Besluit van 6 april 1990, houdende regelen inzake bijdragen aan de provincies, gemeenten en andere openbare lichamen in de kosten van door hen getroffen maatregelen in het belang van het voorkomen, beperken of ongedaan maken van verontreiniging of aantasting van het milieu

Type AMvB
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 december 1988, no. MJZ 05D8002, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 61z en 81 van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1988, 133) en artikel II van de Wet tot uitbreiding van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne met regels met betrekking tot de financiering van het beleid op het gebied van de milieuhygiëne (Stb. 1988, 113), alsmede artikel 144b van de Provinciewet en 237b van de gemeentewet;

Gezien het advies van de Centrale raad voor de milieuhygiëne van 17 oktober 1988, nr. ABJ-88/985, het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën van 31 augustus 1988, 26107 RFG 86/59, en het advies van het Interprovinciaal Overleg van 20 oktober 1988, 11 1984/88;

De Raad van State gehoord (advies van 24 april 1989, No. W08.88 0684);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 april 1990, nr. MJZ 03490024, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Incidentele subsidie

Afdeling 1

§ 1.1. Inleidende bepalingen

Artikel 2

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2a

Vervallen

Artikel 2b
1.

Onze Minister kan regels stellen omtrent het verstrekken van extra informatie indien hij zulks noodzakelijk acht vanwege onvoldoende herkenbaarheid van de toepassing en besteding van een subsidie als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, in de informatie die gedeputeerde staten krachtens artikel 27, eerste lid van het Besluit financiële verhouding 2001, aan hem verstrekken.

2.

Onze Minister kan voorts een controleprotocol vaststellen ten behoeve van het onderzoek door overeenkomstig artikel 217, tweede lid, van de Provinciewet aangewezen accountants als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek naar de bestedingen van de in het eerste lid bedoelde subsidie.

§ 1.2

Artikel 3

Vervallen

Artikel 3a

Vervallen

Artikel 3b

Vervallen

Artikel 3c

Vervallen

Artikel 3d

Vervallen

Artikel 3e

Vervallen

Artikel 3f

Vervallen

Artikel 3g

Vervallen

Artikel 3h

Vervallen

Artikel 3i

Vervallen

Artikel 3j

Vervallen

Artikel 3k

Vervallen

Artikel 3l

Vervallen

Artikel 3m

Vervallen

Artikel 3n

Vervallen

Artikel 3o

Vervallen

§ 1.3. Bijdrage aan het Interprovinciaal Overleg in verband met rapportages op het gebied van geluidhinderbestrijding industrielawaai

Artikel 4

Onze Minister geeft aan het Interprovinciaal Overleg in het kalenderjaar 1994 een beschikking tot vaststelling van een bijdrage ten bedrage van € 453 780,22 ten behoeve van:

Artikel 4a
1.

Het Interprovinciaal Overleg richt de rapportage, bedoeld in artikel 4, onder a en b, in overeenkomstig artikel 3a.

2.

Onze Minister kan aan het Interprovinciaal Overleg aanwijzingen geven omtrent de inhoud van en de wijze waarop de rapportage, bedoeld in artikel 4, onder a en b, wordt ingericht.

Artikel 4b
1.

Indien een rapportage als bedoeld in artikel 4, onder a, te laat of in het geheel niet over een kalenderjaar wordt toegezonden, dan wel niet is opgesteld overeenkomstig artikel 4a, tweede lid, kan Onze Minister de beschikking tot vaststelling van de bijdrage, bedoeld in artikel 4, geheel of gedeeltelijk intrekken. Onze Minister kan het betaalde bedrag geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

2.

Onze Minister kent zo spoedig mogelijk na ontvangst van het teruggevorderde bedrag aan de provincie een twaalfde van dat bedrag toe.

3.

Indien het uitblijven van de rapportage mede het gevolg is van het niet of onvolledig verstrekken door gedeputeerde staten van gegevens aan het Interprovinciaal Overleg, kent Onze Minister dat de provincie waartoe gedeputeerde staten behoren geen gedeelte van het teruggevorderde bedrag toe. Hij verdeelt dan het teruggevorderde bedrag over de overige provincies.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien een rapportage als bedoeld in artikel 4, onder b, te laat of in het geheel niet in één van de in dat artikel, onder b , bedoelde kalenderjaren is ontvangen, dan wel die rapportage niet is opgesteld overeenkomstig de artikelen 4a en 4d.

Artikel 4c
1.

Gedeputeerde staten verstrekken aan het Interprovinciaal Overleg ten behoeve van de rapportage, bedoeld in artikel 4, onder a, met ingang van 1996 telkens in januari van het lopende kalenderjaar de gegevens over de voortgang in hun provincie van het akoestisch onderzoek met betrekking tot de in artikel 3a, derde lid, onder b, bedoelde industrieterreinen.

2.

Indien de gegevens niet of onvolledig zijn verstrekt, doet het Interprovinciaal Overleg daarvan mededeling in de rapportage.

Artikel 4d
1.

Gedeputeerde staten verstrekken aan het Interprovinciaal Overleg in januari 1996 gegevens omtrent de stand van zaken per 1 januari 1996 met betrekking tot de uitvoering van de saneringprogramma's.

2.

Tot die gegevens behoren in ieder geval:

3.

Bij de vermelding van de kosten van de uitgevoerde maatregelen per saneringsprogramma worden de kosten uitgesplitst naar de in artikel 2, eerste lid, van het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994 onderscheiden categorieën van maatregelen.

4.

Voor zover het verlenen, wijzigen of aanvullen van een vergunning deel uitmaakt van de op 1 januari 1996 uitgevoerde maatregelen, bedoeld in artikel 6a, tweede lid, verklaren gedeputeerde staten ten aanzien van iedere verleende, gewijzigde of aangevulde vergunning dat deze voorziet in een effectuering vóór 1 januari 2003. De verklaringen maken deel uit van de gegevens, bedoeld in het tweede lid.

5.

Gedeputeerde staten verstrekken aan het Interprovinciaal Overleg, met ingang van 1997, telkens in januari van het lopende kalenderjaar de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, over het daaraan voorafgaande kalenderjaar en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder d, per 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het lopende kalenderjaar. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

6.

Indien de gegevens niet of onvolledig zijn verstrekt, doet het Interprovinciaal Overleg daarvan mededeling in de rapportage.

§ 1.4

Artikel 5

Vervallen

Artikel 5a

Vervallen

Artikel 5b

Vervallen

§ 1.5. Subsidie terzake van de kosten van uitvoering van het saneringsprogramma

Artikel 6

Voorafgaand aan de subsidievaststelling wordt geen beschikking tot subsidieverlening gegeven.

Artikel 6a
1.

Onze Minister geeft aan het provinciaal bestuur jaarlijks in de kalenderjaren 1995 tot en met 2002 ambtshalve een beschikking tot subsidievaststelling terzake van de kosten van het terugbrengen, vóór 1 januari 2003, van de geluidsbelasting vanwege alle in de provincie gelegen industrieterreinen, voor zover deze voorkomen op de in artikel 3 bedoelde lijst en het in artikel 3b bedoelde overzicht, van de binnen de zone rond die industrieterreinen gelegen woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen.

2.

De subsidie kan uitsluitend worden besteed aan kosten van uiterlijk vóór 1 januari 2008 te treffen maatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a tot en met e, van het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994. Voor zover het maatregelen betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b en c, van het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994 kan ten hoogste 20% van de met betrekking tot die maatregelen vastgestelde subsidie tevens worden besteed aan kosten van voorbereiding, begeleiding en toezicht van deze maatregelen.

Artikel 6b
1.

Onze Minister stelt ieder jaar voor 1 mei per provincie de subsidie ambtshalve vast op eennegende van het voor iedere provincie achter die provincie vermelde bedrag:

Groningen € 2 441 897,07
Fryslân € 2 887 398,07
Drenthe € 1 447 093,31
Overijssel € 1 698 654,09
Gelderland € 2 862 274,98
Flevoland € 429 339,61
Utrecht € 916 319,30
Noord-Holland € 4 454 606,10
Zuid-Holland € 6 983 949,79
Zeeland € 1 058 617,97
Noord-Brabant € 4 859 366,25
Limburg € 2 405 772,54
2.

Onze Minister kan, gelet op één of meer rapportages als bedoeld in artikel 4, onder b, de voor de uitvoering van deze paragraaf beschikbare subsidie, op aanvraag van het Interprovinciaal Overleg, één keer met € 1 815 120,86 verhogen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.