Wet van 30 mei 1990, inzake invordering van rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen
Afdeling 1. Aansprakelijkheid
Afdeling 3. Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Hoofdstuk VIII. Strafrechtelijke bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 70ca
Indien de ontvanger het verleende uitstel van betaling, bedoeld in artikel 25, vijfde lid, beëindigt omdat een aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 38n van de Wet op de loonbelasting 1964 ingevolge artikel 38n, tweede lid, van die wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2019 gedeeltelijk wordt prijsgegeven en voor het overige wordt afgekocht of omdat een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38p van die wet wordt afgekocht, wordt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding verleend voor zover de belasting en de revisierente waarvoor uitstel van betaling is verleend hoger is dan de belasting en de revisierente die zou zijn geheven, onderscheidenlijk in rekening gebracht, indien de belastingschuldige op het moment van die handeling in Nederland zou hebben gewoond.
Artikel 70cb
Vervallen
Artikel 70cc
Met betrekking tot de vennootschapsbelasting die een lichaam is verschuldigd ingevolge artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, blijven de artikelen 36a, 48, tweede lid, en 55, eerste lid, zoals die bepalingen luidden op 31 december 2016, van toepassing.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 42d
Hoofdelijk aansprakelijk is voor de omzetbelasting die verschuldigd is ter zake van de levering van een zaak: de pandhouder, de hypotheekhouder of de executant die zich heeft verhaald op het door de koper betaalde bedrag, voor zover dat betrekking heeft op de ter zake van de levering verschuldigde omzetbelasting. De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de pandhouder, onderscheidenlijk de hypotheekhouder, onderscheidenlijk de executant, niet wist en ook niet behoorde te weten dat de omzetbelasting niet of niet volledig door de belastingschuldige is of zal worden voldaan.
Afdeling 2. Formele bepalingen
Afdeling 3. Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Hoofdstuk VIII. Strafrechtelijke bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 63aa
Indien een Commissiebesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet terugvordering staatssteun verplicht tot terugvordering van staatssteun en die staatssteun voortvloeit uit de toepassing van deze wet, wordt die staatssteun voor de toepassing van deze wet aangemerkt als in te vorderen belasting.
Bij invordering op grond van het eerste lid:
- a. zijn de ingevolge andere bepalingen van deze wet ter zake geldende verjaringstermijnen en voorwaarden niet van toepassing; en
- b. zijn artikel 20b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 4 van de Wet terugvordering staatssteun van overeenkomstige toepassing.
Artikel 63ab
Ten aanzien van de invordering van teruggevorderde staatssteun als bedoeld in artikel 20a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van staatssteun die ingevolge artikel 63aa is aangemerkt als in te vorderen belasting, zijn niet van toepassing:
- a. de artikelen 25, 26 en 27;
- b. de afdelingen 4.4.2 en 4.4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van artikel 4:97 van die wet.
Geen invorderingsrente wordt in rekening gebracht:
- a. voor zover de belastingaanslag is opgelegd vanwege de terugvordering van staatssteun, bedoeld in artikel 20a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- b. ter zake van staatssteun die ingevolge artikel 63aa is aangemerkt als in te vorderen belasting.
Hoofdstuk VIIbis. Terugvordering en invordering van teruggevorderde staatssteun
Hoofdstuk VIIa. Bestuurlijke boeten
Hoofdstuk IX. Aanvullende regelingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 33a
Hoofdelijk aansprakelijk voor de rijksbelastingen verschuldigd door degene die, al dan niet tezamen met anderen, een onverplichte handeling heeft verricht als gevolg waarvan de ontvanger is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden, is iedere begunstigde van die handeling tot ten hoogste het bedrag van de begunstiging, mits de belastingschuldige en de begunstigde wisten of behoorden te weten dat benadeling van de ontvanger het gevolg van die handeling zou zijn, overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.
Vermoed wordt dat de belastingschuldige en de begunstigde wisten of behoorden te weten dat benadeling in de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger het gevolg van de onverplichte handeling zou zijn indien de ontvanger aannemelijk maakt dat de handeling die tot de benadeling heeft geleid:
- a. onderdeel van een verhaalsconstructie is;
- b. tot stand is gekomen in of na het tijdvak waarin de belastingschuld materieel is ontstaan dan wel op of na het tijdstip waarop de belastingschuld materieel is ontstaan; en
- c. is verricht door of namens een gelieerde natuurlijk persoon of een gelieerd lichaam.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- a. begunstigde: degene die rechtens dan wel in feite direct of indirect voordeel heeft gehad van de onverplichte handeling, bedoeld in het eerste lid;
- b. bestuurder van een lichaam: bestuurder als bedoeld in artikel 36;
- c. gelieerde natuurlijk persoon: een natuurlijk persoon die al dan niet tezamen met anderen de handeling die tot benadeling heeft geleid, heeft verricht met of jegens:
- 1°. zijn partner of zijn bloedverwant in de rechte lijn;
- 2°. een lichaam waarvan hij, zijn partner of zijn bloedverwant in de rechte lijn bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat is, dan wel waarin een of meer van die personen, afzonderlijk of tezamen, een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.6, onderdelen a of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 hebben;
- d. gelieerd lichaam: een lichaam dat al dan niet tezamen met anderen de handeling die tot benadeling heeft geleid, heeft verricht met of jegens:
- 1°. een natuurlijk persoon die bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat van het lichaam is;
- 2°. een natuurlijk persoon die partner of bloedverwant in de rechte lijn van de bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat, bedoeld onder 1°, is;
- 3°. een natuurlijk persoon die al dan niet tezamen met zijn partner of bloedverwant in de rechte lijn, een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.6, onderdelen a of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft in het lichaam, bedoeld in de aanhef;
- 4°. een natuurlijk persoon wiens partner of bloedverwant in de rechte lijn, afzonderlijk of tezamen, een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.6, onderdelen a of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft in het lichaam, bedoeld in de aanhef;
- 5°. een ander lichaam en een van die lichamen is bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat van het andere lichaam;
- 6°. een ander lichaam en een natuurlijk persoon die bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat is van een van die lichamen, of zijn partner of een bloedverwant in de rechte lijn, is bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat van het andere lichaam;
- 7°. een ander lichaam en een natuurlijk persoon die bestuurder, toezichthouder, beheerder, vennoot of maat is van een van die lichamen, of zijn partner of bloedverwant in de rechte lijn, afzonderlijk of tezamen, heeft een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.6, onderdelen a of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in het andere lichaam; of
- 8°. een ander lichaam en in beide lichamen wordt voor ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal direct of indirect deelgenomen door hetzelfde lichaam, dan wel door dezelfde natuurlijke persoon, al dan niet tezamen met zijn partner of bloedverwant in de rechte lijn;
- e. lichaam: de lichamen, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en de lichamen, genoemd in de artikelen 2 en 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
- f. onverplichte handeling: handeling of samenstel van handelingen waarvan er ten minste een onverplicht is verricht;
- g. verhaalsconstructie: handeling of samenstel van handelingen die, onderscheidenlijk dat, in overwegende mate is verricht met als doel om de ontvanger te benadelen in zijn verhaalsmogelijkheden.
Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 2.14a en 10a.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 1, negende lid, van de Successiewet 1956 van overeenkomstige toepassing.
De aansprakelijkheid van de begunstigde, bedoeld in het eerste lid, geldt tevens indien die begunstigde niet in Nederland woont of is gevestigd.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld die bepalen bij welke combinatie van omstandigheden in ieder geval aannemelijk is dat sprake is van een verhaalsconstructie. Een krachtens de eerste zin vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Afdeling 2. Formele bepalingen
Afdeling 3. Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Hoofdstuk VIIbis. Terugvordering en invordering van teruggevorderde staatssteun
Hoofdstuk VIII. Strafrechtelijke bepalingen
Hoofdstuk IX. Aanvullende regelingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 25b
Op verzoek van een belastingschuldige die is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie wordt een belastingaanslag voor zover daarin is begrepen vennootschapsbelasting die betrekking heeft op voordelen ter zake van vermogensbestanddelen die bij de belastingschuldige bij het vaststellen van die belastingaanslag in aanmerking zijn genomen terwijl bij die belastingschuldige deze voordelen niet in aanmerking zouden zijn genomen ingeval deze ter zake van die vermogensbestanddelen voor de heffing van vennootschapsbelasting belastingplichtig in Nederland zou zijn gebleven onder bij ministeriële regeling te stellen regels in vijf gelijke jaarlijkse termijnen voldaan waarvan de eerste termijn één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later. De in de eerste zin bedoelde regels zien op de uitvoering van dit artikel, waaronder begrepen regels betreffende de administratieve verplichtingen.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een belastingschuldige die is gevestigd in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, ingeval in relatie tot die staat een verdrag van kracht is dat, of een regeling is getroffen die, voorziet in wederzijdse bijstand inzake de invordering van belastingschulden die voortvloeien uit belastingen naar de winst.
Indien de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald, stelt hij aan de toepassing van het eerste lid de voorwaarde dat voldoende zekerheid wordt gesteld.
Het eerste lid is niet langer van toepassing:
- a. ingeval de belastingschuldige niet meer is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat als bedoeld in het tweede lid;
- b. ingeval niet meer wordt voldaan aan de bij de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling gestelde regels;
- c. ingeval niet meer voldoende zekerheid als bedoeld in het derde lid is gesteld; of
- d. voor zover de in het eerste lid bedoelde voordelen ter zake van vermogensbestanddelen bij de belastingschuldige in aanmerking zouden zijn genomen indien hij belastingplichtig in Nederland zou zijn geweest.
Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt gedaan tegelijk met de aangifte waarin een voordeel als bedoeld in het eerste lid is opgenomen.
Afdeling 4. Kredietrente, vertragingsrente en rente op achterstallen
Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
Afdeling 1. Aansprakelijkheid
Afdeling 3. Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Afdeling 3. Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Hoofdstuk IX. Aanvullende regelingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7d
In afwijking van artikel 2:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bij ministeriële regeling berichten, groepen van belastingschuldigen of aansprakelijk gestelden of omstandigheden worden aangewezen waarvoor, voor wie, onderscheidenlijk waaronder, geldt dat een belastingschuldige berichten uitsluitend langs elektronische weg dan wel uitsluitend anders dan langs elektronische weg aan de directeur, de ontvanger of de belastingdeurwaarder verzendt.
Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Hoofdstuk III. Dwanginvordering
Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. Verhaalsrechten
Afdeling 3. Uitstel van betaling, kwijtschelding en verjaring
Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
Afdeling 1. Aansprakelijkheid
Afdeling 2. Formele bepalingen
Afdeling 3. Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 18a
Bij de tenuitvoerlegging van een executoriale titel in opdracht van de ontvanger is artikel 475, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing. Bij de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is dit in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen
Afdeling 3. Uitstel van betaling, kwijtschelding en verjaring
Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
Afdeling 1. Aansprakelijkheid
Afdeling 3. Bijzondere verhaalsregelingen voor aansprakelijken
Hoofdstuk VIIa. Bestuurlijke boeten
Hoofdstuk IX. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 26a
De ontvanger verleent bij voor bezwaar vatbare beschikking ambtshalve kwijtschelding van het nog op 31 december 2020 openstaande bedrag van een belastingaanslag van een persoon als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op:
- a. belastingaanslagen die niet voor 1 januari 2021 bekend zijn gemaakt en betrekking hebben op een tijdvak dat is geëindigd, dan wel een tijdstip dat is gelegen, voor 1 januari 2021;
- b. nog openstaande bedragen, niet zijnde belastingen, die door de ontvanger worden ingevorderd met toepassing dan wel overeenkomstige toepassing van deze wet.
De ontvanger verleent bij voor bezwaar vatbare beschikking aan degene, bedoeld in het eerste lid, die aansprakelijk is gesteld overeenkomstig artikel 49 voor de belasting of bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontslag van de verplichting tot betaling van die belastingen of bedragen.
Indien het openstaande bedrag, bedoeld in het eerste lid, na 31 december 2020 is verminderd als gevolg van een betaling of verrekening, betaalt de ontvanger het bedrag waarmee het openstaande bedrag is verminderd uit aan de belastingschuldige.
Geen kwijtschelding wordt verleend indien het ontstaan of niet voldoen van de belastingaanslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de belastingschuldige.
De ontvanger verleent de kwijtschelding uiterlijk drie maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden, of indien dit later is, uiterlijk binnen drie maanden na het toekennen, afwijzen of vermindering tot nihil van het forfaitaire bedrag, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen of indien dit nog later is, uiterlijk binnen drie maanden na bekendmaking van de belastingaanslag. De ontvanger kan de termijn eenmaal met maximaal drie maanden verlengen en stelt de belastingschuldige hiervan uiterlijk op de laatste dag van die termijn in kennis. Verder uitstel is mogelijk voor zover de belanghebbende daarmee instemt.
In afwijking van het eerste en zesde lid verleent de ontvanger uiterlijk binnen drie maanden kwijtschelding van het nog openstaande bedrag van een voorlopige aanslag nadat de aanslag over dezelfde belastingschuld is opgelegd en bekendgemaakt.
Belastingen verschuldigd door personen die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen en waarvan de verschuldigdheid voortvloeit uit de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep worden kwijtgescholden tot maximaal het bedrag dat de belastingschuldige nog als de-minimissteun kan ontvangen als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352).
Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking, bedoeld in het eerste lid, is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
Afdeling 1. Aansprakelijkheid
Afdeling 4. Door de ontvanger aan te houden vrijwaringsrekening bij een bank ten behoeve van depots bij de ontvanger
Hoofdstuk IX. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 27quinquies
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op te innen of terug te betalen bedragen aan rechten bij invoer, rechten bij uitvoer, kredietrente, vertragingsrente en rente op achterstallen en belastingen of heffingen waarop de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
Afdeling 1. Aansprakelijkheid
Afdeling 4. Door de ontvanger aan te houden vrijwaringsrekening bij een bank ten behoeve van depots bij de ontvanger
Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 25c
Het uitstel van betaling, bedoeld in artikel 25, achtste lid, wordt mede beëindigd ingeval een positief voordeel in de zin van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten voor zover het verschil tussen de totale som van de schulden en het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, niet eerder heeft geleid tot intrekking van het uitstel van betaling. Het uitstel wordt in dat geval beëindigd voor een bedrag ter grootte van het voordeel, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van die wet, vermenigvuldigd met:
- 1°. het in de vierde kolom van de in artikel 2.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van het voordeel niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en
- 2°. het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van het voordeel meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald als ware de belastingschuldige nog woonachtig in Nederland en wordt verminderd met:
- a. de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting over het fictief reguliere voordeel, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- b. de over het verschil tussen de totale som van de schulden, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van die wet, en het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, van die wet, in het buitenland feitelijk geheven belasting.
Voor de toepassing van het eerste lid blijven buiten aanmerking schulden bij vennootschappen waarin de belastingschuldige na emigratie een aanmerkelijk belang heeft verkregen en waarbij voordelen uit die vennootschappen niet behoren tot het Nederlandse inkomen, bedoeld in artikel 7.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, voor zover deze schulden niet indirect zijn aangegaan bij vennootschappen ter zake waarvan bij de belastingschuldige een conserverende belastingaanslag als bedoeld in artikel 25, achtste lid, is opgelegd.
Ingeval de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de schulden, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001, lager zijn geworden dan het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, van die wet, en ter zake van die afname in binnenlandse situaties een voordeel als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid, onderdeel b, van die wet in aanmerking zou worden genomen, wordt in afwijking van artikel 25, achtste lid, het uitstel van betaling niet beëindigd voor zover een voordeel als bedoeld in artikel 4.14d of artikel 7.5a van die wet in aanmerking is genomen.
Hoofdstuk VI. Aansprakelijkheid
Afdeling 1. Aansprakelijkheid
Afdeling 4. Door de ontvanger aan te houden vrijwaringsrekening bij een bank ten behoeve van depots bij de ontvanger
Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 41a
Hoofdelijk aansprakelijk is voor de minimumbelasting die over een verslagjaar als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de Wet minimumbelasting 2024 is geheven van een groepsentiteit behorend tot een multinationale groep of binnenlandse groep als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van die wet: elk van de groepsentiteiten die in dat verslagjaar deel uitmaakt of uitmaakte van die multinationale groep of binnenlandse groep.
Afdeling 4. Door de ontvanger aan te houden vrijwaringsrekening bij een bank ten behoeve van depots bij de ontvanger
Hoofdstuk X. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 70g
De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaren, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen vennootschapsbelasting ter zake van een overdracht van vermogensbestanddelen door een fonds voor gemene rekening op grond van artikel IV, eerste lid, van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. Het uitstel wordt slechts verleend indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij niet in aanmerking komt voor de toepassing van artikel V, eerste en tweede lid, van die wet.
Het uitstel wordt verleend voor het bedrag aan belasting dat kan worden toegerekend aan het voordeel ter zake van de overdracht van de vermogensbestanddelen op grond van artikel IV, eerste lid, van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling.
Het uitstel houdt in dat de verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later.
Het uitstel wordt beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige. Ingeval deze omstandigheid zich voordoet, stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld in kennis.
Met betrekking tot een verleend uitstel van betaling als bedoeld in het eerste lid zijn artikel 24, zesde lid, artikel 25, tweeëntwintigste lid, vijfde zin, en artikel 28, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking, bedoeld in het eerste lid, is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 70h
De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaren, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen vennootschapsbelasting ter zake van een overdracht van vermogensbestanddelen door een open commanditaire vennootschap, op grond van artikel IX, eerste lid, van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen. Het uitstel wordt slechts verleend indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij niet in aanmerking komt voor de toepassing van artikel X, eerste en tweede lid, van die wet.
Het uitstel wordt verleend voor het bedrag aan belasting dat kan worden toegerekend aan het voordeel ter zake van de overdracht van de vermogensbestanddelen op grond van artikel IX, eerste lid, van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen.
Het uitstel houdt in dat de verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later.
Het uitstel wordt beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige. Ingeval deze omstandigheid zich voordoet, stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld in kennis.
Met betrekking tot een verleend uitstel van betaling als bedoeld in het eerste lid zijn artikel 24, zesde lid, artikel 25, tweeëntwintigste lid, vijfde zin, en artikel 28, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking, bedoeld in het eerste lid, is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)