Wet van 11 juni 1986, houdende regels inzake de opheffing van de organisatie bescherming bevolking en het treffen van enige daarmee verband houdende voorzieningen

Type Wet
Publication 1996-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatie bescherming bevolking op te heffen en met het oog daarop de Wet bescherming bevolking (Stb. 1952, 404) en enige andere wetten of onderdelen daarvan in te trekken alsmede enige daarmee verband houdende voorzieningen te treffen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepaling

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. De intrekking

Artikel 2
1.

De navolgende wetten of onderdelen daarvan worden ingetrokken:

Hoofdstuk III. Algemene bepalingen met betrekking tot de liquidatie

Artikel 3
1.

De gemeenschappelijke regelingen, bedoeld in artikel 14 van de Wet bescherming bevolking, vervallen van rechtswege met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet.

2.

De kringen, ingesteld bij de gemeenschappelijke regelingen, bedoeld in het eerste lid, zijn van rechtswege ontbonden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet.

3.

De kringen blijven na hun ontbinding voortbestaan voor zover en voor zolang zulks voor de liquidatie noodzakelijk is, doch uiterlijk tot zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 4
1.

De kringraad is uiterlijk tot zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet belast met de liquidatie.

2.

De kringraad stelt daartoe binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze wet een overzicht op van de wijze, waarop de liquidatie zal worden uitgevoerd. Het overzicht wordt aan gedeputeerde staten en aan Onze Minister ter kennisneming toegezonden.

Artikel 5
1.

Het bestuur van de gemeente waar de kring zijn zetel heeft, is met de voortzetting van de liquidatie belast, indien na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de liquidatie niet is voltooid.

2.

Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, vervallen de vermogensbestanddelen van de kring van rechtswege aan het bestuur van de gemeente, bedoeld in het eerste lid. Tevens gaan op dat moment de rechten en verplichtingen van de kring over op het bestuur van deze gemeente.

Artikel 6
1.

In een gemeente die niet behoort tot een op grond van de Wet bescherming bevolking gevormde kring, is het bestuur van de gemeente belast met de liquidatie.

2.

Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7

De liquidatierekening wordt binnen een maand na de datum, waarop het geheel van rechtshandelingen en overige handelingen, dat is gericht op de opheffing van de organisatie bescherming bevolking, is voltooid, voorlopig vastgesteld en wordt door de kringraad onderscheidenlijk het bestuur van de gemeente, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 6, eerste lid, ter definitieve vaststelling aan gedeputeerde staten en ter kennisneming aan Onze Minister gezonden.

Artikel 8
1.

Gedeputeerde staten bepalen welk deel van het in de liquidatierekening vastgestelde liquidatiesaldo ten gunste of ten laste van het rijk komt en welk deel ten gunste of ten laste van de deelnemers van de gemeenschappelijke regeling, dan wel in de gevallen dat een gemeente niet behoort tot een op grond van de Wet bescherming bevolking gevormde kring, ten gunste of ten laste van die gemeente komt.

2.

De verdeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt naar evenredigheid van de bijdragen, die op grond van artikel 3 van de Wet bijdragen bescherming bevolking en verplaatsing bevolking 1961 uit 's Rijks kas beschikbaar zijn gesteld aan de kring, onderscheidenlijk de gemeente en van de bijdragen, die vanaf de datum van inwerkingtreding van die wet door de deelnemers van de gemeenschappelijke regeling onderscheidenlijk de gemeente terzake van de bescherming van de bevolking beschikbaar zijn gesteld.

Artikel 9
1.

In geval van een positief liquidatiesaldo is de kringraad, onderscheidenlijk het bestuur van de gemeente, bedoeld in artikel 5, eerste lid, belast met de uitvoering van het besluit, bedoeld in artikel 8.

2.

In geval van een negatief liquidatiesaldo doen gedeputeerde staten mededeling aan Onze Minister en aan de in de kring deelnemende gemeenten, welk bedrag aan de kringraad, onderscheidenlijk aan het bestuur van de gemeente, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dient te worden betaald.

3.

Het deel van het liquidatiesaldo dat ten gunste of ten laste van de in de kring deelnemende gemeenten komt, wordt over deze gemeenten verdeeld naar rato van het aantal inwoners daarvan op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar, waarin deze wet in werking treedt.

Artikel 10
1.

In een gemeente als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is in geval van een positief liquidatiesaldo het bestuur van de gemeente belast met de uitvoering van het besluit, bedoeld in artikel 8.

2.

In geval van een negatief liquidatiesaldo doen gedeputeerde staten mededeling aan Onze Minister, welk bedrag aan het bestuur van de gemeente, bedoeld in artikel 6, eerste lid, dient te worden betaald.

Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen met betrekking tot personeel en materieel

§ 1. Personeel

Artikel 11
1.

Onze Minister onderzoekt tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet op welke wijze de noodwachters bij voorrang in aanmerking kunnen worden gebracht voor herplaatsing bij een regionale brandweer of bij een ander daarvoor in aanmerking komend publiekrechtelijk of privaatrechtelijk lichaam.

2.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de noodwachters die op de datum van inwerkingtreding van deze wet 55 jaar of ouder zijn en binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze wet aan het bevoegd gezag te kennen hebben gegeven, dat zij niet in aanmerking wensen te komen voor herplaatsing.

Artikel 12
1.

Aan de noodwachter, die binnen of uiterlijk na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan worden herplaatst, wordt op zijn verzoek door het bevoegd gezag eervol ontslag verleend.

2.

Aan de noodwachters, bedoeld in artikel 11, tweede lid, wordt door het bevoegd gezag eervol ontslag verleend met ingang van de dag, waarop de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, is verstreken, of zoveel eerder als de liquidatie is voltooid.

3.

Indien in de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, inachtneming van de opzegtermijn, genoemd in artikel 92, tweede lid, van het Ambtenarenreglement noodwachters (Stb. 1955, 327) en in artikel 75, tweede en derde lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit noodwachters (Stb. 1955, 328), er toe zou leiden dat het ontslag pas kan worden verleend met ingang van een dag, die ligt na de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van deze wet wordt die opzegtermijn zodanig beperkt, dat het ontslag wordt verleend met ingang van de dag waarop de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van deze wet is verstreken.

Artikel 13
1.

Ten opzichte van de noodwachter, aan wie na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geen ontslag is verleend op grond van artikel 12, eerste of tweede lid, treedt Onze Minister gedurende de zes daaropvolgende maanden op als bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Ambtenarenreglement noodwachters en in artikel 1, onderdeel b, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit noodwachters.

2.

Indien de liquidatie is voltooid voordat de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, is verstreken, treedt Onze Minister ten opzichte van de noodwachter die op het moment waarop de liquidatie is voltooid niet is ontslagen op grond van artikel 12, eerste of tweede lid, tot het tijdstip gelegen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet op als bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Ambtenarenreglement noodwachters en in artikel 1, onderdeel b, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit noodwachters.

Artikel 14
1.

Aan de noodwachter, die tijdens de periode dat Onze Minister voor hem optreedt als bevoegd gezag, bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, kan worden herplaatst, wordt op zijn verzoek door Onze Minister eervol ontslag verleend.

2.

Indien in het geval, bedoeld in het eerste lid, inachtneming van de opzegtermijn, bedoeld in artikel 12, derde lid, er toe zou leiden dat het ontslag pas kan worden verleend met ingang van een dag, die ligt na een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet, wordt die opzegtermijn zodanig beperkt, dat het ontslag wordt verleend met ingang van de dag waarop een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet is verstreken.

Artikel 15
1.

Aan de noodwachter wordt door Onze Minister een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet eervol ontslag verleend, indien het onderzoek, bedoeld in artikel 11, eerste lid, niet heeft geleid tot het in aanmerking brengen van de noodwachter voor een in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende functie. Artikel 95 van het Ambtenarenreglement noodwachters is niet van toepassing.

2.

Ontslag als bedoeld in het eerste lid, wordt eveneens verleend aan de noodwachter die weigert een hem aangeboden functie als bedoeld in het eerste lid, te aanvaarden.

Artikel 16
1.

De noodwachter in vaste of tijdelijke dienst, mits dit laatste dienstverband tenminste vijf jaren heeft geduurd en de aanstelling niet is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard, die is of wordt ontslagen op grond van het bepaalde in artikel 12, eerste en tweede lid, artikel 14, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, heeft recht op wachtgeld volgens de regelen, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur van 23 november 1972, Stb. 671, onverminderd het bepaalde in artikel 4 van die algemene maatregel.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.