Rijkswet van 20 december 1989, houdende regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is de regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba en hun nabestaanden opnieuw vast te stellen, terwijl het voorts wenselijk is deze aan te passen aan de huidige omstandigheden:
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse Zaken;
- b. Reglement: het Reglement voor de Gouverneur van de Nederlandse Antillen (Stb. 1984, 382);
- c. Gouverneur: hij die als zodanig bij koninklijk besluit is benoemd op grond van artikel 1, tweede lid, van het Reglement;
- d. gewezen Gouverneur: hij die na ontslag als Gouverneur krachtens deze rijkswet uitzicht heeft op ouderdomspensioen bij het bereiken van de vijfenvijftig-jarige leeftijd;
- e. gepensioneerd Gouverneur: de gewezen Gouverneur aan wie pensioen krachtens deze rijkswet is toegekend;
- f. pensioen: elk pensioen dat is toegekend krachtens deze rijkswet, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.
Artikel 2
In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt onder berekeningsgrondslag verstaan het bedrag, waarvan een uitkering of een pensioen ingevolge deze rijkswet is afgeleid.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is, voor zolang de pensioen- of uitkeringsgerechtigde metterwoon is gevestigd buiten het voormalige ambtsgebied van de Gouverneur, gelijk aan het bij niveau 20 van de salarisstructuur voor de ambtelijke en politieke topfuncties in Nederland behorende salarisbedrag, verhoogd met de vakantie-uitkering, dat in aanmerking is genomen voor de berekening van de laatstelijk als Gouverneur genoten maandelijkse wedde als bedoeld in artikel 2 van het Positiebesluit Gouverneur van de Nederlandse Antillen (Stb. 1984, 414).
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is, voor zolang de pensioen- of uitkeringsgerechtigde metterwoon is gevestigd binnen het voormalige ambtsgebied van de Gouverneur, gelijk aan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, vermeerderd met een bedrag ter compensatie van het verschil in koopkracht ten opzichte van Nederland en een bedrag ter compensatie van de Nederlandse kinderbijslag.
Artikel 3
Indien bij koninklijk besluit in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht en wordt bepaald dat deze wijziging een algemeen karakter draagt, wordt met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat, in de pensioenen en uitkeringen, toegekend krachtens deze rijkswet, bij koninklijk besluit een overeenkomstige wijziging aangebracht door middel van aanpassing van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 2, tweede of derde lid.
De berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt halfjaarlijks, per 1 januari en per 1 juli, bij koninklijk besluit aangepast aan de ontwikkelingen betreffende het verschil in koopkracht ten opzichte van Nederland.
Artikel 4
Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 2 en 3. Bij deze regelen kunnen die artikelen worden aangevuld.
Uitkering gewezen gouverneur
Artikel 5
De gewezen Gouverneur heeft vanaf de datum van ingang van zijn ontslag als Gouverneur recht op een uitkering gedurende een tijdvak gelijk aan de duur van zijn ambtsperiode als Gouverneur, maar uiterlijk tot de dag waarop hij de leeftijd van vijfenvijftig jaar heeft bereikt.
Het uitkeringstijdvak, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de gewezen Gouverneur een ambtsperiode van zes jaren of langer heeft volbracht, dan wel voordien uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is geworden zijn ambt te vervullen, verlengd tot de dag waarop hij de leeftijd van vijfenvijftig jaar heeft bereikt.
Blijvende ongeschiktheid als bedoeld in het tweede lid wordt door Onze Minister vastgesteld aan de hand van de uitslag van een geneeskundig onderzoek door een door Onze Minister aangewezen arts.
Artikel 6
De uitkering, bedoeld in artikel 5, bedraagt gedurende de eerste twaalf maanden van het uitkeringstijdvak 80% en gedurende de overige maanden 50% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 2, tweede of derde lid.
Voor zover de som van de uitkering en nieuwe inkomsten uit of in verband met arbeid 75% van de in het eerste lid bedoelde berekeningsgrondslag overtreft, wordt dat meerdere in mindering gebracht op de uitkering. De in de vorige volzin bedoelde vermindering bedraagt ten hoogste 50% van de daar bedoelde nieuwe inkomsten.
Onze Minister kan nadere regelen stellen ter uitvoering van het bepaalde in het tweede lid.
Ouderdomspensioen
Artikel 7
De gewezen Gouverneur krijgt recht op ouderdomspensioen met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van vijfenvijftig jaar heeft bereikt. De Gouverneur die de leeftijd van vijfenvijftig jaar heeft bereikt, krijgt recht op ouderdomspensioen op de datum van ingang van zijn ontslag als Gouverneur.
Artikel 8
Het pensioen als bedoed in artikel 7 bedraagt voor elk van de eerste zes dienstjaren als Gouverneur 3,5% en voor elk overig dienstjaar als Gouverneur 1,75% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 2, tweede of derde lid.
Onze Minister kan nadere regelen stellen ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid.
Nabestaandenpensioenen
Artikel 9
De weduwe van een Gouverneur, gewezen Gouverneur of gepensioneerd Gouverneur heeft recht op weduwenpensioen.
Geen recht op weduwenpensioen bestaat, indien het huwelijk was gesloten nadat het ontslag van de echtgenoot als Gouverneur was ingegaan, tenzij de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest.
Artikel 10
Recht op weduwnaarspensioen heeft de invalide weduwnaar van een Gouverneur, gewezen Gouverneur of gepensioneerd Gouverneur, indien zijn echtgenote ten tijde van haar overlijden kostwinster voor hem was.
Artikel 9, tweede lid, is ten aanzien van de weduwnaar van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister kan nadere regelen stellen ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 11
Recht op bijzonder weduwenpensioen heeft de vrouw met wie een overleden Gouverneur, gewezen Gouverneur of gepensioneerd Gouverneur gehuwd is geweest ten tijde van zijn ambtsperiode als Gouverneur, mits:
- a. de vrouw recht op weduwenpensioen zou hebben gehad, indien haar echtgenoot op de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en
- b. de vrouw niet als gevolg van hertrouwen met haar vroegere echtgenoot ter zake van dat overlijden recht op weduwenpensioen verkrijgt.
Artikel 12
Na het overlijden van een Gouverneur, gewezen Gouverneur of gepensioneerd Gouverneur hebben recht op wezenpensioen zijn kinderen, geadopteerde kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn.
Geen recht op wezenpensioen hebben:
- a. kinderen, geboren uit een huwelijk, dat is gesloten nadat het ontslag als Gouverneur was ingegaan, tenzij de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest;
- b. kinderen, geboren buiten het huwelijk nadat het ontslag als Gouverneur was ingegaan;
- c. kinderen, geadopteerd in een huwelijk, dat is gesloten nadat het ontslag als Gouverneur was ingegaan, tenzij de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest;
- d. pleegkinderen waarvoor de overledene de pleegouderlijke zorg op zich had genomen nadat zijn ontslag als Gouverneur was ingegaan.
Artikel 13
Indien een Gouverneur, gewezen Gouverneur of gepensioneerd Gouverneur naar het oordeel van Onze Minister is vermist, zijn de artikelen 9 tot en met 12 van overeenkomstige toepassing.
Het tijdelijke pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen, zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.
Berekening nabestaandenpensioenen
Artikel 14
Het pensioen van de weduwe of weduwnaar van een Gouverneur, gewezen Gouverneur of gepensioneerd Gouverneur bedraagt 72% van het ouderdomspensioen waarop de overledene recht had of zou hebben gehad, onderscheidenlijk recht zou hebben verkregen bij het bereiken van de leeftijd van vijfenvijftig jaar, indien zij of hij metterwoon was of zou zijn gevestigd ter plaatse waar de weduwe of weduwnaar metterwoon is gevestigd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt de overleden Gouverneur geacht zijn ambtsperiode als Gouverneur te hebben voortgezet tot de dag waarop hij zijn ambt als Gouverneur zes jaren zou hebben bekleed.
Indien de weduwe of weduwnaar van een Gouverneur hertrouwt, wordt het pensioen opnieuw vastgesteld met toepassing van de eerste volzin van het eerste lid, met dien verstande dat voor de berekening van het ouderdomspensioen, waarvan het weduwenpensioen is afgeleid, de onvoltooide diensttijd niet in aanmerking wordt genomen.
Het bedrag van het weduwenpensioen ingevolge de voorgaande leden wordt verminderd met het bedrag van het bijzonder weduwenpensioen, toegekend ingevolge artikel 15.
Artikel 15
Het bijzonder weduwenpensioen bedraagt 72% van het ouderdomspensioen, waarop de overledene recht had of bij het bereiken van de leeftijd van vijfenvijftig jaar zou hebben gehad, onderscheidenlijk recht zou hebben verkregen, indien hij metterwoon was of zou zijn gevestigd ter plaatse waar de bijzondere weduwe metterwoon is gevestigd. Voor de berekening van het ouderdomspensioen waarvan het bijzonder weduwenpensioen wordt afgeleid, wordt slechts de diensttijd meegeteld, die is gelegen voor de ontbinding van het huwelijk.
Artikel 16
Het pensioen van de wees van een Gouverneur, gewezen Gouverneur of gepensioneerd Gouverneur bedraagt 14% van het ouderdomspensioen waarop de overledene recht had of bij het bereiken van de leeftijd van vijfenvijftig jaar zou hebben gehad, onderscheidenlijk recht zou hebben verkregen, indien hij metterwoon was of zou zijn gevestigd ter plaatse waar de wees metterwoon is gevestigd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt de overleden Gouverneur geacht zijn ambtsperiode als Gouverneur te hebben voortgezet tot de dag, waarop hij zijn ambt als Gouverneur zes jaren zou hebben bekleed.
Indien de wees geen ouder of pleegouder heeft, die aan het overlijden recht op pensioen ingevolge deze rijkswet ontleent, bedraagt het percentage 28.
Artikel 17
De pensioenen, toegekend aan nabestaanden op grond van hetzelfde overlijden, worden uitgedrukt in percentages van het ouderdomspensioen waarvan zij zijn of kunnen worden geacht te zijn afgeleid.
De som van de percentages, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 100.
Indien de grens, genoemd in het tweede lid, wordt overschreden, worden alle nabestaandenpensioenen verminderd naar onderlinge evenredigheid van de percentages, bedoeld in het eerste lid.
Samenloop van pensioenen
Artikel 18
Hoofdstuk 16 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1979, 519) is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de krachtens deze rijkswet toegekende pensioenen.
Artikel 19
Indien een weduwe aan wie reeds een weduwenpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze rijkswet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later huwelijk eveneens recht op weduwenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze rijkswet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de eigen pensioenen waarvan de weduwenpensioenen zijn afgeleid of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts meegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op weduwnaarspensioen en op bijzonder weduwenpensioen.
Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van de Nederlandse Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in de Nederlandse Antillen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland of de Nederlandse Antillen ingesteld fonds.
Artikel 20
Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze rijkswet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze rijkswet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de eigen pensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn afgeleid of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts meegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
Artikel 19, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Verval van pensioen en uitkering
Artikel 21
Het recht op pensioen vervalt, indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.
Onze Minister kan een ten gevolge van het eerste lid vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen.
Artikel 22
Het recht of het uitzicht op pensioen wordt bij koninklijk besluit, Onze minister-president van de Nederlandse Antillen alsmede de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, geheel of gedeeltelijk vervallen verklaard, indien degene die dat recht of dat uitzicht heeft:
- a. zich in vreemde krijgs- of overheidsdienst naar Ons oordeel uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
- b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld, waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
- c. zich op andere wijze naar Ons oordeel uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
Artikel 23
Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 5.
Artikel 24
In bijzondere gevallen kan bij koninklijk besluit, Onze minister-president van de Nederlandse Antillen alsmede de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, een op grond van artikel 22 of 23 vervallen recht of uitzicht op pensioen of uitkering geheel of gedeeltelijk worden hersteld.
Ingang en einde van pensioen en uitkering
Artikel 25
Het ouderdomspensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop ontstaat.
Het pensioen van een nabestaande gaat in met de dag volgend op het overlijden van degene aan wie het wordt ontleend.
Een tijdelijk pensioen gaat in met een door Onze Minister te bepalen dag.
Artikel 26
Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met een door Onze Minister te bepalen dag.
Het tijdelijk pensioen eindigt, wanneer de vermiste in leven blijkt te zijn, met een door Onze Minister te bepalen dag.
Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin de rechthebbende de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt, dan wel in het huwelijk is getreden.
Artikel 27
De artikelen 25, eerste lid, en 26, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 5.
Artikel 28
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gewezen Gouverneur kent Onze Minister aan de weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toe ten bedrage van de uitkering over een tijdvak van acht weken die de gewezen Gouverneur op de dag van overlijden genoot. Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na als bedoeld in de vorige volzin, dan geschiedt de uitkering ten behoeve van de kinderen, geadopteerde kinderen of pleegkinderen van de overledene die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd of gehuwd geweest zijn.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van een gewezen Gouverneur als bedoeld in artikel 13.
Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste lid nalaat, kan Onze Minister het daar bedoelde bedrag geheel of ten dele bestemmen voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel 29
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerd Gouverneur kent Onze Minister aan diens weduwe van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toe ten bedrage van zijn ouderdomspensioen over een tijdvak van twee maanden. Laat de overledene geen weduwe na als bedoeld in de vorige volzin, dan geschiedt de uitkering ten behoeve van de kinderen, geadopteerde kinderen, of pleegkinderen van de overledene die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd of gehuwd geweest zijn.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een weduwnaar van een gepensioneerd Gouverneur.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van een gepensioneerd Gouverneur als bedoeld in artikel 13.
Indien de overledene geen betrekking als bedoeld in het eerste of tweede lid nalaat, kan Onze Minister het daar bedoelde bedrag geheel of ten dele bestemmen voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel 30
Indien meer pensioen of uitkering is betaald dan overeenstemt met de artikelen 26 en 27, wordt het teveel betaalde teruggevorderd voor zover verrekening daarvan kan plaatsvinden met de uitkering krachtens artikel 28 of artikel 29.
Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen en aan uitkering ingevolge artikel 28 of artikel 29 is betaald worden teruggevorderd.
Administratieve bepalingen
Artikel 31
Onze Minister beslist over de toekenning van pensioenen en uitkeringen krachtens deze rijkswet op schriftelijke aanvraag door of vanwege de belanghebbende.
Onze Minister is bevoegd een pensioen of uitkering ambtshalve toe te kennen of opnieuw vast te stellen.
Onze Minister is bevoegd een voorschot op een pensioen of uitkering te verlenen.
Artikel 32
In een beschikking inhoudende vaststelling van een bedrag, wordt de wijze van berekening van dat bedrag aangegeven. De aan een berekening ten grondslag gelegde ambtsperiode en berekeningsgrondslag worden daarbij vastgesteld.
Artikel 33
Onze Minister draagt zorg voor de betaling van pensioenen en uitkeringen. De periodieke betalingen geschieden in maandelijkse termijnen.
Onze Minister stelt nadere regelen omtrent wijze en voorwaarden van betaling.
Beroep en herziening
Artikel 34
Tegen een besluit op grond van deze rijkswet kan een belanghebbende beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 35
Onze Minister herziet een door hem genomen beschikking, indien:
- a. aan die beschikking een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt, dan wel
- b. na die beschikking blijkt dat aan die beschikking andere feiten ten grondslag dienen te worden gelegd.
Onze Minister wijzigt een beschikking, indien na de beschikking de feiten waarmee in die beschikking rekening is gehouden, zodanig zijn gewijzigd, dat die beschikking anders zou luiden als die nog zou moeten worden genomen.
Onze Minister herstelt een door hem genomen beschikking, indien daarin een onjuistheid anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid voorkomt.
Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel vatbare beschikking, kan Onze Minister dit artikel buiten toepassing laten.
Artikel 36
Een herzieningsbeschikking werkt terug tot het tijdstip van inwerkingtreding van de herziene beschikking, tenzij de herzieningsbeschikking anders bepaalt.
Indien een beschikking als bedoeld in artikel 35 is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene of herstelde beschikking, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van wijziging in de feiten als bedoeld in artikel 35, tweede lid, is Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van de te veel betaalde bedragen.
Terugvordering of verrekening van teveel betaalde bedragen vindt, behoudens het tweede lid, slechts plaats indien belanghebbende redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hem teveel werd uitbetaald, onderscheidenlijk indien belanghebbende heeft nagelaten Onze Minister kennis te geven van een wijziging in de feiten, hoewel dit redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht.
Artikel 37
Vervallen
Overgangsbepalingen
Artikel 38
Behoudens het bepaalde in de volgende artikelen worden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze rijkswet ingetrokken de koninklijke besluiten van 16 maart 1964, nr. 5, en 29 augustus 1969, nr. 5.
Artikel 39
Onverminderd het bepaalde in artikel 40 worden alle pensioenen die voor de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet krachtens de in artikel 38 genoemde koninklijke besluiten zijn toegekend, geacht krachtens deze rijkswet te zijn toegekend.
Artikel 40
De voor de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet krachtens de in artikel 38 genoemde koninklijke besluiten verworven rechten en uitzichten blijven gehandhaafd.
Het bepaalde in het eerste lid geldt voor de Gouverneurs die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze rijkswet, doch na 1 januari 1962 als zodanig bij koninklijk besluit zijn benoemd op grond van artikel 1, tweede lid, van het Reglement voor de Gouverneur van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk artikel 1, tweede lid, van het Reglement voor de Gouverneur van Suriname, alsmede voor hun nagelaten betrekkingen.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid zijn de artikelen 31 tot en met 37 van deze rijkswet van toepassing op de belanghebbenden als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 41
De artikelen 34 tot en met 37 zijn van toepassing met betrekking tot aanspraken, ontleend aan het koninklijk besluit van 8 juni 1953, nr. 22.
Slotbepaling
Artikel 42
Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt terug tot en met 1 oktober 1983.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.