Besluit van 24 december 1986, tot vaststelling van regels als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenwet

Type AMvB
Publication 2016-12-28
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 november 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/SVV/86/09223;

Gelet op artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenwet (Stb. 1986, 562);

De Raad van State gehoord (advies van 15 december 1986, nr. W12.86.0590);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/SVV/86/10863;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemeen

Artikel 1
1.

Dit besluit is uitsluitend van toepassing op de persoon wiens dagloon of grondslag, vermeerderd met het inkomen uit arbeid of overig inkomen anders dan de loondervingsuitkering op grond waarvan aanspraak op toeslag wordt gemaakt, minder bedraagt dan het voor hem van toepassing zijnde norminkomen, bedoeld in artikel 2 van de Toeslagenwet.

2.

Het inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld zonder toepassing van artikel 7 van de Toeslagenwet.

3.

Artikel 8a, tweede lid, van de Toeslagenwet is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagloon, bedoeld in het eerste lid.

§ 2. Inkomensbestanddelen

§ 2.1. Inkomen uit arbeid

Artikel 2

Voor de toepassing van artikel 8a, eerste lid, van de Toeslagenwet wordt met de loondervingsuitkering gelijkgesteld een aanvulling op de loondervingsuitkering op grond waarvan aanspraak op toeslag wordt gemaakt.

Artikel 3
1.

Voor de toepassing van artikel 8a, eerste lid, van de Toeslagenwet wordt met de loondervingsuitkering gelijkgesteld al het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de persoon die aanspraak maakt op toeslag, indien die persoon:

2.

Indien de toepassing van het eerste lid er toe leidt dat de toeslag minder bedraagt dan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop, wordt de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid zodanig beperkt, dat de toeslag gelijk is aan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop.

Artikel 4

Voor de toepassing van artikel 8a, eerste lid, van de Toeslagenwet wordt voor de persoon die loon of bezoldiging ontvangt op grond van artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, dat loon of die bezoldiging gelijkgesteld met de op het dagloon of de grondslag in mindering te brengen loondervingsuitkering.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gelijkstelling loondervingsuitkering Toeslagenwet.

Artikel 5a

Vervallen

Artikel 6
1.

Onder winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.

2.

Artikel 5, eerste lid, laatste volzin, is voor het inkomen, bedoeld in dit artikel, van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien de berekening van de in het eerste lid bedoelde winst leidt tot een negatief bedrag, wordt die winst op nihil gesteld.

4.

Van de winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, wordt slechts een deel in aanmerking genomen. Artikel 5, derde lid, laatste volzin, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.

§ 2.2. Overig inkomen

Artikel 7
1.

Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van de wet wordt onder overig inkomen verstaan:

2.

In afwijking van het eerste lid, wordt niet als overig inkomen beschouwd:

3.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.

4.

Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. Artikel 5, derde lid, laatste volzin, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing op uitkeringen op grond van de Ziektewet (Stb. 1987, 88) en op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, tenzij de dienstbetrekking van de werknemer tijdens het genot van de uitkering eindigt en tengevolge hiervan het dagloon met een evenredig deel van de vakantietoeslag wordt verhoogd.

§ 3. Bepaling van het inkomen

Artikel 8
1.

Het inkomen uit arbeid of overig inkomen wordt vastgesteld op het tot een bedrag per dag herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat degene, die aanspraak maakt op een toeslag, en zijn echtgenoot verwerven in het betalingstijdvak, waarover de loondervingsuitkering wordt uitbetaald.

2.

Indien degene, die aanspraak maakt op een toeslag of zijn echtgenoot in het betalingstijdvak waarover de loondervingsuitkering wordt betaald, bestendig inkomen gaat verwerven, dan wel indien zij ophouden bestendig inkomen te verwerven, wordt het inkomen uit arbeid of overig inkomen gedurende het resterende gedeelte van dat betalingstijdvak vastgesteld op het tot een bedrag per dag herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat zij gedurende dat gedeelte hebben verworven.

3.

Voor de herleiding van het inkomen uit arbeid of overig inkomen tot een bedrag per dag, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt voor inkomensbestanddelen die niet reeds op een bedrag per dag zijn vastgesteld, de week gesteld op 5 dagen en de maand op 21,75 dagen.

4.

Onder betalingstijdvak, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstaan, de periode die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt gehanteerd bij de uitbetaling van de loondervingsuitkering.

5.

Indien aannemelijk is, dat een inkomensbestanddeel geen juiste maatstaf biedt voor de bepaling van het in het eerste lid bedoelde inkomen, dat met ingang van de dag, waarop aanspraak op toeslag wordt gemaakt, wordt verworven, wordt dat inkomensbestanddeel per dag vastgesteld op 1/65,25 onderscheidenlijk 1/261 van het bedrag, dat over 3 maanden onderscheidenlijk een jaar als dat inkomensbestanddeel is verworven.

6.

Indien op een dag, dat aanspraak wordt gemaakt op de toeslag, winst als bedoeld in artikel 6 wordt genoten, wordt het daaruit voortvloeiende inkomensbestanddeel per dag vastgesteld op 1/261 van de winst over het kalenderjaar of het niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar waarin die dag valt.

7.

Indien de toepassing van de leden 1 tot en met 6, gelet op het tijdstip van verwerving van een inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op welke periode dat inkomensbestanddeel geacht moet worden betrekking te hebben en hoe dit bestanddeel geacht moet worden over deze periode te zijn verdeeld.

Artikel 8a
1.
  1. De bij de toepassing van de voorgaande artikelen noodzakelijke omrekening in euro van een niet in euro uitgedrukt inkomen uit arbeid of overig inkomen in de Nederlandse munteenheid geschiedt met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
2.

Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde koers beïnvloedt het op grond van artikel 8 vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:

§ 3a. Bijzondere bepalingen

Artikel 8b

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.