Wet van 4 juli 1985, houdende Wet op de erkende onderwijsinstellingen

Type Wet
Publication 2022-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een regeling voor erkenning voor het bijzonder onderwijs, dat niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

Artikel 2. Reikwijdte wet
1.

Deze wet is van toepassing op het onderwijs dat niet volledig en rechtstreeks uit ’s Rijks kas wordt bekostigd, gericht op het afleggen van een van de volgende examens:

2.

Deze wet is niet van toepassing op het onderwijs, aangewezen op grond van artikel 2.66 of artikel 2.71 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, op onderwijs verricht in het kader van contractactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, en op het onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Titel II. Erkenning

Artikel 3. Voorwaarden erkenning

Onze Minister erkent een instelling, indien zij voldoet aan de voorschriften van deze wet en van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 9, tweede lid.

Artikel 4. Aanvraag tot erkenning; gegevens
1.

Een aanvraag tot erkenning wordt ingediend door het bevoegd gezag van de instelling.

2.

De aanvraag gaat vergezeld van gegevens omtrent het aantal en de aard der cursussen en het aantal cursisten, alsmede van een opgave van auteurs en/of docenten onder vermelding van hun onderwijsbevoegdheid bedoeld in artikel 7, en een in artikel 8 bedoelde verklaring omtrent het gedrag van de leden van de directie van de instelling, en voor zover de instelling eigen examens verzorgt en artikel 12 van toepassing is, de examenreglementen bedoeld in artikel 12, eerste lid.

3.

Het bevoegd gezag van de te erkennen instelling is desgevraagd verplicht Onze Minister nadere inlichtingen te verstrekken.

4.

Onze Minister kan zich omtrent de kwaliteit van de cursussen van de te erkennen instelling door deskundigen doen voorlichten.

Artikel 5. Beslissing op de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag tot erkenning en de in artikel 4, tweede lid, bedoelde bijlagen wordt binnen 1 jaar na ontvangst hiervan, daarop een beslissing genomen.

Titel III. Voorwaarden voor de erkende instelling

Artikel 6. Vermelding van erkenning
1.

Het bevoegd gezag van de instelling vermeldt de erkenning in de met betrekking tot de instelling uitgaande correspondentie, publikaties en reclame met de woorden "erkend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen".

2.

Indien de instelling andere activiteiten verricht dan het onderwijs waarop deze wet van toepassing is, moet het bevoegd gezag in de met betrekking tot de instelling uitgaande correspondentie, publikaties en reclame, duidelijk doen uitkomen op welk onderwijs de erkenning betrekking heeft.

Artikel 7. Bewijzen en verklaringen van bekwaamheid
1.

De auteurs en docenten zijn in het bezit van een bewijs dan wel verklaring van bekwaamheid, zoals die voor het desbetreffende vak voor het op grond van een onderwijswet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs vereist zijn en indien er geen overeenkomstig op grond van een onderwijswet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs is, een door Onze Minister aanvaard bewijs of aanvaarde verklaring van bekwaamheid.

2.

Onder onderwijswet bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Experimentenwet onderwijs.

3.

Onze Minister kan goedkeuren dat wordt afgeweken van de in het eerste lid gestelde eis.

Artikel 8. Verklaring omtrent het gedrag

De leden van de directie van de instellingen zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel 9. Kwaliteit van de cursus
1.

De cursus is zodanig afgestemd op de kennis en ervaring van de cursist, dat het gestelde doel redelijkerwijs kan worden bereikt.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gesteld omtrent de kwaliteit van de cursus en de betrekkingen tussen de instelling en de cursist.

Artikel 10. Werving cursisten
1.

De werving van cursisten geschiedt op behoorlijke wijze.

2.

Het bevoegd gezag verstrekt bij de werving van cursisten voor de instelling geen cadeaus van welke aard ook en doet geen toezegging daaromtrent.

3.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat bij de werving van cursisten voor de instelling geen gebruik wordt gemaakt van personen die in de uitoefening van een beroep of bedrijf door persoonlijk bezoek dan wel door of in samenhang met de aanprijzing van een cursus in een groep van ter plaatse van de aanprijzing aanwezige personen een particulier trachten te bewegen in te schrijven op een cursus.

4.

Voor de toepassing van het derde lid wordt als persoonlijk bezoek niet aangemerkt het persoonlijk bezoek, dat in overwegende mate voortvloeit uit een initiatief van degene, die wordt bezocht, en als groep van personen wordt niet aangemerkt een groep, welke kennelijk niet met of mede met het oog op de aanprijzing van een cursus in die groep is bijeengebracht.

Artikel 11. Overeenkomst met cursist
1.

De overeenkomst tussen de natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat en de cursist wordt schriftelijk aangegaan en vermeldt in elk geval:

2.

De in het eerste lid onder a bedoelde studiegids maakt deel uit van de overeenkomst.

3.

De cursist ontvangt een bewijs, waarbij de instelling verklaart hem als cursist te aanvaarden onder de bepalingen genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel.

4.

Het eerste tot en met derde lid, met uitzondering van het eerste lid onder g onder 1°, is van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten tussen de natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat en de werkgever, die voor één of meer van zijn werknemers de overeenkomst aangaat. Bij overlijden van een werknemer, wiens werkgever de overeenkomst is aangegaan, kan de overeenkomst voortijdig worden ontbonden, indien zij uitsluitend betrekking heeft op die werknemer.

Artikel 12. Examens
1.

De examens van een instelling worden geregeld in een of meer examenreglementen, die de goedkeuring van Onze Minister behoeven. De examenreglementen bevatten in elk geval bepalingen omtrent:

2.

De examenopgaven hebben voor zover het examens betreft zoveel mogelijk betrekking op de gehele tijdens de cursus behandelde leerstof. Voor zover het deelexamens betreft, hebben de opgaven zoveel mogelijk betrekking op de tijdens de cursus tot het afleggen van die deelexamens behandelde leerstof.

3.

De examendata worden ten minste 6 weken voor de aanvang van het examen schriftelijk aan de cursist medegedeeld.

4.

Het bevoegd gezag van de instelling zendt onmiddellijk na afloop van elk examen een examenverslag aan Onze Minister. Onze Minister stelt het model van dit verslag vast.

5.

De examenopgaven dienen na afloop van een examen op verzoek en desgewenst tegen betaling bij de instelling verkrijgbaar te worden gesteld, behalve in gevallen waarin Onze Minister toestaat dat examenopgaven niet op deze wijze verkrijgbaar worden gesteld.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 13. Gecommitteerden
1.

Voor het toezicht op de examens van de instellingen kan Onze Minister gecommitteerden aanwijzen. De aanwijzing geldt totdat voor alle cursisten die het examen afleggen de einduitslag is vastgesteld. Indien dit door Onze Minister wordt verzocht, stelt het bevoegd gezag gecommitteerden ter aanwijzing voor.

2.

De gecommitteerden ontvangen uit ’s Rijks kas vacatiegeld en een vergoeding van reis- en verblijfkosten, volgens door Onze Minister vast te stellen regels.

Artikel 14. Diploma's, certificaten, beoordelingslijsten en verklaringen
1.

Een diploma en een beoordelingslijst worden uitgereikt aan de cursist, die voor het examen van de instelling is geslaagd.

2.

Een certificaat met vermelding van de beoordelingen wordt uitgereikt aan de cursist, die voor het deelexamen van de instelling is geslaagd.

3.

Het bevoegd gezag is verplicht een verklaring uit te reiken aan de cursist, die de cursus heeft voltooid en aan wie geen diploma of certificaat kan worden verstrekt, wanneer hij daar binnen een jaar na voltooiing van de cursus om vraagt. Onze Minister kan nadere voorschriften geven omtrent de inhoud van de verklaringen.

4.

De modellen van de diploma's, de certificaten, de beoordelingslijsten en van de verklaringen behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.