 ter plaatse bevoegde inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid.

3.

Een wijziging van de richtlijn gaat voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de dierproeven gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 1a

Bij uitoefening van bevoegdheden bij of krachtens deze wet wordt de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier als algemeen uitgangspunt gehanteerd.

Artikel 2
1.

Het is verboden zonder instellingsvergunning van Onze Minister dierproeven te verrichten.

2.

De instellingsvergunning geldt, voor wat betreft het verrichten van dierproeven als in artikel 1c, onderdeel b tot en met f bedoeld, uitsluitend voor zover de proeven, al dan niet rechtstreeks, gericht zijn op het belang van de gezondheid of de voeding van mens of dier.

3.

Indien Onze Minister van oordeel is dat een gewichtig ander belang zulks wettigt, kan hij in de instellingsvergunning bepalen dat zij mede geldt voor het verrichten van dierproeven als in artikel 1c, onderdeel b tot en met f bedoeld, die, al dan niet rechtstreeks, gericht zijn op dat - in de instellingsvergunning aan te geven - andere belang.

4.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag om een instellingsvergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3
1.

Onze Minister kan regelen stellen, inhoudende welke gegevens bij een aanvraag om een instellingsvergunning en nadat de instellingsvergunning is verleend dienen te worden verstrekt.

2.

Bij het indienen van een aanvrage dient een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag te worden betaald. Het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt zodanig vastgesteld dat daarmee de kosten van de behandeling van de aanvraag worden gedekt.

Artikel 4
1.

Op een aanvrage om instellingsvergunning wordt binnen acht weken beslist. Onze Minister kan bij beschikking deze termijn eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.

2.

Onze Minister beslist in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat.

3.

Van het verlenen van een instellingsvergunning wordt in de Staatscourant mededeling gedaan. Daarbij worden de hoofdzaken vermeld van hetgeen de instellingsvergunning bevat met betrekking tot het doel van de proeven en van de in de instellingsvergunning gestelde beperkingen en voorschriften. Toepassing van de vorige volzin kan achterwege blijven, voor zover daartegen op in de mededeling aan te geven gronden bezwaren bestaan.

Artikel 5

Een instellingsvergunning kan slechts worden geweigerd indien:

Artikel 6
1.

Een instellingsvergunning kan onder beperkingen en voor een beperkte periode worden verleend.

2.

Aan een instellingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.

3.

In de instellingsvergunning wordt vermeld:

Artikel 7
1.

Een instellingsvergunning wordt ingetrokken indien:

2.

Een instellingsvergunning kan overigens worden ingetrokken indien:

3.

In gevallen waarin de instellingsvergunning kan worden ingetrokken, kan, in plaats daarvan, een beperking aan de instellingsvergunning worden toegevoegd.

4.

Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

Van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 8
1.

Een instellingsvergunning krachtens deze wet wordt verleend aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon; zij is gebonden aan de natuurlijke of rechtspersoon aan wie zij is verleend.

2.

Indien de vergunninghouder een natuurlijke persoon is, blijft de instellingsvergunning na zijn overlijden gedurende een periode van zes maanden van kracht ten behoeve van de rechtverkrijgenden. Wanneer binnen deze periode een aanvrage om een nieuwe instellingsvergunning is ingediend, blijft eerstbedoelde instellingsvergunning verder van kracht totdat op die aanvrage onherroepelijk is beslist. Artikel 7 blijft gedurende het van kracht blijven van deze instellingsvergunning van toepassing.

Artikel 9

Het is verboden een dierproef te verrichten indien de persoon die het project en de dierproef opzet niet voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met het oog op de deskundigheid en de bekwaamheid te stellen regels.

Artikel 10
1.

Het is verboden een dierproef te verrichten voor een doel

2.

Ingeval er verschillende mogelijkheden bestaan om een dierproef te verrichten, wordt de dierproef geselecteerd die in de hoogste mate aan de volgende voorwaarden voldoet en naar verwachting bevredigende resultaten oplevert:

3.

Het is verboden een dierproef te verrichten door middel van LD50/LC50 test-methoden.

4.

Van het in het derde lid bedoelde verbod kan door Onze Minister vrijstelling worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar indien wordt aangetoond dat voor de in dat lid genoemde methoden geen alternatief aanwezig is.

Artikel 10a
1.

Het is verboden een project uit te voeren indien de centrale commissie dierproeven daarvoor geen projectvergunning heeft verleend.

2.

Bij een aanvraag om een projectvergunning wordt een projectvoorstel gevoegd dat is afgestemd met de instantie voor dierenwelzijn.

3.

De centrale commissie dierproeven komt tot een oordeel over een projectvoorstel na advies van een op grond van artikel 18a erkende dierexperimentencommissie en op grondslag van de artikelen 2, tweede en derde lid, 9, 10, 10a2, 10a4, 10b, 10d tot en met 10h, 11, 13 en 13f.

4.

De kosten die verband houden met het in het derde lid bedoelde advies van een erkende dierexperimentencommissie, komen voor rekening van de aanvrager van een projectvergunning.

5.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden en gegevens worden ingediend bij een aanvraag tot een projectvergunning. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het bedrag dat bij indiening van de aanvraag moet worden voldaan. Het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt zodanig vastgesteld dat daarmee de kosten van de behandeling van de aanvraag worden gedekt.

6.

De ontvangst van de aanvraag tot een projectvergunning wordt zo snel mogelijk bevestigd door de centrale commissie dierproeven. Daarbij wordt de termijn vermeld waarbinnen een besluit over de aanvraag wordt genomen.

7.

De beoordeling van een project vindt plaats in een mate van uitvoerigheid die past bij het soort project en nodig is om te beoordelen of het project voldoet aan de in artikel 10a2 genoemde criteria.

8.

De centrale commissie dierproeven geeft haar oordeel en maakt dit bekend aan de aanvrager binnen veertig werkdagen na ontvangst van de aanvraag. Indien dat wordt gerechtvaardigd door de complexiteit of de multidisciplinaire aard van het project, kan deze termijn met ten hoogste een maal vijftien werkdagen worden verlengd. De verlenging en de duur daarvan worden met redenen omkleed en worden voor het verstrijken van de termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.