← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 7 juli 1987, houdende regelen omtrent de bescherming van de titels architect, stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect

Geldende tekst a fecha 2009-12-28

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de wet regelen te stellen omtrent de bescherming van de titels architect, stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect, alsmede regelen te stellen ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PbEG 1985, L 223/15);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

betrokken staat: lidstaat, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;

bevoegde autoriteit: bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 56 van de richtlijn;

derde land: ander land dan een betrokken staat;

dienstverrichter: een persoon die op wettige wijze is gevestigd in een andere betrokken staat en aldaar op wettige wijze het beroep van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect uitoefent of, ingeval dat beroep in die staat niet is gereglementeerd, dat beroep in die staat tijdens de tien jaar voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland ten minste twee jaar voltijds heeft uitgeoefend, en die zich vanuit die staat naar Nederland begeeft om er tijdelijk en incidenteel datzelfde beroep uit te oefenen;

lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;

migrerende beroepsbeoefenaar:

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

opleidingstitel: diploma, certificaat, of andere titel die door een daartoe bij of krachtens wet in een andere betrokken staat aangewezen autoriteit is afgegeven ter afsluiting van een overwegend in een of meer betrokken staten gevolgde beroepsopleiding op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur;

richtlijn: richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).

Hoofdstuk II. Het architectenregister

Artikel 2
1.

Er is een architectenregister, in deze wet verder aan te duiden als het register.

2.

In het register wordt op verzoek ingeschreven als architect, als stedenbouwkundige, als tuin- en landschapsarchitect of als interieurarchitect degene, die voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen.

3.

Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voorschriften geven omtrent de inrichting van het register.

Hoofdstuk III. Het bureau architectenregister

Artikel 3
1.

Onze Minister richt een Stichting bureau architectenregister op, in deze wet verder aan te duiden als het bureau. Het wijzigen van de statuten van het bureau behoeft de toestemming van Onze Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Het bureau is belast met het beheer van het register en voorziet in de administratieve bijstand, die bij de uitvoering van het bepaalde in hoofdstuk VI van het bureau wordt gevraagd.

3.

Het bureau treedt bij de uitvoering van deze wet op als bevoegde autoriteit. Het bureau werkt in die hoedanigheid nauw samen met de bevoegde autoriteiten van andere betrokken staten en:

4.

Het bureau verstrekt informatie over de voorschriften van de richtlijn met betrekking tot de erkenning van beroepskwalificaties voor architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect, over de wettelijke voorschriften met betrekking tot de beroepsuitoefening van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect en over de inschrijving in een van die hoedanigheden in het register en de wettelijke gevolgen daarvan.

5.

Het bureau biedt voorts belanghebbenden ondersteuning bij de uitoefening van hun rechten krachtens de richtlijn om in Nederland of een andere betrokken staat op het gebied van de architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur zelfstandig of in loondienst beroepswerkzaamheden te verrichten of op een van die gebieden tijdelijk en incidenteel overeenkomstig de richtlijn diensten te verrichten.

6.

Het bureau informeert het door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter uitvoering van artikel 57 van de richtlijn aangewezen centrale contactpunt periodiek over de werkzaamheden die het op grond van het vierde en vijfde lid heeft verricht en over het resultaat van de door hem op grond van het vijfde lid geboden ondersteuning.

Artikel 4
1.

Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de leden van het bestuur van het bureau, na overleg met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2.

Het bestuur bestaat in meerderheid uit personen die de beroepen van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect uitoefenen dan wel hebben uitgeoefend.

Artikel 5

De benoeming en het ontslag van de directeur van het bureau behoeven de instemming van Onze Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10
1.

Inschrijving in het register als stedenbouwkundige wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:

2.

Onze Minister kan nadere regels geven over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen aan een der eisen bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.

Artikel 7

Het bureau bepaalt het bedrag van de tarieven, bedoeld in deartikelen 3, derde lid, 13, eerste lid, 16, eerste lid, 22, eerste lid, 27 en 27b, zesde lid. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 8
1.

Jaarlijks vóór 1 mei wordt door het bureau aan Onze Minister ter goedkeuring een jaarverslag en een jaarrekening over het vorige kalenderjaar voorgelegd. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek belasten met het uitvoeren van een controle op de jaarrekening. Aan deze accountant en aan de Algemene Rekenkamer wordt inzage gegeven van de boeken en bescheiden en worden alle inlichtingen verstrekt welke zij nodig achten om een juist inzicht te verkrijgen in het geldelijk beheer van het bureau.

2.

Onze Minister zendt na goedkeuring afschrift van het verslag en van de jaarrekening aan Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en aan de Staten-Generaal.

Hoofdstuk IV. De inschrijving in het register

Artikel 9
1.

Inschrijving in het register als architect wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:

2.

Onze Minister kan nadere regels geven over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen aan een der eisen, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.

Artikel 10
1.

Inschrijving in het register als stedebouwkundige wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:

2.

Onze Minister kan nadere regels geven over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen aan een der eisen bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.

Artikel 11
1.

Inschrijving in het register als tuin- en landschapsarchitect wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:

2.

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan nadere regels geven over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen aan een der eisen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.

Artikel 12
1.

Inschrijving in het register als interieurarchitect wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:

2.

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan nadere regels geven over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen aan een der eisen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.

Artikel 6

Vervallen

Artikel 14
1.

Het bureau draagt zorg dat na het nemen van een besluit tot inschrijving ten spoedigste inschrijving van de verzoeker in het register plaatsvindt.

2.

In het register worden opgenomen naam, voornamen, geboortedatum, adres en opleiding van de verzoeker, alsmede de titel waaronder de inschrijving is verkregen.

3.

Het bureau verstrekt de aanvrager onmiddellijk na de inschrijving in het register een bewijs van inschrijving.

Artikel 15
1.

Een besluit tot weigering van inschrijving in het register wordt niet genomen dan nadat de indiener van het verzoek tot inschrijving in de gelegenheid is gesteld aanvullende bewijsstukken ter ondersteuning van het verzoek over te leggen.

2.

Het bureau kan bepalen dat de indiener van het verzoek in persoon voor hem zal verschijnen. De oproeping maakt van een zodanig besluit melding.

Artikel 16
1.

Dadelijk na inschrijving in het register en voorts telkens na verloop van een jaar is de ingeschrevene een bijdrage verschuldigd, indien en voorzover ingevolge het bepaalde in artikel 7 hiervoor een bedrag is vastgesteld.

2.

In geval de bijdrage door middel van girale betaling is voldaan, zendt het bureau na ontvangst van de bijdrage een bewijs van betaling aan degene die heeft betaald.

Artikel 17
1.

Het bureau haalt een inschrijving in het register door:

2.

Een besluit tot doorhaling van de inschrijving op grond van het bepaalde in het eerste lid, onder a, wordt niet genomen dan nadat overeenkomstige toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid.

3.

Een besluit tot doorhaling van de inschrijving op grond van het bepaalde in het eerste lid, onder b, wordt niet genomen dan nadat vier weken zijn is verstreken na de dag, waarop de betrokkene op zijn verzuim en het in het eerste lid bedoelde gevolg daarvan is gewezen.

4.

Elke doorhaling van een inschrijving op een der gronden, bedoeld in het eerste lid, onder a-c, wordt onmiddellijk bekendgemaakt, onder vermelding van hetgeen in artikel 18 is bepaald.

5.

Het bureau houdt aantekening van de doorhalingen en van de data waarop deze zijn geschied.

Artikel 18
1.

Degene, van wie de inschrijving op een der in artikel 17, eerste lid onder b en c, bedoelde gronden is doorgehaald, kan het bureau verzoeken de doorhaling ongedaan te maken.

2.

Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt geacht niet te zijn ingediend zolang niet opnieuw het inschrijfgeld is betaald, bedoeld in artikel 13, eerste lid, en zolang niet de reeds vóór het tijdstip van doorhaling verschuldigde, maar nog niet betaalde bijdragen, bedoeld in artikel 16, eerste lid, zijn voldaan.

Artikel 19
1.

Het bureau maakt binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 18, eerste lid, de doorhaling ongedaan.

2.

Artikel 14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, geldt het tijdstip waarop een doorhaling ongedaan is gemaakt als tijdstip van inschrijving in het register.

Artikel 21
1.

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

3.

Voor zover een besluit inzake een aanwijzing, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel o, 10, eerste lid, onderdeel i, 11, eerste lid, onderdeel k, of 12, eerste lid, onderdeel h, aangemerkt wordt als algemeen verbindend voorschrift, kan in afwijking van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht beroep ingesteld worden bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Hoofdstuk V. Titelbescherming

Artikel 22
1.

Tegen betaling van een vergoeding, waarvan het bedrag ingevolge het bepaalde in artikel 7 is vastgesteld, doet het bureau aan iedere verzoeker schriftelijk opgave of een persoon in het register staat ingeschreven en onder welke titel.

2.

Na ontvangst van de opgave, bedoeld in het eerste lid, kan de verzoeker inzage verlangen in de stukken, die aan de inschrijving ten grondslag liggen. De inzage geschiedt, na de indiening bij het bureau van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek, op een door het bureau te bepalen tijdstip ten kantore van het bureau.

Artikel 23
1.

Gerechtigd tot het voeren van de titel van architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect of een afkorting van die titel, hetzij zonder nadere aanduiding, hetzij in woordsamenstellingen waarin de titel of een afkorting daarvan voorkomt, is uitsluitend hij die onder deze titel in het register staat ingeschreven.

2.

Het bureau, rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die ten doel hebben of mede ten doel hebben de behartiging van belangen der ingeschrevenen in het register en rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die ten doel hebben of mede ten doel hebben de behartiging van belangen van de eindgebruikers van de goederen en diensten der ingeschrevenen in het register kunnen in rechte vorderen dat degene die zonder daartoe gerechtigd te zijn een titel voert als bedoeld in het eerste lid, wordt veroordeeld zich daarvan te onthouden.

3.

Deze rechtsvordering komt mede toe aan iedere gerechtigde, als bedoeld in het eerste lid, voorzover de titel wordt gevoerd waaronder de gerechtigde in het register staat ingeschreven.

4.

Van een rechtsvordering als bedoeld in het tweede en derde lid, neemt de kantonrechter kennis, behoudens hoger beroep.

5.

Het in het eerste tot en met vierde lid bepaalde is niet van toepassing met betrekking tot het voeren van de titel jachtarchitect of nautisch architect.

Artikel 24
1.

Onverminderd artikel 23, eerste lid, is degene die voldoet aan artikel 9, eerste lid, onderdeel i, j, k, l, m of n, 10, eerste lid, onderdeel g of h, 11, eerste lid, onderdeel i of j, of 12, eerste lid, onderdeel f of g, gerechtigd gebruik te maken van de wettige in een andere betrokken staat gevoerde titel of afkorting daarvan in de officiële taal van die staat of in één van de officiële talen van die staat.

2.

Het bureau kan bepalen dat bij het voeren van een titel als bedoeld in het eerste lid, tevens de naam en de plaats van vestiging van de instelling of de examencommissie die deze titel heeft verleend, moet worden vermeld.

Hoofdstuk V. Titelbescherming

Artikel 25
1.

Ten minste eenmaal per jaar geeft Onze Minister die ingevolge onderscheidenlijk deartikelen 9, eerste lid, onder g, 10, eerste lid, onder e, 11, eerste lid, onder g, en 12, eerste lid, onder d, bevoegd is tot het verlenen van ontheffing, de mogelijkheid tot het afleggen van het examen, bedoeld in die artikelen.

2.

De omvang en inrichting van de examens worden vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Daarbij worden tevens geregeld de eisen voor de toelating tot het afleggen van de examens, alsmede die voor het verkrijgen van vrijstelling voor bepaalde onderdelen daarvan.

3.

Een krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld examenreglement, alsmede elke wijziging daarvan, behoeft de goedkeuring van Onze ingevolge het bepaalde in het eerste lid betrokken Minister.

4.

De voordracht tot de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan door Onze ingevolge het bepaalde in het eerste lid betrokken Minister.

Artikel 26
1.

Ten minste eenmaal per jaar stelt Onze Minister degene die voldoet aan artikel 9, eerste lid, onder c, en die is ingeschreven in het register, doch niet volledig voldoet aan artikel 47, tweede lid, van de richtlijn, in de gelegenheid tot het afleggen van een examen als bedoeld in dat artikellid van de richtlijn.

2.

Artikel 25, tweede, derde en vierde lid, zijn van toepassing, met dien verstande dat de voordracht wordt gedaan door Onze Minister.

Artikel 27

Zij die zich aan een van de in artikel 25 bedoelde examens of bepaalde onderdelen daarvan dan wel aan het in artikel 26 bedoelde examen wensen te onderwerpen, worden hiertoe niet toegelaten dan na betaling van een examengeld, waarvan het bedrag ingevolge het bepaalde in artikel 7 is vastgesteld.

Hoofdstuk VI. Examens

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41

Vervallen

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Artikel 42
1.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van artikel 23 dat vijf jaar nadien in werking treedt.

2.

Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de architectentitel.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 9a

Vervallen

Artikel 10
1.

Inschrijving in het register als stedenbouwkundige wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:

2.

Onze Minister kan nadere regels geven over de inrichting welke degene die op grond van het voldoen aan een der eisen bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, inschrijving in het register wenst te verkrijgen aan zijn opleiding moet hebben gegeven.

Hoofdstuk V. Titelbescherming

Hoofdstuk VI. Examens

Hoofdstuk VII. Bij- en nascholing

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 27a
1.

Behoudens het tweede lid is een architect die is ingeschreven in het register gehouden om door middel van bij- en nascholing de ontwikkelingen op zijn vakgebied bij te houden in ten minste 16 uur per jaar.

2.

Een architect die is ingeschreven in het register is niet gehouden tot bij- en nascholing indien hij aan het bureau overeenkomstig de door het bureau gestelde regels schriftelijk heeft gemeld dat hij niet langer beroepsmatig actief is.

3.

Een architect moet bereid zijn om de persoonlijk bijgehouden bij- en nascholingsactiviteiten – achteraf en desgevraagd – aan (potentiële) opdrachtgevers te laten zien.

4.

Het bureau kan kwalitatieve beleidsregels vaststellen ter zake van passende bij- en nascholing; de beleidsregels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

5.

Het bureau onderscheidt in het register een ingeschreven architect die een melding heeft gedaan als bedoeld in het tweede lid van de overige ingeschreven architecten.

Hoofdstuk VIIa. Dienstverrichting op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur

Artikel 27b
1.

Een dienstverrichter die niet in het register is ingeschreven, voert in Nederland uitsluitend de beroepstitel die hij voert in de betrokken staat waar hij is gevestigd in de officiële taal van die staat of in één van de officiële talen van die staat. Indien die titel in de betrokken staat waar hij is gevestigd niet bestaat treedt de dienstverrichter in Nederland op onder vermelding van de titel die bij zijn opleiding hoort in de officiële taal van de staat waar hij is gevestigd of in één van de officiële talen van die staat.

2.

Een dienstverrichter heeft het recht gebruik te maken van academische titels die hem zijn verleend in een andere betrokken staat, en eventueel van de afkorting daarvan, in de officiële taal van die staat of in één van de officiële talen van die staat. Artikel 24, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Een dienstverrichter kan op verzoek voor de duur van de dienstverrichting onder vermelding van die hoedanigheid als architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect worden ingeschreven in het register. De dienstverrichter doet bij zijn aanvraag de volgende stukken aan het bureau toekomen:

4.

Een ingeschreven dienstverrichter kan zijn inschrijving als dienstverrichter telkens met een jaar verlengen.

5.

Het bureau beslist binnen vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het derde lid.

6.

De inschrijving van een dienstverrichter of de verlenging van die inschrijving wordt geëffectueerd zodra het bureau het inschrijfgeld heeft ontvangen, indien krachtens artikel 7, eerste lid, voor die inschrijving of de verlenging daarvan een bedrag is vastgesteld.

Artikel 27c
1.

Het bureau kan bij of aan een bestuursorgaan gegevens van een dienstverrichter opvragen of verstrekken voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van zijn dienstverrichting.

2.

Het bureau kan bij de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat gegevens van een dienstverrichter opvragen voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over de dienstverrichter in het kader van zijn dienstverrichting.

3.

Het bureau verstrekt aan de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat gegevens van een in het register ingeschrevene voor zover noodzakelijk voor de afhandeling van een klacht van een afnemer over die ingeschrevene in het kader van zijn dienstverrichting.

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3a
1.

Voor de toepassing van artikel 3, derde lid, onderdeel a, wordt, voor zover het de verstrekking van strafrechtelijke sancties betreft, een verklaring omtrent het gedrag aangemerkt als informatie omtrent strafrechtelijke sancties.

2.

In afwijking van artikel 33 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt een aanvraag tot het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, ingediend door een bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat.

3.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt, in afwijking van artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ingediend bij Onze Minister van Justitie.

4.

Het bureau kan bij een bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat een verzoek indienen als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, mits het verzoek deugdelijk is gemotiveerd.

Artikel 3b
1.

Voor de toepassing van de artikelen 32, eerste lid, 34, 35 en 36 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als aanvrager aangemerkt de persoon die krachtens artikel 13 is ingeschreven in het register of die op grond van dat artikel een verzoek tot inschrijving in het register heeft gedaan ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd.

2.

Onze Minister van Justitie stelt de persoon, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 3a, tweede lid, en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.

3.

Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen instemming verleent, bericht Onze Minister van Justitie dit aan de bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat die de verklaring omtrent het gedrag heeft aangevraagd.

Artikel 3c
1.

Onze Minister van Justitie informeert de persoon, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd indien hij voornemens is de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag te weigeren.

2.

Onze Minister van Justitie verstrekt de verklaring omtrent het gedrag dan wel de weigering tot afgifte daarvan aan de persoon, bedoeld in artikel 3b, eerste lid.

3.

Onze Minister van Justitie stelt de bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat zo spoedig mogelijk op de hoogte van de afgifte dan wel weigering van de verklaring omtrent het gedrag. Bij de kennisgeving over de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag wordt de strekking van de afgegeven verklaring omtrent het gedrag medegedeeld.

4.

Indien de weigering van de verklaring omtrent het gedrag nog niet onherroepelijk is, informeert Onze Minister van Justitie de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat daarover.

Hoofdstuk IV. De inschrijving in het register

Artikel 13
1.

Degene die van zijn ingevolge het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 12 bestaande recht tot inschrijving in het register gebruik wenst te maken, dient bij het bureau een verzoek tot inschrijving in op een formulier waarvan het model door het bureau wordt vastgesteld. Het verzoek gaat vergezeld door stukken waaruit het bureau de opleiding van de verzoeker kan vaststellen. Een verzoek wordt geacht niet te zijn ingediend zolang niet een inschrijfgeld is betaald, indien en voorzover ingevolge het bepaalde in artikel 7 hiervoor een bedrag is vastgesteld.

2.

Het bureau bevestigt binnen een maand de ontvangst van een aanvraag om erkenning van een opleidingstitel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel m, 10, eerste lid, onderdeel g, 11, eerste lid, onderdeel i, of 12, eerste lid, onderdeel f, of van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel o, 10, eerste lid, onderdeel i, 11, eerste lid, onderdeel k, of 12, eerste lid, onderdeel h. Het wijst er in die bevestiging op dat het besluit omtrent de aangevraagde erkenning gelijktijdig een besluit kan inhouden omtrent inschrijving in het register indien de aanvrager alsnog verzoekt om inschrijving in het register overeenkomstig het eerste lid.

3.

Indien een persoon blijkens zijn verzoek om inschrijving in het register in het bezit is van een opleidingstitel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel m, 10, eerste lid, onderdeel g, 11, eerste lid, onderdeel i, of 12, eerste lid, onderdeel f, of van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel o, 10, eerste lid, onderdeel i, 11, eerste lid, onderdeel k, of 12, eerste lid, onderdeel h, die of dat nog niet door het bureau is erkend, merkt het bureau het verzoek om inschrijving tevens aan als een aanvraag om erkenning van het betreffende diploma of certificaat, dan wel de betreffende titel. Het bureau doet daarvan binnen een maand na de ontvangst mededeling in de bevestiging van de ontvangst van het verzoek.

4.

Het bureau neemt in een geval waarin een aanvraag om erkenning of een verzoek om inschrijving in het register betrekking heeft op een opleidingstitel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel m, 10, eerste lid, onderdeel g, 11, eerste lid, onderdeel i, of 12, eerste lid, onderdeel f, binnen drie maanden na ontvangst van alle stukken die het nodig acht voor zijn oordeelsvorming een besluit omtrent de erkenning.

5.

Indien het bureau toepassing geeft aan artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties houdt het het besluit omtrent de erkenning aan overeenkomstig artikel 19, derde lid, van die wet. Het derde en vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VII. Bij- en nascholing

Hoofdstuk VIIa. Dienstverrichting op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.