Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne
Titel 8.3. Regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen
Artikel 10.4
Bij de vaststelling van het circulair materialenplan en bij het nemen van andere maatregelen voor de preventie en het beheer van afvalstoffen hanteert Onze Minister als prioriteitsvolgorde de volgende afvalhiërarchie:
- a. preventie;
- b. voorbereiding voor hergebruik;
- c. recycling;
- d. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;
- e. veilige verwijdering.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het nemen van maatregelen als bedoeld in dat lid door gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders.
Artikel 10.5
Bij de vaststelling van het circulair materialenplan en bij het nemen van andere maatregelen voor de preventie en het beheer van afvalstoffen:
- a. kan zonodig voor bepaalde specifieke afvalstromen van de afvalhiërarchie, bedoeld in artikel 10.4, worden afgeweken, indien dit, de gehele levenscyclus in beschouwing nemende, met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van dergelijke afvalstoffen gerechtvaardigd is;
- b. houdt Onze Minister er rekening mee dat het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen vereist dat het beheer op effectieve en efficiënte wijze geschiedt en effectief toezicht dan wel douanecontrole op het beheer mogelijk is.
Artikel 10.5a
Vervallen
Artikel 10.6
Vervallen
Titel 10.2. Het afvalbeheersplan
Artikel 10.7
Het circulair materialenplan bevat de onderwerpen die ingevolge voor Nederland bindende besluiten van de instellingen van de Europese Unie moeten worden opgenomen in afvalbeheerplannen. Het circulair materialenplan voldoet aan hetgeen bij of krachtens de kaderrichtlijn afvalstoffen bepaald is over afvalbeheerplannen, met inbegrip van hetgeen bij of krachtens die richtlijn is bepaald met betrekking tot afvalpreventieprogramma’s.
Het circulair materialenplan bevat mede de afvalpreventieprogramma’s als bedoeld in artikel 29 van de kaderrichtlijn afvalstoffen, met inbegrip van de doelstellingen en maatregelen, gericht op het loskoppelen van economische groei van de milieueffecten die samenhangen met de productie van afvalstoffen. Voor de bewaking en evaluatie van de in de afvalpreventieprogramma’s vastgestelde doelstellingen van de daarin opgenomen afvalpreventiemaatregelen kan Onze Minister indicatoren vaststellen.
Het circulair materialenplan bevat voorts in ieder geval:
- a. de hoofdlijnen van het beleid ter uitvoering van deze wet met betrekking tot het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen en het beheer van afvalstoffen in de betrokken periode van zes jaar en, voor zover mogelijk, in de daarop volgende zes jaar;
- b. een uitwerking van deze hoofdlijnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van afvalstoffen of wijzen van beheer van afvalstoffen;
- c. de capaciteit die benodigd is voor de daarbij aangewezen wijzen van beheer van afvalstoffen in de betrokken periode van zes jaar en, voor zover mogelijk, in de daaropvolgende zes jaar;
- d. een beschrijving van het beleid ter uitvoering van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen in de betrokken periode van zes jaar.
Artikel 10.8
Onze Minister stelt het onderdeel van het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.7, derde lid, onder a, op na overleg met een instantie die representatief kan worden geacht voor de provinciebesturen en met een instantie die representatief kan worden geacht voor de gemeentebesturen.
Onze Minister stelt de onderdelen van het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.7, derde lid, onder b en c, op in gezamenlijk overleg met een instantie die representatief kan worden geacht voor de provinciebesturen en met een instantie die representatief kan worden geacht voor de gemeentebesturen.
Onze Minister betrekt voorts bij de voorbereiding van het circulair materialenplan de naar zijn oordeel bij de te behandelen onderwerpen meest belanghebbende andere bestuursorganen, instellingen en organisaties.
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste tot en met derde lid.
Artikel 10.9
Met betrekking tot de voorbereiding van het circulair materialenplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Het ontwerp van het circulair materialenplan wordt, gelijktijdig met de terinzagelegging ervan, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Titel 10.2. Het afvalbeheersplan
§ 8.1.3.2. Gevallen waarin mede een vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet vereist is
Artikel 10.10
Ten behoeve van het opstellen van het circulair materialenplan verschaffen de bestuursorganen aan Onze Minister op zijn verzoek alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.
Artikel 10.11
Zodra het circulair materialenplan is vastgesteld, doet Onze Minister hiervan mededeling door overlegging van het circulair materialenplan aan de beide kamers der Staten-Generaal en door toezending ervan aan gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en wethouders van de gemeenten.
Onze Minister zendt het circulair materialenplan tevens toe aan de bestuursorganen, instellingen en organisaties, die overeenkomstig artikel 10.8, derde lid, waren betrokken bij de voorbereiding ervan.
Artikel 10.12
Het circulair materialenplan geldt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken na de dag waarop de vaststelling van het circulair materialenplan is bekendgemaakt in de Staatscourant. Onze Minister kan bepalen dat het circulair materialenplan, of onderdelen daarvan, eerst op een later tijdstip gaan gelden.
Het circulair materialenplan geldt, behoudens indien eerder een nieuw circulair materialenplan is vastgesteld, voor een tijdvak van zes jaar. Onze Minister kan de geldingsduur van het circulair materialenplan eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen.
Artikel 10.12a
Vervallen
Artikel 10.12b
Vervallen
Artikel 10.13
Het circulair materialenplan kan worden gewijzigd.
Met betrekking tot een wijziging van het circulair materialenplan zijn de artikelen 10.4 tot en met 10.11 en 10.12, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.14
Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende circulair materialenplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet of bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens artikel 4.1 van de Omgevingswet, voor zover de taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.
Voor zover het circulair materialenplan niet voorziet in het onderwerp met betrekking waartoe de taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend, houdt het bestuursorgaan rekening met de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Indien een bestuursorgaan bij de toepassing van het eerste lid in een ontwerpbesluit of besluit afwijkt van het geldende circulair materialenplan, verstrekt het bestuursorgaan aan Onze Minister afschrift van dat ontwerpbesluit of besluit binnen een week na de dag waarop:
- a. het ontwerpbesluit op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd;
- b. het besluit is bekendgemaakt.
§ 10.4.2. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
Artikel 10.15
Vervallen
Artikel 10.15a
De artikelen 10.10 tot en met 10.14 en 10.19 tot en met 10.44 zijn niet van toepassing op het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, het inzamelen en transporteren van afvalwater in een zodanige voorziening en het vanuit een zodanige voorziening afgeven van afvalwater aan een persoon die een zuiveringstechnisch werk beheert.
Artikel 10.16
Vervallen
Artikel 10.16a
Elke gemeente draagt zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen.
Op verzoek van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalwater ontheffing verlenen van de verplichting opgenomen in het eerste lid, voor een in die ontheffing genoemde periode, voor:
- a. een gedeelte van het grondgebied van de gemeente, dat gelegen is buiten de bebouwde kom;
- b. een bebouwde kom van waaruit afvalwater met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten wordt geloosd.
Artikel 10.16b
Onze Minister stelt regels over het ontwerpen, bouwen, aanpassen en onderhouden van de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
Artikel 10.16c
Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin de stand van zaken wordt beschreven met betrekking tot de inzameling en het transport van afvalwater en de afvoer van slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van de rioolwaterzuiveringsinrichtingen die door een provincie, een gemeente of een waterschap worden beheerd.
Van de vaststelling van het rapport wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. Deze regels kunnen voor gemeenten de verplichting inhouden jaarlijks op een daarbij aangegeven wijze gegevens te verstrekken, die voor de opstelling van het rapport nodig zijn.
Artikel 10.16d
Vervallen
§ 10.4.3. Het aanwezig hebben en de afgifte van autowrakken
Artikel 10.17
Vervallen
Artikel 10.18
Vervallen
§ 10.4.4. Het zich ontdoen door afgifte van bedrijfsafvalstoffen en van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen
Artikel 10.19
Vervallen
§ 10.4.5. De melding inzake de afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen en van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen
Artikel 10.20
Vervallen
§ 10.4.6. Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen en van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen
Artikel 10.21
De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.
In aanvulling op het eerste lid kunnen, in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen, bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het zorgdragen door de gemeenteraad en burgemeesters en wethouders voor de inzameling van daarbij aan te wijzen afvalstoffen die in aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen en afkomstig zijn van daarbij aan te wijzen bronnen.
Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, worden die afvalstoffen aangemerkt als huishoudelijke afvalstoffen.
De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 10.22
Elke gemeente draagt er zorg voor:
- a. dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan, en
- b. dat er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.
In het belang van een doelmatig beheer van grove huishoudelijke afvalstoffen kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft met betrekking tot bij de maatregel aangewezen categorieën van grove huishoudelijke afvalstoffen, al dan niet voor zover deze vrijkomen in een hoeveelheid of een omvang die, of een gewicht dat groter is dan bij de maatregel is aangegeven.
Artikel 10.22a
Vervallen
Artikel 10.23
De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast, tenzij de op grond van artikel 10.24, eerste lid, te stellen regels zijn opgenomen in het omgevingsplan.
De afvalstoffenverordening of het omgevingsplan bevat geen regels als bedoeld in artikel 10.48.
Paragraaf 8.2
Artikel 10.24
Vervallen
Artikel 10.25
Vervallen
§ 10.4.8. De verdere verwijdering van autowrakken, van bedrijfsafvalstoffen en van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen
Artikel 10.26
De gemeenteraad kan, in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening of bij omgevingsplan bepalen dat:
- a. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel;
- b. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat;
- c. in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld.
De gemeenteraad betrekt bij de voorbereiding van een afvalstoffenverordening waarin regels als bedoeld in het eerste lid zijn opgenomen de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.
Artikel 10.27
In gevallen als bedoeld in artikel 10.26, eerste lid, onder b en c, dragen de gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor dat op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.
Artikel 10.28
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het opnemen in de verordening of het omgevingsplan van een verplichting bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen te brengen naar een daartoe beschikbaar gestelde plaats.
Bij de maatregel kan worden aangegeven op welke wijze de gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor dragen dat plaatsen als bedoeld in het eerste lid, binnen de gemeente in voldoende mate beschikbaar zijn.
Bij de maatregel kan worden bepaald dat de artikelen 10.21, eerste lid, en 10.24, eerste lid, onder a, niet van toepassing zijn met betrekking tot de inzameling van de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, die zijn aangewezen krachtens het eerste lid.
Artikel 10.29
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover het betreft gevallen waarin een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen van meer dan gemeentelijk belang is, regels worden gesteld omtrent de inzameling van die afvalstoffen.
Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels die inhouden dat burgemeester en wethouders maatregelen treffen voor de inzameling van die afvalstoffen of daartoe voorzieningen tot stand brengen en in stand houden. Indien zulks noodzakelijk is om de nuttige toepassing van afvalstoffen te faciliteren of te verbeteren wordt bij algemene maatregel van bestuur de verplichting opgenomen om daarbij aangegeven huishoudelijke afvalstoffen gescheiden en niet gemengd met afvalstoffen of materialen die niet dezelfde eigenschappen bezitten, in te zamelen, waarbij tevens kan worden bepaald onder welke voorwaarden afwijking van die verplichting mogelijk is.
Titel 9.1. Algemeen
§ 9.2.1. Algemeen
Artikel 10.30
Vervallen
§ 9.2.1. Algemeen
Artikel 10.31
De artikelen 10.21 tot en met 10.29 en titel 10.6 zijn niet van toepassing op het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, het inzamelen en transporteren van afvalwater in een zodanige voorziening en het vanuit een zodanige voorziening afgeven van afvalwater aan een persoon die een zuiveringstechnisch werk beheert.
Artikel 10.32
Vervallen
Artikel 10.33
Vervallen
Artikel 10.34
Vervallen
Artikel 10.35
Vervallen
§ 9.2.2. Maatregelen
Artikel 10.36
Voor de toepassing van deze titel worden ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld met bedrijfsafvalstoffen.
Artikel 10.36a
Vervallen
Artikel 10.36b
Vervallen
Artikel 10.37
Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.
Het verbod geldt niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon:
- a. die krachtens artikel 10.45 of 10.48 bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen;
- b. die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen:
- 1°. krachtens hoofdstuk 8 van deze wet of artikel 4.3 van de Omgevingswet of op grond van een omgevingsvergunning;
- 2°. op grond van een krachtens artikel 10.2, tweede lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, eerste of tweede lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid;
- 3°. krachtens artikel 10.52;
- 4°. op grond van een krachtens artikel 10.54, derde lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, tweede lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.54, eerste lid;
- c. die krachtens artikel 10.50 is vrijgesteld van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de artikelen 10.38 tot en met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48;
- d. die op grond van een omgevingsvergunning bevoegd is afvalstoffen aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig te nemen met het oogmerk ze te lozen;
- e. die in een ander land dan Nederland is gevestigd, en die overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 die afvalstoffen naar dat land brengt;
- f. die krachtens artikel 10.55 bevoegd is de betrokken afvalstoffen te vervoeren of te verhandelen.
Artikel 10.38
Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met e, registreert met betrekking tot zodanige afgifte:
- a. de datum van afgifte;
- b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven;
- c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen;
- d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven;
- e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen;
- f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht heeft de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze zijn bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.
De geregistreerde gegevens worden ten minste vijf jaar bewaard en gedurende die periode door de afvalstoffenhouder ter beschikking gehouden van degenen die zijn belast met het toezicht of de douanecontrole op de naleving van de wet en van voorgaande afvalstoffenhouders.
Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een andere zodanige persoon, meldt met betrekking tot een zodanige afgifte de in het eerste lid bedoelde gegevens aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie.
§ 9.2.3. Verpakking, aanduiding en aanbeveling
Artikel 10.39
Vervallen
Artikel 10.1a
Vervallen
Artikel 10.1a
Vervallen
Artikel 10.44a
Vervallen
§ 9.2.3. Verpakking, aanduiding en aanbeveling
Artikel 10.43
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen categorieën van gevallen worden aangewezen waarvoor verplichtingen als bedoeld in de artikelen 10.38 tot en met 10.40 niet gelden.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur aan personen als bedoeld in artikel 10.40, eerste lid, de verplichting opgelegd de in de betrokken bepalingen bedoelde gegevens te registreren op een daarbij aan te geven wijze.
Artikel 10.43a
Vervallen
Artikel 10.44
Degene die bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen vervoert, is verplicht zolang hij die afvalstoffen onder zich heeft, een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 bij die afvalstoffen aanwezig te hebben.
Hij geeft, indien een ander de afvalstoffen in ontvangst neemt, de begeleidingsbrief aan die ander af, bij dat in ontvangst nemen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, uitvoering wordt gegeven. Tevens kunnen daarbij categorieën van gevallen worden aangewezen waarvoor zodanige verplichtingen niet gelden.
Titel 9.3. De EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen
Artikel 10.44a
Onze Minister stelt regels ter uitvoering van artikel 27 van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Onze Minister kan regels stellen ter uitvoering van de artikelen 1, derde lid, onder d, 3, zesde en achtste lid, 4, derde lid, onder a.i, 5, derde lid, 6, zesde en achtste lid, 8, derde lid, 9, eerste lid, 10 12“10 12‘ moet zijn “10, 12‘., 15, vierde, achtste en elfde lid, 17, tweede, vierde, zesde en achtste lid, 18, derde lid‘“lid‘‘ moet zijn “lid,‘, 20, derde en zevende lid, 22, eerste en tweede lid, 23, tweede lid, 33, eerste lid, en 35 van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Artikel 10.44b
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de titels II, VII en VIII van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen binnen Nederland.
Artikel 10.44c
Het is verboden afvalstoffen waarop de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen van toepassing is, binnen Nederlands grondgebied of buiten Nederlands grondgebied te brengen, indien dat naar het oordeel van Onze Minister in strijd zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu.
Het is tevens verboden afvalstoffen waarop de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen van toepassing is, buiten Nederlands grondgebied te brengen om te worden verwijderd in een land buiten de Europese Unie, waar de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is.
Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 36 van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Artikel 10.44d
Op een kennisgeving als bedoeld in de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen, zijn de artikelen 4:2, 4:5 en 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.44e
Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Het is verboden afvalstoffen over te brengen indien gehandeld wordt in strijd met:
- a. het verbod gesteld bij artikel 18, eerste lid, van de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen;
- b. het voorschrift gesteld bij artikel 24, zesde lid, van de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen;
- c. een voorschrift gesteld bij artikel 5, tweede of vijfde lid, 8, tweede of vijfde lid, 9, eerste lid, 11, 15, achtste lid, eerste volzin, 20, zevende lid, eerste volzin, of achtste lid, 23, zesde lid, eerste volzin, 28, eerste lid, tweede volzin, 29, of 39, tweede lid, van de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen;
- d. een voorwaarde gesteld krachtens artikel 4, tweede lid, onder d, 7, derde lid, 15, vijfde lid, of 23, vierde lid, van de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen;
- e. een voorschrift gesteld bij artikel 15, achtste lid, laatste volzin, 17, zevende lid, eerste volzin, 23, zesde lid, derde volzin, of 35, van de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen.
Titel 9.4. De EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten
Artikel 10.45
Het is verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen:
- a. zonder vermelding op een lijst van inzamelaars, of
- b. ingeval de afvalstoffen tot de krachtens artikel 10.48 aangewezen categorieën behoren, zonder vergunning van Onze Minister.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
Onze Minister wijst een instantie aan die namens hem zorg draagt voor de vermelding van inzamelaars op de in het eerste lid bedoelde lijst van inzamelaars.
Op aanwijzing van Onze Minister wordt de vermelding van een inzamelaar op de lijst beëindigd.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot de criteria voor vermelding op de lijst en beëindiging daarvan.
Artikel 10.46
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in het belang van een doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen regels gesteld omtrent het inzamelen van die afvalstoffen, al dan niet afkomstig van personen, behorende tot een bij of krachtens die maatregel aangewezen categorie.
Tot de regels behoren:
- a. regels omtrent de wijze waarop een inzamelaar zich bij de krachtens artikel 10.45, derde lid, aangewezen instantie meldt en de gegevens die daarbij worden overgelegd;
- b. regels inhoudende de verplichting een wijziging te melden in de gegevens welke bij de melding zijn overgelegd;
- c. regels omtrent het aan een ieder inzage geven van de gegevens, overgelegd bij de melding alsmede van een wijziging als bedoeld onder b;
- d. regels inhoudende de verplichting dat de inzamelaar tijdens het inzamelen daarbij aan te geven bescheiden aanwezig heeft, waaruit blijkt dat hij staat vermeld op de lijst van inzamelaars.
Bij de regels kan worden bepaald dat de vermelding op de lijst van inzamelaars slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn.
Artikel 10.47
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen regels worden gesteld omtrent de inzameling van die afvalstoffen.
Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels die inhouden dat:
- a. burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten voor de inzameling van die afvalstoffen maatregelen treffen of daartoe voorzieningen tot stand brengen en in stand houden;
- b. daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen die gescheiden worden afgegeven, afzonderlijk worden ingezameld.
Indien zulks noodzakelijk is om de nuttige toepassing van afvalstoffen te faciliteren of te verbeteren wordt bij algemene maatregel van bestuur de verplichting opgenomen om daarbij aangegeven bedrijfsafvalstoffen gescheiden en niet gemengd met afvalstoffen of materialen die niet dezelfde eigenschappen bezitten, in te zamelen, waarbij tevens kan worden bepaald onder welke voorwaarden afwijking van die verplichting mogelijk is.
Bij de maatregel wordt aangegeven binnen welke termijn de regels door de daarbij aangewezen bestuursorganen moeten worden uitgevoerd.
Hoofdstuk 11. Andere handelingen
Artikel 11.1
Vervallen
Hoofdstuk 12. Verslag-, registratie- en meetverplichtingen
Titel 9.3a. De EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels
Artikel 12.1
Vervallen
Artikel 12.2
Vervallen
Artikel 12.3
Vervallen
Artikel 12.4
Vervallen
Artikel 12.5
Vervallen
Artikel 12.6
Vervallen
Artikel 12.7
Vervallen
Artikel 12.8
Vervallen
Artikel 12.9
Vervallen
Artikel 10.1a
Vervallen
Hoofdstuk 11. Andere handelingen
Afdeling 13.1. Algemeen
Artikel 13.1
Bij de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van beschikkingen krachtens deze wet en van beschikkingen krachtens de in het tweede lid genoemde wetten, wordt afdeling 13.2 in acht genomen, voor zover dat bij of krachtens de betrokken wet is bepaald.
De in het eerste lid bedoelde wetten zijn de Kernenergiewet, en de Wet bescherming Antarctica.
Afdeling 13.2. Bijzondere bepalingen
Artikel 13.2
Vervallen
Artikel 13.3
Zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 13.4
Vervallen
Artikel 13.5
Bij het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 13.1 kan het bevoegd gezag zich in ieder geval baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.
Het eerste lid is niet van toepassing op een beschikking die krachtens de Wet bescherming Antarctica wordt genomen.
Artikel 13.6
Indien de aanvrager daarom heeft verzocht, stelt het bevoegd gezag hem, voordat het stukken ter inzage legt die niet van zijn kant zijn ingebracht, in de gelegenheid die stukken in te zien met het oog op de toepassing van de artikelen 19.3 tot en met 19.5. Tot de in de eerste volzin bedoelde stukken behoren niet de verslagen, gemaakt overeenkomstig artikel 3:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en afschriften van zienswijzen, door anderen dan betrokken bestuursorganen ingebracht overeenkomstig artikel 3:15 van die wet.
Artikel 13.7
Vervallen
Artikel 13.8
Indien op de voorbereiding van de beschikking op een of meerdere van de aanvragen die gecoördineerd worden behandeld met andere aanvragen artikel 31, vierde lid, van de Dienstenwet van toepassing is, is dat lid van toepassing op de voorbereiding van alle beschikkingen op die aanvragen.
Indien de termijn voor het geven van een beschikking op een aanvraag wordt verlengd overeenkomstig artikel 31, vierde lid, van de Dienstenwet of artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geldt die termijn tevens voor de beschikking op de andere aanvragen waarmee de aanvraag gecoördineerd wordt behandeld.
Artikel 13.9
Indien een beslissing op een aanvraag om een vergunning of ontheffing of een beschikking tot wijziging daarvan niet kan worden gegeven dan nadat is voldaan aan een uit een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie voortvloeiende verplichting, wordt de termijn voor het geven van die beschikking opgeschort tot de ten aanzien van die verplichting geldende procedure is afgerond.
Artikel 13.10
In gevallen waarin Onze Minister bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan hij in overeenstemming met Onze betrokken Minister in het belang van de veiligheid van de Staat de toepassing van afdeling 3.4 en artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover dat belang zulks vereist.
Artikel 13.11
Het bevoegd gezag kan bepalen dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing blijft bij de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing of van een beschikking tot wijziging daarvan, indien die beschikking:
- a. betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen waarvan het beheer door een ongewone omstandigheid op korte termijn nodig is;
- b. betrekking heeft op het beheer van andere dan gevaarlijke afvalstoffen waarvan het beheer door een ongewone omstandigheid en in verband met de hoeveelheid waarin die afvalstoffen vrijkomen, op korte termijn nodig is;
- c. strekt tot uitvoering van een verplichting, opgelegd krachtens artikel 17.4
Artikel 10.16a
Vervallen
Artikel 10.16b
Vervallen
Artikel 13.14
Vervallen
Artikel 13.15
Vervallen
§ 9.7.1. Algemeen
Artikel 13.16
Vervallen
Artikel 13.17
Vervallen
Artikel 13.18
Vervallen
§ 9.7.2. Jaarverplichting hernieuwbare energie
Artikel 13.19
Vervallen
Artikel 13.20
Vervallen
Artikel 13.21
Vervallen
§ 9.7.4. Inboeken hernieuwbare energie vervoer
Artikel 13.22
Vervallen
Artikel 13.23
Vervallen
Artikel 13.24
Vervallen
Afdeling 13.3. Beschikkingen inzake wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing
Artikel 13.25
Vervallen
Artikel 13.26
Vervallen
Artikel 13.27
Vervallen
Artikel 13.28
Vervallen
Artikel 13.29
Vervallen
Artikel 13.30
Vervallen
Afdeling 13.1. Algemeen
Artikel 13.31
Vervallen
Artikel 13.32
Vervallen
Hoofdstuk 14. Coördinatie
§ 9.7.5. Register hernieuwbare energie vervoer
Artikel 14.1
Vervallen
Artikel 14.2
Vervallen
Artikel 14.3
Vervallen
Artikel 14.4
Vervallen
§ 9.7.6. Overgangsbepalingen hernieuwbare energie vervoer
Artikel 14.5
Vervallen
Artikel 14.6
Vervallen
Artikel 14.7
Vervallen
Artikel 14.8
Vervallen
Artikel 14.9
Vervallen
Artikel 14.10
Vervallen
Artikel 14.11
Vervallen
Artikel 14.12
Vervallen
Artikel 14.13
Vervallen
Artikel 14.14
Vervallen
Artikel 14.15
Vervallen
Artikel 14.16
Vervallen
Hoofdstuk 14. Coördinatie
Titel 9.8. Rapportage- en reductieverplichting vervoersemissies
Artikel 15.1
Vervallen
Artikel 15.2
Vervallen
Titel 9.8. Rapportage- en reductieverplichting vervoersemissies
§ 9.8.1. Algemeen
Artikel 15.3
Vervallen
Artikel 15.4
Vervallen
§ 9.8.1. Algemeen
Artikel 15.5
Vervallen
Artikel 15.6
Vervallen
§ 10.6.2. Het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 15.7
Vervallen
§ 9.8.3. Inboeken hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong
Artikel 15.8
Vervallen
§ 9.8.3. Hernieuwbare brandstofeenheden
Artikel 15.9
Vervallen
§ 9.8.4. Register rapportage- en reductieverplichting vervoersemissies
Artikel 15.10
Vervallen
Artikel 15.11
Vervallen
Titel 10.7. Het overbrengen van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap
Artikel 15.12
Vervallen
Artikel 15.13
Vervallen
Artikel 15.14
Vervallen
Artikel 15.15
Vervallen
Artikel 15.16
Vervallen
Artikel 15.17
Vervallen
Artikel 15.18
Vervallen
Artikel 15.19
Vervallen
Titel 10.8. Verdere bepalingen
Artikel 15.20
Indien degene tot wie een beschikking is gericht krachtens:
- b. artikel 10.48 juncto één of meer der onder a genoemde bepalingen,
zich ten gevolge daarvan voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven, kent het gezag dat de beschikking in eerste aanleg heeft gegeven, hem, voor zover op andere wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan worden voorzien, op zijn verzoek dan wel uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die tengevolge van een maatregel als bedoeld in artikel 17.19 zich voor kosten ziet gesteld dan wel daardoor schade lijdt, als in het eerste lid bedoeld.
Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid op aanvraag wordt gegeven, kan een verzoek om vergoeding worden ingediend na de toezending van een exemplaar van het ontwerp van die beschikking aan de aanvrager.
Indien het in het eerste lid bedoelde gezag een advies van deskundigen heeft ingewonnen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging zendt het een exemplaar van het advies aan de belanghebbende. Het vermeldt daarbij de termijn waarbinnen de belanghebbende zijn opvattingen omtrent het advies kenbaar kan maken.
Een beschikking op een verzoek om schadevergoeding wordt zo spoedig mogelijk gegeven, doch uiterlijk vier maanden na de datum waarop het verzoek is ontvangen, of, in gevallen als bedoeld in het vierde lid, uiterlijk zeven maanden na die datum.
Het in het eerste lid bedoelde gezag kan de beslissing, bedoeld in het vijfde lid, eenmaal voor ten hoogste twee maanden verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 15.21
Artikel 15.20 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene op wie bepalingen van een algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk een ministeriële regeling of een verordening als bedoeld in
- a. de artikelen 9.2.2.1 en 9.2.2.6,
van toepassing worden en die zich daardoor voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven.
In gevallen als bedoeld in het eerste lid beslist Onze Minister over het toekennen van de vergoeding.
Artikel 15.22
Voor zover de toekenning van de vergoeding niet is geschied met instemming van Onze Minister, komen de kosten daarvan ten laste van het bevoegd gezag.
Artikel 15.23
Bij koninklijk besluit kan, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, worden bepaald dat de kosten van een toegekende vergoeding alsnog geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk komen.
Artikel 20 van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
Titel 10.1. Algemeen
Artikel 15.24
Vervallen
Artikel 15.25
Vervallen
Artikel 15.26
Vervallen
Artikel 15.27
Vervallen
Artikel 15.28
Vervallen
Titel 12.1. Registers beschermde gebieden
Artikel 15.29
Vervallen
Artikel 15.30
Vervallen
Titel 12.1. Registers beschermde gebieden
Artikel 15.31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van vergoedingen voor keuringen als bedoeld in
- a. artikel 9.2.2.4;
Titel 10.1. Algemeen
Artikel 15.32
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.5.2, eerste lid, kunnen regels worden gesteld,
- a. inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die stoffen, mengsels of produkten in Nederland op de markt brengen in bij de maatregel aangewezen verpakkingen, voor zodanige verpakkingen een bij of krachtens de maatregel te bepalen statiegeld in rekening te brengen en zodanige verpakkingen na gebruik met terugbetaling van het statiegeld in te nemen;
- b. inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die daarbij aangewezen stoffen, mengsels of produkten in Nederland op de markt brengen, voor zodanige stoffen, mengsels of produkten een bij of krachtens de maatregel te bepalen statiegeld in rekening te brengen en zodanige stoffen, mengsels of produkten na gebruik met terugbetaling van het statiegeld in te nemen.
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.5.2, eerste lid, kunnen regels worden gesteld,
- a. inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die stoffen, mengsels of produkten in Nederland op de markt brengen in bij de maatregel aangewezen verpakkingen, zodanige verpakkingen na gebruik tegen betaling van een bij of krachtens de maatregel te bepalen premie in te nemen;
- b. inhoudende een verplichting voor bij de maatregel aangewezen categorieën van personen die daarbij aangewezen stoffen, mengsels of produkten in Nederland op de markt brengen, deze na gebruik tegen betaling van een bij of krachtens de maatregel te bepalen premie in te nemen.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste of tweede lid, kan worden bepaald dat daarbij aangegeven handelingen door andere dan de in het eerste en tweede lid bedoelde, bij die maatregel aangewezen categorieën van personen moeten worden verricht. In deze gevallen kan tevens worden bepaald dat eveneens bij de maatregel aangewezen categorieën van personen het statiegeld, bedoeld in het eerste lid, of de premie, bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk op een daarbij aangegeven wijze dienen af te dragen aan een of meer daarbij aangewezen andere personen.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste of tweede lid, wordt een termijn bepaald, eerst bij het verstrijken waarvan die regels ten aanzien van stoffen, mengsels of produkten die bij het in werking treden van de maatregel reeds vervaardigd en in Nederland aanwezig waren, gaan gelden.
Titel 10.2. Het circulair materialenplan
Artikel 15.33
De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt:
- a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
- b. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
- c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld.
Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
Met betrekking tot deze heffingen zijn de artikelen 216 tot en met 219 en 230 tot en met 257 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.34
Vervallen
Titel 10.2. Het circulair materialenplan
Artikel 15.34a
Met betrekking tot beschikkingen tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens deze wet worden geen rechten geheven.
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing
Artikel 15.35
Voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
afvalbeheerbijdrage: bijdrage in de kosten van het beheer van een afvalstof;
overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage: schriftelijke overeenkomst tussen degenen die een stof, mengsels of product in Nederland invoeren of op de markt brengen, tot het afdragen van een afvalbeheerbijdrage.
Artikel 15.36
Onze Minister kan, indien dat in het belang is van een doelmatig beheer van afvalstoffen en in overeenstemming is met artikel 8bis van de kaderrichtlijn afvalstoffen, op een met redenen omkleed verzoek een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage algemeen verbindend verklaren voor een ieder die die stof, dat mengsels of dat produkt in Nederland invoert of op de markt brengt.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot de onderwerpen die in ieder geval in een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage, waarvoor een algemeen verbindend verklaring wordt gevraagd, aan de orde dienen te komen, alsmede met betrekking tot de bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid over te leggen gegevens. Tot die gegevens behoren in ieder geval gegevens, waaruit duidelijk wordt dat redelijkerwijs is getracht te voorkomen, dat gebruikers van die stof, dat mengsels of dat produkt in de praktijk meer dan eenmaal een bijdrage voor het beheer daarvan verschuldigd zullen zijn.
Artikel 9.5.2, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de regels, bedoeld in dat lid, tevens kunnen worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die is opgelegd middels een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst.
Artikel 15.37
Een verzoek als bedoeld in artikel 15.36 kan slechts worden ingediend door degenen die, onderscheidenlijk organisaties van degenen die wat betreft de gezamenlijke omzet van de betrokken stoffen, mengsels of produkten een naar het oordeel van Onze Minister belangrijke meerderheid vormen van degenen die deze stoffen, mengsels of produkten in Nederland invoeren of op de markt brengen. Onze Minister betrekt bij zijn oordeel met betrekking tot de vraag of degenen die, onderscheidenlijk de organisaties van degenen die het verzoek hebben ingediend, een belangrijke meerderheid vormen, in ieder geval het aantal van hen in verhouding met het totale aantal van degenen die deze stoffen, mengsels of produkten in Nederland invoeren of op de markt brengen.
Op de voorbereiding van een besluit op het verzoek is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Indien een besluit niet kan worden genomen dan nadat is voldaan aan een uit een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie voortvloeiende verplichting, wordt de termijn voor het nemen van dat besluit opgeschort tot de ten aanzien van die verplichting geldende procedure is afgerond. Van de opschorting wordt mededeling gedaan aan de verzoeker.
Indien bij het besluit een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage algemeen verbindend wordt verklaard, wordt van de overeenkomst in de Staatscourant mededeling gedaan.
Artikel 15.38
Onze Minister kan van een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage op een daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen, indien de verzoeker zorg draagt voor een zodanig beheer van de betrokken afvalstoffen dat deze naar het oordeel van Onze Minister ten minste gelijkwaardig is aan het beheer overeenkomstig de betrokken algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage.
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Een krachtens het eerste lid verleende ontheffing kan ambtshalve of op een daartoe strekkend verzoek worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 15.39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor het in onderdeel b van dat lid genoemde belang in de plaats treedt: het niet langer voldoen aan het in het eerste lid van dit artikel genoemde vereiste.
Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste en derde lid, is artikel 15.37, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Onze Minister stelt de houder van de ontheffing, behoudens in gevallen waarin deze om wijziging of intrekking verzoekt, van zijn voornemen tot wijziging of intrekking in kennis, alvorens een besluit te nemen.
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de gegevens die een verzoeker bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid dient te overleggen.
Artikel 15.39
Een besluit krachtens artikel 15.36, eerste lid, geldt voor een daarbij aangegeven termijn van ten hoogste vijf jaar.
Onze Minister kan een besluit krachtens artikel 15.36, eerste lid, intrekken, indien:
- a. de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist zijn of onvolledig blijken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
- b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het nemen van het besluit, moet worden aangenomen dat het van kracht blijven van het besluit het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen op onaanvaardbare wijze zou schaden;
- c. een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel regels ter uitvoering daarvan, hiertoe verplichten.
Alvorens een besluit krachtens artikel 15.36, eerste lid, op grond van het tweede lid, onder a, in te trekken, stelt Onze Minister degenen die het verzoek tot algemeen verbindend verklaring hebben gedaan, in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.
Op de voorbereiding van een besluit tot intrekking van een besluit krachtens artikel 15.36, eerste lid, op grond van het tweede lid, onder b of c, is artikel 15.37, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.40
Een ieder is tot naleving van een voor hem geldende algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage gehouden tegenover ieder ander, die bij de naleving een redelijk belang heeft.
Artikel 15.41
Indien een of meer van degenen die een stof, mengsels of product in Nederland invoeren of op de markt brengen, waarvoor een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage algemeen verbindend is verklaard, het vermoeden gegrond achten dat door een of meer anderen een of meer van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen uit die overeenkomst niet worden nageleefd, kunnen zij met het oog op het instellen van een rechtsvordering op grond van artikel 15.40 Onze Minister verzoeken een onderzoek daarnaar te doen instellen. De inspecteur stelt het onderzoek in en brengt aan Onze Minister verslag uit van hetgeen bij het onderzoek is gebleken. Onze Minister stelt het verslag ter beschikking van degene of degenen, die om het onderzoek hebben gevraagd.
Titel 12.2. Registratie gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen
Artikel 15.42
In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt onder «stortplaats», «gesloten stortplaats» en «bedrijfsgebonden stortplaats» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in paragraaf 8.2.
Artikel 15.43
Deze titel is niet van toepassing op stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 15.44
Provinciale staten stellen een heffing in ter bestrijding van de kosten die gemoeid zullen zijn met:
- a. de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor de in de betrokken provincie gelegen stortplaatsen;
- b. een voor de betrokken provincie geldende verplichting tot afdracht aan een fonds als bedoeld in artikel 15.48;
- c. de door de provincie uitgevoerde inventarisatie van plaatsen waar afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten vóór 1 september 1996 is beëindigd, en het onderzoek naar en systematische controle van aanwezigheid, aard en omvang van eventuele verontreiniging aldaar.
De in het eerste lid bedoelde heffing kan mede betrekking hebben op de kosten die gemoeid zullen zijn met de dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 176 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Met betrekking tot de heffing en invordering zijn de artikelen 227 tot en met 232h van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.45
De heffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)