Besluit van 25 februari 1982, houdende regelen betreffende de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, C. L. J. van Lent van 25 mei 1981, nr. PP81/091/1244;

Overwegende, dat het wenselijk is de bepalingen inzake de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht aan te passen aan de thans dienaangaande bestaande inzichten en opvattingen;

Gelet op artikel 68 van de Grondwet (Stb. 1972, 193), artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530), artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (Stb. 519) en artikel 2 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht (Stb. 1954, 576);

De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 1981, nr. 810923/16);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie, J. van Houwelingen van 18 februari 1982, nr. PP81/094/403;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Betekenis van uitdrukkingen
1.

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt mede begrepen onder «rang», «stand» of «klasse»: de bij het koninklijk besluit van 20 juni 1956 (Stb. 361) met die rang, stand of klasse gelijkgestelde rang, stand of klasse.

3.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

4.

De gelijkstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 2° en onderdeel b, onder 2° eindigen op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door het Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De militair meldt die doorhaling aan de commandant, waarbij hij een afschrift van de mededeling van die doorhaling verstrekt.

5.

Voor de toepassing van de hoofdstukken 5, 7, 8, 9 en 10, alsmede de artikelen 39, tweede lid, onderdelen a, f en g, 44, 49, 126b, 126d tot en met 126f, 130, 134 en 144 tot en met 148, wordt onder «militair» mede begrepen degene die bij het Ministerie van Defensie op grond van artikel 6 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn. Deze geestelijk verzorger wordt, in voorkomend geval, mede begrepen onder het beroepspersoneel. De hoofdstukken 4, 5 en 6, alsmede de artikelen 70b, 70d tot en met 70f, 76, 85, 87a, 88, 93, 100, eerste lid, onderdelen b tot en met d en f tot en met k, tweede lid, 109 tot en met 111, 114, 121, eerste lid, onderdelen f en h, derde lid, 127 en 127a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie zijn op de geestelijk verzorger niet van toepassing.

6.

Voor de toepassing van de hoofdstukken en artikelen, genoemd in het vijfde lid, wordt voor de geestelijk verzorger als genoemd in het vijfde lid in voorkomend geval onder hoofd defensieonderdeel verstaan: de Secretaris-Generaal.

7.

Op degene die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger niet doorlopend werkzaam te zijn, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hij in voorkomend geval wordt mede begrepen onder het reservepersoneel.

Artikel 2. Afwijking van dit besluit

Onze Minister kan voorts bijzondere regelen, die afwijken van dit besluit, vaststellen ten aanzien van militairen die tewerkgesteld zijn:

met dien verstande dat de bevoegdheid tot afwijken niet geldt met betrekking tot aangelegenheden, geregeld in de hoofdstukken 2, 4, 5 en 6.

Artikel 3. Ter inzage leggen van dit besluit

De commandant draagt er zorg voor dat een of meer exemplaren van dit besluit en van alle overige voorschriften betreffende de rechtstoestand van de militair steeds bij de eenheid of het onderdeel, waartoe de militair behoort, ter inzage aanwezig zijn.

Artikel 3a. Mandaatverlening

De bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 12 kan door Onze Minister worden gemandateerd aan de hoofddirecteur personeel van het Ministerie van Defensie.

Hoofdstuk 2. Aanstelling

Artikel 4. Wijze van aanstelling
1.

Aanstelling kan plaatsvinden:

2.

De aanstelling waarbij een officiersrang wordt toegekend, geschiedt bij koninklijk besluit.

3.

De aanstelling waarbij een rang of stand en klasse wordt toegekend beneden de rang van luitenant ter zee der 3e klasse/tweede-luitenant, geschiedt door Onze Minister.

4.

De aanstelling van een lid van het Koninklijk Huis geschiedt bij koninklijk besluit.

Artikel 4a. Werving en selectie
1.

De Onze Minister maakt bij de werving bekend en verschaft informatie over:

2.

Tijdens de selectie worden de gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid onder a, niet ten nadele van de gegadigde gewijzigd.

3.

Het inwinnen van inlichtingen – anders dan in het kader van het veiligheidsonderzoek – bij personen en instanties buiten het Ministerie van Defensie staat in direct verband met het functioneren binnen de organisatie en vindt uitsluitend plaats onder opgave van redenen aan de gegadigde en nadat met hem is overeengekomen bij wie en in welke fase van het selectieonderzoek dat kan geschieden.

4.

De gegadigde wordt – op diens verzoek – geïnformeerd omtrent de inhoud van de inlichtingen, bedoeld in het derde lid en welke betekenis hieraan voor de selectie is toegekend. De informant wordt vooraf van dit recht van de gegadigde in kennis gesteld.

5.

De gegadigde heeft het recht kennis te nemen van de uitslag van het psychologisch onderzoek en om, desgewenst, hierop een toelichting te ontvangen van respectievelijk de psycholoog die het onderzoek heeft verricht of de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid het psychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.