Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 november 1988, nr. S/J 32.011/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Overwegende dat het wenselijk is de veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het op 2 april 1977 te Torremolinos tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de beveiliging van vissersvaartuigen, met Bijlage (Trb. 1980, 139);
Gelet op de artikelen 3, 4 bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet (Stb. 1932, 86);
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 8 maart 1989, nr. W09.88.0652/K);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 juli 1989, nr. S/J 31.209/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene voorzieningen
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Toepassing
Het bepaalde in dit besluit is van toepassing op vissersvaartuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet.
Het bepaalde in dit besluit is niet van toepassing op vaartuigen die worden gebezigd voor visserijonderzoek of voor opleiding van zeevarenden ter visserij. Indien echter deze vaartuigen daarbij geheel of gedeeltelijk dienst doen als vissersvaartuig, ongeacht of dit moet worden verondersteld te zijn begrepen onder de werkzaamheden welke verband houden met het onderzoek of de opleiding waarvoor het vaartuig bestemd is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie eisen dat ten minste wordt voldaan aan het bepaalde in dit besluit.
Het bepaalde in dit besluit is niet van toepassing op vaartuigen waarmee bedrijfsmatige recreatie wordt uitgeoefend.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt, afwijkende regels stellen, indien naar zijn oordeel de algemene inrichting van die vaartuigen dit rechtvaardigt, rekening houdend met de veiligheid van vaartuigen en opvarenden.
Artikel 2. Omschrijvingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, verstaan onder:
- 1°. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
- 2°. kapitein: elke gezagvoerder van een vaartuig of die deze vervangt;
- 3°. schepelingen: allen die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden of zich als zodanig hebben verbonden; scheepsofficieren zijn de schepelingen aan wie de monsterrol de rang van officier toekent, scheepsgezellen zijn alle overige schepelingen;
- 4°. Radioreglement: het Radioreglement (Trb. 1981, 78), behorende bij het op 6 november 1982 te Nairobi tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de Telecommunicatie (Trb. 1983, 164);
- 5°. radio-officier: een persoon in het bezit van ten minste het overeenkomstig de bepalingen van het Radioreglement afgegeven eerste of tweede klasse certificaat van bekwaamheid als radiotelegrafist, of van een algemeen certificaat als radiotelegrafist voor de maritieme mobiele dienst, die te werk is gesteld in het radiotelegraafstation van een vaartuig;
- 6°. radiotelefonist: een persoon in het bezit van een geëigend certificaat afgegeven in overeenstemming met de bepalingen van het Radioreglement;
- 7°. radiotelegraafstation: een station voorzien van een radiotelegrafie-installatie;
- 8°. radiotelefoonstation: een station voorzien van een radiotelefonie-installatie;
- 9°. radiotelegrafie-installatie: een installatie waarmee men kan zenden en ontvangen op de aan de maritieme dienst toegewezen radiotelegrafie-frequentiebanden;
- 10°. radiotelefonie-installatie: een installatie waarmee men kan zenden en ontvangen op de aan de maritieme dienst toegewezen radiotelefonie-frequentiebanden;
- 11°. luisterdienst radiotelegrafie: een luisterdienst welke wordt gehouden op de radiotelegrafienoodfrequentie;
- 12°. luisterdienst radiotelefonie: een luisterdienst welke wordt gehouden op de radiotelefonienoodfrequentie;
- 13°. passagiers: alle personen aan boord, met uitzondering van:
- 13.1. de kapitein en de schepelingen;
- 13.2. andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het vaartuig in dienst of tewerkgesteld zijn; en
- 13.3. kinderen die op de dag van inscheping de leeftijd van één jaar nog niet hebben bereikt;
- 14°. voortstuwingsvermogen:
- 14.1. het maximale vermogen, uitgedrukt in kiloWatt (kW), dat door de voortstuwingsmachine(s) zonder overbelasting gedurende onbeperkte tijdsduur kan worden geleverd, zoals dit vermogen, op grond van door de fabrikant verstrekte gegevens door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt vastgesteld; of
- 14.2. een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld lager vermogen, indien te zijnen genoegen wordt aangetoond dat slechts dit lagere vermogen ten behoeve van de voortstuwing kan worden gebruikt. Dit vermogen mag niet worden vastgesteld op een waarde die minder is dan 75 percent van het maximale vermogen;
- 15°. vlampunt: de laagste temperatuur van een vloeistof waarbij deze voldoende damp aan de lucht afgeeft om een explosief mengsel van damp en lucht te doen ontstaan. Het vlampunt moet worden bepaald volgens de gesloten-kroes-methode van Abel, Abel-Pensky of Pensky-Martens en gecorrigeerd voor een barometerstand van 760 mm kwikkolom;
- 16°. goedgekeurd: goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;
- 17°. lengte (L): de lengte gelijk aan 96 percent van de lengte van de lastlijn op 85 percent van de kleinste holte gemeten vanaf de kiellijn, dan wel gelijk aan de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn gemeten, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen, moet de lastlijn waarop deze lengte wordt gemeten, evenwijdig aan de constructiewaterlijn worden genomen;
- 18°. loodlijnen: de loodlijnen op het voorste en het achterste punt van de lengte. De voorloodlijn moet getrokken worden door het snijpunt van de lastlijn waarop de lengte is gemeten en de voorzijde van de voorsteven;
- 19°. breedte (B): de grootste breedte van het vaartuig, uitgedrukt in meters, midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een vaartuig met een metalen huid en op de buitenkant van de huid bij een vaartuig met een huid van een ander materiaal;
- 20°. holte:
- 20.1. de vertikale afstand, uitgedrukt in meters, gemeten vanaf de kiellijn tot de bovenkant van de balken van het werkdek in de zijde;
- 20.2. bij vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, wordt de holte gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating;
- 20.3. indien het werkdek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte moet worden bepaald, wordt de holte gemeten tot een lijn die vanaf het lage gedeelte van het dek, evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt doorgetrokken;
- 21°. holte (D): de holte midscheeps gemeten;
- 22°. hoogst gelegen lastlijn: de lastlijn behorende bij de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;
- 23°. maximum toelaatbare diepgang: de grootste diepgang welke door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toelaatbaar wordt geacht;
- 24°. midscheeps: het punt gelegen op het midden van de lengte;
- 25°. grootspant: de doorsnede van de romp die bepaald wordt door de snijding van het oppervlak van de romp naar de mal met een vertikaal vlak dat midscheeps loodrecht staat op het vlak van de waterlijn en het vlak door kiel en stevens;
- 26°. kiellijn: de lijn die evenwijdig loopt aan de schuinte van de kiel en die midscheeps gaat door:
- 26.1. de bovenkant van de kielplaat of door de aansnijding van de binnenzijde van de huidbeplating met de stafkiel, indien in een vaartuig met een metalen huid een stafkiel boven die lijn uitsteekt;
- 26.2. de binnenkant van de sponning in de kiel van een houten of van een composiet vaartuig;
- 26.3. de aansnijding van de doorgestrookte lijn van de buitenzijde van de huid met de hartlijn van een vaartuig met een huid van een ander materiaal dan hout of metaal;
- 27°. basislijn: de horizontale lijn die de kiellijn midscheeps snijdt;
- 28°. werkdek: in het algemeen het doorlopende blootgestelde dek van waar de visserij wordt uitgeoefend. Bij vaartuigen met twee of meer doorlopende dekken, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat een lager dek als werkdek wordt aangemerkt, mits dit dek is gelegen boven de hoogst gelegen lastlijn;
- 29°. bovenbouw: de overdekte constructie op het werkdek, die zich van boord tot boord uitstrekt of waarvan de afstand van de zijbeplating tot elk boord niet groter is dan 4 percent van de breedte;
- 30°. gesloten bovenbouw: een bovenbouw waarvan:
- 30.1. de eindschotten voldoende sterk zijn;
- 30.2. de eventuele toegangsopeningen in de eindschotten zijn voorzien van vast aangebrachte deuren die dicht zijn tegen weer en wind en van gelijke sterkte als het schot, alsof daarin geen opening aanwezig was, en die aan beide zijden kunnen worden geopend en gesloten;
- 30.3. alle openingen in de zijden, alsmede alle overige openingen in de eindschotten zijn voorzien van doeltreffende middelen waarmede deze openingen dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten; en
- 30.4. afzonderlijke toegangen voor de bemanning naar de binnen een brughuis of een kampanje gelegen voortstuwingsruimten en andere werkruimten, te allen tijde kunnen worden gebruikt, wanneer de openingen in de schotten zijn gesloten;
- 31°. opbouwdek: dat doorlopende dek of dekgedeelte dat de bovenkant van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw vormt en dat ten minste 1,80 m boven het werkdek ligt. In gevallen waarin de hoogte minder is dan 1,80 m, wordt de bovenkant van zulk een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw gelijkgesteld met het werkdek;
- 32°. hoogte van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw: de kleinste vertikale hoogte gemeten in de zijde vanaf de bovenkant van de balken van het opbouwdek tot de bovenkant van de balken van het werkdek;
- 33°. dicht tegen weer en wind: zodanig dicht dat onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen, geen water in het vaartuig kan binnendringen;
- 34°. waterdicht: het vermogen van de constructie om het doorlaten van water in enige richting te voorkomen bij een waterdruk waartegen de omgevende constructie volgens het ontwerp bestand is;
- 35°. aanvaringsschot: een waterdicht schot dat in het voorste deel van het vaartuig tot het werkdek is opgetrokken en dat aan de volgende voorwaarden voldoet:
- 35.1. het schot moet zodanig zijn geplaatst dat de afstand tot de voorloodlijn:
- 1°. niet kleiner is dan 5 percent en niet groter is dan 8 percent van de lengte bij vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt;
- 2°. niet kleiner is dan 5 percent van de lengte en niet groter is dan 5 percent van de lengte, vermeerderd met 1,35 m, bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, behoudens uitzonderingen toegestaan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;
- 3°. in geen geval kleiner is dan 2 m;
- 35.2. in geval, ten gevolge van een afwijkende stevenvorm, enig deel van het onderwatergedeelte van het vaartuig zich uitstrekt tot vóór de voorloodlijn, moet de afstand als bedoeld onder 35.1 van dit onderdeel worden gemeten vanaf een punt halverwege het deel dat zich voor de voorloodlijn uitstrekt of vanaf een punt dat 1,5 percent van de lengte voor de voorloodlijn ligt, al naar gelang welke afstand kleiner is;
- 35.3. indien het aanvaringsschot voorzien is van trapsgewijze sprongen of nissen moeten deze binnen de beperkingen vallen als voorgeschreven onder 35.1 van dit onderdeel;
- 36°. hoofdstuurinrichting: de stuurmachine, de krachtwerktuigen hiervoor, indien aanwezig, en de bijbehorende inrichtingen, alsmede het middel om het koppel op de roerkoning (bijv. de helmstok of het kwadrant) over te brengen, benodigd om de roeruitslag te bewerkstelligen met het doel het vaartuig onder normale bedrijfsomstandigheden te kunnen besturen;
- 37°. krachtwerktuig voor de stuurinrichting:
- 37.1. bij een elektrische stuurinrichting: een elektromotor met de daarbij behorende elektrische apparatuur;
- 37.2. bij een elektrisch-hydraulische stuurinrichting: een elektromotor met de daarbij behorende elektrische apparatuur en de aangesloten pomp; en
- 37.3. bij een ander type hydraulische stuurinrichting: een pomp en het werktuig voor de aandrijving daarvan;
- 38°. hulpstuurinrichting: de inrichting waarmede de roeruitslag wordt bewerkstelligd voor de besturing van het vaartuig wanneer de hoofdstuurinrichting is uitgevallen;
- 39°. bedieningsinstallatie van de stuurinrichting: de uitrusting waarmede de opdrachten worden overgedragen vanaf de brug naar de krachtwerktuigen voor de stuurinrichting. Bedieningsinstallaties van stuurinrichtingen bestaan uit gevers, ontvangers, hydraulische verstelpompen met daarbij behorende motoren, bedieningen voor motoren, pijpleidingen en kabels;
- 40°. maximum dienstsnelheid vooruit: de grootste snelheid waarvoor het vaartuig is ontworpen en die tijdens de vaart op zee gehandhaafd moet kunnen worden bij de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;
- 41°. maximum snelheid achteruit: de geschatte snelheid die het vaartuig kan bereiken bij het ontworpen vermogen voor het achteruitvaren op de maximum toelaatbare diepgang tijdens de reis;
- 42°. oliestookinrichting: de installatie gebruikt voor de toebereiding van brandstofolie voor levering aan een met olie gestookte ketel, of die installatie gebruikt voor de toebereiding van olie voor levering aan een verbrandingsmotor, met inbegrip van alle oliedrukpompen, filters en verhitters die olie behandelen onder een druk van meer dan 0,18 N/mm2;
- 43°. normale toestanden van bedrijfsvoering en leefbaarheid: de toestanden waarin het vaartuig in zijn geheel, met inbegrip van de werktuigen, dienstuitoefening, hoofd- en hulpwerktuigen ten behoeve van de voortstuwing, stuurinrichting en bijbehorende uitrusting, hulpmiddelen voor een veilige navigatie en voor de beperking van de gevaren van brand en vervulling, middelen voor interne en externe communicatie en seinapparatuur, voorzieningen voor ontsnapping en lieren voor reddingboten en hulpverleningsboten, goed functioneert en waarbij aan minimum voorwaarden voor een comfortabel verblijf aan boord wordt voldaan;
- 44°. dood-schip-toestand: de toestand waarbij de hoofdvoortstuwingsinstallatie, ketels en hulpwerktuigen niet in bedrijf zijn;
- 45°. hoofdschakelbord: een schakelbord dat rechtstreeks wordt gevoed door de elektrische hoofdkrachtbron en bestemd is om de elektrische energie voor alle diensten te verdelen;
- 46°. noodschakelbord: een schakelbord dat, in het geval dat de voeding van de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt, direct wordt gevoed door de elektrische noodkrachtbron of door de tijdelijke noodkrachtbron, en bestemd is om de elektrische energie over de nooddiensten te verdelen;
- 47°. elektrische hoofdkrachtbron: een krachtbron welke elektrische energie moet kunnen leveren aan het hoofdschakelbord voor de verdeling naar alle systemen nodig om het schip in normale toestanden van bedrijfsvoering en leefbaarheid te kunnen houden;
- 48°. elektrische noodkrachtbron: een krachtbron voor elektrische energie, bestemd om het noodschakelbord te voeden in het geval dat de voeding van de elektrische noodkrachtbron uitvalt;
- 49°. tijdelijk onbemande machinekamers: die ruimten waarin zich de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende installaties, alsmede alle elektrische hoofdkrachtbronnen bevinden en die niet te allen tijde bij alle werkzaamheden, met inbegrip van het manoeuvreren, bemand behoeven te zijn;
- 50°. onbrandbaar materiaal: een materiaal dat noch brandt, noch ontvlambare gassen in voldoende hoeveelheid afgeeft om bij verhitting tot ongeveer 750°C tot zelfontbranding over te gaan, hetgeen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden aangetoond door middel van een door hem aanvaarde beproevingsmethode. Elk ander materiaal is brandbaar materiaal;
- 51°. standaard-brandproef: een proef waarbij gedeelten van de betrokken schotten of dekken in een proef-oven blootgesteld worden aan temperaturen die ongeveer overeenkomen met de standaard tijdtemperatuurkromme. De gedeelten van de betrokken schotten of dekken moeten een blootgestelde oppervlakte hebben van ten minste 4,65 m2 en een hoogte, of lengte van het dek, van 2,44 m; zij moeten zo nauwkeurig mogelijk overeenkomen met de voorgenomen constructie en waar nodig ten minste één naad bevatten. Met de standaard tijdtemperatuurkromme wordt bedoeld een gelijkmatig verlopende kromme door de volgende punten gemeten boven de aanvankelijke temperatuur in de oven: aan het einde van de eerste 5 minuten: 556°C, aan het einde van de eerste 10 minuten: 659°C, aan het einde van de eerste 15 minuten: 718°C, aan het einde van de eerste 30 minuten: 821°C, aan het einde van de eerste 60 minuten: 925°C;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.