Besluit van 19 mei 1989, tot vaststelling van een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding

Type AMvB
Publication 2002-06-26
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 maart 1989, nr. S/J 30.442/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

Overwegende, dat uitvoering dient te worden gegeven aan de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding, met bijlagen (Trb. 1987, 15);

Gelet op de artikelen 4 en31, tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352);

Gelet op artikel 3 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding, met bijlagen;

De Raad van State gehoord (advies van 21 april 1989, nr. W09.89.0143);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 mei 1989, nr. S/J 30.788/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Scheepvaartreglement Eemsmonding

Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen; toepassingsgebied
1.

Op dit besluit zijn de begripsbepalingen van de voorschriften 3, 21 en 32 van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Trb. 1974, 51), zoals gewijzigd, van toepassing; overigens wordt in dit besluit verstaan onder:

2.

In de zin van dit besluit wordt verstaan onder:

3.

De schipper van een binnenschip dat een of meer andere binnenschepen voortbeweegt, is de schipper van de sleep of het duwstel.

4.

Dit besluit geldt in de Eemsmonding, bedoeld in paragraaf 1 van Bijlage B bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1960, 69) en geldt in afwijkiking van en als aanvulling op de Internationale Bepalingen.

Artikel 2. Verkeerstekens
1.

Verkeerstekens, als bedoeld in dit besluit, zijn optische en akoestische tekens die geboden, verboden, waarschuwingen of aanwijzingen inhouden. De in het toepassingsgebied van dit besluit gebruikte verkeerstekens die geboden en verboden inhouden, zijn samengevat in bijlage 1 van dit besluit.

2.

De door de gebods- en verbodstekens gegeven voorschriften worden opgevolgd.

3.

Het beschadigen van de verkeerstekens of het afbreuk doen aan de herkenbaarheid daarvan is verboden.

Artikel 3. Optische tekens en geluidsseinen
1.

Voor zover in de volgende voorschriften geen bijzondere bepalingen ter zake zijn opgenomen, voeren, tonen of geven de schepen uitsluitend in overeenstemming met het bepaalde in bijlage 1 voor de daar voorziene doeleinden optische tekens en geluidsseinen. Het is verboden optische tekens te voeren of te tonen, alsmede geluidsseinen te geven, die met de voorgeschreven of toegestane optische tekens of geluidsseinen kunnen worden verward.

2.

Met betrekking tot de middelen voor het geven van de krachtens dit besluit voorgeschreven geluidsseinen is Voorschrift 33 van de Internationale Bepalingen van toepassing. De werking en de betrouwbaarheid van deze geluidsinstallaties moeten te allen tijde gewaarborgd zijn. Indien de werking of de betrouwbaarheid op duidelijk herkenbare wijze wordt beïnvloed, zorgen de gezagvoerder, de eigenaar en de bezitter onverwijld voor een doelmatig herstel.

3.

Het is verboden zoeklichten en andere dan de voorgeschreven lichten zodanig te gebruiken, dat zij verblinden en daardoor de scheepvaart in gevaar kunnen brengen of hinderen.

Optische tekens van schepen

Artikel 4. Algemeen
1.

Met betrekking tot de krachtens dit besluit voorgeschreven optische tekens zijn de Voorschriften 20 en 38, onderdelen c en h, van de Internationale Bepalingen van toepassing.

Optische tekens die krachtens dit besluit en krachtens de Internationale Bepalingen door vaartuigen moeten worden gevoerd, worden permanent meegevoerd en gedurende de tijd dat zij worden gevoerd, vast aangebracht. Zij worden gevoerd daar waar zij het best zichtbaar zijn. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin is het bepaalde in Aanhangsel I, punt 5, eerste volzin, van de Internationale Bepalingen niet van toepassing met betrekking tot de afscherming van de boordlichten van binnenschepen, indien navigatielantaarns worden gebruikt die met betrekking tot de horizontale en verticale lichtverdeling ook zonder afscherming voldoen aan de voorschriften in Aanhangsel I, punt 9 en 10, van de Internationale Bepalingen of aan de voorschriften, genoemd in artikel 5, derde lid. Bij gebruik van boordlichten met afscherming is het bepaalde in Aanhangsel I, punt 5, eerste en tweede volzin, van de Internationale Bepalingen niet van toepassing op binnenschepen met betrekking tot de dofzwarte kleur.

2.

De minimale zichtbaarheid van alle in dit besluit voorgeschreven lichten bedraagt 2 zeemijlen.

3.

De krachtens dit besluit en de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven ballen, kegels, ruiten en cilinders (dagtekens) mogen vervangen worden door inrichtingen die in alle richtingen uit de verte hetzelfde uiterlijk hebben als de voorgeschreven dagtekens.

4.

De krachtens dit besluit te voeren vlaggen en borden zijn, voor zover niet anders is bepaald, rechthoekig en ten minste 1 meter hoog en 1 meter breed. De kleuren zijn niet verbleekt of vervuild. In plaats van de in dit besluit voorgeschreven vlaggen mogen ook borden van gelijke grootte, vorm en kleur worden gevoerd. Op schepen met een lengte van minder dan 20 meter mogen vlaggen en borden van kleinere afmeting worden gebruikt die passen bij de afmetingen van het schip.

Artikel 5. Optische tekens van schepen
1.

In afwijking van het bepaalde in punt 2, onderdeel a (i), van Aanhangsel I van de Internationale Bepalingen behoeft het toplicht ook dan slechts op een minimale hoogte van 6 meter boven de romp te worden gevoerd, indien het schip breder dan 6 meter is.

2.

In afwijking van het bepaalde in Voorschrift 23, onderdeel a (ii), van de Internationale Bepalingen behoeven binnenschepen met een lengte van meer dan 50 meter, doch van niet meer dan 110 meter binnen de vaargebieden tussen de binnenwaartse grens van het gebied waarop dit besluit betrekking heeft, bij Eems-km 35,785, en het einde van de Geisedam bij Eems-km 48,4 geen tweede toplicht te voeren.

3.

Op binnenschepen mogen met betrekking tot het voeren van lichten krachtens dit besluit en krachtens de Internationale Bepalingen ook navigatielantaarns worden gebruikt die door de bevoegde autoriteiten als heldere lichten, bij gebruik als toplichten als krachtige lichten, krachtens de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde voorschriften zijn toegelaten.

4.

Binnenschepen behoeven in afwijking van het bepaalde in Aanhangsel I, punt 2, onderdeel a, van de Internationale Bepalingen het voorste toplicht of eventueel het enige toplicht slechts op een hoogte van ten minste 5 meter boven de romp, en het achterste toplicht slechts ten minste 3 meter hoger dan het voorste licht te voeren.

Artikel 6. Optische tekens van kleine schepen
1.

In afwijking van het bepaalde in Voorschrift 25, onderdeel d, van de Internationale Bepalingen voeren zeilboten met een lengte van minder dan 12 meter, alsmede roeiboten, indien zij de krachtens Voorschrift 25, onderdeel a of b, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven lichten niet kunnen voeren, ten minste een wit rondom schijnend licht overeenkomstig het bepaalde in No. 1 van Hoofdstuk II van bijlage 1.

2.

Het is verboden met schepen als bedoeld in het eerste lid, waarop de aldaar voorgeschreven lichten niet kunnen worden gevoerd, alsmede motorschepen met een lengte van minder dan 7 meter waarop de krachtens Voorschrift 23, onderdelen a en c, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven lichten niet kunnen worden gevoerd, te varen in de tijd dat het voeren van de lichten is voorgeschreven, tenzij zich een noodsituatie voordoet. Voor die situatie wordt permanent een elektrische lamp of een lantaarn die een wit licht geeft, gereed voor het gebruik meegevoerd en tijdig getoond om een aanvaring te voorkomen.

3.

De bevoegde autoriteit kan wateroppervlakken als anker- en ligplaatsen vaststellen waarop schepen met een lengte van minder dan 12 meter de krachtens Voorschrift 30, onderdeel a, b of c, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens niet behoeven te voeren; het bepaalde in Voorschrift 30, onderdeel e, van de Internationale Bepalingen blijft onverminderd van kracht.

Artikel 7. Motorschepen die met behulp van een sleepboot worden voortbewogen

Een manoeuvreerbaar motorschip dat varende is en voorzien is van een voor het gebruik gereed zijnde motor en dat wordt bijgestaan door één of meer sleepboten, (assisteren) voert de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens van een alleenvarend motorschip.

Artikel 8. Schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren
1.

Schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren, voeren, behalve de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens, des nachts een rood rondom schijnend licht overeenkomstig het bepaalde in no. 2 van Hoofdstuk II van bijlage 1 en overdag seinvlag "B" uit het Internationale Seinboek. Deze optische tekens worden ook gevoerd, indien de schepen ten anker gaan of gemeerd hebben. Het bepaalde in de eerste en de tweede volzin is niet van toepassing op oorlogsschepen.

2.

Het bepaalde in het eerste lid is ook van toepassing op tankschepen die na het lossen van bepaalde gevaarlijke goederen nog niet zijn gereinigd en ontgast, tenzij deze volledig geïnertiseerd zijn.

Artikel 9. Beperkt manoeuvreerbare schepen die in het vaarwater bezig zijn met baggeren of met werkzaamheden onder water
1.

Een beperkt manoeuvreerbaar schip dat in het vaarwater bezig is met baggeren of met werkzaamheden onder water en de in Voorschrift 27, onderdeel d, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens dient te voeren voert de optische tekens overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 27, onderdeel d (ii), aan beide zijden, indien aan geen van beide zijden een belemmering aanwezig is.

2.

Drijvende onderdelen waarvan door schepen die bezig zijn met baggeren of met werkzaamheden onder water, bij hun werkzaamheden gebruik wordt gemaakt, voeren des nachts een wit rondom schijnend licht en overdag een vierkant rood bord overeenkomstig het bepaalde in no. 3 van Hoofdstuk II van bijlage 1.

Artikel 10. Schepen, drijvende inrichtingen, alsmede moeilijk te onderscheiden schepen en voorwerpen die zijn gemeerd
1.

Schepen, drijvende inrichtingen, alsmede schepen en voorwerpen, als bedoeld in Voorschrift 24, onderdeel g, van de Internationale Bepalingen, die gemeerd zijn, voeren, tenzij zij door andere lichtbronnen voldoende en permanent te onderscheiden zijn, de volgende lichten:

2.

Schepen die aan een meerboei overeenkomstig het bepaalde in E.7 van Hoofdstuk I van bijlage 1 liggen, voeren het optische teken van ten anker liggende schepen krachtens het bepaalde in Voorschrift 30 van de Internationale Bepalingen.

Artikel 11. Schepen van de openbare dienst
1.

Schepen van de openbare dienst tonen een ononderbroken, blauw flikkerlicht overeenkomstig het bepaalde in No. 5 van Hoofdstuk II van bijlage 1, indien bij de uitvoering van politiële taken de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer in gevaar kan worden gebracht.

2.

Douaneschepen van de Bondsrepubliek Duitsland voeren des nachts drie groene rondom schijnende lichten boven elkaar en overdag een vierkante groene vlag op een willekeurige plaats overeenkomstig het bepaalde in No. 6.1 van Hoofdstuk II van bijlage 1. Douaneschepen van het Koninkrijk der Nederlanden voeren overdag een blauwe vlag met het opschrift "DOUANE" overeenkomstig het bepaalde in No. 6.2 van Hoofdstuk II van bijlage 1.

Geluidsseinen van schepen

Artikel 12. Aandachtsseinen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.