Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 1029
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • c. een buitenlands getuigschrift dat naar het oordeel van het bestuur van de instelling die het geschiktheidsonderzoek uitvoert, gelijkwaardig is aan een getuigschrift of diploma als bedoeld onder a respectievelijk b.
4.

Het in het tweede lid, onder b, bedoelde onderzoek is erop gericht, vast te stellen of betrokkene in voldoende mate beschikt over kennis, inzicht en vaardigheden om te kunnen worden belast met het geven van onderwijs dat voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen, in aanmerking nemend dat betrokkene in de periode van benoeming of tewerkstelling zonder benoeming begeleid en verder geschoold zal worden om met goed gevolg deel te kunnen nemen aan het bekwaamheidsonderzoek. De in de eerste volzin bedoelde kennis en vaardigheden en het in die volzin bedoelde inzicht zijn afgeleid van de in artikel 32a, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen en omvatten in het bijzonder beroepsmatige vaardigheden.

5.

Het geschiktheidsonderzoek is zodanig ingericht dat daarbij in gelijke mate zijn betrokken:

  • a. personen die zijn belast of belast zijn geweest met het geven van onderwijs aan een lerarenopleiding, alsmede
  • b. leraren in het desbetreffende vak of vakgebied, niet zijnde personeelsleden van het bevoegd gezag dat is betrokken bij het geschiktheidsonderzoek.
6.

Ten behoeve van het uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek is de aanvrager aan de instelling die het onderzoek zal verrichten, een bij ministeriële regeling vast te stellen bijdrage verschuldigd.

7.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 162g. Uitvoering scholing en begeleiding
1.

Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 162j, eerste lid, onder a, is partij bij de in artikel 38a, eerste lid, bedoelde overeenkomst.

2.

Indien na het sluiten van die overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft dat instellingsbestuur tijdig een toereikende vervangende voorziening.

Artikel 162h. Uitvoeren geschiktheidsonderzoek
1.

Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur een instelling, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede en derde volzin, erkennen als bevoegd tot het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek. Erkenning vindt plaats indien het bestuur in zijn aanvraag ten genoegen van Onze Minister aantoont dat de instelling het geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin, waaronder regels over de behandeling en beoordeling van de aanvraag. Een erkende instelling heeft tevens de bevoegdheid tot het verstrekken van geschiktheidsverklaringen op grond van het geschiktheidsonderzoek en tot het doen van voorstellen over de noodzakelijke scholing en begeleiding, met inachtneming van artikel 162f, tweede lid, onder c.

2.

Ten behoeve van de behandeling van aanvragen om erkenning kan Onze Minister een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verlangen van het bestuur van de instelling.

3.

Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister het geschiktheidsonderzoek niet langer onafhankelijk, deskundig of betrouwbaar uitvoert.

4.

Instellingen voor hoger onderwijs die op 31 juli 2006 op grond van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs bevoegd waren tot het verrichten van een geschiktheidsonderzoek worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 162i. Bekwaamheidsonderzoek

Het bekwaamheidsonderzoek strekt ertoe, vast te stellen of de leraar voldoet aan de in artikel 32a, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs waarvoor die eisen zijn vastgesteld.

Artikel 162j. Uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek
1.

Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die opleidt voor het voldoen aan bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, en die zich daartoe bij Onze Minister heeft gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd tot:

  • a. het verzorgen of doen verzorgen van de in artikel 162f, tweede lid, onder c, bedoelde scholing en begeleiding, voor zover deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt, of
  • b. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling opleidt voor het desbetreffende getuigschrift, dan wel
  • c. zowel de onder a als de onder b bedoelde activiteiten.
2.

Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die op grond van het eerste lid, onder b, bevoegd is tot het uitvoeren van het bekwaamheidsonderzoek, stelt de leraar die zich daartoe heeft gemeld en voor wie de scholing en begeleiding zijn afgerond overeenkomstig de in artikel 38a bedoelde overeenkomst, tijdig in de gelegenheid deel te nemen aan dat onderzoek.

3.

Het instellingsbestuur kan bepalen dat de aanvrager van het bekwaamheidsonderzoek aan dat bestuur een bijdrage is verschuldigd voor uitvoering van dat onderzoek. Bij ministeriële regeling kan voor deze bijdrage een maximum worden vastgesteld.

4.

Een melding, gedaan voor 1 augustus 2006 onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 juli 2006, geldt als te zijn gedaan op grond van het eerste lid.

Artikel 162k. Kwaliteitsbewaking; sancties
1.

Het in artikel 162h en het in artikel 162j bedoelde bestuur dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling.

2.

Onze Minister kan een instelling een of meer van de in artikel 162h of artikel 162j, eerste lid, bedoelde bevoegdheden ontnemen indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, dan wel indien niet of niet meer wordt voldaan aan het terzake bij en krachtens deze wet bepaalde. Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ontneming.

Artikel 162l. Uitvoeringsvoorschriften zij-instroom
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van artikel 162f, tweede lid onder b, en vierde lid.

2.

Tevens kunnen bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voorschriften worden vastgesteld voor de uitvoering van deze afdeling, waaronder in elk geval voorschriften met betrekking tot:

  • a. waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek en van de instellingen die dat onderzoek uitvoeren,
  • b. de scholing en begeleiding, en het bekwaamheidsonderzoek, waaronder voorschriften ter waarborging van de kwaliteit, alsmede
  • c. de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en voor afgifte van de geschiktheidsverklaring.
3.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 162m. Inlichtingenplicht

Het in artikel 162h en artikel 162j bedoelde bestuur verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een goede naleving van deze afdeling. Op verzoek van de inspectie van het onderwijs zendt het bestuur een overzicht van afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen.

Afdeling 7. Aanwijzing en maatregelen

Artikel 164. Inlichtingenplicht bevoegd gezag, regionaal expertisecentrum en gemeente

Vervallen

Artikel 166a. Bekostiging van schoolbegeleiding
1.

Het Rijk verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een school, bekostiging die kan worden besteed ten behoeve van schoolbegeleiding.

2.

De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor elk schooljaar berekend door het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober van het voorafgaande schooljaar te vermenigvuldigen met een bedrag dat jaarlijks bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

Titel V. Bewijzen van bekwaamheid

Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169

Titel VII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 47b. Melding verzuim niet-leerplichtigen
1.

Indien degene die voldoet aan artikel 47a, eerste lid, onderdelen a en b, het onderwijs aan de school gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een maand of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt, ontstaat voor het bevoegd gezag de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.

2.

Onder afwezigheid met een geldige reden als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan afwezigheid wegens:

  • a. ziekte van de betrokkene, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts,
  • b. zwangerschap of bevalling van de betrokkene welke uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, gedurende een periode van 16 weken die, indien de betrokkene dat wenst, 6 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat of gedurende een periode van 20 weken die, indien de betrokkene dat wenst,10 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, of
  • c. bijzondere familieomstandigheden.
3.

Het bevoegd gezag kan bepalen dat de periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt verlengd als dit naar zijn oordeel passend is.

§ 2a. Lerarenregister

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Artikel 60. Geen weigering toelating op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing
1.

Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling geen gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing, indien de school uitsluitend bestemd is voor interne leerlingen.

2.

Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen.

Artikel 61. Beslissingen bijzonder onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure
1.

Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 36, derde lid, een student de toegang weigert, deelt het bevoegd gezag deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.

2.

Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school hetzij weigert een leerling toe te laten, hetzij een leerling verwijdert, op grond van artikel 40, eerste lid en zesde lid, deelt het deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 40, eerste lid en zesde lid, beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de ouders van de leerling, onverminderd het zesde lid van dat artikel.

3.

Binnen 6 weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen de ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de ouders.

4.

Het bevoegd gezag beslist niet eerder op de bezwaren dan:

  • a. na overleg met de inspecteur en desgewenst met andere deskundigen,
  • b. nadat de ouders kennis hebben kunnen nemen van de op de beslissing betrekking hebbende adviezen of rapporten, en
  • c. de ouders opnieuw zijn gehoord.

Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs

Titel III. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kassen bekostigd onderwijs

Afdeling 1. Fusietoets

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Artikel 75. Tijdelijke afwijking
1.

De artikelen 77 tot en met 88 zijn tot een bij de wet te bepalen datum niet van toepassing.

2.

Tot een bij de wet te bepalen datum kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag, onder door hem te stellen voorwaarden, een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien:

  • a. de school is gelegen in een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke bevolkingstoename,
  • b. sprake is van een verandering van de plaats van vestiging van een reeds bekostigde school,
  • c. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd,
  • d. sprake is van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting,
  • e. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen, of
  • f. sprake is van uitbreiding van het onderwijs aan een school voor speciaal onderwijs met onderwijs voor voortgezet speciaal onderwijs, niet zijnde het onderwijs bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder n.
3.

Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 81, tweede lid. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste en derde lid, op grond van het eerste lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen. Indien sprake is van uitbreiding als bedoeld in het tweede lid, onder f, willigt Onze minister het verzoek slechts in indien de school bij toepassing van artikel 83, eerste, tweede en derde lid, op grond van het eerste lid dan wel het tweede lid van dat artikel in een door provinciale staten of Onze minister vast te stellen plan van nieuwe scholen zou worden opgenomen.

4.

Een school die is opgenomen in een door Onze minister goedgekeurd of vastgesteld plan van nieuwe scholen voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 komt voor bekostiging in aanmerking indien de school in dat plan is opgenomen met als jaar van aanvang van de bekostiging 1991 en het onderwijs voor 1 januari 1992 een aanvang heeft genomen.

Artikel 80. Achterwege blijven vaststelling plan
1.

De vaststelling van een plan blijft achterwege, indien:

  • a. geen verzoeken om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen verzoeken voor inwilliging in aanmerking komt,
  • b. provinciale staten besluiten dat vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk is en
  • c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerking komen.
2.

Het besluit bedoeld in het eerste lid onder b, behoeft de goedkeuring van Onze minister. Het wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode aan Onze minister gezonden. Artikel 84, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien een besluit van de minister, houdende weigering van de goedkeuring onherroepelijk is geworden, nemen provinciale staten de openbare school op in het eerste na een zodanig besluit vast te stellen plan.

4.

Aan de indieners van de niet ingewilligde verzoeken bedoeld in het eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode afschrift gezonden van het desbetreffende besluit.

Artikel 81. Verzoek om opneming in plan van scholen
1.

Een verzoek om opneming in het plan wordt voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan, bij gedeputeerde staten ingediend door de gemeenteraad of door ouders, indien het een openbare school betreft, en door het bevoegd gezag, indien het een bijzondere school betreft.

2.

Elk verzoek is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:

  • a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,
  • b. de beschrijving van het voedingsgebied,
  • c. de aanduiding van de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven,
  • d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging en
  • e. indien het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, een opgave van de handicaps van de leerlingen waarvoor de school is bestemd.

Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 82. Overleg tussen gedeputeerde staten en aanvrager

Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat een andere school dan gevraagd wordt, dan wel een andere plaats van vestiging meer in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen in de provincie, treden zij, alvorens het plan ter vaststelling voor te dragen, in overleg met de aanvrager.

Afdeling 1. Fusietoets

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Artikel 93e

Vervallen

Artikel 112. Onderverdeling programma's van eisen
1.

De programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder a, worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent:

  • a. onderhoud,
  • b. energie- en waterverbruik,
  • c. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van de belastingen ter zake van onroerende zaken,
  • d. middelen, en
  • e. administratie, beheer en bestuur.
2.

De programma's van eisen, bedoeld in artikel 111, derde lid onder b, worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent de voorzieningen zoals onderscheiden in het eerste lid onder a, b en c, alsmede d voor zover het betreft onderhoud, vervanging en vernieuwing van onderwijsleerpakket en onderhoud meubilair.

3.

Bij de programma's van eisen, bedoeld in het tweede lid, wordt onderscheid gemaakt in vaste en variabele kosten.

Artikel 113. Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding
1.

Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding.

2.

Indien bijzondere bekostiging op grond van artikel 120 wordt toegekend, kan Onze minister bepalen dat, voor de periode waarvoor die bijzondere bekostiging wordt toegekend, tevens aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding wordt toegekend. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

3.

Onze minister kan in verband met de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.

Artikel 114. Vaststelling totaalbedrag voor instelling
1.

Eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober stelt Onze minister voor elke instelling een totaalbedrag vast voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor het jaar volgend op dat van de vaststelling.

2.

In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangegeven, welk deel van het totaalbedrag bedoeld in dat lid strekt voor:

  • a. administratie, beheer en bestuur en
  • b. de materiële instandhouding van watergewenning en bewegingstherapie.
3.

In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven, welk deel van het totaalbedrag bedoeld in dat lid strekt voor:

  • b. een schoolbad waarvan de gemeente eigenaar is.
4.

Het totaalbedrag voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor het tweede tot en met het vijfde jaar volgend op het jaar van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door het totaalbedrag dat gold voor het aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaar, aan te passen aan de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in laatstgenoemd jaar en het prijsniveau in het jaar waarvoor het totaalbedrag geldt.

5.

Indien de miljoenennota, bedoeld in artikel 13 van de Comptabiliteitswet 2001, niet of slechts gedeeltelijk voorziet in prijsbijstelling in de onderscheiden hoofdstukken van de rijksbegroting voor enig jaar, als gevolg waarvan in het voorstel van wet houdende vaststelling van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) van de rijksbegroting voor dat jaar geen of geen volledige prijsbijstelling kan plaatsvinden in de desbetreffende bedragen van de bekostiging, worden de totaalbedragen, bedoeld in het eerste en vierde lid, in overeenstemming daarmee en in afwijking van die leden aangepast.

6.

Indien de vastgestelde rijksbegroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) voor een begrotingsjaar ten aanzien waarvan het vijfde lid toepassing heeft gevonden, afwijkt van het desbetreffende voorstel van wet op het onderdeel van de prijsbijstelling in de in het vijfde lid bedoelde bedragen van de bekostiging, wordt het totaalbedrag, voor dat jaar vastgesteld in overeenstemming met de vastgestelde rijksbegroting.

7.

Het vierde tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen.

8.

Indien van de overige onderwijssoorten van het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs de rijksbekostiging voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt verminderd, worden de in het eerste tot en met vierde lid vastgestelde bedragen dienovereenkomstig verminderd.

Artikel 116. Materiële instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag
1.

Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder a, b en c, betrekking hebben.

2.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan met burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

3.

Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan met een bevoegd gezag dat gebruik maakt van de voorziening in de huisvesting van het eerstgenoemde bevoegd gezag, overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

4.

Ingeval de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere school met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

5.

Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder d en e, betrekking hebben.

Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten

Artikel 117. Grondslag bekostiging personeel
1.

Voor de bekostiging van personeel wordt per onderwijssoort een bedrag per school, niet zijnde een instelling, en een bedrag per leerling toegekend, welke bedragen worden verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.

2.

De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval verschillend worden vastgesteld voor leerlingen

  • a. van de verschillende onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2;
  • b. in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
  • c. jonger dan 8 jaar; en
  • d. 8 jaar en ouder.
3.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten kan worden toegekend. In ieder geval wordt aan scholen, niet zijnde instellingen, aanvullende bekostiging toegekend voor schoolleiding, bestrijding van onderwijsachterstanden en groei van het aantal leerlingen gedurende het schooljaar.

4.

De instellingen ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen bekostiging in verband met de visuele handicap van de leerlingen van de instelling en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en c. De bekostigingsbedragen, bedoeld in het eerste lid, en de eerste volzin zijn tezamen redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de instelling, voor de taken, bedoeld in artikel 9, en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de instelling. Het veertiende lid is van overeenkomstige toepassing.

5.

De scholen van de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b, c en d, ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste en derde lid, bekostiging in verband met het onderwijs aan leerlingen van wie de toelating is gericht op een verblijf op de school van korter dan een schooljaar en bekostiging ten behoeve van leerlingen als bedoeld in artikel 28c, derde lid.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen van de bekostiging, bedoeld in het vijfde lid, voor de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b en c, per onderwijssoort en voor de onderwijssoorten in het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel d, per cluster vastgesteld.

7.

Voor scholen, niet zijnde instellingen, waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen wordt tevens een bekostiging vastgesteld die is gebaseerd op het aantal leerlingen aan wie onderwijs wordt verzorgd op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, eerste lid.

8.

Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen voor de berekening van de bekostiging ten behoeve van de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel a, vastgesteld.

9.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel b, de bekostiging vastgesteld.

10.

Bij ministeriële regeling worden het bedrag per school en per leerling, bedoeld in het eerste lid, de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het derde, vijfde, zevende, achtste en negende lid, vastgesteld.

11.

Het bedrag per leerling, bedoeld in het tiende lid, is de som van:

  • a. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag, en
  • b. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie onderwijsondersteunend personeel per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.
12.

De verhoging, bedoeld in het tiende lid, is voor wat betreft het bedrag per leerling de uitkomst van de in het elfde lid, onder a, bedoelde hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.

13.

Het bedrag per school, het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging voor wat betreft het bedrag per school, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het tiende lid, zijn de uitkomst van een bij de algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie vermenigvuldigd met een bedrag.

14.

Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het tiende lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van het personeel van scholen en worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de gewogen gemiddelde leeftijd en de geraamde gewogen gemiddelde leeftijd worden vastgesteld. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten van die categorie personeel.

15.

De bekostiging, bedoeld in het eerste en het derde lid, voor wat betreft schoolleiding en groei van het aantal leerlingen tijdens het schooljaar, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.

16.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in dit artikel, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.

Afdeling 4. Materiële instandhouding

§ 2. Materiële instandhouding

§ 2. Materiële instandhouding

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

Artikel 159. Beleidsinhoudelijke informatie
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 160. Reikwijdte voorschriften

De voorschriften, bedoeld in artikel 157, derde lid, artikel 158, tweede lid, en artikel 159, tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens, bedoeld in artikel 164a, tweede lid.

Artikel 161. Onderzoek vanwege de minister
1.

De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de controlerapporten, bedoeld in artikel 157, vierde lid, en met het onderzoek van de juistheid van de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 158, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot de plaats waar de desbetreffende boeken en bescheiden worden bewaard. Aan de accountant wordt desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden gegeven en worden alle inlichtingen verstrekt die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

2.

Onze minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de rechtmatigheid van het beheer op grond van de beschikbare controlerapporten, bedoeld in artikel 157, vierde lid, en de bekostigingsgegevens, bedoeld in artikel 158, naar eventuele wijziging van de criteria, bedoeld in artikel 28c, achtste lid, en naar eventuele wijziging van de procedure, bedoeld in artikel 28c van deze wet, artikel 70b van de Wet op het primair onderwijs en artikel 77b van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het regionaal expertisecentrum onderscheidenlijk de commissie voor de indicatiestelling verstrekt aan degene die door Onze minister met het onderzoek is belast, alle inlichtingen die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt en geeft desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden.

Artikel 162. Deugdelijkheidsaspecten van en toezicht op onderwijs in allochtone levende talen door rechtspersonen als bedoeld in artikel 157, vierde lid, onder c

Vervallen

Afdeling 6. Overschrijding en betaling

Afdeling 7. Aanwijzing en maatregelen

Artikel 163. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
1.

Onze minister kan bepalen dat geen of slechts gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.

2.

Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.

3.

Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een door de gemeente bekostigde niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.

4.

Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.

Artikel 165. Schoolbegeleiding

Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.

Titel V. Bewijzen van bekwaamheid

Titel VI. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 169

Titel V. Bewijzen van bekwaamheid

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 28g. Scheiding toezicht en bestuur
1.

Het bevoegd gezag draagt mede in verband met de verplichting, bedoeld in artikel 19, zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, en met een rechtmatig bestuur en beheer.

2.

De benoeming in de functies van het bestuur en het interne toezicht op het bestuur, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Bij de benoeming van de leden van de raad van toezicht wordt de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen, in de gelegenheid gesteld een bindende voordracht te doen voor een lid.

Artikel 28h. Intern toezicht
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de functies van bestuur en intern toezicht op het bestuur in functionele of organieke zin zijn gescheiden.

2.

Een intern toezichthouder of een lid van het interne toezichthoudend orgaan functioneert onafhankelijk van het bestuur.

Artikel 28i. Inhoud intern toezicht
1.

De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur en staat het bestuur met raad terzijde. De toezichthouder of het toezichthoudend orgaan is ten minste belast met:

  • a. het goedkeuren van de begroting en het bestuursverslag en, indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de school;
  • b. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 141, eerste lid, onderdeel a, en de afwijkingen van die code;
  • c. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school verkregen op grond van deze wet;
  • e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met d, in het bestuursverslag.
2.

De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat hij een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht kan uitoefenen. Indien sprake is van meer dan een toezichthouder of van een toezichthoudend orgaan is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de combinatie van de toezichthouders of de samenstelling van het toezichthoudend orgaan.

3.

De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de medezeggenschapsraad.

4.

Indien het intern toezicht wordt uitgeoefend door een raad van toezicht, zijn het eerste lid en het tweede lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een raad van toezicht. Een raad van toezicht is tevens belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur, alsmede de toepassing van de artikelen 29, vijfde lid, 33 tot en met 34a, 38 en de daarmee verband houdende wettelijke bepalingen op leden van het bestuur die mede tot het personeel behoren.

§ 2. Personeel

Artikel 30a. Overdracht taken en bevoegdheden
1.

Het bestuur kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan de directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

2.

De directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen of door het bevoegd gezag overgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan de adjunct-directeur.

Artikel 33. Rechtspositieregeling personeel
1.

Met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorschriften als bedoeld in het tweede en vierde lid regelt het bevoegd gezag van een openbare school de rechtspositie van het personeel en draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school zorg voor de regeling van de rechtspositie van het personeel.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor het personeel, bedoeld in artikel 32, voorschriften vastgesteld betreffende:

  • a. salarisschalen en uitgangspunten waaraan een door het bevoegd gezag in te richten functiewaarderingssysteem moet voldoen, en
  • b. vakantie, verlof, aanspraken op salaris in geval van militaire dienst, ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen, alsmede omtrent andere rechten en verplichtingen, dan wel de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag een of meer onderdelen van in dit onderdeel bedoelde rechten en verplichtingen zelf regelt of voor de regeling daarvan zorg draagt.
3.

Onder regeling van de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid wordt tevens begrepen het vaststellen van bepalingen omtrent aanstelling, benoeming, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van het personeel. De bepalingen omtrent ontslag mogen het personeel van de openbare scholen niet minder rechten verschaffen dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende algemene arbeidsduur.

Artikel 35. Uitkeringen aan personeel

Vervallen

§ 3. Leerlingen

Artikel 42. Beoordeling toelating door inspectie
1.

Indien de inspecteur van oordeel is dat op een school een leerling is geplaatst die daar ingevolge artikel 40 dan wel artikel 41, eerste lid, niet had mogen worden toegelaten, verzoekt hij het bevoegd gezag deze leerling te verwijderen.

2.

Bij weigering van het bevoegd gezag te voldoen aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.

3.

Indien de inspecteur van oordeel is dat het in artikel 41, vierde lid, bedoelde onderzoek niet voldoet aan redelijke eisen, treedt hij in overleg met het bevoegd gezag onder mededeling van de zijns inziens aan te brengen wijzigingen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in.

§ 4. Ouders

Artikel 48a. Informeren ouders bij zeer zwak onderwijs
1.

Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht, in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het oordeel is gekomen dat sprake is van zeer zwak onderwijs, bedoeld in artikel 19a, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover door middel van in ieder geval de toezending van de door de inspectie opgestelde samenvatting van het inspectierapport, welke samenvatting gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld van het bevoegd gezag. De toezending, bedoeld in de eerste volzin, geschiedt binnen twee weken na de vaststelling van het inspectierapport.

2.

Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig voldoet aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, zendt Onze Minister de samenvatting van het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, in de derde week na vaststelling van het inspectie rapport aan de ouders van de leerlingen.

3.

Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een zeer zwakke school, betrekt het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school en de meerderjarige leerlingen bij de door het bevoegd gezag voorgenomen maatregelen ten behoeve van kwaliteitsverbetering.

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Artikel 64. Beroepstermijn
1.

Het beroep bedoeld in artikel 63, wordt schriftelijk ingesteld binnen 6 weken, nadat de beslissing aan betrokkene is medegedeeld. Bij overschrijding van deze termijn ten gevolge van omstandigheden die de betrokkene niet kunnen worden verweten, laat de commissie niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege.

2.

Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen ter zake van beslissingen die aan het oordeel van de commissie zijn onderworpen.

Titel IV. Bekostiging

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Overige bepalingen

Artikel 78. Vaststelling plan door provinciale staten
1.

Provinciale staten stellen op voordracht van gedeputeerde staten, al dan niet in samenwerking met provinciale staten van een of meer andere provincies, jaarlijks voor 1 augustus een plan van nieuwe scholen in de provincie van vestiging vast voor de scholen voor slechthorende kinderen, voor lichamelijk gehandicapte kinderen, scholen voor langdurig zieke kinderen, scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen, scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen en scholen voor meervoudig gehandicapte kinderen, die in de 4 kalenderjaren volgende op het jaar van vaststelling voor bekostiging uit de openbare kassen in aanmerking dienen te worden gebracht. Het plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen in de betrokken provincie. Het plan behoeft de goedkeuring van Onze minister.

2.

Bij de vaststelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken bedoeld in artikel 81. Tevens bezien provinciale staten bij de vaststelling van het plan of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs. Provinciale staten betrekken bij de vaststelling van het plan de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen.

3.

Het plan vermeldt van elke school of het betreft:

  • a. een school voor speciaal onderwijs;
  • b. een school voor voortgezet speciaal onderwijs;
  • c. een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
  • d. een afdeling.

Het plan vermeldt tevens de schoolsoort, de plaats van vestiging en de te verwachten omvang, alsmede welke scholen in het eerste jaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen en de reden waarom de overige scholen daarvoor niet in aanmerking komen.

4.

Bij de goedkeuring van Onze minister van het plan treden voor de toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht gedeputeerde staten in de plaats van het bevoegd gezag van de bijzondere scholen.

Artikel 83. Opneming school in plan
1.

In het plan worden in elk geval opgenomen de scholen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste het volgende aantal leerlingen:

  • a. de school voor speciaal onderwijs: 60 leerlingen;
  • b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 42 leerlingen;
  • c. de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: 81 leerlingen;
  • d. de afdeling: 15 leerlingen.

Tot het totaal aantal leerlingen bedoeld onder c, behoren ten minste 21 leerlingen die in aanmerking komen voor het volgen van voortgezet speciaal onderwijs.

2.

In het plan kunnen scholen worden opgenomen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens zullen worden bezocht door ten minste het volgende aantal leerlingen:

  • a. de school voor speciaal onderwijs: 40 leerlingen;
  • b. de school voor voortgezet speciaal onderwijs: 32 leerlingen;
  • c. de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: 55 leerlingen;
  • d. de afdeling: 10 leerlingen.

Tot het aantal leerlingen bedoeld onder c behoren ten minste 14 leerlingen die in aanmerking komen voor het volgen van voortgezet speciaal onderwijs.

3.

Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid worden niet in aanmerking genomen:

  • a. de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school waar het verlangde onderwijs wordt gegeven, tenzij deze school uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd;
  • b. leerlingen die in een andere provincie woonachtig zijn en bij de vaststelling van een plan in die provincie in aanmerking worden genomen.
4.

Tegen een besluit van provinciale staten om een verzoek tot opneming in het plan van een bijzondere of een openbare school niet in te willigen, kan iedere belanghebbende administratief beroep instellen bij Onze minister.

5.

Indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van Onze minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, nemen provinciale staten de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het besluit vast te stellen plan.

Artikel 84. Goedkeuring plan door minister
1.

Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de verzoeken die niet zijn ingewilligd en de motivering daarvan. Deze stukken worden door gedeputeerde staten binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle verzoekers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze minister is gezonden. Het plan wordt binnen 2 weken na de vaststelling voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd op de provinciale griffie.

2.

Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan Onze minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken en het overzicht bedoeld in het eerste lid. Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

3.

Onze minister besluit met inachtneming van het beroepschrift bedoeld in artikel 83, vierde lid, voor 1 december van het jaar voorafgaande aan de planperiode. Afschrift van het besluit wordt binnen 2 weken aan provinciale staten gezonden. Indien Onze minister niet voor 1 december heeft besloten, wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd.

4.

Onze minister onthoudt zijn goedkeuring indien en voor zover:

  • a. provinciale staten ten onrechte vermeerdering van het aantal openbare scholen in de planperiode niet noodzakelijk hebben geacht;
  • b. opneming van een school in het plan niet noodzakelijk is omdat de opnamecapaciteit van de bestaande onderwijsvoorzieningen toereikend is dan wel niet in overeenstemming is met het tot stand brengen van een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de school zal worden bezocht door het in artikel 83, eerste lid, bedoelde aantal leerlingen;
  • c. is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses;
  • d. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt in het eerste jaar van de planperiode.
5.

Bij onthouding van de goedkeuring op grond van het vierde lid onder a draagt Onze minister provinciale staten op alsnog een openbare school in het plan op te nemen.

6.

Bij onthouding van goedkeuring op grond van het vierde lid onder d draagt Onze minister provinciale staten op de bekostiging van de school in het eerste jaar van de planperiode in het plan op te nemen.

7.

Indien ten gevolge van een besluit op grond van het vierde lid een school uit het plan moet vervallen, deelt Onze minister dit besluit binnen 2 weken mee aan de indiener van het verzoek om opneming van de betrokken school in het plan.

8.

Indien in beroep tegen het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zevende lid, is bepaald dat de uitspraak van de rechter, dan wel het besluit naar aanleiding van die uitspraak, strekt tot opneming van een school in het plan, nemen provinciale staten de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan.

9.

Zodra het plan onherroepelijk is vastgesteld, dragen gedeputeerde staten zorg voor bekendmaking in de Staatscourant en het provinciaal blad.

10.

Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, besluit Onze minister bij beschikking, met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden.

Artikel 85. Verplichting tot stichting openbare school

Indien een plan onherroepelijk is vastgesteld, is de gemeente verplicht tot stichting van de daarop geplaatste scholen voor openbaar onderwijs.

Afdeling 1. Fusietoets

Artikel 93b

Vervallen

Artikel 93f

Vervallen

Artikel 93g

Vervallen

Artikel 116. Materiële instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag
1.

Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder a, b en c, betrekking hebben.

2.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan met burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

3.

Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan met een bevoegd gezag dat gebruik maakt van de voorziening in de huisvesting van het eerstgenoemde bevoegd gezag, overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

4.

Ingeval de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere school met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

5.

Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 112, eerste lid onder d en e, betrekking hebben.

Artikel 117. Grondslag bekostiging personeel
1.

Voor de bekostiging van personeel wordt per onderwijssoort een bedrag per school, niet zijnde een instelling, en een bedrag per leerling toegekend, welke bedragen worden verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.

2.

De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval verschillend worden vastgesteld voor leerlingen

  • a. van de verschillende onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2;
  • b. in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
  • c. jonger dan 8 jaar; en
  • d. 8 jaar en ouder.
3.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten kan worden toegekend. In ieder geval wordt aan scholen, niet zijnde instellingen, aanvullende bekostiging toegekend voor schoolleiding, bestrijding van onderwijsachterstanden en groei van het aantal leerlingen gedurende het schooljaar.

4.

De instellingen ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen bekostiging in verband met de visuele handicap van de leerlingen van de instelling en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en c. De bekostigingsbedragen, bedoeld in het eerste lid, en de eerste volzin zijn tezamen redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de instelling, voor de taken, bedoeld in artikel 9, en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de instelling. Het veertiende lid is van overeenkomstige toepassing.

5.

De scholen van de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b, c en d, ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste en derde lid, bekostiging in verband met het onderwijs aan leerlingen van wie de toelating is gericht op een verblijf op de school van korter dan een schooljaar en bekostiging ten behoeve van leerlingen als bedoeld in artikel 28c, derde lid.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen van de bekostiging, bedoeld in het vijfde lid, voor de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b en c, per onderwijssoort en voor de onderwijssoorten in het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel d, per cluster vastgesteld.

7.

Voor scholen, niet zijnde instellingen, waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen wordt tevens een bekostiging vastgesteld die is gebaseerd op het aantal leerlingen aan wie onderwijs wordt verzorgd op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, eerste lid.

8.

Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen voor de berekening van de bekostiging ten behoeve van de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel a, vastgesteld.

9.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel b, de bekostiging vastgesteld.

10.

Bij ministeriële regeling worden het bedrag per school en per leerling, bedoeld in het eerste lid, de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het derde, vijfde, zevende, achtste en negende lid, vastgesteld.

11.

Het bedrag per leerling, bedoeld in het tiende lid, is de som van:

  • a. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag, en
  • b. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie onderwijsondersteunend personeel per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.
12.

De verhoging, bedoeld in het tiende lid, is voor wat betreft het bedrag per leerling de uitkomst van de in het elfde lid, onder a, bedoelde hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.

13.

Het bedrag per school, het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging voor wat betreft het bedrag per school, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het tiende lid, zijn de uitkomst van een bij de algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie vermenigvuldigd met een bedrag.

14.

Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het tiende lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van het personeel van scholen en worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de gewogen gemiddelde leeftijd en de geraamde gewogen gemiddelde leeftijd worden vastgesteld. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten van die categorie personeel.

15.

De bekostiging, bedoeld in het eerste en het derde lid, voor wat betreft schoolleiding en groei van het aantal leerlingen tijdens het schooljaar, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.

16.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in dit artikel, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.

Artikel 118. Berekening aantal leerlingen
1.

Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 117, is het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, dat door een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de school wordt verzorgd.

2.

Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op 1 oktober, volgende op de opening, dat door een commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door de school wordt verzorgd. Indien een nieuwe school ontstaat als gevolg van beëindiging van het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.

3.

Voor scholen waaraan onderwijs wordt verzorgd van een van de soorten behorend tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, geldt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, het aantal leerlingen dat door de commissie voor de indicatiestelling toelaatbaar is verklaard tot dat cluster en dat op die school is ingeschreven.

4.

Voor de toepassing van artikel 117 geldt in geval van samenvoeging van scholen, het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen vastgesteld volgens het eerste lid, en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van alle bij de samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.

5.

Voor de bekostiging die scholen ontvangen op grond van artikel 71c zijn het eerste lid, het tweede lid en het derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 120. Bijzondere bekostiging personeelskosten
1.

Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.

2.

In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.

3.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)