← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 3 mei 1989, houdende regelen met betrekking tot de openbare registers voor registergoederen, alsmede met betrekking tot het kadaster

Geldende tekst a fecha 2002-04-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter uitvoering van artikel 3.1.2.1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, nieuwe regelen vast te stellen met betrekking tot de openbare registers voor registergoederen, alsmede met betrekking tot het kadaster (Kadasterwet);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Abusievelijk is dit niet vernummerd tot artikel 16, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet wordt verstaan onder:

2.

De begripsomschrijvingen, opgenomen in de artikelen 1, 2, 3, eerste lid, 8 en 10 van Boek 3, de artikelen 1, 2, 3, 3a, 190 en 780 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in artikel 312 van het Wetboek van Koophandel, gelden ook voor de onderhavige wet.

Artikel 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze van kadastrale aanduiding van onroerende zaken en appartementsrechten.

Artikel 2a

De Dienst heeft, onverminderd het bepaalde in andere wettelijke voorschriften, als doeleinden:

Artikel 3
1.

De Dienst heeft tot taak:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan de Dienst andere taken worden opgedragen, verband houdende met de taken, genoemd in het eerste lid. Bij een algemene maatregel als bedoeld in de eerste zin, kan worden bepaald dat Onze Minister nadere regelen kan stellen inzake de uitoefening van de bij die maatregel opgedragen taken. Voor zover de uitoefening van de bij de maatregel opgedragen taken niet wordt bekostigd uit vergoedingen als bedoeld in artikel 108, eerste lid, wordt bij de maatregel aangegeven hoe de financiële gevolgen voor de Dienst van de uitoefening van de opgedragen taken worden gecompenseerd.

3.

Het bestuur van de Dienst stelt jaarlijks in de maand januari een overzicht op van de soorten van gegevens die in de kadastrale registratie, de registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen zijn opgenomen, alsmede van de soorten van gegevens die op de door de Dienst gehouden kaarten worden weergegeven. Het overzicht wordt geplaatst in de Staatscourant.

Artikel 3a
1.

De Dienst verzamelt persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de doeleinden, genoemd in artikel 2a, onverminderd het bepaalde in andere wettelijke voorschriften.

2.

De Dienst verwerkt geen persoonsgegevens in verband met de totstandbrenging of de instandhouding van een directe relatie tussen de Dienst of een derde en de betrokkene met het oog op werving voor commerciële of charitatieve doelen.

Artikel 3b

Ten aanzien van verwerkingen als bedoeld in artikel 3a is het bestuur van de Dienst verantwoordelijke in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 4
1.

De in artikel 3, eerste lid, bedoelde registers, registraties, kaarten en bescheiden worden gehouden, voor zover onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen betreffend, aan elk der kantoren van de Dienst voor zover hun kring betreffend, en, voor zover schepen onderscheidenlijk luchtvaartuigen en de rechten waaraan deze zijn onderworpen betreffend, aan één of meer door het bestuur van de Dienst te bepalen kantoren van de Dienst. Indien het bestuur van de Dienst bepaalt dat de in artikel 3, eerste lid, bedoelde registers en registraties, voor zover schepen onderscheidenlijk luchtvaartuigen betreffend, worden gehouden aan meer dan één kantoor van de Dienst, dan worden zij aan elk der desbetreffende kantoren gehouden voor zover hun kring betreffend, en bepaalt het bestuur van de Dienst tevens welk van de desbetreffende kantoren hoofdkantoor van de openbare registers en registratie voor schepen, onderscheidenlijk voor luchtvaartuigen is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden alsdan regelen gesteld omtrent dat hoofdkantoor.

2.

Het bestuur van de Dienst bepaalt in welke gemeenten de kantoren van de Dienst zijn gevestigd en welke gemeenten behoren tot de kring van een kantoor van de Dienst. Het bestuur van de Dienst bepaalt voorts de tijden gedurende welke deze kantoren voor het publiek zijn opengesteld.

3.

Het bestuur van de Dienst bepaalt op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan een wijziging van de grens tussen twee kringen als bedoeld in de eerste zin van het tweede lid, en aan verplichtingen van bewaarders tot het verrichten van ambtshalve inschrijvingen en andere ambtshalve handelingen die meer kringen betreffen.

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6
1.

Onder de benaming van bewaarder van het kadaster en de openbare registers is aan elk kantoor van de Dienst een bewaarder die door het bestuur van de Dienst wordt benoemd.

2.

Tot bewaarder kunnen alleen worden benoemd zij die:

3.

Bij afwezigheid, belet, ontstentenis of schorsing van een bewaarder wordt deze waargenomen door een der andere bewaarders op een door het bestuur van de Dienst te bepalen wijze.

Artikel 7
1.

De bewaarder is, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, belast met

voor zover deze betrekking hebben op de kring van zijn kantoor.

2.

Het bestuur van de Dienst kan de bewaarder ter zake van de werkzaamheden en bevoegdheden die hem zijn opgedragen onderscheidenlijk toegekend bij of krachtens deze of een andere wet, richtlijnen en aanwijzingen geven.

Hoofdstuk 2. Openbare registers voor registergoederen

Titel 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1. Omschrijving en vorm van de openbare registers; aantekeningen in de openbare registers, daaronder begrepen doorhalingen van inschrijvingen; vervanging van de inhoud van de openbare registers

Artikel 8
1.

De openbare registers waarin feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, worden ingeschreven, zijn:

2.

Onze Minister regelt nader uit welke registers de registers, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, onderscheidenlijk c, bestaan. Het bestuur van de Dienst stelt nadere regelen vast ter zake van de vorm van de in het eerste lid bedoelde registers.

3.

Bij regeling van het bestuur van de Dienst wordt voorts vastgesteld, onverminderd het bepaalde dienaangaande bij of krachtens andere wet, de gevallen waarin in de in het eerste lid bedoelde registers door de bewaarder aantekeningen, daaronder begrepen doorhalingen van inschrijvingen in die registers, worden gesteld, de aard van die aantekeningen en de wijze waarop deze worden gesteld, in dier voege:

Artikel 9
1.

Het bestuur van de Dienst kan ten aanzien van door hem aan te wijzen kantoren van de Dienst bepalen, dat de inhoud van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde registers wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van door de Dienst vervaardigde mechanische reprodukties. Het bestuur van de Dienst bepaalt tevens de wijze waarop deze vervanging zal geschieden.

2.

Deze reprodukties hebben dezelfde bewijskracht als de oorspronkelijke inhoud van de registers.

Afdeling 2. Plaats van inschrijving

Artikel 10
1.

Stukken ter verkrijging van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken of de rechten waaraan deze onderworpen zijn, worden aangeboden aan de bewaarder van het kantoor van de Dienst, binnen welks kring de onroerende zaken waarop de in te schrijven feiten betrekking hebben, blijkens hun kadastrale aanduiding zijn gelegen.

2.

Ingeval een onroerende zaak is gelegen binnen de kring van meer dan één kantoor van de Dienst, worden deze stukken aangeboden aan elk der kantoren binnen welks kring zij is gelegen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden, onverminderd het bepaalde in artikel 4, eerste lid, regelen gesteld omtrent het kantoor van de Dienst, waaraan stukken ter verkrijging van inschrijving van feiten die betrekking hebben op schepen of op de rechten waaraan deze onderworpen zijn, moeten worden aangeboden.

4.

Het bepaalde in het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de aanbieding van stukken ter verkrijging van inschrijving van feiten die betrekking hebben op luchtvaartuigen of op de rechten waaraan deze onderworpen zijn.

Afdeling 3. Vereisten voor inschrijving en de wijze waarop deze geschiedt

Artikel 11
1.

Voor inschrijving van een feit in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a-c, is vereist een stuk dat voldoet aan de eisen gesteld in titel 2 van dit hoofdstuk, alsmede een afschrift van dat stuk, gesteld op een door de Dienst verstrekt formulier en voorzien van een verklaring van eensluidendheid.

2.

De bewaarder is niet gehouden de juistheid van de in het eerste lid bedoelde verklaring te onderzoeken. De Dienst is niet aansprakelijk voor schade voortvloeiend uit onjuistheden en onvolledigheden in het afschrift.

3.

Bij regeling van Onze Minister wordt de vorm vastgesteld van de in het eerste lid bedoelde verklaring en wordt bepaald, onverminderd het bepaalde bij of krachtens een andere wet, door wie deze verklaring moet worden ondertekend.

4.

Bij regeling van Onze Minister kan voor bijzondere gevallen worden bepaald dat geen afschrift, als bedoeld in het eerste lid, behoeft te worden aangeboden. In die gevallen vervaardigt de Dienst het afschrift van het ter inschrijving aangeboden stuk. Het bepaalde in het zevende lid, derde zin, is alsdan van overeenkomstige toepassing.

5.

Bij regeling van Onze Minister worden de vereisten vastgesteld, waaraan tekeningen die deel uitmaken van ter inschrijving aangeboden stukken, moeten voldoen. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste-vierde lid.

6.

Bij regeling van het bestuur van de Dienst wordt de vorm vastgesteld van het in het eerste lid bedoelde formulier, alsmede de vereisten met inachtneming waarvan dit formulier dient te worden ingevuld en aangeboden.

7.

Bij regeling van Onze Minister kan in afwijking van het eerste lid worden bepaald, dat in plaats van het in dat lid bedoelde voor inschrijving vereiste afschrift de Dienst een afschrift van het ter inschrijving aangeboden stuk in dubbel vervaardigt in de vorm van een mechanische reproduktie. In dat geval dient het ter inschrijving aan te bieden stuk te zijn gesteld op een door de Dienst verstrekt formulier of te voldoen aan andere bij regeling van Onze Minister te stellen eisen. De Dienst is alsdan aansprakelijk voor schade voortvloeiend uit onjuistheden en onvolledigheden in het afschrift, ontstaan ten gevolge van de vervaardiging van de mechanische reproduktie. Het vijfde en het zesde lid zijn, indien het bepaalde in de eerste zin toepassing vindt, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12
1.

De inschrijving geschiedt door het in bewaring nemen van het afschrift van het stuk, bedoeld in artikel 11, eerste lid.

2.

De afschriften van de stukken worden zo veel mogelijk gerangschikt in volgorde waarin zij ter inschrijving zijn aangeboden, met vermelding van het tijdstip waarop deze aanbieding is geschied.

3.

Het bestuur van de Dienst stelt nadere regelen vast omtrent de rangschikking en de wijze van opberging van de afschriften.

4.

Indien artikel 11, zevende lid, toepassing heeft gevonden geschiedt de inschrijving in afwijking van het bepaalde in het eerste lid door de vervaardiging van het afschrift in dubbel, bedoeld in artikel 11, zevende lid. Het bepaalde in het tweede en derde lid is alsdan van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13

Na de inschrijving, bedoeld in artikel 12, eerste lid, worden de ter inschrijving aangeboden stukken aan de aanbieder teruggegeven nadat zij door de bewaarder zijn voorzien van een aantekening, vermeldende het kantoor, dag, uur en minuut van aanbieding, alsmede het deel van het desbetreffende register waarin en het nummer waaronder in dat deel de opberging van het afschrift is geschied, dan wel ingeval artikel 11, zevende lid, toepassing heeft gevonden, de verwijzing naar de plaats waaronder de desbetreffende mechanische reproduktie is opgeborgen.

Artikel 14
1.

Op de inschrijving van een feit, waarvan de inschrijving alsnog is bevolen overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek dan wel opnieuw is verzocht, als bedoeld in artikel 20, vierde lid, tweede zin, van Boek 3 van dat wetboek, zijn de artikelen 11-13 van toepassing, voor zover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.

2.

Voor een inschrijving, als bedoeld in het eerste lid, wordt vereist het oorspronkelijk aangeboden stuk dat is voorzien van de in artikel 15, tweede lid, bedoelde verklaring.

3.

De inschrijving geschiedt, tenzij artikel 11, zevende lid, toepassing heeft gevonden, door doorhaling van de voorlopige aantekening en door vermelding daarbij van het deel en nummer, bedoeld in artikel 13.

4.

Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat de bewaarder op het ingeschreven stuk eveneens van de doorhaling van de voorlopige aantekening melding maakt overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen regelen.

Afdeling 4. Voorlopige aantekeningen en bewijs van ontvangst

Artikel 15
1.

De boeking, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, geschiedt in het register van voorlopige aantekeningen voor goederen als waarop het aangeboden stuk betrekking heeft, met vermelding van de gerezen bedenkingen, alsmede, voor zover bekend, van de naam en woonplaats met adres van de aanbieder.

2.

Na de boeking wordt dat stuk voorzien van een door de bewaarder ondertekende verklaring, vermeldende tenminste het kantoor, dag, uur en minuut van aanbieding, onder verwijzing naar de boeking in het desbetreffende register van voorlopige aantekeningen, alsmede de gerezen bedenkingen, en wordt het aan de aanbieder teruggegeven. Het voor inschrijving vereiste, aangeboden afschrift van het stuk wordt in bewaring genomen.Artikel 12, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Ingeval het voor inschrijving vereiste afschrift niet is aangeboden, vervaardigt de Dienst een afschrift van het in het eerste lid bedoelde stuk overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen regelen, waarbij het bepaalde in artikel 11, zevende lid, derde zin, van overeenkomstige toepassing is. Het bepaalde in de vorige zin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot in het eerste lid bedoelde stukken waarop ten aanzien van de inschrijving artikel 11, vierde lid, van toepassing is.

4.

Het bestuur van de Dienst geeft voorts regelen in welke van de gevallen, waarin het in artikel 11, eerste lid, bedoelde formulier niet met inachtneming van de in artikel 11, zesde lid, bedoelde vereisten is ingevuld of aangeboden, de Dienst een afschrift vervaardigt van het stuk waarvan de inschrijving is geweigerd, en op welke wijze deze vervaardiging geschiedt. Artikel 12, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Het aangeboden afschrift blijft berusten ten kantore van de Dienst en wordt voor zover mogelijk opgeborgen in het desbetreffende register van voorlopige aantekeningen bij het desbetreffende door de Dienst vervaardigde afschrift.

5.

Indien artikel 11, zevende lid, toepassing heeft gevonden, vervaardigt de Dienst, alvorens het stuk waarvan de inschrijving is geweigerd, aan de aanbieder terug te geven, voor zover mogelijk een afschrift van dat stuk overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen regelen. Artikel 11, zevende lid, derde zin, is van overeenkomstige toepassing.

6.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid is mede van overeenkomstige toepassing op de boeking van de aanbieding van een stuk, dat krachtens artikel 37, tweede lid, slechts op bevel van de rechter kan worden ingeschreven.

Artikel 16
1.

Van aan de bewaarder uitgebrachte dagvaardingen, als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en van uitspraken van de voorzieningenrechter in kort geding, aangespannen ter verkrijging van het in artikel 20, tweede lid, van Boek 3 van dat wetboek bedoelde bevel, wordt aantekening gehouden in het desbetreffende register van voorlopige aantekeningen overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen regelen.

2.

Het bestuur van de Dienst stelt voorts regelen vast omtrent de wijze waarop in het register van voorlopige aantekeningen de in artikel 15, eerste lid, bedoelde boeking geschiedt, alsmede omtrent de wijze van doorhaling van voorlopige aantekeningen.

3.

Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van dagvaardingen uitgebracht aan de bewaarder ter verkrijging van een bevel van de rechter tot inschrijving van een notariële verklaring, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder c. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 37, tweede lid, eerste zin, bedoelde boeking en de doorhaling van een zodanige boeking in het register van voorlopige aantekeningen.

Artikel 17

Het bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van het bewijs van ontvangst, bedoeld in artikel 18 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede regelen omtrent de wijze waarop op dat bewijs de verrichte inschrijving desverlangd wordt aangetekend, bedoeld in artikel 19, derde lid, van Boek 3 van dat wetboek.

Titel 2. Vereisten met betrekking tot in te schrijven stukken

Afdeling 1. Algemene vereisten waaraan in te schrijven stukken moeten voldoen

Artikel 18
1.

Onverminderd de overige uit deze titel voortvloeiende eisen moet een ter inschrijving aangeboden notariële akte, notariële verklaring of authentiek afschrift of uittreksel van een zodanige akte of verklaring vermelden:

Indien opgave van één of meer van deze gegevens niet mogelijk is, worden de redenen daarvan vermeld.

2.

Andere ter inschrijving aangeboden stukken vermelden, zo mogelijk, dezelfde gegevens als in het eerste lid omschreven, tenzij anders voortvloeit uit hetgeen de wet voor een stuk van de aard als waarom het gaat, ten aanzien van de vermelding van voornamen, namen en woonplaatsen voorschrijft.

3.

In elk geval worden de in het eerste lid omschreven gegevens opgegeven van de partij ten behoeve van wie de aanbieding ter inschrijving geschiedt. Zo het ter inschrijving aangeboden stuk één of meer van deze gegevens niet vermeldt en naar zijn aard niet voor aanvulling te dier zake vatbaar is, wordt vermelding van de ontbrekende gegevens en, zo opgave van één of meer dezer gegevens niet mogelijk is, de vermelding van de redenen daarvan in een nadere door of namens die partij ondertekende verklaring alsnog op het stuk gesteld of daaraan gehecht.

4.

Zo een partij geen woonplaats in Nederland heeft, kiest zij ter zake van de inschrijving een woonplaats in Nederland.

5.

Indien een partij in een ter inschrijving aangeboden stuk woonplaats heeft gekozen, wordt niettemin daarin ook de wettelijke woonplaats met adres vermeld.

Artikel 19

Ingeval het ter inschrijving aangeboden stuk betrekking heeft op een bepaald reeds eerder ingeschreven stuk, bevat het een verwijzing naar dit eerdere stuk overeenkomstig door Onze Minister daartoe vast te stellen regelen.

Artikel 20
1.

Indien een stuk ter inschrijving wordt aangeboden en het daarin vermelde in te schrijven feit betrekking heeft op een onroerende zaak of op een recht waaraan een zodanige zaak is onderworpen, vermeldt dit stuk de aard, de plaatselijke aanduiding zo deze er is, en de kadastrale aanduiding van die onroerende zaak onderscheidenlijk van de onroerende zaak die aan dat recht is onderworpen. Indien het in te schrijven feit betrekking heeft op een appartementsrecht, wordt in het ter inschrijving aangeboden stuk vermeld de plaatselijke aanduiding van het desbetreffende gedeelte van het gebouw dat is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, alsmede de aard en de kadastrale aanduiding van dat appartementsrecht.

2.

Onze Minister kan regelen vaststellen omtrent de wijze waarop de plaatselijke aanduiding, bedoeld in het eerste lid, in het ter inschrijving aangeboden stuk wordt vermeld.

Artikel 21
1.

Indien het in te schrijven feit betrekking heeft op een in de registratie voor schepen, bedoeld in artikel 85, te boek staand schip of op een recht waaraan een zodanige zaak is onderworpen, bevat het ter inschrijving aangeboden stuk:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de in het eerste lid, onder c, bedoelde onderscheiding van rubrieken van schepen.

3.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op ter inschrijving aangeboden rechterlijke uitspraken. Deze stukken kunnen, onverminderd andere vereisten gesteld bij of krachtens wet, echter slechts worden ingeschreven, indien en voor zover de identiteit van het desbetreffende schip voldoende vaststaat.

4.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan worden volstaan met het vermelden van de naam van het schip en de in dat lid, onder c, genoemde gegevens in het ter inschrijving aangeboden stuk, indien dat stuk betreft:

Het bepaalde in de eerste zin is ook van toepassing op de inschrijving van stukken als bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, 38, eerste lid, en 39, eerste lid.

Artikel 22
1.

Indien het in te schrijven feit betrekking heeft op een in de registratie voor luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 92, te boek staand luchtvaartuig of op een recht waaraan een zodanige zaak is onderworpen, bevat het ter inschrijving aangeboden stuk:

2.

Artikel 21, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23

Vermeldt een ter inschrijving aangeboden stuk niet één of meer der gegevens, in de artikelen 19-22 voor een zodanig stuk voorgeschreven, en is het naar zijn aard niet voor aanvulling te dier zake vatbaar, dan wordt de vermelding van de ontbrekende gegevens in een nadere, door degene die de inschrijving verlangt, ondertekende verklaring alsnog op het stuk gesteld of daaraan gehecht.

Afdeling 2. Vereisten waaraan ter inschrijving aangeboden stukken moeten voldoen in verband met de aard van het in te schrijven feit

Artikel 24
1.

Ter inschrijving van een akte van levering, vereist voor de overdracht van een registergoed, voor de vestiging, afstand of wijziging van een beperkt recht dat een registergoed is, of voor de overgang van een registergoed na toedeling uit hoofde van de verdeling van een gemeenschap, wordt aangeboden de notariële akte betreffende deze levering, dan wel een authentiek afschrift of een authentiek uittreksel daarvan. In geval van vestiging van een recht van hypotheek op een schip in aanbouw wordt mede ter inschrijving aangeboden een verklaring van de ambtenaar van de Scheepsmetingsdienst, inhoudende dat de bouw van het schip nog niet is voltooid.

2.

Het ter inschrijving aangeboden stuk, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval:

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing, bedoeld in de artikelen 525, eerste lid, en 584 o, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, onverminderd hetgeen in ieder van de artikelen in het tweede lid is bepaald.

4.

Het aangeboden stuk mag op meer leveringen, als bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben, voor zover voor ieder daarvan aan de in de vorige leden gestelde eisen is voldaan. Betreft het stuk een overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht of van een beding, als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, dan wordt de vestiging van dit recht dan wel het op zich nemen van het beding afzonderlijk en duidelijk vermeld, bij gebreke waarvan de inschrijving van het stuk geacht wordt niet mede dit recht of dit beding te betreffen.

5.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van een akte van grensvastlegging, opgemaakt krachtens de artikelen 31 of 35, derde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede op de inschrijving van een akte van splitsing, als bedoeld in artikel 109, eerste lid, van Boek 5 van dat wetboek, en een akte tot wijziging of opheffing van een zodanige splitsing.

Artikel 25
1.

Ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak die voor een akte van levering in de plaats treedt of die anderszins krachtens wetsbepaling kan worden ingeschreven, wordt een expeditie van de rechterlijke uitspraak aangeboden, alsmede:

2.

Ter inschrijving van een beslissing van de rechter van een vreemde Staat wordt een authentiek afschrift van deze beslissing aangeboden.

3.

Bestaat de rechterlijke uitspraak in een verlof tot tenuitvoerlegging van een beslissing van arbiters, dan wordt ook een afschrift van deze beslissing aangeboden, getekend door de griffier van het gerecht waarvan de president het verlof gaf.

Artikel 26
1.

Ter inschrijving van een rechtshandeling naar burgerlijk recht die krachtens wetsbepaling kan worden ingeschreven, wordt, tenzij anders is bepaald, aangeboden een door een notaris met inachtneming van artikel 37, opgemaakte verklaring, inhoudende dat de rechtshandeling naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt, is verricht en wat zij inhoudt, met daaraan gehecht de stukken waaruit van die rechtshandeling blijkt, of authentieke afschriften van die verklaring van de notaris en van die stukken.

2.

Ingeval voor de rechtshandeling of de inschrijving daarvan een notariële akte is vereist, wordt aangeboden hetzij die akte, hetzij een authentiek afschrift of een authentiek uittreksel daarvan.

3.

Ingeval van de rechtshandeling een notariële akte is opgemaakt, zonder dat dit vereist was, kan naar keuze van degene die de inschrijving verlangt het eerste of tweede lid worden toegepast.

4.

Ingeval het gaat om een eenzijdige tot één of meer bepaalde personen gerichte rechtshandeling, kan worden volstaan met aanbieding van een aan die persoon of personen uitgebracht exploit, waarbij die rechtshandeling is verricht of tijdig bevestigd, of een authentiek afschrift daarvan.

5.

Ingeval de rechtshandeling betreft een scheepshuurkoopovereenkomst waarop artikel 800, tweede lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, wordt ter inschrijving aangeboden hetzij de in artikel 800, eerste lid, van Boek 8 van dat wetboek bedoelde notariële akte met daaraan gehecht de stukken inhoudende de in het tweede lid van dat artikel bedoelde toestemming, hetzij authentieke afschriften van die akte en van die stukken, hetzij een authentiek uittreksel van die akte en authentieke afschriften van die stukken.

6.

Ter inschrijving van een afwijkend beding, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, een door de eigenaar van het schip ondertekende verklaring aangeboden, waarin het scheepstoebehoren ten aanzien waarvan het afwijkend beding is gemaakt, eenduidig is omschreven.

Artikel 27
1.

Ter inschrijving van erfopvolgingen die registergoederen betreffen, wordt een door een notaris opgemaakte verklaring van erfrecht, dan wel een authentiek afschrift van de verklaring van de notaris aangeboden, waaruit van de erfopvolging blijkt.

2.

Ter inschrijving van een executele of een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind wordt een door een notaris opgemaakte verklaring van erfrecht of een authentiek afschrift van de verklaring van de notaris aangeboden, waaruit van deze executele, onderscheidenlijk van dit bewind blijkt.

Artikel 28

Ter inschrijving van de aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving of van de verwerping van een nalatenschap wordt een door de griffier getekende verklaring aangeboden die de inhoud weergeeft van de verklaring, krachtens artikel 1075 of 1103 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot deze aanvaarding of verwerping ter griffie afgelegd.

Artikel 29

Ter inschrijving van de afstand van een huwelijksgemeenschap of van een gemeenschap van geregistreerd partnerschap wordt een door de griffier getekend uittreksel uit het huwelijksgoederenregister aangeboden, inhoudende de verklaring betreffende de afstand, die krachtens artikel 104 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in het huwelijksgoederenregister is ingeschreven.

Artikel 30
1.

Ter inschrijving van de vervulling van een voorwaarde, gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke rechtshandeling, of van de verschijning van een onzeker tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven rechtshandeling verbonden tijdsbepaling, wordt aangeboden een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring, inhoudende dat naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt, de voorwaarde is vervuld, onderscheidenlijk het tijdstip is verschenen met daaraan gehecht de stukken waaruit van deze vervulling of verschijning blijkt, of authentieke afschriften van de verklaring van een notaris en van die stukken.

2.

Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van de dood van de vruchtgebruiker van een registergoed. De verklaring van de notaris houdt in dit geval tevens in:

Artikel 31

Op de inschrijving van reglementen en andere regelingen die tussen medegerechtigden in registergoederen zijn vastgesteld, zijn van overeenkomstige toepassing:

Artikel 32
1.

Ter inschrijving van een proces-verbaal van inbeslagneming wordt dit proces-verbaal of een door de deurwaarder of een advocaat getekend afschrift daarvan aangeboden. Artikel 18, tweede-vijfde lid, is niet van toepassing.

2.

Ingeval een proces-verbaal van inbeslagneming van een luchtvaartuig in het buitenland is opgemaakt door een deurwaarder of andere volgens de daar geldende wet hiertoe bevoegde persoon, kan ook een zodanig proces-verbaal ter inschrijving worden aangeboden.

3.

Ter inschrijving van een der in de artikelen 211 en 821 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde voorrechten, wordt aangeboden een door een deurwaarder ondertekend verzoek tot inschrijving van het voorrecht, inhoudende naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt:

4.

Op de inschrijving van een voorrecht, als bedoeld in artikel 1320, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek is het bepaalde in de eerste zin van het derde lid van overeenkomstige toepassing. Indien het verzoek van de deurwaarder ter inschrijving wordt aangeboden drie maanden of langer na het in die zin, onder d, bedoelde tijdstip, wordt ter inschrijving tevens aangeboden een stuk waaruit blijkt dat binnen de in artikel 1320, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde termijn:

Artikel 33
1.

Ter inschrijving van een verandering in de voornaam of de geslachtsnaam van tot registergoederen gerechtigde natuurlijke personen wordt een door of namens deze persoon ondertekend stuk aangeboden, inhoudende de gegevens, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder 1°, met vermelding van de oude en de nieuwe naam of voornaam, en de dag waarop de verandering is ingegaan. Indien de verandering blijkt uit de registers van de burgerlijke stand, wordt een uittreksel daaruit overgelegd, dat de verandering relateert. In andere gevallen wordt een ander bewijsstuk betreffende deze verandering overgelegd.

2.

Ter inschrijving van de naamsverandering van een rechtspersoon wordt een opgave van een notaris aangeboden, inhoudende de gegevens, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder 2°, met vermelding van de oude en de nieuwe naam en de dag waarop de verandering is ingegaan. Gaat het om een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan kan deze de opgave zelf doen.

3.

Ter inschrijving van een omzetting van een rechtspersoon, als bedoeld in artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt een opgave van een notaris aangeboden, inhoudende de in artikel 18, eerste lid, onder 2°, bedoelde gegevens, met vermelding van de oude en nieuwe rechtsvorm, de oude en nieuwe naam alsmede van de dag waarop de omzetting van kracht is geworden. Het bepaalde in de eerste zin is van overeenkomstige toepassing op een omzetting, als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Wet van 28 juni 1989 (Stb. 245), houdende uitvoering van de Verordening nr. 2137/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (PbEG L 199/1).

4.

Ter inschrijving van een fusie van rechtspersonen, als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt een opgave van een notaris aangeboden, inhoudende met betrekking tot elk der fuserende rechtspersonen en, zo de verkrijgende rechtspersoon een door hen samen bij de fusie opgerichte nieuwe rechtspersoon is, tevens met betrekking tot die rechtspersoon de in artikel 18, eerste lid, onder 2°, bedoelde gegevens, met vermelding wie de verkrijgende rechtspersoon is alsmede van de dag waarop de fusie van kracht is geworden.

5.

Ter inschrijving van een splitsing van rechtspersonen als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt een opgave van een notaris aangeboden, inhoudende met betrekking tot elke partij bij de splitsing en, zo bij de splitsing verkrijgende rechtspersonen worden opgericht, tevens met betrekking tot die rechtspersonen de in artikel 18, eerste lid, onder 2°, bedoelde gegevens, met vermelding op welke verkrijgende rechtspersoon welke registergoederen zijn overgegaan alsmede van de dag waarop de splitsing van kracht is geworden.

Artikel 34

Ter inschrijving van een verjaring wordt een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring of een authentiek afschrift daarvan aangeboden, inhoudende dat naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt, de verjaring is ingetreden, alsmede

Artikel 35
1.

Ter inschrijving van een of meer verklaringen van waardeloosheid, als bedoeld in artikel 28 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt een door een notaris opgemaakte verklaring aangeboden, die inhoudt dat degenen te wier behoeve de inschrijving zou hebben gestrekt, schriftelijk hebben verklaard dat zij waardeloos is en waaraan deze schriftelijke verklaringen zijn gehecht, dan wel een authentiek afschrift van de verklaring van de notaris en de daaraan gehechte verklaringen.

2.

Tenzij de inschrijving een hypotheek of een beslag betreft, vermelden de in het eerste lid bedoelde schriftelijke verklaringen van degenen te wier behoeve de inschrijving zou hebben gestrekt, tevens de feiten waarop de waardeloosheid berust, en houdt de in dat lid bedoelde verklaring van de notaris tevens in dat de vermelde feiten een rechtsgrond voor de waardeloosheid van de inschrijving opleveren.

3.

Ter inschrijving van een verklaring, als bedoeld in artikel 273 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt aangeboden die verklaring of een authentiek afschrift daarvan.

4.

Ter inschrijving van een verklaring, als bedoeld in artikel 274 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt aangeboden de desbetreffende authentieke akte of een authentiek afschrift daarvan.

Artikel 36
1.

Ter inschrijving van het feit dat het nut van een mandelige zaak voor elk der erven is geëindigd, wordt een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring aangeboden, inhoudende dat naar de verklaring van hen die de inschrijving verlangen, het nut voor elk der erven is geëindigd, of een authentiek afschrift van de verklaring van de notaris. Werken niet alle rechthebbenden op de mandelige zaak mee, dan vermeldt de notaris in zijn verklaring de reden daarvan.

2.

Ter inschrijving van het bestaan van een recht, als bedoeld in artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Stb. 1976, 396), wordt een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring aangeboden, waarin het bestaan van het recht wordt geconstateerd, en die tevens inhoudt:

met daaraan gehecht de stukken waaruit van een en ander blijkt, of authentieke afschriften van die verklaring en die stukken.

3.

Ter inschrijving van het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bestemming of herleving, bedoeld in artikel 163, eerste zin, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, wordt een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring aangeboden, waarin het ontstaan van de erfdienstbaarheid wordt geconstateerd, en die tevens inhoudt:

met daaraan gehecht de stukken waaruit van een en ander blijkt, of authentieke afschriften van die verklaring en die stukken.

Artikel 37
1.

Een notariële verklaring, als bedoeld in de artikelen 26, 30, 34 en 36, houdt behalve hetgeen in deze artikelen is voorgeschreven, tevens in een verklaring van de notaris:

2.

In het in het eerste lid, onder c, bedoelde geval boekt de bewaarder de aanbieding van de notariële verklaring slechts in het register van voorlopige aantekeningen en kan inschrijving alleen plaatsvinden op bevel van de rechter. Het tweede, derde en vierde lid, eerste volzin, alsmede het vijfde en zesde lid van artikel 20 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het bevel slechts wordt gegeven, indien de eiser naast de bewaarder allen die als partij bij het in te schrijven feit zijn betrokken, tijdig in het geding heeft geroepen.

3.

De kosten van het geding blijven voor rekening van de eiser, tenzij de vordering ondanks verweer wordt toegewezen, in welk geval degene die het verweer heeft gevoerd in de kosten wordt veroordeeld.

4.

Wanneer het aangeboden stuk ook overigens niet aan de vereisten voor inschrijving voldoet, vermeldt de bewaarder bij de voorlopige aantekening tevens de gerezen bedenkingen en is artikel 20 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in dier voege van toepassing dat het daarbedoelde bevel slechts tezamen met dat uit hoofde van het tweede lid kan worden gevorderd.

Afdeling 3. Vereisten waaraan stukken moeten voldoen, aangeboden ter inschrijving van het instellen van een rechtsvordering, van het indienen van een verzoekschrift, van tegen rechterlijke uitspraken ingestelde rechtsmiddelen of van de waardeloosheid van zodanige inschrijvingen

Artikel 38
1.

Ter inschrijving van de instelling van een rechtsvordering of de indiening van een verzoekschrift ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed betreft, wordt aangeboden:

2.

Artikel 18, tweede-vijfde lid, is niet van toepassing, behoudens dat het aangeboden stuk in elk geval de naam en een ter zake van het geding gekozen woonplaats met adres van degene te wiens behoeve de aanbieding geschiedt, moet bevatten.

Artikel 39
1.

Ter inschrijving van de instelling van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke uitspraak, als bedoeld in artikel 38, wordt aangeboden:

2.

Artikel 18, tweede-vijfde lid, is niet van toepassing, behoudens dat het aangeboden stuk in elk geval de naam en een ter zake van het geding gekozen woonplaats met adres van degene te wiens behoeve de aanbieding geschied moet bevatten.

Artikel 40

Ter inschrijving van de waardeloosheid van een overeenkomstig artikel 38 of artikel 39 verkregen inschrijving, kan ook worden aangeboden

Afdeling 4. Overige bepalingen betreffende inschrijvingen

Artikel 41
1.

Ter inschrijving van een feit dat is opgenomen in een stuk gesteld in een vreemde of de Friese taal, wordt naast dat ter inschrijving aangeboden stuk een letterlijke vertaling in het Nederlands ter inschrijving aangeboden, vervaardigd en voor overeenstemmend verklaard door een voor die taal als bevoegd toegelaten beëdigd vertaler, of, indien het een in te schrijven notariële akte in de Friese taal betreft, door de notaris voor wie de akte is verleden.

2.

Het bepaalde in het eerste lid lijdt uitzondering ingeval met betrekking tot luchtvaartuigen een proces-verbaal van inbeslagneming, opgemaakt in het buitenland door een deurwaarder of door een andere volgens de daar geldende wet daartoe bevoegde persoon en gesteld in een vreemde taal, aan de bewaarder wordt toegezonden of bij deze wordt ingeleverd. Alsdan wordt door de zorg van de bewaarder zo spoedig mogelijk een vertaling van een zodanig proces-verbaal vervaardigd door een in Nederland toegelaten beëdigd vertaler.

3.

De vertalingen worden ingeschreven in plaats van de in de vreemde of Friese taal gestelde stukken, die onder de bewaarder blijven berusten.

Artikel 42

Op de inschrijving van stukken tot verbetering van onjuistheden en onvolledigheden in ingeschreven stukken, zijn de bepalingen, gegeven bij of krachtens dit hoofdstuk, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 43

Indien het ter inschrijving aangeboden stuk waarin het in te schrijven feit is opgenomen, niet voldoet aan de vereisten, gesteld in de artikelen 18-42, kan het met ontbrekende gegevens worden aangevuld door een verklaring aan de voet van het stuk, ondertekend door degene die bevoegd is tot het opmaken en ondertekenen van een zodanig stuk, een en ander voor zover de aard van het stuk zich daartegen niet verzet.

Artikel 44
1.

Stukken die voor bewijs bij de aanbieding van een stuk worden overgelegd, worden slechts mede ingeschreven, indien de wet dit eist of de aanbieder dit verlangt, tenzij bij wet is bepaald dat de desbetreffende stukken niet worden ingeschreven.

2.

Door de bewaarder wordt, overeenkomstig door het bestuur van de Dienst vast te stellen regelen, van de overlegging melding gemaakt op het ter inschrijving aangeboden stuk, alsmede, ingeval artikel 11, zevende lid, geen toepassing heeft gevonden, op het afschrift van dat stuk. De stukken die moeten worden overgelegd maar waarvan de inschrijving niet wordt geëist of verlangd, worden onverwijld aan de aanbieder teruggegeven.

Artikel 45
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de vereisten waaraan stukken dienen te voldoen die worden aangeboden ter inschrijving van andere inschrijfbare feiten dan die waarop de artikelen 24-40 betrekking hebben, voor zover dit niet reeds in deze dan wel bij of krachtens een andere wet is geschied.

2.

Voor zover bij de in het eerste lid bedoelde maatregel niet anders is bepaald, wordt ter inschrijving van een beschikking of van een uitspraak waarbij een beschikking werd vernietigd, ingetrokken of gewijzigd, een afschrift van die beschikking onderscheidenlijk van die uitspraak aangeboden, afgegeven door het bestuursorgaan onderscheidenlijk het rechterlijk orgaan dat de beschikking of de uitspraak gaf.

Titel 3. Inschrijfbaarheid van andere stukken en van verandering van woonplaats

Artikel 46
1.

Naast feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, kunnen in de openbare registers tevens algemene voorwaarden, modelreglementen en andere stukken, die niet op een bepaald registergoed betrekking hebben, worden ingeschreven, met het uitsluitend doel dat daarnaar in later ter inschrijving aangeboden stukken kan worden verwezen. De artikelen 18, 19, 20, eerste lid, eerste zin, 22 en 30 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Ter inschrijving van de in het eerste lid bedoelde stukken is naast het stuk zelf vereist een afschrift van dat stuk, gesteld op een door de Dienst verstrekt formulier en voorzien van een verklaring van eensluidendheid. Het bepaalde in artikel 11, tweede-zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

De artikelen 18-23 zijn niet van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld waaraan ter inschrijving aangeboden stukken, als bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen. Onze Minister stelt regelen vast omtrent de wijze waarop de verwijzing in de latere stukken geschiedt.

4.

In een ter inschrijving aangeboden stuk kan slechts worden verwezen naar een eerder ingeschreven stuk, indien de inschrijving van het later ter inschrijving aangeboden stuk plaatsvindt ten kantore van de Dienst, waar het stuk waarnaar wordt verwezen, reeds is ingeschreven.

5.

Een verwijzing, als bedoeld in het vorige lid, heeft tot gevolg dat het stuk waarnaar in een ter inschrijving aangeboden stuk wordt verwezen, geacht wordt deel uit te maken van de inschrijving die op grond van het aangeboden stuk plaatsvindt.

Artikel 47
1.

Een verandering van een in een ingeschreven stuk gekozen woonplaats, een alsnog ter zake van een inschrijving gedane keuze van woonplaats en de opheffing van een gekozen woonplaats kunnen worden ingeschreven. Ter inschrijving van de verandering, keuze of opheffing wordt een door of namens de belanghebbende ondertekende verklaring aangeboden die de nieuwe en de vorige gekozen dan wel wettelijke woonplaats vermeldt, alsmede de datum van ingang.

2.

Een krachtens artikel 18, vierde lid, van deze wet of de artikelen 260, eerste lid, van Boek 3 of 252, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek gekozen woonplaats, heeft, ongeacht of zij met het oorspronkelijke stuk dan wel krachtens het eerste lid is ingeschreven, geen ander gevolg dan dat

3.

Door of krachtens deze wet voorgeschreven mededelingen en kennisgevingen worden in elk geval gedaan aan de laatste bij de Dienst bekende woonplaats van de belanghebbende. In geval van overlijden van een persoon die tot een registergoed gerechtigd was, worden zodanige mededelingen en kennisgevingen aan zijn rechtsopvolgers gedaan aan het laatste bij de Dienst bekende adres van de boedel, bedoeld in artikel 64, eerste lid.

Hoofdstuk 3. Kadastrale registratie, kaartenbestand, daaraan ten grondslag liggende bescheiden en net van coördinaatpunten

Titel 1. Kadastrale registratie

Artikel 48
1.

De kadastrale registratie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, wordt op een zodanige wijze gehouden en bijgehouden, dat zij tenminste door middel van de naam van de eigenaar of beperkt gerechtigde, met uitzondering evenwel van rechthebbenden op erfdienstbaarheden, alsmede door middel van de kadastrale aanduiding van de onroerende zaak en het appartementsrecht steeds de raadpleegbaarheid mogelijk doet zijn van de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en van het register van voorlopige aantekeningen voor onroerende zaken, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d.

2.

De kadastrale registratie bevat:

3.

Het tweede lid, onder a en b, vindt ten aanzien van erfdienstbaarheden slechts toepassing, voor zover bepaald bij regeling van het bestuur van de Dienst.

4.

Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de wijze waarop de kadastrale registratie wordt gehouden. Het bestuur van de Dienst kan daarbij bepalen dat ten aanzien van het gebruik van hoofd- en kleine letters en diacritische tekens, en van het al dan niet aan elkaar schrijven van letters geen overeenstemming behoeft te bestaan tussen de bij de Dienst bekend gestelde schrijfwijze der in de kadastrale registratie te vermelden gegevens en de wijze van vermelding van die gegevens daarin.

Titel 2. Kaartenbestand, daaraan ten grondslag liggende bescheiden en net van coördinaatpunten

Artikel 49
1.

Het kaartenbestand van de Dienst bestaat in elk geval uit kadastrale kaarten.

2.

Een kadastrale kaart is een kaart die bevat de perceelsgewijze indeling van een deel van het Nederlandse grondgebied, een voorstelling van de omtrek van door het bestuur van de Dienst vast te stellen opstallen die daarop zijn gesticht, de nummers van de percelen, en gegevens omtrent de terreinstoestand.

Artikel 50

De aan de kadastrale kaarten ten grondslag liggende bescheiden bevatten in elk geval de landmeetkundige gegevens van hetgeen op die kaarten wordt weergegeven.

Artikel 51
1.

Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de inrichting van de kadastrale kaarten.

2.

Het bestuur van de Dienst stelt tevens regelen vast omtrent de vorm van de aan de kadastrale kaarten ten grondslag liggende bescheiden.

Artikel 52
1.

Er is een net van coördinaatpunten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting bestaande uit punten van de eerste, tweede en derde orde, alsmede uit hoofdpunten.

2.

Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de registratie en de weergave van de in het eerste lid genoemde punten.

Hoofdstuk 4. Bijwerking van de kadastrale registratie, het kaartenbestand en het net van coördinaatpunten

Titel 1. Bijwerking van de kadastrale registratie en de kadastrale kaarten

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 53

Bijwerking vindt plaats als bijhouding dan wel als vernieuwing.

Artikel 54
1.

Bijhouding vindt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, plaats op grond van veranderingen, voor zover deze blijken uit:

2.

Bijhouding van de kadastrale registratie vindt ook plaats met betrekking tot voorlopige aantekeningen en doorhalingen daarvan in het desbetreffende register van voorlopige aantekeningen.

3.

Wij kunnen publiekrechtelijke rechtspersonen of andere lichamen aan wie een deel van de overheidstaak is opgedragen, aanwijzen om inlichtingen ten behoeve van de bijhouding van de kadastrale registratie en de kadastrale kaarten aan de Dienst te verstrekken. Ingeval het bepaalde in de vorige zin toepassing heeft gevonden, verstrekken de desbetreffende rechtspersonen en lichamen, bedoeld in de vorige zin, de inlichtingen overeenkomstig de door Ons dienaangaande vast te stellen regelen.

Artikel 55

Vernieuwing vindt plaats op grond van veranderingen, voor zover deze blijken uit in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, ingeschreven akten van vernieuwing, als bedoeld in artikel 77.

Artikel 56

De wijze van bijwerking wordt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld in dier voege:

Artikel 56a
1.

Op beschikkingen inzake de bijwerking, genomen krachtens hoofdstuk 4 van deze wet, zijn de artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

2.

Het voorstel van vernieuwing, als bedoeld in artikel 76, tweede lid, geldt als een beschikking.

Artikel 56b
1.

Belanghebbenden kunnen tegen beschikkingen inzake de bijwerking, genomen krachtens hoofdstuk 4 van deze wet, bezwaar maken nadat zij is voltooid.

2.

Geen bezwaar staat open tegen bijhoudingen als bedoeld in de artikelen 71 en 72 alsmede tegen een vernieuwing als bedoeld in artikel 78, eerste lid.

Artikel 56c
1.

Tegen de beslissing op het bezwaarschrift kunnen belanghebbenden bij verzoekschrift in beroep komen bij de arrondissementsrechtbank, binnen welker rechtsgebied de onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen. De artikelen 6:2, 6:7 tot en met 6:13, 6:18 tot en met 6:20 en 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

De indiening van het verzoekschrift kan, behalve door een procureur, ook door een notaris geschieden, in welk geval het kantoor van de notaris als gekozen woonplaats van de verzoeker geldt. Artikel 280 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

3.

Zodra een verzoekschrift is ingediend, zendt de griffier een afschrift daarvan aan de ambtenaar. De ambtenaar zendt onverwijld aan de griffier:

Artikel 56d
1.

De rechtbank beschikt omtrent de wijze waarop de bijwerking zal plaatsvinden na oproeping van de verzoeker, de ambtenaar en de belanghebbenden bij de bijwerking onder wie in elk geval zij die door de ambtenaar op de in artikel 56c, vierde lid, onder a, bedoelde lijst zijn geplaatst. De ambtenaar kan in persoon of ook bij een vertegenwoordiger verschijnen. Zo voor andere belanghebbenden nog beroep openstaat, wordt daarmee rekening gehouden bij de vaststelling van de dag waartegen wordt opgeroepen.

2.

Verschillende beroepen tegen één beslissing van de ambtenaar worden zoveel mogelijk gevoegd behandeld. Elke belanghebbende kan verschijnen bij of zich doen bijstaan door een notaris.

3.

De rechtbank kan bij haar onderzoek een meting gelasten.

4.

Tegen een beschikking van de rechtbank is geen hoger beroep toegelaten. Voor belanghebbenden die voor de rechtbank zijn verschenen en voor de ambtenaar staat beroep in cassatie open overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5.

De griffier van de rechtbank, of in geval van beroep in cassatie de griffier van de Hoge Raad, zendt bij aangetekende brief een afschrift van de beschikking aan de hem bekende belanghebbenden bij de bijwerking, alsmede aan de ambtenaar.

Artikel 56e

Zodra de beslissing van de ambtenaar onherroepelijk is geworden dan wel het afschrift van de eindbeschikking van de rechtbank door de ambtenaar is ontvangen en deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de bijwerking zonodig aangepast overeenkomstig deze beslissing onderscheidenlijk beschikking.

Afdeling 2. Bijhouding

§ 1. Bijhouding op grond van stukken ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, met uitzondering van akten van vernieuwing

Artikel 57
1.

Indien een meting noodzakelijk is ten behoeve van de bijhouding, doet de Dienst van het voornemen daartoe mededeling aan de personen die volgens de bij de Dienst bekende gegevens als eigenaar, beperkt gerechtigde, met uitzondering van evenwel de hypotheekhouders en de rechthebbenden op erfdienstbaarheden zo die er zijn, of anderszins bij de bijhouding belanghebbenden zijn. De mededeling houdt in elk geval in de dag en het uur waarop de aanwijzing die de grondslag vormt voor de meting, zal plaatsvinden.

2.

Onze Minister stelt regelen vast omtrent de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde mededeling wordt gedaan.

3.

De in het eerste lid bedoelde belanghebbenden verschaffen, indien naar het oordeel van de met de meting belaste ambtenaar nodig door aanwijzing ter plaatse, de door deze ambtenaar voor de bijhouding benodigde inlichtingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de bijhouding voor de gevallen waarin één of meer belanghebbenden niet de voor de bijhouding benodigde inlichtingen of onderling tegenstrijdige inlichtingen verschaffen.

4.

De ambtenaar maakt een relaas van zijn bevindingen, dat mede de door de meting verkregen gegevens bevat.

5.

De bijhouding vindt plaats mede op grondslag van het relaas van bevindingen indien het eerste-vierde lid toepassing heeft gevonden.

6.

Op vertoon van een bewijs van de in artikel 58, eerste lid, bedoelde bekendmaking worden aan belanghebbenden op het desbetreffende kantoor van de Dienst kosteloos nadere inlichtingen omtrent de uitkomsten van de meting verschaft, indien het eerste-vierde lid toepassing heeft gevonden. Onze Minister stelt nadere regelen vast omtrent de wijze waarop deze inlichtingen worden verschaft.

Artikel 58
1.

Ingeval de bijhouding waartoe een ingeschreven stuk aanleiding geeft, met betrekking tot een gehandhaafd perceel dan wel een nieuw gevormd perceel is voltooid en heeft geleid tot wijziging of aanvulling van de in de kadastrale registratie en op kadastrale kaarten vermeld staande gegevens betreffende de eigenaars of beperkt gerechtigden, de kadastrale aanduiding dan wel de grootte van de onroerende zaak waarop het ingeschreven feit betrekking heeft, wordt het resultaat van die bijhouding aan belanghebbenden door toezending of uitreiking bekendgemaakt. Met betrekking tot een rechthebbende op een erfdienstbaarheid vindt het bepaalde in de eerste zin slechts toepassing, voor zover een regeling van het bestuur van de Dienst als bedoeld in artikel 48, derde lid, is vastgesteld.

2.

De verzending ingevolge het eerste lid vindt op één en dezelfde dag plaats.

3.

Indien in een geval, als bedoeld in het eerste lid, het ingeschreven stuk is een akte van toedeling, als bedoeld in de artikelen 89, eerste lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland ( Stb. 1977, 233), 95, eerste lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694) en 207, eerste lid, van de Landinrichtingswet (Stb. 1985, 299), of een ruilakte als bedoeld in artikel 90, eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden vindt het bepaalde in de vorige leden geen toepassing.

Artikel 59
1.

Blijkt de in het ingeschreven stuk voorkomende feitelijke omschrijving van de onroerende zaak waarop het stuk betrekking heeft, onverenigbaar met hetgeen de met de meting belaste ambtenaar overeenkomstig artikel 57, derde lid, door de belanghebbenden ter plaatse is aangewezen, of is de kadastrale aanduiding van die zaak in dat stuk onjuist of onvolledig, dan vindt artikel 58, eerste-derde lid, slechts toepassing voor zover bijhouding naar de krachtens het volgende lid vast te stellen regelen mogelijk is.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld in hoeverre en op welke wijze bijhouding plaatsvindt, indien de in het eerste lid bedoelde gevallen zich voordoen, in dier voege dat de bijhouding waartoe het ingeschreven stuk aanleiding geeft, eerst wordt voltooid, nadat een stuk tot verbetering, als bedoeld in artikel 42, is ingeschreven in de in artikel 8, eerste lid, onder a, bedoelde openbare registers.

3.

De beslissing om toepassing aan het eerste lid te geven wordt met bekwame spoed genomen. Indien het ingeschreven stuk is opgemaakt door een notaris, wordt de beslissing tevens aan hem medegedeeld. De bekendmaking van de beslissing gaat vergezeld van een verzoek een stuk tot verbetering, als bedoeld in artikel 42, in te schrijven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a. Artikel 58, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Bij de bekendmaking wordt gewezen op het gevolg voor de bijhouding dat de wet aan het niet-inschrijven van een stuk tot verbetering, als bedoeld in artikel 42, verbindt.

5.

Het bepaalde in de vorige leden is van overeenkomstige toepassing ingeval de kadastrale aanduiding van een appartementsrecht in een ingeschreven stuk onjuist of onvolledig blijkt te zijn.

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

§ 2. Bijhouding op grond van inlichtingen omtrent het overlijden van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak in de kadastrale registratie staan vermeld

Artikel 64
1.

De wijze van bijhouding op grond van inlichtingen omtrent het overlijden van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak in de kadastrale registratie staan vermeld, wordt geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in dier voege:

2.

Van deze aantekening wordt mededeling gedaan naar het in de kadastrale registratie vermelde adres van de boedel of, bij onbekendheid daarvan, naar de laatst bekende woonplaats van de overleden persoon, alsmede aan de boedelnotaris, zo deze bekend is.

3.

Artikel 58, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Bijhouding op grond van inlichtingen van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak in de kadastrale registratie staan vermeld omtrent hun wettelijke woonplaats

Artikel 65
1.

De wijze van bijhouding op grond van inlichtingen omtrent de wettelijke woonplaats, daaronder begrepen het adres, van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak in de kadastrale registratie staan vermeld, wordt geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in dier voege dat de bijhouding beperkt blijft tot het aantekenen van de nieuwe wettelijke woonplaats.

2.

Van deze aantekening wordt mededeling gedaan aan de persoon op wie de wijziging betrekking heeft.

§ 4. Bijhouding op grond van inlichtingen of waarnemingen omtrent feiten, bedoeld in de artikelen 29 en 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek

Artikel 66
1.

Ingeval een belanghebbende, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder d, meent dat zich een feit heeft voorgedaan, als bedoeld in artikel 29 dan wel in artikel 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, kan hij de Dienst verzoeken, een onderzoek in te stellen, als bedoeld in het volgende artikel. Het verzoek wordt ingediend bij het kantoor van de Dienst, binnen welks kring de desbetreffende onroerende zaak is gelegen. Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag wordt de beslissing op het verzoek genomen.

2.

In geval van toewijzing van het verzoek wordt door de Dienst van het voornemen tot het houden van een onderzoek ter plaatse mededeling gedaan overeenkomstig artikel 57, eerste lid. Artikel 57, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 67
1.

De met het onderzoek belaste ambtenaar gaat ter plaatse na of een feit, als bedoeld in artikel 29 dan wel in artikel 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, zich heeft voorgedaan. Artikel 57, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

De ambtenaar maakt een relaas van zijn bevindingen. Indien ten behoeve van het onderzoek een meting plaatsvindt, worden de daardoor verkregen gegevens eveneens opgenomen in het relaas van bevindingen.

Artikel 68
1.

Indien het onderzoek ter plaatse aanleiding geeft tot bijhouding, vindt deze plaats op grondslag van het relaas van bevindingen. Artikel 58, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien het onderzoek ter plaatse geen aanleiding geeft tot bijhouding, wordt daarvan mededeling gedaan aan de verzoeker en de overige bij de bijhouding belanghebbenden.

Artikel 69

Vervallen

Artikel 70
1.

De Dienst is bevoegd, ook zonder een verzoek, als bedoeld in artikel 66, eerste lid, een onderzoek, als bedoeld in artikel 67, eerste lid, in te stellen indien er redenen zijn om aan te nemen dat zich met betrekking tot onroerende zaken feiten hebben voorgedaan, als bedoeld in de artikelen 29 en 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. Van het voornemen tot een onderzoek wordt door de Dienst mededeling gedaan overeenkomstig artikel 57, eerste lid. De artikelen 57, tweede en derde lid, en 67, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien de Dienst gebruik heeft gemaakt van de in het vorige lid bedoelde bevoegdheid en het onderzoek ter plaatse aanleiding heeft gegeven tot bijhouding, vindt bijhouding plaats op grondslag van het relaas van bevindingen. Artikel 58, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Ingeval het onderzoek geen aanleiding geeft tot bijhouding is artikel 68, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Bijhouding op grond van inlichtingen of waarnemingen omtrent de feitelijke gesteldheid van onroerende zaken

Artikel 71

De wijze van bijhouding op grond van inlichtingen of waarnemingen omtrent de feitelijke gesteldheid van onroerende zaken wordt geregeld door het bestuur van de Dienst.

§ 6. Bijhouding met betrekking tot voorlopige aantekeningen en doorhalingen daarvan

Artikel 72

De wijze van bijhouding in de kadastrale registratie met betrekking tot voorlopige aantekeningen en doorhalingen daarvan in het desbetreffende register van voorlopige aantekeningen wordt geregeld door het bestuur van de Dienst.

§ 7. Bijhouding inzake splitsing of samenvoeging van percelen, ambtshalve of op verzoek

Artikel 73
1.

De Dienst kan besluiten tot splitsing of samenvoeging van percelen in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen. Artikel 58, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Degene die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak in de kadastrale registratie staat vermeld, kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen een verzoek tot splitsing of samenvoeging van percelen doen met betrekking tot die onroerende zaak, indien hij daarbij een redelijk belang heeft. Het verzoek wordt ingediend bij het kantoor van de Dienst, binnen welks kring de desbetreffende onroerende zaak is gelegen. Indien het verzoek afkomstig is van een beperkt gerechtigde moet degene die met betrekking tot die onroerende zaak als eigenaar in de kadastrale registratie staat vermeld, door de Dienst worden gehoord alvorens tot bijhouding kan worden overgegaan.

3.

Indien naar zijn oordeel nodig wint de daarmee belaste ambtenaar ter plaatse nadere inlichtingen in. Van het voornemen daartoe wordt alsdan mededeling gedaan overeenkomstig artikel 57, eerste lid. Artikel 57, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Voorts is artikel 67, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

5.

Voor zover het verzoek wordt toegewezen, vindt de bijhouding plaats op grondslag van het relaas van bevindingen. Artikel 58, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3. Vernieuwing

Artikel 74
1.

In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen is de Dienst bevoegd te onderzoeken of de gegevens betreffende de rechtstoestand, de grootte en feitelijke gesteldheid van onroerende zaken, alsmede de gegevens betreffende de rechtstoestand van de rechten waaraan deze onroerende zaken onderworpen zijn, die zijn weergegeven in de kadastrale registratie, op de kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, juist en volledig zijn. De ambtenaar die met dit onderzoek is belast, gaat daartoe overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling na of deze gegevens en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, vermeld in ingeschreven stukken en verkregen uit inlichtingen of waarnemingen, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder a-e, overeenkomen met de gegevens die hij krachtens deze afdeling uit inlichtingen, bescheiden en door middel van waarnemingen verkrijgt.

2.

Komen de in de tweede zin van het vorige lid bedoelde gegevens niet met elkaar overeen, dan vindt vernieuwing van de kadastrale registratie en de kadastrale kaarten plaats overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 75
1.

Vóór de aanvang van een onderzoek van vernieuwing maakt de Dienst het voornemen daartoe openbaar overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor daarin omschreven gevallen worden bepaald dat openbaarmaking achterwege kan blijven op de grond dat het bereiken van alle belanghebbenden door het bepaalde in het tweede lid voldoende gewaarborgd is.

2.

De Dienst doet in elk geval van een voornemen tot een onderzoek van vernieuwing per brief mededeling aan de personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot de onroerende zaak waarop de vernieuwing betrekking heeft, in de kadastrale registratie staan vermeld, alsmede aan de personen die bij de Dienst anderszins als belanghebbenden bij de vernieuwing bekend zijn. Artikel 57, eerste lid, tweede zin, en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Een voornemen tot een onderzoek van vernieuwing wordt bij het desbetreffende perceel in de kadastrale registratie vermeld volgens door het bestuur van de Dienst vast te stellen regelen.

4.

In de brief, bedoeld in het tweede lid, wordt gewezen op de in artikel 78, tweede en derde lid, genoemde gevolgen die de wet aan de vernieuwing verbindt.

Artikel 76
1.

De in artikel 74, eerste lid, bedoelde ambtenaar wint, zonodig ter plaatse, inlichtingen in, verzoekt zonodig om overlegging of openlegging van bescheiden en doet de nodige waarnemingen. De belanghebbenden, bedoeld in artikel 75, tweede lid, dienen, indien naar het oordeel van de ambtenaar nodig door aanwijzing ter plaatse, de door de ambtenaar voor de vernieuwing benodigde inlichtingen te verschaffen en daartoe zonodig bescheiden over te leggen of open te leggen. Artikel 67, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Op de grondslag van het relaas van bevindingen worden voorstellen van vernieuwing gemaakt. Alvorens daartoe wordt overgegaan, wordt nagegaan of na het onderzoek van vernieuwing met betrekking tot de onroerende zaak waarop het voorstel betrekking heeft, nog bijhoudingen hebben plaatsgevonden. Is dat het geval dan wordt in het voorstel afzonderlijk melding gemaakt van die bijhoudingen, overeenkomstig door het bestuur van de Dienst vast te stellen regelen. Elk voorstel bevat in elk geval de gegevens omtrent de rechten, de rechthebbenden, de grootte, de kadastrale aanduiding van de onroerende zaak waarop het betrekking heeft, zoals deze luiden op de dag waarop het voorstel is opgemaakt.

3.

Bij het maken van een voorstel van vernieuwing wordt geen acht geslagen op niet-ingeschreven feiten waarvan het rechtsgevolg slechts kan intreden door inschrijving daarvan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a.

4.

In het voorstel worden de gegevens omtrent rechten van hypotheek en inbeslagnemingen, zoals deze blijken uit de desbetreffende, in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, ingeschreven stukken, ongewijzigd overgenomen. Het bepaalde in de vorige zin lijdt uitzondering ingeval de in artikel 74, eerste lid, bedoelde ambtenaar tijdens het onderzoek is gebleken dat de omvang van de onroerende zaak waarop het recht van hypotheek is gevestigd, onderscheidenlijk het beslag is gelegd, wijziging heeft ondergaan. In dat geval dient bij het opmaken van het voorstel op deze wijziging acht te worden geslagen.

5.

In het voorstel worden slechts gegevens omtrent die erfdienstbaarheden vermeld welke in de kadastrale registratie zijn vermeld, of, indien niet daarin vermeld, waarvan het bestaan aannemelijk is geworden op grond van inlichtingen, bescheiden of waarnemingen, als bedoeld in het eerste lid.

6.

Het voorstel van vernieuwing wordt bekend gemaakt aan belanghebbenden. Artikel 58, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de artikelen 56b tot en met 56d bevat de beslissing van de ambtenaar op het bezwaarschrift dan wel de beschikking van de arrondissementsrechtbank alle gegevens uit het voorstel van vernieuwing omtrent de rechten, de rechthebbenden, de kadastrale aanduiding en de grootte van de onroerende zaak, waarop de vernieuwing betrekking heeft, ook die waarvan de juistheid door belanghebbenden niet is betwist.

7.

Het voorstel van vernieuwing wordt op het kantoor van de Dienst, binnen welks kring de onroerende zaken waarop het voorstel betrekking heeft, zijn gelegen, voor een ieder ter inzage gelegd. Van de indiening van bezwaarschriften en het instellen van beroep, alsmede van daarop gegeven beslissingen wordt bij het voorstel melding gemaakt overeenkomstig door het bestuur van de Dienst vast te stellen regelen.

Artikel 77
1.

Voor zover tegen een voorstel van vernieuwing geen of niet tijdig bezwaren zijn ingediend, dan wel de beslissing van de ambtenaar op bezwaren onherroepelijk is geworden of door de ambtenaar afschriften zijn ontvangen van de beschikking of de beschikkingen van de rechter, waarin onherroepelijk op een beroep ter zake van zijn beslissing is beslist en waaruit blijkt van de gegevens die krachtens artikel 76, zesde lid, tweede zin, in de beschikking moeten worden opgenomen, wordt door een daartoe door de Dienst aangewezen notaris een akte van vernieuwing opgemaakt. De akte wordt door de ambtenaar ondertekend.

2.

Een akte van vernieuwing kan op één of meer voorstellen van vernieuwing betrekking hebben. De akte bevat ten aanzien van elke onroerende zaak waarop de vernieuwing betrekking heeft, het relaas van bevindingen, de inhoud van het voorstel van vernieuwing, onderscheidenlijk de beslissing van de ambtenaar of de in het eerste lid bedoelde beschikking of beschikkingen van de rechter. Bescheiden die tijdens het onderzoek aan de in artikel 74, eerste lid, bedoelde ambtenaar worden overgelegd, worden in de akte vermeld en daaraan in afschrift gehecht.

3.

Tevens worden overeenkomstig door het bestuur van de Dienst vast te stellen regelen aan de voet van de akte van vernieuwing ten aanzien van elke onroerende zaak waarop de vernieuwing betrekking heeft, afzonderlijk vermeld de in artikel 76, tweede lid, bedoelde bijhoudingen alsmede die bijhoudingen, zo die hebben plaatsgevonden, welke zich hebben voorgedaan tussen het tijdstip van de dagtekening van het voorstel van vernieuwing en dat van de dagtekening van de akte van vernieuwing.

4.

Een bezwaar of beroep ter zake van een bijhouding, als bedoeld in het vorige lid, kan op verzoek van de belanghebbende gevoegd worden behandeld met bezwaren of beroepen ter zake van een voorstel van vernieuwing. De behandeling kan op verzoek van de belanghebbende ook worden aangehouden tot na het verlijden van de akte van vernieuwing.

5.

De akte van vernieuwing wordt ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a.

Artikel 78
1.

Na de inschrijving, bedoeld in artikel 77, vijfde lid, worden de kadastrale registratie en de kadastrale kaarten met bekwame spoed vernieuwd op de voet van de akte van vernieuwing.

2.

Zij die volgens de akte van vernieuwing rechthebbende zijn op een daarin opgenomen onroerende zaak of recht dat geen recht van hypotheek is, gelden voor de toepassing van de verjaring, bedoeld in artikel 99 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, met ingang van de dag van de inschrijving als bezitter te goeder trouw van die zaak of dat recht zoals zij in de akte worden omschreven.

3.

De in artikel 106 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtsvordering van een beperkt gerechtigde, wiens recht niet in de akte van vernieuwing is opgenomen, verjaart in elk geval door verloop van tien jaren na de dag van de inschrijving van deze akte.

Afdeling 4. Metingen

Artikel 79

Het bestuur van de Dienst stelt nadere regelen vast omtrent de in deze titel voorziene metingen.

Afdeling 5. Overige bepalingen

Artikel 80

Bij regeling van het bestuur van de Dienst kan worden bepaald dat in door het bestuur van de Dienst vast te stellen gevallen bij een kennisgeving van het resultaat van een bijhouding, als bedoeld in afdeling 2 , of bij een voorstel van vernieuwing, als bedoeld in artikel 76, tweede lid, een kaart wordt gevoegd weergevend de onroerende zaken ten aanzien waarvan de bijwerking heeft plaatsgevonden, onderscheidenlijk zal plaatsvinden.

Artikel 81
1.

Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald, onverminderd hetgeen daaromtrent op grond van andere bepalingen van deze titel reeds is of wordt bepaald, welke gegevens eveneens ten minste in de in deze titel voorziene relazen van bevindingen en voorstellen van vernieuwing worden vermeld. Het bestuur van de Dienst stelt nadere regelen vast omtrent de vorm van de relazen van bevindingen en de voorstellen van vernieuwing.

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen tevens nadere voorschriften worden gegeven inzake de vorm van de akte van vernieuwing.

Artikel 82

Het bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van de in deze titel voorziene mededelingen, kennisgevingen alsmede van de in deze titel voorziene te geven beslissingen op bezwaarschriften. Indien artikel 80 toepassing heeft gevonden stelt het bestuur van de Dienst tevens de vorm vast van de in dat artikel bedoelde kaart.

Titel 2. Bijhouding van het net van coördinaatpunten

Artikel 83

Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de bijhouding van het net van coördinaatpunten, bedoeld in artikel 52, eerste lid.

Titel 3. Overige bepaling

Artikel 84
1.

De eigenaren, beperkt gerechtigden en de gebruikers van gebouwen en gronden zijn verplicht te gedogen dat deze worden betreden of dat daarop waarnemingen, metingen en gravingen verricht en tekens gesteld worden ter uitvoering van aan de Dienst opgedragen taken.

2.

De toegang tot de desbetreffende gebouwen en gronden, bedoeld in het vorige lid, kan worden gevorderd op iedere dag, met uitzondering van de zon- en algemeen erkende feestdagen, mits tussen des voormiddags om acht uur en des namiddags om zes uur.

3.

Indien de toegang wordt geweigerd of het verrichten van de in het eerste lid bedoelde handelingen niet wordt gedoogd, wordt de tussenkomst ingeroepen van de burgemeester of de kantonrechter, op wiens bevel het verrichten der handelingen, desnoods met behulp van de sterke arm, mogelijk wordt gemaakt.

4.

De schade die uit de toepassing van het eerste lid voortvloeit, wordt door de Dienst vergoed. Het verzoek om schadevergoeding wordt ingediend bij het kantoor van de Dienst, binnen welks kring de desbetreffende onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen. De vordering tot schadevergoeding staat ter kennisneming van de kantonrechter binnen wiens rechtsgebied de onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Hoofdstuk 5. Registratie voor schepen

Titel 1. Inhoud van de registratie voor schepen

Artikel 85
1.

De registratie voor schepen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, wordt op een zodanige wijze gehouden en bijgehouden, dat zij tenminste door middel van de naam van de eigenaar en beperkt gerechtigde, alsmede door middel van het brandmerk van het schip steeds de raadpleegbaarheid van de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, mogelijk doet zijn.

2.

De registratie voor schepen bevat ten aanzien van elk daarin te boek staand schip de volgende gegevens:

3.

De in het tweede lid bedoelde gegevens omtrent en de bescheiden betreffende schepen waarvan de teboekstelling is doorgehaald, blijven deel uitmaken van de registratie voor schepen.

4.

Indien artikel 4, eerste lid, tweede volzin, voor zover schepen betreffend, toepassing heeft gevonden, bevat de registratie van het hoofdkantoor tevens de in het tweede lid bedoelde gegevens van elk schip dat op een ander kantoor van de Dienst te boek staat.

5.

Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de wijze waarop de registratie voor schepen wordt gehouden. Het bestuur van de Dienst kan daarbij bepalen dat ten aanzien van het gebruik van hoofd- en kleine letters en diacritische tekens, en van het al dan niet aan elkaar schrijven van letters geen overeenstemming behoeft te bestaan tussen de bij de Dienst bekend gestelde schrijfwijze der in de registratie voor schepen te vermelden gegevens en de wijze van vermelding van die gegevens daarin.

Titel 2. Bijwerking van de registratie voor schepen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 86

Bijwerking vindt plaats als bijhouding.

Artikel 87
1.

Bijhouding vindt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, plaats op grond van veranderingen, voor zover deze blijken uit:

2.

Bijhouding van de registratie voor schepen vindt ook plaats met betrekking tot voorlopige aantekeningen en doorhalingen daarvan in het desbetreffende register van voorlopige aantekeningen.

3.

Artikel 54, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

De wijze van bijhouding wordt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld, in dier voege:

5.

Artikel 72 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 87a

Op beschikkingen inzake de bijhouding, genomen krachtens hoofdstuk 5 van deze wet, zijn de artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 87b
1.

Belanghebbenden kunnen tegen beschikkingen inzake de bijwerking, genomen krachtens deze titel, bezwaar maken nadat zij is voltooid.

2.

Geen bezwaar staat open tegen bijhoudingen als bedoeld in artikel 87, tweede lid.

3.

De artikelen 56c, 56d, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 56e zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het beroep moet worden ingesteld bij de arrondissementsrechtbank binnen welker rechtsgebied het kantoor van de Dienst, waar het desbetreffende schip te boek staat, is gelegen.

Afdeling 2. Bijhouding op grond van stukken ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b

Artikel 88
1.

Ingeval de bijhouding waartoe een ingeschreven stuk aanleiding geeft, met betrekking tot een schip is voltooid en heeft geleid tot wijziging of aanvulling van de in de registratie voor schepen vermeld staande gegevens betreffende de eigenaars of beperkt gerechtigden, dan wel de naam van het schip waarop het ingeschreven feit betrekking heeft, wordt het resultaat van die bijhouding door toezending of uitreiking aan belanghebbenden bekendgemaakt.

2.

Artikel 58, tweede lid, is voorts van overeenkomstige toepassing.

Artikel 89
1.

Ingeval blijkt dat in een stuk dat is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, één of meer der in dat stuk vermelde gegevens, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onverenigbaar zijn met de in de registratie voor schepen vermeld staande gegevens ten aanzien van het schip waarop het in te schrijven feit betrekking heeft, vindt artikel 88 slechts toepassing voor zover bijhouding mogelijk is ingevolge de op grond van het volgende lid vast te stellen regelen.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld in hoeverre en op welke wijze bijhouding plaatsvindt, indien een geval, als bedoeld in het eerste lid zich voordoet, in dier voege dat de bijhouding waartoe het ingeschreven stuk aanleiding geeft, eerst wordt voltooid nadat een stuk tot verbetering, als bedoeld in artikel 42, is ingeschreven in de in artikel 8, eerste lid, onder b, bedoelde openbare registers.

3.

Artikel 59, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 90

Vervallen

Afdeling 3. Overige bepalingen

Artikel 91
1.

Op de bijhouding op grond van inlichtingen omtrent het overlijden van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een schip in de registratie voor schepen staan vermeld, is artikel 64 van overeenkomstige toepassing.

2.

Op de bijhouding op grond van inlichtingen omtrent de wettelijke woonplaats, daaronder begrepen het adres, van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een schip in de registratie voor schepen staan vermeld, is artikel 65 van overeenkomstige toepassing.

3.

Het bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van de in deze titel voorziene kennisgevingen en van de te geven beslissingen op bezwaarschriften.

Hoofdstuk 6. Registratie voor luchtvaartuigen

Titel 1. Inhoud van de registratie voor luchtvaartuigen

Artikel 92
1.

De registratie voor luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder f, wordt op een zodanige wijze gehouden en bijgehouden dat zij tenminste door middel van de naam van de eigenaar en beperkt gerechtigde, door middel van het in artikel 22, eerste lid, onder a, bedoelde inschrijvingskenmerk, alsmede door middel van het in artikel 22, eerste lid, onder d, bedoelde boekingsnummer van een luchtvaartuig steeds de raadpleegbaarheid van de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, mogelijk doet zijn.

2.

De registratie voor luchtvaartuigen bevat ten aanzien van elk daarin te boek staand luchtvaartuig de volgende gegevens:

3.

Artikel 85, derde-vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Titel 2. Bijwerking van de registratie voor luchtvaartuigen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 93

Bijwerking vindt plaats als bijhouding.

Artikel 94
1.

Bijhouding vindt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of een andere wet, plaats op grond van veranderingen, voor zover deze blijken uit:

2.

Bijhouding van de registratie voor luchtvaartuigen vindt ook plaats met betrekking tot voorlopige aantekeningen en doorhalingen daarvan in het desbetreffende register van voorlopige aantekeningen.

3.

Artikel 54, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

De wijze van bijhouding wordt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze of andere wet, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld, in dier voege:

5.

Artikel 72 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 94a

Op beschikkingen inzake de bijhouding, genomen krachtens hoofdstuk 6 van deze wet, zijn de artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 94b
1.

Belanghebbenden kunnen tegen beschikkingen inzake de bijwerking, genomen krachtens deze titel, bezwaar maken nadat zij is voltooid.

2.

Geen bezwaar staat open tegen bijhoudingen als bedoeld in artikel 94, tweede lid.

3.

De artikelen 56c, 56d, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 56e zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het beroep moet worden ingesteld bij de arrondissementsrechtbank binnen welker rechtsgebied het kantoor van de Dienst, waar het desbetreffende luchtvaartuig te boek staat, is gelegen.

Afdeling 2. Bijhouding op grond van stukken ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c

Artikel 95
1.

Ingeval de bijhouding waartoe een ingeschreven stuk aanleiding geeft, met betrekking tot een luchtvaartuig is voltooid en heeft geleid tot wijziging of aanvulling van de in de registratie voor luchtvaartuigen vermeld staande gegevens betreffende de eigenaars of beperkt gerechtigden, dan wel de naam van het luchtvaartuig waarop het ingeschreven feit betrekking heeft, wordt het resultaat van die bijhouding door toezending of uitreiking aan belanghebbenden bekendgemaakt.

2.

Artikel 58, tweede lid, is voorts van overeenkomstige toepassing.

Artikel 96
1.

Ingeval blijkt dat in een stuk, dat is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, één of meer der in dat stuk vermelde gegevens, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onverenigbaar zijn met de in de registratie voor luchtvaartuigen vermeld staande gegevens ten aanzien van het luchtvaartuig waarop het in te schrijven feit betrekking heeft, vindt artikel 95 slechts toepassing voor zover bijhouding mogelijk is ingevolge de op grond van het volgende lid vast te stellen regelen.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld in hoeverre en op welke wijze bijhouding plaatsvindt indien een geval, als bedoeld in het eerste lid, zich voordoet, in dier voege dat de bijhouding waartoe het ingeschreven stuk aanleiding geeft, eerst wordt voltooid nadat een stuk tot verbetering, als bedoeld in artikel 42, is ingeschreven in de in artikel 8, eerste lid, onder c, bedoelde openbare registers.

3.

Artikel 59, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 97

Vervallen

Afdeling 3. Overige bepalingen

Artikel 98
1.

Op de bijhouding op grond van inlichtingen omtrent het overlijden van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een luchtvaartuig in de registratie voor luchtvaartuigen staan vermeld, is artikel 64 van overeenkomstige toepassing.

2.

Op de bijhouding op grond van inlichtingen omtrent de wettelijke woonplaats, daaronder begrepen het adres, van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een luchtvaartuig in de registratie voor luchtvaartuigen staan vermeld, is artikel 65 van overeenkomstige toepassing.

3.

Het bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van de in deze titel voorziene kennisgevingen en van de te geven beslissingen op bezwaarschriften.

Hoofdstuk 7. Verstrekking van inlichtingen; kadastraal recht

Titel 1. Verstrekking van inlichtingen

Afdeling 1. Verstrekking van inlichtingen uit de openbare registers

Artikel 99
1.

Desverlangd verleent de bewaarder inzage van de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en geeft hij voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels van de in deze registers ingeschreven dan wel geboekte stukken, alsmede getuigschriften omtrent het al dan niet bestaan van inschrijvingen dan wel voorlopige aantekeningen betreffende een registergoed of een persoon af of zendt deze toe.

2.

Het bestuur van de Dienst stelt de vorm van de afschriften, uittreksels en getuigschriften vast, alsmede regelen omtrent de wijze van raadpleging van de in het eerste bedoelde registers.

Artikel 100
1.

Indien met betrekking tot een registergoed inschrijvingen ter zake van hypotheken en beslagen in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a-c zijn doorgehaald, wordt op de getuigschriften inzake dat registergoed ten aanzien van hypotheken en beslagen melding gemaakt van het feit dat doorhaling heeft plaatsgevonden.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gevallen waarin in de openbare registers van voorlopige aantekeningen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d, voorlopige aantekeningen met betrekking tot een registergoed zijn gesteld die nog niet zijn doorgehaald.

Artikel 101
1.

Indien de verstrekking van inlichtingen, bedoeld in artikel 99, eerste lid, onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn betreft, is daarmee belast de bewaarder van het kantoor van de Dienst, binnen welks kring de onroerende zaken zijn gelegen.

2.

Indien de verstrekking van inlichtingen, bedoeld in artikel 99, eerste lid, schepen en luchtvaartuigen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn betreft, is daarmee belast de bewaarder van het kantoor van de Dienst, waar de openbare registers waarin het verzoek tot teboekstelling van het desbetreffende schip onderscheidenlijk luchtvaartuig is ingeschreven, worden gehouden.

3.

Het bestuur van de Dienst kan andere ambtenaren dan die, bedoeld in het eerste en tweede lid, belasten met de in die leden bedoelde werkzaamheden.

Afdeling 2. Verstrekking van inlichtingen uit de kadastrale registratie, het kaartenbestand, de daaraan ten grondslag liggende bescheiden en het net van coördinaatpunten

Artikel 102
1.

Desverlangd verleent de Dienst inzage van de kadastrale registratie, de door de Dienst gehouden kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, en geeft hij voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan af of zendt deze toe.

2.

Het bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van de afschriften en uittreksels. Bij regeling van het bestuur van de Dienst worden regelen vastgesteld omtrent de wijze van raadpleging van de in het eerste lid bedoelde registratie, kaarten en bescheiden.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de gevallen waarin de verstrekking van inlichtingen uit de kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden op schriftelijk verzoek te velde kan plaatsvinden, alsmede omtrent de daarbij in acht te nemen regelen.

4.

Desverlangd verstrekt de Dienst ook inlichtingen omtrent het net van coördinaatpunten, bedoeld in artikel 52, overeenkomstig door het bestuur van de Dienst daartoe vast te stellen regelen.

Artikel 103
1.

Ten aanzien van het verlenen van inzage en de afgifte van afschriften of uittreksels van de kadastrale registratie is artikel 101, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

2.

Het bestuur van de Dienst wijst ambtenaren aan die belast zijn met het verstrekken van de overige in artikel 102 bedoelde inlichtingen.

Artikel 104
1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 102, eerste lid, verstrekt de Dienst desgevraagd aan gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen voor hun grondgebied een afschrift van de kadastrale registratie en de door de Dienst gehouden kaarten.

2.

Door het bestuur van de Dienst worden in overleg met betrokkenen regels gesteld omtrent de wijzen waarop door de Dienst, al of niet periodiek, grote hoeveelheden gegevens uit de kadastrale registratie aan gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen worden verstrekt.

3.

Op de verstrekking van gegevens bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn de artikelen 108 tot en met 110 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat bij de vaststelling van de hoogte van het verschuldigde kadastraal recht rekening wordt gehouden met besparingen die voortvloeien uit het feit dat grote hoeveelheden gegevens tegelijkertijd worden verstrekt.

Artikel 105
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de voorwaarden waaronder en de wijze waarop een permanente aansluiting kan worden verkregen op de geautomatiseerde kadastrale registratie.

2.

Het bestuur van de Dienst kan aan gemeenten die beschikken over een permanente aansluiting op de geautomatiseerde kadastrale registratie, desgevraagd de bevoegdheid geven daaruit gegevens aan derden te verschaffen. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, worden regels gesteld omtrent de voorwaarden, waaronder een zodanige bevoegdheid wordt verleend, alsmede omtrent de gevallen waarin de verlening van een zodanige bevoegdheid kan worden ingetrokken.

Afdeling 3. Verstrekking van inlichtingen uit de registratie voor schepen

Artikel 106
1.

Desverlangd verleent de bewaarder inzage van de registratie voor schepen en van andere documenten betreffende schepen die niet zijn ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, en geeft hij voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan af of zendt deze toe. De bewaarder kan desverlangd een verklaring afgeven inhoudende dat een schip, ten aanzien waarvan bij het desbetreffende verzoek door de betrokkene tenminste zodanige gegevens worden bekend gesteld dat de identiteit van het schip voldoende vaststaat, niet te boek staat noch heeft te boek gestaan.

2.

Artikel 102, tweede lid, is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing. Het bestuur van de Dienst stelt de vorm van de in het eerste lid genoemde verklaring vast.

3.

Artikel 101, tweede en derde lid, is eveneens van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4. Verstrekking van inlichtingen uit de registratie voor luchtvaartuigen

Artikel 107
1.

Desverlangd verleent de bewaarder inzage van de registratie voor luchtvaartuigen en van andere documenten betreffende luchtvaartuigen die niet zijn ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, en geeft hij voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan af of zendt deze toe. De bewaarder kan desverlangd een verklaring afgeven inhoudende dat een luchtvaartuig, waarvan bij het desbetreffend verzoek door de betrokkene tenminste het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk, bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Luchtvaartwet moet worden bekend gesteld, niet te boek staat noch heeft te boek gestaan.

2.

Artikel 102, tweede lid, is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing. Het bestuur van de Dienst stelt de vorm van de in het eerste lid genoemde verklaring vast.

3.

Artikel 101, tweede en derde lid, is eveneens van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 5. Bepalingen in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer

Artikel 107a
1.

Artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens is niet van toepassing ingeval de verstrekking van inlichtingen ingevolge deze titel persoonsgegevens betreft.

2.

Een beslissing tot afwijzing van een verzoek om inlichtingen ingevolge deze titel, geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 56b, eerste lid, 56c tot en met 56e en 58, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 107b

Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen die in de kadastrale registratie, de registratie voor schepen en in de registratie voor luchtvaartuigen vermeld staan, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor daarbij aangewezen soort of soorten van persoonsgegevens beperkingen worden vastgesteld ten aanzien van de verstrekking van inlichtingen als bedoeld in de artikelen 99 tot en met 107. Daarbij kunnen tevens regels worden vastgesteld voor de behandeling van verzoeken tot afscherming van gegevens.

Artikel 107c

De Dienst kan slechts een verzameling van persoonsgegevens verstrekken in een zodanige vorm dat daarop rechtstreeks een geautomatiseerde verwerking mogelijk is ten aanzien van een op voorhand onbepaalde groep van personen, indien dit voortvloeit uit een van de doeleinden, genoemd in artikel 2a, de aanvrager deze gegevens kan verwerken op één van de gronden, bedoeld in artikel 8, onder c tot en met f, van de Wet bescherming persoonsgegevens en zulks is toegestaan bij algemene maatregel van bestuur.

Titel 2. kadastraal recht

Artikel 108
1.

Onder de naam van kadastraal recht zijn betrokkenen aan de Dienst wegens het verrichten door de Dienst van werkzaamheden ter uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde, vergoedingen verschuldigd op de voet van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.

2.

De tarieven van het kadastraal recht worden tot geen hoger bedrag vastgesteld dan wordt vereist tot dekking van de ten laste van de Dienst komende kosten van het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald, dat Onze Minister op de daarbij aan te geven wijze en binnen daarbij aangegeven grenzen de tarieven kan wijzigen teneinde deze aan te passen aan de ontwikkelingen van lonen en prijzen.

4.

Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de wijze waarop het kadastraal recht wordt voldaan of verrekend.

Artikel 109

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de verrichtingen ten aanzien waarvan in die gevallen geen kadastraal recht is verschuldigd.

Artikel 110

Het bestuur van de Dienst is bevoegd om in bijzondere gevallen vrijstelling, vermindering of teruggaaf van kadastraal recht te verlenen.

Hoofdstuk 8. Overige en slotbepalingen

Artikel 110a

Op beschikkingen, genomen krachtens hoofdstuk 8 van deze wet, zijn de artikelen 4:7, 4:8 en 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 111
1.

De Dienst is bevoegd om, anders dan ingevolge de bepalingen omtrent de bijwerking, bedoeld in hoofdstuk 4, in door Onze Minister te bepalen gevallen de kadastrale aanduiding van onroerende zaken en appartementsrechten te wijzigen en de grootte van percelen opnieuw vast te stellen. Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de wijze waarop wijzigingen, als bedoeld in de eerste zin, in de kadastrale registratie en op de kadastrale kaarten worden weergegeven.

2.

Indien de Dienst ambtshalve de kadastrale aanduiding van een onroerende zaak of van een appartementsrecht wijzigt, als bedoeld in het eerste lid, is artikel 58, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Tegen deze wijziging staat generlei voorziening open.

3.

Indien de Dienst ambtshalve de grootte van een perceel opnieuw vaststelt, als bedoeld in het eerste lid, en deze afwijkt van de in de kadastrale registratie vermeld staande grootte vóór de herberekening, zijn de artikelen 58, eerste en tweede lid, artikel 56b, eerste lid, en de artikelen 56c tot en met 56e van overeenkomstige toepassing.

Artikel 112
1.

Kennelijke misslagen, door de Dienst begaan bij de bijwerking van de kadastrale registratie, de door de Dienst gehouden kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden worden op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve hersteld. Artikel 56b, eerste lid, de artikelen 56c tot en met 56e en artikel 58, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Het verzoek wordt ingediend bij het kantoor van de Dienst, binnen welks kring de desbetreffende onroerende zaak is gelegen.

3.

In geval van gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek vindt het herstel van de bij de bijwerking begane misslag plaats overeenkomstig de beslissing op het verzoek.

4.

Ingeval een gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek leidt tot verbetering, aanvulling of verwijdering van persoonsgegevens, is de Dienst verplicht om aan derden aan wie de persoonsgegevens daaraan voorafgaand zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk kennis te geven van de verbetering, aanvulling of verwijdering, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

5.

De Dienst doet desgevraagd aan de verzoeker opgave van degenen aan wie hij de mededeling heeft gedaan.

Artikel 113
1.

Artikel 112, eerste lid, is ten aanzien van de registratie voor schepen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de zinsnede in artikel 56c, eerste lid, luidende "arrondissementsrechtbank, binnen welker rechtsgebied de onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen", wordt gelezen: de arrondissementsrechtbank, binnen welker rechtsgebied het kantoor van de Dienst, waar het desbetreffende schip te boek staat, is gelegen.

2.

Een verzoek tot herstel van kennelijke misslagen, door de Dienst begaan bij de bijwerking van de registratie voor schepen, wordt ingediend bij het kantoor van de Dienst, waar het desbetreffende schip te boek staat.

3.

In geval van gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek vindt het herstel van de bij de bijwerking begane misslag plaats overeenkomstig de beslissing op het verzoek.

4.

Artikel 112, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 114
1.

Artikel 112, eerste lid, is ten aanzien van de registratie voor luchtvaartuigen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de zinsnede in artikel 56c, eerste lid, luidende "arrondissementsrechtbank, binnen welker rechtsgebied de onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen", wordt gelezen: de arrondissementsrechtbank, binnen welker rechtsgebied het kantoor van de Dienst, waar het desbetreffende luchtvaartuig te boek staat, is gelegen. Artikel 113, tweede lid, is eveneens van overeenkomstige toepassing.

2.

Ingeval van een gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek zijn de artikelen 112, vierde en vijfde lid, en 113, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 115

Het bestuur van de Dienst stelt de vorm vast van de in de artikelen 111-114 voorziene mededelingen, kennisgevingen, de op verzoeken te geven beslissingen en de te geven beslissingen op bezwaarschriften

Artikel 116
1.

Het bestuur van de Dienst stelt regelen vast omtrent de wijze waarop vergissingen, verzuimen of andere onregelmatigheden, begaan door de bewaarder bij de inschrijving van stukken in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a-c, bij het stellen daarin van aantekeningen, daaronder begrepen doorhalingen van inschrijvingen in die registers, bij de boeking van stukken in de registers van voorlopige aantekeningen, of bij de doorhaling van voorlopige aantekeningen, worden hersteld.

2.

Het bestuur van de Dienst stelt voorts regelen vast omtrent de wijze waarop kennelijke misslagen, door de Dienst begaan bij de bijwerking van de kadastrale registratie, de door de Dienst gehouden kaarten en daaraan ten grondslag liggende bescheiden, worden hersteld.

3.

Het tweede lid is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing op het herstel van kennelijke misslagen, door de Dienst begaan bij de bijhouding van de registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen.

Artikel 117
1.

De D ienst is jegens betrokkenen aansprakelijk voor de schade die zij lijden, doordat in strijd met de wet een inschrijving is geweigerd of geschied.

2.

De Dienst is eveneens aansprakelijk voor alle verdere vergissingen, verzuimen, vertragingen of andere onregelmatigheden van zijn ambtenaren, gepleegd bij het houden van de registers of bij het opmaken of afgeven van afschriften, uittreksels en getuigschriften.

3.

De Dienst is jegens betrokkenen aansprakelijk voor vergissingen, verzuimen of andere onregelmatigheden door de Dienst gepleegd bij het bijwerken van de kadastrale registratie, de door de Dienst gehouden kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, alsmede van de registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen.

4.

De Dienst is eveneens aansprakelijk voor alle vergissingen, verzuimen of andere onregelmatigheden van de Dienst, begaan bij het schriftelijk verstrekken van inlichtingen uit de kadastrale registratie, de door de Dienst gehouden kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden, alsmede uit de registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen.

Artikel 118
1.

Door het bestuur van de Dienst te nemen beslissingen en vast te stellen regelen als bedoeld in deze wet, worden geplaatst in de Staatscourant.

Artikel 119
1.

Deze wet kan worden aangehaald als "Kadasterwet".

2.

Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.